Bakker over Bach

Cor Bakker, huispianist van Podium Klassiek, over zijn meest bijzondere ervaringen met klassieke muziek.

Verschenen in de VARAgids, 12 oktober 2024.

“Het eerste klassieke stuk dat ik als kind heb gehoord en dat me altijd is bijgebleven is de onvoltooide symfonie van Schubert. We hadden thuis een grammofoonplaat met music for the millions, bekende klassieke stukken. Ik weet niet hoe oud ik was, misschien een jaar of acht, maar het staat me bij dat ik heel eng vond, die muziek. Ik werd er een beetje bang van. Later begreep ik dat dit het laatste stuk is wat hij heeft geschreven voor zijn overlijden. Je hoort de dood als het ware achter hem aan schuifelen. Een paar jaar later zag ik op televisie de tekenfilms van De Smurfen. Nu denk je: wat heeft dat ermee te maken, maar als het spannend wordt in het bos met Gargamel, dan draaien ze dus een stukje van de onvoltooide symfonie. Ik dacht: hé, zie je, ik ben niet de enige die die muziek spannend vind! Je hebt bij het luisteren naar deze muziek inderdaad het gevoel alsof je door het bos loopt en er elk moment een beer uit de struiken kan komen. Het is heel onheilspellend.”

“Mijn allereerste contact met de piano was in de vijfde klas van de lagere school bij meester De Wit, ongeveer in dezelfde tijd als mijn kennismaking met de Achtste van Schubert. Er stond een piano in het lokaal en als de kinderen buiten gingen spelen dan ging hij op die piano spelen: Für Elise van Beethoven. Daar werd ik ook door gegrepen: jeetje, dat je uit zo’n oude kist met snaren zulke mooie muziek kunt toveren. Vanaf dat moment ben ik bij mijn ouders gaan zeuren of ik op pianoles mocht. Bij ons thuis werd niets aan muziek gedaan. Eerst mocht dat niet, maar na een hele poos mocht het uiteindelijk wel. Ik kreeg les van een hele strenge pianojuf van wie ik alleen maar klassieke stukken mocht spelen, terwijl ik juist helemaal weg was van de jazz-improvisaties van Louis van Dijk. Toen ik uiteindelijk als zeventienjarige bij mijn grote voorbeeld te rade ging of ik wel genoeg talent had om naar het conservatorium te gaan, zei hij letterlijk: je bent een lul als je het niet doet. Jij moet naar het conservatorium, maar hij zei er ook bij: je moet wel de klassieke studie gaan doen, want dat is goed voor je techniek. Je moet de basis in de vingers hebben en vanuit daar kun je gaan improviseren. Daar had hij gelijk in, maar ik had daar geen zin in, dus ben ik tijdens mijn eerste jaar al de kant van de lichte muziek opgegaan. Toen heb ik besloten: ik ga nooit klassieke stukken spelen in het openbaar. Schoenmaker, blijf bij je leest: er zijn zat klassieke pianisten die dat veel beter kunnen dan ik. Klassieke pianisten hebben over het algemeen een veel betere techniek, omdat ze veel langer op een stuk studeren dan een pianist als ik. Bij Podium Klassiek hoorde ik laatst een jongen van twintig een stuk spelen van Rachmaninov. Het water loopt me dan in de mond. Ik doe het hem niet na, maar wat ik doe kan hij dan weer niet.”

“Johann Sebastian Bach is de allergrootste. Hij wordt weleens een pilaarheilige genoemd: hij staat met z’n voeten in de klei, maar z’n handen reiken tot in de hemel. Ik ben dol op improvisaties, maar van zijn stukken blijf je af. Bach, daar moet je niets aan veranderen, net als aan de muziek van Jules de Corte: dat is goed zoals het is. Iets wat perfect is, kun je niet nog perfecter maken. De grote kracht van zijn muziek is de perfecte balans tussen intellect en emotie. Wiskundig gezien kloppen zijn composities tot in de puntjes, dat zou een computer bij wijze van spreken ook kunnen maken, maar dan heb je ook nog zoiets als emotie. Dat kan alleen de mens aan zo’n stuk toevoegen. Bij het begin van de Matthäus Passion schiet ik altijd vol. Dat begint op het moment dat de koren in Kommt, ihr Töchter beginnen te zingen. De menselijke stem is het mooiste instrument dat er bestaat, nog mooier dan de piano. Je raakt meteen ontroerd. En dan die muziek natuurlijk… Fenomenaal. Ze zeggen weleens: God heeft Bach naar beneden gestuurd als voorbeeld voor de andere componisten: jongens, dit is de norm, kom daar maar eens overheen. Nou, er is nooit meer iemand overheen gekomen. Bach schijnt ook heel goed te hebben kunnen improviseren op het orgel. Als je zijn techniek hebt, als je zijn muzikaliteit hebt, dan kan dat ook niet anders. Componeren is in feite niets anders dan improviseren. Niet zo lang geleden heb ik zelf een requiem gecomponeerd: Dijkwacht, opgedragen aan mijn leermeester Louis van Dijk. Dat stuk is ontstaan terwijl ik zelf thuis zat te improviseren achter de piano en dat rolde er eigenlijk in één keer uit. Zo moet Bach zijn stukken ook hebben gecomponeerd, al kon hij het niet opnemen met zijn iPhone. Niet dat ik mezelf wil vergelijken met Bach, begrijp me niet verkeerd, maar ik dacht wel: zo moet dat hij de allergrootsten ook zijn gegaan. Het grote raadsel van zijn muziek is voor mij de hoeveelheid. Bach is niet bijzonder oud geworden: een jaar of vijfenzestig, wat in die tijd heel oud was, maar naar huidige maatstaven niet. Daarnaast had hij een druk gezinsleven: hij heeft twintig kinderen verwekt, waarvan er maar vier de volwassen leeftijd bereikten. Hoe bestaat het dat zo’n man met zo’n leven twaalfhonderd stukken schrijft, waaronder ook al die grote composities? Zonder computer, zonder internet, zonder telefoon, alleen maar met een kaarsje in een koude kerk, met koude vingers alles opschrijven? Geen enkel stuk is slecht: zelfs zijn mindere stukken zijn van het allerhoogste niveau? Ik vind het een wonder.”