Gerard Joling: ‘De beste zanger van Nederland? Dat ben ik zelf’

Gerard Joling (57) is een van de meest geliefde zangers van Nederland. Eind mei staat hij met De Toppers weer drie keer in een bijna uitverkochte Johan Cruijff ArenA in Amsterdam. Playboy spreekt de goedlachse entertainer over zijn carrière, zijn vete met Gordon en zijn politieke engagement: ‘Het zou me niet verwonderen als hier binnen nu en drie jaar een burgeroorlog uitbreekt.’

Het gehele interview met Gerard Joling leest u in Playboy (mei 2018) of op Blendle.

Je staat nu bijna voor de vijftigste keer in de Arena. Voel je nog iets van spanning op de dag van het concert, of is het allemaal routine geworden?
Nou, je bent onrustig op een positieve manier. Je weet dat er die avond 67.000 mensen voor je neus staan en dat doet natuurlijk iets met je. De dagen voor de shows vind ik altijd het zwaarst. Dan doe je de show al een paar keer: eerst een generale repetitie, dan een camerarepetitie, dan een gewone repetitie… Dat is best pittig. Ik hoop dan altijd dat mijn stem het houdt. Op de dag van het concert ga ik meestal eerst een uurtje hardlopen in het sportzaaltje van het Amstel Hotel. In de kleedkamer houd ik het altijd heel rustig: een paar geurkaarsen, een beetje wierook en vooral niet te veel mensen om me heen. Die rust moet je ook hebben wanneer je opkomt. Je moet langzaam het trappetje op, langzaam uit de lucht naar beneden zakken, langzaam van de olifant af… Je krijgt zo’n adrenalinestoot dat je het liefst over dat podium wilt rennen, maar dat moet je niet doen. En dan is het even drie uurtjes heel hard werken, maar het blijft natuurlijk iets wonderbaarlijks, zo’n groot concert. Het is belangrijk dat je rustig blijft.

Ben je al helemaal in vorm of moet je er nog even tegenaan?

Ik moet eigenlijk nog acht kilo afvallen, maar dat gaat me niet meer lukken. Ik vind het veel te leuk om uit eten te gaan en een drankje te drinken, waardoor ik niet zo slank en afgetraind ben als ik eigenlijk zou willen zijn. En ik hoop dat ik geen last krijg van de pollen in de lucht, want daar ben ik altijd heel erg gevoelig voor. Er lopen natuurlijk artsen rond die daar allerlei middeltjes voor hebben, dus er is niets aan de hand, maar dat probeer je toch te voorkomen. Het belangrijkste is nu dat we volgende week beginnen met repeteren, met het instuderen van de liedjes, en dat vind ik ook altijd wel een ding.

Want?

Nou, je hebt heel veel liedjes die je leuk vindt, maar er zitten ook altijd nummers bij waarvan je denkt: jemig, wat vind ik dat verschrikkelijk. Van die lullige liedjes als Olleke bolleke remi solleke, bijvoorbeeld. Daar word ik helemaal niet goed van. Of Er staat een paard in de gang. Ik ben dol op André van Duin, hij is een fantastische artiest voor wie ik ongelooflijk veel respect heb, maar dat nummer hoeft voor mij niet. Maar dan zie je hoe de mensen uit hun pan gaan en dan denk je: ach, laat ook maar, en dan zing je het maar een beetje mee. We hebben alle vier wel liedjes waar we niet zoveel zin in hebben.


Wie vind jij op dit moment de beste zanger van Nederland? Zit hij in De Toppers?

Dat vind ik heel moeilijk, want dat heeft heel erg met smaak te maken. Maar als het gaat om veelzijdigheid, en als het gaat om volume, dan vind ik mezelf eigenlijk wel de beste. Dat klinkt ontzettend opschepperig, maar ik denk dat ik een heel goede zanger ben. Gisteravond zat ik met wat vriendinnen, onder wie Mary Borsato en Bonnie St. Claire, wat oude concerten terug te kijken, van Marco en Bonnie, maar ook van mezelf, en dan zie ik dat en dan denk ik: Geer, hier mankeert helemaal niets aan, dit is zó goed gedaan. Als het gaat om veelzijdigheid in muzieksoorten, dan vind ik Waylon een van de beste zangers van Nederland.

(——-)

Welke politicus vind je goed?
Thierry Baudet (Forum voor Democratie, red.) doet het heel goed, al moet hij niet van die rare legeroutfits gaan dragen zoals laatst in de Tweede Kamer, want dan knap ik af. Voor de rest is het slecht gesteld met de politiek. Nederland schreeuwt naar mijn mening om twee dingen: strengere regels en hogere straffen.’ Hij veert op van zijn stoel en begint vurig te spreken: ‘De politie moet allereerst meer bevoegdheden krijgen. Niet alleen met pepperspray, maar ook met het gebruik van knuppel en geweer. Je denkt toch niet dat je bij de Guardia Civil in Spanje iemand uit kan lachen of in zijn gezicht kan kwatten zonder dat er iets gebeurt? Dan slaan ze je met zes knuppels in elkaar. Hier mag dat weer niet. Wat is dat voor een beleid in Nederland? Zo wordt het alleen maar erger. We krijgen steeds meer inbraken, steeds meer overvallen, en het maakt dat tuig ook niet uit, want ze denken: als ik word opgepakt dan kom ik toch in een soort hotel terecht waar ik zelf mag kiezen wat ik eet en waar ik alleen op een kamer kom te zitten. Het is hier gewoon een El Dorado. Ik word er angstig van. Het kan toch niet waar zijn dat iedereen hier alles maar kan doen? Als jij negen jaar op een huis zit te wachten in Amsterdam maar je krijgt het niet omdat er krakers in zitten die er niet uit willen. Van Aartsen, die paardenlul, zegt tegen die mensen: dan moet je maar aangifte gaan doen. Wat is dat voor een waarnemend burgemeester? Die man moet gewoon heel snel met pensioen. Het kan toch niet waar zijn dat een vrouw van in de zeventig staat te douchen en dat er ineens buitenlanders in de woonkamer staan die dat huis gaan kraken? Het zou mij gebeuren zeg. Ik zou er zelf tegenaan gaan met een bijl en een hakmes. Ik vind het zo verschrikkelijk dat dit hier allemaal gewoon kan. Het land wordt overgenomen door de buitenlanders en we zijn gewoon te laat. We kunnen niet meer terug. En dat is allemaal de schuld van links.

Daar zeg je nogal wat. Je hebt het over een bijl en een hakmes, wat me doet denken aan een uitspraak van Forum voor Democratie-Kamerlid Theo Hiddema, die eens zei dat de burger zelf een pistool moet kopen om zichzelf te verdedigen.

 Ik ben het wel met hem eens. Vijf jaar geleden stonden er ‘s nachts vijf mannen aan mijn deur die me wilden overvallen. Ze zijn niet binnengekomen, ik lag in diepe slaap en heb ook niets gehoord, maar ze hebben wel de deur ontzet. Ik heb de beelden van die poging tot roofoverval opgestuurd, en ook die van de buren, maar de politie heeft er niets mee gedaan. Zij noemden het een poging tot inbraak. Ammehoela. Je gaat niet inbreken bij iemand die gewoon thuis is, en dan ga je ook niet met vijf man met allemaal een mombakkes om bij de deur staan. Ik heb nu een nieuw huis en ben vergeven van de camera’s. Ik heb nu ook mijn eigen dingen in huis. En ik zal niet zeggen of dat nu een geweer is of iets anders, maar ik ben bang geworden en denk: hier heb ik geen zin meer in. Dus verdedig ik me ook met dingen die niet mogen. Prima. Ik werk mezelf drie slagen in de rondte en een ander trekt m’n troep leeg of zet me een mes op de keel voor een paar klokkies? Dacht het niet. Ik vind dat we onszelf moeten kunnen verdedigen. Die wet moet er dan misschien ook maar door.

Een wapenwet? In de Verenigde Staten staat die wet nu juist heel erg ter discussie.

Ja, en dat snap ik ook wel, want het is natuurlijk ook angstaanjagend, iemand die met een Kalasjnikov een school binnenkomt. Aan de andere kant kun je het ook niet controleren. De schutter in het winkelcentrum van Alphen aan den Rijn was ook iemand met psychische problemen, maar hij kreeg toch een wapenvergunning. Het is een heel lastige discussie. Dat vind ik ook. Ik weet niet of we daar ooit uit zullen komen in Nederland. Maar ik vind ook dat je jezelf moet kunnen verdedigen tegen dat soort gespuis.

Dan, weer wat bedaard: ‘Het is net of ik een politiek pleidooi aan het houden ben, maar ik wind me er gewoon erg over op. Mijn grootste angst voor de komende jaren is de islamisering van Nederland. Ik heb niets tegen buitenlanders, maar ze moeten wel onze taal spreken en onze normen en waarden respecteren. We hebben de afgelopen jaren gewoon te veel binnengelaten in een te klein land en vroeg of laat gaat dat botsen. Dan komt er een clash tussen de verschillende culturen. Het zou mij niet verwonderen als er binnen nu en drie jaar een burgeroorlog uitbreekt. De mensen pikken het niet meer. Het land gaat naar de klote op deze manier.’

Advertenties

Taco Dibbits over ‘Het Joodse Bruidje’ van Rembrandt

Kunsthistoricus Taco Dibbits (49) is directeur van het Rijksmuseum. Nu is daar de portrettententoonstelling High Society te zien. Wat leest, kijkt en luistert hij in zijn vrije tijd?

Uit: HP/De Tijd, 05, 2018. Het gehele interview leest u hier op Blendle.

BEELDENDE KUNST
“Het Rijksmuseum heeft meer dan een miljoen objecten in zijn collectie. Het grootste gedeelte daarvan hebben we inmiddels gedigitaliseerd, maar er komen nog steeds verrassingen tevoorschijn. Laatst zag ik een ongelooflijk mooie slaapmat, bestaande uit allemaal heel fijn gewoven ivoorstripjes, waarvan ik was vergeten dat we hem hadden. Zo’n ontdekking maakt je dag. Wat mijn favoriete werk is uit onze collectie? Dat wisselt met je leeftijd en je humeur. Op dit moment is dat Het Joodse Bruidje van Rembrandt. Dat heeft met het verhaal van het schilderij te maken. Op het doek zie je twee mensen die elkaar met vertwijfeling in de ogen omhelzen, maar je weet niet wie het zijn. Door de titel van het schilderij denk je dat het twee geliefden zijn, maar waarom kijken ze dan zo droevig? Eigenlijk weten we pas sinds het begin van de jaren twintig, toen er een schets van het schilderij werd gevonden, wie erop staan afgebeeld. Het zijn Isaak en Rebekka. Als ze zich op de vlucht voor een hongersnood vestigen in een ander land, doet Isaak zich voor als haar broer, om te voorkomen dat hij wordt vermoord en zij wordt verkracht. Op het moment dat ze zich onbespied wanen en elkaar omhelzen, kijkt de koning uit het raam. In het uiteindelijke schilderij heeft Rembrandt de koning weggelaten en is het de toeschouwer die hen betrapt. Met alle mensen die nu op de vlucht zijn naar een ander land is dit schilderij natuurlijk bijzonder actueel.
“Ik kom veel in andere musea, ook omdat ik vind dat je moet weten wat er speelt. Meest recentelijk bezocht ik de overzichtstentoonstelling van Rineke Dijkstra in Museum De Pont. Je voelt je heel ongemakkelijk als je naar haar foto’s kijkt. Door het gestileerde en het geposeerde krijgt het werk een enorme diepgang. Je hebt het idee dat je iemand recht in de ziel kijkt, maar daarmee kijk je ook bij jezelf rechtstreeks naar binnen. Dat vind ik het interessante aan haar werk. Wat mij wel opviel bij deze tentoonstelling is dat om al haar foto’s een standaard passe-partout en een standaardlijst zaten. Dat kan heel sterk zijn, die eenheid, maar in dit geval kregen de foto’s daardoor iets vlaks. Ik werd er bijna door afgeleid. Dat vond ik interessant om te constateren.
“Wat het beste museum is naast het Rijksmuseum? Ik kijk dan altijd heel erg naar de collectie. Galleria Borghese in Rome vind ik ongelooflijk. Als ik daar rondloop, denk ik continu: dit zou ik anders hebben gedaan. Dat kan soms irritant zijn, want daardoor ben je afgeleid van de kunst, maar als ik de beelden van Bernini en de schilderijen van Caravaggio zie, vergeet ik alles en word ik naar die kunst toe getrokken. Het Metropolitan in New York is buitengewoon. Als je daar binnenkomt, heb je het gevoel dat je erbij hoort. Dat komt door de proporties van de entree. Het verheft je, maar het is niet arrogant, je voelt je er niet door gekleineerd. Bij ons is dat atrium een geniale ingeving geweest van de architecten. Het is een plein voor iedereen geworden. En het grappige is: ik heb het tijdens de verbouwing opgemeten en het is precies even groot als de hal van het Metropolitan.”

 

Jan Wolkers: Cremers knapste leerling?

Schreef Jan Wolkers ‘pik’ dankzij Jan Cremer, of kon Cremer zo onverbloemd schrijven dankzij Wolkers? Biograaf Onno Blom gaat voorbij aan de band die de twee giganten hadden, aldus Cremer. ‘Een literair schandaal’, vindt hij.

Jan Cremer keek vreemd op toen hij op 7 oktober 2017 het Financieele Dagblad las. Literatuurwetenschapper Jaap Goedegebuure schreef daar dat Jan Wolkers ‘de weg had gebaand’ voor de onverbiddelijke bestseller Ik Jan Cremer. In 1989 beweerde diezelfde Goedegebuure, toen hoogleraar Taal- en Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Tilburg, namelijk nog het tegenovergestelde. In zijn Nederlandse literatuur 1960-1988 schreef hij over Wolkers dat hij ‘niet de taboeschenner is waarvoor hij zich achteraf graag uitgeeft’ en dat hij pas zo onverbloemd over seksualiteit kon schrijven nadat ‘‘Het Beest’ Jan Cremer hem was voorgegaan’. Turks fruit, het beroemdste boek van ‘Cremers knapste leerling’ is volgens hem ‘weinig meer dan een voetnoot bij Jan Cremer’ die de romantiek van het minnende kunstenaarsstel al veel eerder had opgeroepen.

“Die man is de weg kwijt,” oordeelt de inmiddels 78-jarige Cremer, die momenteel in Italië hard werkt aan zijn nieuwe boek Canaille. “Hij spreekt zichzelf compleet tegen. Dat is natuurlijk al vreemd, maar nog veel vreemder vind ik de rol van Onno Blom.” In Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers, die twee weken na het verschijnen van het artikel werd gepresenteerd, maakt de biograaf namelijk niet één keer gewag van de invloed die Cremer op het werk van Wolkers zou hebben gehad. Cremer: “Blom gaat volledig voorbij aan de band die ik had met Wolkers. Ik kende Wolkers al sinds de jaren vijftig, ik heb hem diverse keren bezocht en had al die jaren heel goed contact met hem. Ik weet dat hij mijn werk enorm bewonderde, ik gold als een soort loods voor hem. Dat zei hij ook. Blom wist dat ook. Hij was honderd procent op de hoogte van die feiten, we hebben er ook weleens uitvoerig over gesproken toen hij bestuurslid was van het Cremer Museum in Enschede, maar hij heeft het bewust weggelaten in de biografie. Dat vind ik een kwalijke zaak. Een literair schandaal.”

Jaap Goedegebuure moet desgevraagd toegeven dat hij zichzelf tegenspreekt in het artikel. “In 1989 schreef ik inderdaad dat Jan Cremer geen wegbereider nodig had,” zegt hij, “maar daar ben ik, toen ik me voor dat artikel weer eens ging verdiepen in de documentatie, een beetje van teruggekomen. Jan Wolkers was onbetwist eerder in de tijd als het gaat om schrijven over seksualiteit. Al in 1963 liepen mensen boos weg uit de zaal toen hij in Leiden en Bergen het verhaal Kunstfruit voorlas. Cremer kon in zekere zin op dat pad voortgaan. Cremer was wel de eerste die expliciete taal ging gebruiken. Wolkers was veel meer omfloerst, die zou tot het verschijnen van Ik Jan Cremer in 1964 nooit woorden als ‘pik’, ‘kut’ en ‘neuken’ hebben gebruikt. Daarin was Jan Cremer echt een pionier, al had hij op zijn beurt weer heel goed naar Henry Miller en Jack Kerouac gekeken.” Een geagiteerde Cremer, even later aan de telefoon: “Ik word altijd met die twee vergeleken. Ik zweer je, ik heb die boeken nooit gelezen. Wolkers las ik trouwens ook niet. De jaren zestig waren veel te druk om te lezen. En ik schrijf ook veel beter. Literatuur lezen is tijdverlies.”

Er zijn weinig wetenschappelijke werken waarover de laatste jaren zo veel gesteggel is geweest als de biografie van Jan Wolkers. Een eerste promotiecommissie had de dissertatie afgewezen: het academische werkstuk zou zich te veel focussen op de hoofdpersoon en te weinig op de maatschappelijke en culturele context – wat de verhandeling onvoldoende ‘wetenschappelijk’ maakte. Een tweede commissie keurde de dissertatie wel goed. Goedegebuure heeft daar zijn eigen opvatting over: “Blom plaatst Jan Wolkers niet of nauwelijks in zijn tijd en vergelijkt hem al evenmin met zijn tijdgenoten, nee, het gaat bij hem om de uniciteit van Wolkers. Dat vind ik geen verantwoorde aanpak voor een biografie. Daardoor lijkt het net of Wolkers een volkomen uniek en eenmalig fenomeen is geweest – en dat is natuurlijk niet zo. Ik zou Jan Wolkers veel meer hebben behandeld als een exponent van de jaren zestig en daarbij ook zeker Jan Cremer – maar ook andere schrijvers, bijvoorbeeld de Vijftigers – hebben genoemd. Nu is het Wolkers voor en Wolkers na en dat zorgt voor een enorme uitvergroting. Ik denk ook dat Blom misschien iets te goed bevriend was met Wolkers en later met diens weduwe om hem met een gezonde afstand te beschouwen. Je ziet de hand van de weduwe ook wel heel erg terug in het boek, vind ik.”

Onno Blom moet hartelijk lachen om die laatste opmerking. “Welke hand van de weduwe is dat geweest? De rechter of de linker? Heeft Goedegebuure een van beide soms vastgehouden? Wellicht is zijn visie wel een tikje gekleurd. In het archief op Texel vond ik nog een boos briefje van Goedegebuure, nadat Wolkers hem een ‘schooierachtige wekeling met de herseninhoud van een ziekelijke chimpansee’ had genoemd. Zelfs dát heeft de biografie niet gehaald.” In de kritiek dat hij Wolkers in zijn biografie te veel als een uniek en eenmalig fenomeen beschouwt, kan hij zich niet vinden. “Ik zou Wolkers zelf niet zo snel een uniek fenomeen noemen, maar uitzonderlijk was hij wel. Net als Cremer een einzelgänger. En dat ontbreken van ‘die context’ is natuurlijk ook niet waar: de omgeving van Wolkers, de jeugd in Leiden en Oegstgeest, de succesjaren in Amsterdam en het late leven op Texel – het wordt allemaal uitgebreid getekend. De geschokte reacties op zijn werk, binnen en buiten de kunst, wat mannen en vrouwen van Wolkers vonden – het staat allemaal in mijn biografie.” Was hij op de hoogte van de passages in de bundel essays van Jaap Goedegebuure waarin hij stelt dat Jan Cremer het pad heeft geëffend voor Jan Wolkers? “Ik heb die documenten gelezen, maar ik heb geen bewijs gevonden dat Wolkers aantoonbaar literair door Cremer is beinvloed. Jan Cremer was geen loods voor Jan Wolkers. Cremer was ook niet eerder een ‘onverbloemde’ schrijver dan Wolkers. Omgekeerd lijkt Cremer me ook niet door Wolkers geïnspireerd. Ik denk dat Wolkers en Cremer onafhankelijk van elkaar ongeveer gelijktijdig zijn begonnen om proza te schrijven waarin expliciete scènes voorkomen. Dat was in een tijd waarin ze elkaar, voor zover ik weet, niet persoonlijk kenden. Dat ik hem niet heb genoemd heeft overigens niets te maken met mijn waardering voor Cremer – die is, zoals hij ook wel weet, heel groot. Het was gewoon steeds scherp kiezen.”

Olcay Gulsen: ‘Van types als Sylvana Simons gaan mijn haren rechtovereind staan’

In haar boek SuperOlcay doet Olcay Gulsen (38) uit de doeken hoe je met lef van niets naar de top komt. Ze kan het weten, als de vrouw die eigenhandig een mode-imperium uit de grond stampte. 20 vragen aan ‘de ultieme girlboss van Nederland.’

Uit Playboy, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

In je boek Superolcay vertel je over de grootste valkuil van mensen die van niets komen en opeens succes krijgen: overshinen. Hoe zag dat er bij jou uit?

Ik was al op jonge leeftijd redelijk snel succesvol en wilde dat heel erg laten zien aan iedereen. Ik vond mezelf wel wat. Ik kocht mooie klokken, dure auto’s, het was echt te cheesy voor woorden. Op een gegeven moment vierde ik zelfs mijn dertigste verjaardag op een afgehuurd jacht aan de Zuid-Franse kust met zogenaamd mijn beste vrienden, maar dat waren natuurlijk niet mijn vrienden. Als ik daar op terugkijk, vind ik dat echt een irritante houding van mezelf. Het is ook een beetje een dommige manier om indruk te maken. Zo’n feest op zo’n jacht heeft niets te maken met geluk of gezelligheid. Als ik nu op de bank zit met een paar echte vrienden dan is het pas écht gezellig. Daar hoef je geen dure champagne voor te drinken.

We lazen dat je in een huurhuis woont van €4.500 per maand. Waarom koop jij geen huis?

Omdat ik mijn hele leven al heel graag direct wil kunnen verhuizen. Dat is meer een psychisch dingetje. Ik heb een soort bindingsangst, met mensen en met plekken.

Wat is het duurste kledingstuk dat je bezit?

Ik denk dat het meeste geld in mijn tassencollectie is gaan zitten. Ik had er ontzettend veel, waar ik belachelijk veel geld aan had uitgegeven, maar toen er twee jaar geleden bij mij is ingebroken hebben ze alles meegenomen. Dat was echt heel zuur. Toen moest ik opnieuw beginnen. Ik nam me voor om er niet meer zoveel te kopen. Ik heb er nu een stuk of twintig, nog steeds veel te veel natuurlijk, die variëren tussen de €1.200 en €9.000.

6. Bij jou lijkt alles altijd zo vlekkeloos te verlopen. Gaat er ook weleens iets mis?
Natuurlijk. Ik heb een periode heel slecht in mijn vel gezeten. Tussen 2014 en 2016 had ik denk ik een burn-out, al zou ik dat nooit tegenover mezelf toe willen geven. Ik was helemaal klaar met de mode-industrie en de televisiewereld en heb toen echt twee jaar in de luwte geleefd. Och man, ik had het zo zwaar. Ik had mijn hele leven al mijn emoties uitgeschakeld. Ik had nooit gehuild, ik had me nooit kwetsbaar opgesteld, en toen gleed ik me toch uit en werd het twee jaar lang een groot jankfestijn. Ik voelde me zo slecht. Ik dacht ook echt dat ik er nooit uit zou komen. Achteraf gezien had ik hulp moeten zoeken, maar daar was ik toch te trots voor. Ik dacht dat ik het wel zelf kon en daarom heeft het ook zo lang geduurd.

In die periode was ik ook nog eens de gevierde vrouw. Dat matchte natuurlijk totaal niet met hoe ik me voelde. Ik dacht op een gegeven moment: ik boek gewoon een enkele reis naar een ver land en ik kom nooit meer terug. Al die ellende heeft me ook wel iets geleerd. Ik was altijd een schoft voor mensen die een burn-out hadden. Ik vond altijd dat ze zich niet zo aan moesten stellen. Ik kan natuurlijk nog steeds wel bedrijfseconomisch denken, ik bedoel: als jij een burn-out hebt en je contract loopt af, dan ga ik dat natuurlijk niet verlengen, maar ik ben niet meer de kille werkgever die ik ben geweest. Ik begrijp nu wat zoiets met je kan doen.

11 Je omschreef je vader in een oud interview eens als ‘een schizofreen, verslaafd aan heroïne en alcohol en gewelddadig tegen zijn hele gezin’. In het dankwoord van je nieuwe boek bedank je hem voor ‘zijn kleurrijke geest’. Wat is er de afgelopen jaren veranderd in jullie verhouding?

Ik ben ouder geworden. Dat is het denk ik. Ik was natuurlijk echt een rebel, ik schopte tegen alles en iedereen aan en daarbij het hardst tegen mezelf. Die drang heb ik nu minder. Ik zie nu heel goed in dat hij slachtoffer is van zijn ziekte en dat hij mijn jeugd niet bewust tot een hel heeft willen maken. Ik vind hem heel zielig en ik hou van hem – heel tegenstrijdig. Ik spreek hem nu een of twee keer per week en dat vind ik prettig.

12 Je moeder was ook niet de makkelijkste ouder, toch? Ze zegt onomwonden dat ze je eigenlijk had willen laten aborteren.

Ik weet niet meer hoe ze dat vertelde. Volgens mij heeft ze van kleins af aan al tegen mij gezegd dat ze liever had gewild dat ik doodgeboren was. Ik heb daar alleen nooit mee gezeten.

13 Heeft die moeilijke gezinssituatie jouw gedachten over het zelf stichten van een gezin beïnvloed?

Ik heb daar heel lang moeite mee gehad, maar meer door de ziekte van mijn vader. Schizofrenie is namelijk best wel een sterk genetisch bepaalde ziekte in onze familie. Mijn vader heeft het, zijn moeder had het, haar moeder had het ook… Ik dacht: misschien ben ik dan de lucky one die het niet krijgt, maar wat als mijn kind het wel krijgt? Omdat ik door mijn vader weet hoe erg het is om die ziekte te hebben. Nu sta ik daar anders in. Als ik de keuze had, dan zou ik wel een gezin willen stichten. Ook de angst dat ik daardoor misschien niet meer zoveel kan werken is nu weg. Ik was altijd zo gefixeerd op het zakelijk succes, maar nu denk ik: misschien is het krijgen van een kind wel het mooiste wat je kan overkomen.

14 Wat is op dit moment het grootste verdriet in je leven?

Mijn vader. Nog steeds. Als ik ergens wakker van word of ik heb een knoop in mijn maag, dan is dat altijd om die reden. Erg vind ik dat van mezelf. Ik kan er namelijk toch niets aan veranderen. Ik denk altijd wel dat ik alles kan veranderen, ik ben een supermens, dus ik kan toch ook wel mijn vader beter maken? Maar dat kan ik dus niet. En dan hoop ik altijd dat hij doodgaat. Dan heeft hij geen stemmen meer in zijn hoofd, hoeft hij geen drugs meer te scoren en is hij verlost van alle ellende. En dan voel ik me daar weer schuldig over.

15 Wat is het grootste misverstand dat over jou bestaat?

Dat ik arrogant ben. Ik ben zelfverzekerd, maar dat wordt vaak verward met arrogantie.

18 Je schrijft in je boek dat je een hekel hebt aan jonge allochtonen die blijven hangen in hun slachtofferrol. Wat bedoel je daar precies mee?

Nou ja, dat ze de buitenlandkaart spelen. Zo van: ‘Ja, ik word gediscrimineerd en daarom word ik niet aangenomen.’ Man, hou toch op. Je leeft in een land waarin alles kan en mag. Je kunt hier met veel inzet en hard werken iets bereiken, ook als je bent geboren in het verkeerde milieu. Ik ben wat dat betreft hartstikke trots op Nederland. Nederland staat voor mij gelijk aan vrijheid, maar die vrijheid wordt een beetje ingeperkt. We verdwalen ook echt in discussies.

Je mag niets meer zeggen, maar daar tegenover staan juist weer mensen die heel veel mogen zeggen en die daar ook gretig gebruik van maken. Van types als Sylvana Simons en die mannen van DENK gaan mijn haren recht overeind staan. Dat zijn zulke moemakers. Ik vind het walgelijk hoe ze een slachtofferrol op zich nemen met als enige doel om aandacht te krijgen. En die aandacht krijgen ze ook nog eens. Het is een soort vicieuze cirkel. Gelukkig zijn er ook nog steeds mensen die intelligente dingen zeggen, zoals golden boy Jesse Klaver, op wie ik vorig jaar ook gestemd heb. Dat is iemand in wie ik me politiek gezien wel kan vinden. Ook van vrouwen die zeggen dat ze minder kansen hebben dan mannen kan ik moedeloos worden. Vrouwen die er echt voor gaan, hebben ook veel kansen. Ik huiver dan ook altijd een beetje bij het woord feminist. Ik zou mezelf niet zo snel zo noemen – al ben ik het wel. Bij feministen denk ik toch altijd aan van die losgeslagen vrouwen met korte haren en tuinbroeken. Ik ben wat dat betreft meer een ‘vrouwelijke’ feminist.

19 Over de ontstaansgeschiedenis van Supertrash is altijd wat onduidelijkheid geweest. Quote plaatst bijvoorbeeld vraagtekens bij het feit dat het merk in Los Angeles zou zijn opgericht door een zekere Ava Riley en door jou zou zijn opgekocht. Zij stellen dat je het merk zelf hebt opgericht en dit verhaal alleen hebt verzonnen om het wat beter in de markt te zetten. Klopt dat?

Die verwarring is toch alleen maar leuk? Alles is een verhaal. En als er geen verhaal is dan moet je maar een verhaal maken. Ik heb veel gebluft, ik heb een beetje gelogen, ik heb interessant gedaan, ik heb mezelf beter voorgedaan dan ik was – het hoort er allemaal bij. En ik zou het morgen weer doen. Dat is onderdeel van de strategie. Je moet je best doen om een beetje op te vallen.

20 Waar hoop jij over tien jaar te staan?

Dan zit ik niet meer in de mode-industrie. Ik vind het een te gekke industrie, ik heb veel meegemaakt, veel geleerd, ik heb alles daarin wel bereikt, maar ik zou me ook wel weer eens op iets nieuws willen storten in een wereld waarin ik de regels nog niet ken. In Amerika noemen ze dat the third act of life. Het lijkt me heel leuk om misschien iets in de media te gaan doen, of de stoute schoenen aan te trekken en iets aan ontwikkelingshulp te gaan doen. Ik weet het nog niet. Ik ben alleen te jong om de rest van mijn leven te doen wat ik nu doe, maar eigenlijk ook te oud om met iets heel nieuws te beginnen – al wil ik dat wel heel graag.

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2018)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan een twintigtal literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

Willem Mertens’ levensspiegel (1914)
J. van Oudshoorn (1876 – 1951)

Jeroen Brouwers: Het is er moeilijk één boek te kiezen uit het onvoorwaardelijk bewonderde oeuvre van een schrijver. Ik bedoel J. van Oudshoorn, pseudoniem van Jan Koos Feylbrief, geboren en overleden in Den Haag (1876-1951). Zijn oeuvre, niet omvangrijk en al decennia niet herdrukt, is beklemmend somber en toch toegankelijk door toon en stijl en hier en daar zelfs sprankjes geestigheid.
Nu en dan herlees ik het, nu eens Willem Mertens’ levensspiegel, dan Tobias en de dood of Achter groene horren. Het infecteert me niet met het triestige bestaansbesef van Van Oudshoorns romanpersonages, al kan ik me dikwijls met hen vereenzelvigen. Lezing van deze en nog andere titels veroorzaakt integendeel vreugde zoals die zich voordoet bij het ervaren van alle grote kunst. Van Oudshoorn was een groot schrijver, verwaarloosd en zeer ten onrechte vergeten.
Ik kies voor Willem Mertens’ levensspiegel, de roman waarmee hij in 1914 debuteerde. Van een verhaal of een ontwikkeling is nauwelijks sprake. Willem Mertens werkt op een kantoor waar hij geld ontvreemdt uit de onder zijn beheer gestelde kas. Om dit aan te zuiveren gaat hij leningen aan, die hij verbrast in de kroeg. Zijn leven is in verveling doodgelopen, leeg en eenzaam. In de spiegel ziet hij zijn leven gepersonifieerd in een ongure schim van een mislukkeling en beseft hij zijn verwordenheid en schuldgevoelens daarover.
Een aan-uitrelatie met een meisje uit de kroeg houdt evenmin stand als wat dan ook in zijn ten slotte hopeloos verloederde aanwezigheid in de wereld. Al op de eerste bladzijde is duidelijk dat op de laatste Willem Mertens zich ‘doelbewust’ zal verdoen: hij werpt zich uit het raam.
Ik doe Van Oudshoorn onrecht aan door zijn aangrijpende roman zo bijna harteloos summier weer te geven. Dit eminente proza van inmiddels meer dan een eeuw geleden verdient nieuwe lezers en nieuw enthousiasme.

Onzichtbare boeken (2014)
Thomas Heerma van Voss (1990)

Alma Mathijsen: De schrijver van het boek is allerminst vergeten, maar dit boek zelf wellicht toch wel. Het is het dunste boek van zijn hand, waarin hij vertelt over het tomeloze doorzettingsvermogen van de uitgever van Babel & Voss. Het non-fictie boek is tragisch en liefdevol tegelijk. De uitgeverij lijkt op een zinkend schip, er is geen geld, noch auteurs, toch blijven ze vechten.
Onzichtbare boeken is een werk dat de tijd waarin steeds minder mensen lezen typeert. De ontoombare liefde voor het vak en de afnemende waardering daarvoor maakt het boek zo wrang. Doorgaan terwijl er nog meer een paar mensen luisteren, en dat dan doen vol enthousiasme. Na het lezen van dit boek bleef ik nog dagen melancholisch.

De knetterende schedels (1969)
Roger van de Velde (1925 – 1970)

Dimitri Verhulst: Sommige dingen moet je blijven herhalen, in alle wanhoop, tegen beter weten in, en daarom hoort u misschien niet voor het eerst uit mijn mond dat De knetterende schedels van Roger van de Velde een boek is dat ruim te goed is om vergeten te worden. Er zijn pogingen ondernomen om het werk opnieuw onder de aandacht te krijgen, want ja: er is nog een klein kransje van stille bewonderaars, maar moedige herdrukken van zijn boeken vlogen onbegrijpelijk linea recta naar de ramsj. Geen idee hoe het komt. Van de Velde schrijft zeer fris, puntig. ‘Knetterende schedels’ is opgebouwd uit kortverhalen, hetgeen handig is voor een moderne lezer met een belabberd uithoudingsvermogen. En bovendien grijpt hij, met humor, naar de keel. In zijn kortverhalen zowel als in zijn romans en essays.
Van de Velde was maagpatiënt en kreeg een medicijn voorgeschreven dat halverwege de jaren zestig plotsklaps een verboden product werd. Abusievelijk en onbewust verslaafd, zoals bleek toen hij het medicijn niet meer kreeg, begon voor Roger van de Velde een lijdensweg die voer langsheen afkickcentra, gevangenissen en gekkenhuizen. In De knetterende schedels zien we hem temidden van de gekken met wie hij opeens zijn dagen doorbrengt. De mindere goden, waartoe ook hij is gaan behoren, maar waarmee hij werkelijk niets gemeen heeft.
Met de jaren werd de schrijver ook woedender. Hij zag nationale hymnes gespeeld worden voor gedopeerde renners, Eddy Merckx die uit de Giro was gezet wegens het gebruik van verboden spul mocht op visite bij paus en koning, maar hijzelf vloog achter tralies, werd gezien als een gevaar voor de maatschappij. Gekerkerd, gebrandmerkt. De auteur mocht enkel onder politiebegeleiding signeren op de boekenbeurs van Antwerpen, groter kon de vernedering niet zijn.
Zelfmoord is geen garantie voor succes, en Van de Velde heeft zich ook niet van het leven beroofd om zijn naam nog even in de kolommen van een krant te weten verschijnen. Maar het lijkt er alleszins wel op dat zijn oeuvre samen met hem de kist in is gegaan. Zonde.

Scheuren in het canvas (2017)
Gerjon Gijsbers (1983)

Jonah Falke: Luctor de Lamlendige, het hoofdpersonage in Scheuren in het canvas, doet zijn naam eer aan. Zijn leven ontvouwt zich zonder dat hij daar enige grip op lijkt te hebben. Is het in die zin een realistische roman? Want, hoeveel valt er uiteindelijk te willen of te veranderen?
Bij Luctor resulteert dit doorgaans in doelloosheid, maar zonder dat het verveelt. En die schijnbare ‘kleurloosheid’ deed me denken aan De Avonden van Gerard Reve.
Het ontbreken van seksuele escapades in De Avonden is opvallend. Later zouden we weten waarom Reve niet over meisjes schreef. Gijsbers schrijft wel over meisjes, maar waar hij nog niet over schrijft, is nog niet duidelijk. Het zal te lezen zijn in de boeken die volgen. En dat lijkt me iets om naar uit te zien. Want, wat mensen je niet direct vertellen, zegt, denk ik, meer over hun fantasieën dan wat je van ze leest.

BoekDe kleine Rudolf (1930)
Aart van der Leeuw (1876 – 1931)

Maxim Februari: De kleine Rudolf is een geschiedenis van zelfhaat en zelfoverwinning. Auteur Van der Leeuw gaat niet zachtzinnig met zijn hoofdpersoon om: die is uitzonderlijk klein van gestalte en je krijgt hem steeds op zijn alleronvoordeligst te zien. Ondanks zijn gevoelens van minderwaardigheid wordt Rudolf verliefd op de beeldschone Martha. ‘Ik, van gedaante een meikever, die voor een rozestruik de hoed afneem.’
Zij is welwillend en even krijgt hij visioenen van een vervuld leven met haar. ‘Zo’n volkomen vervulling, waarvan je soms in je jeugdtijd gedroomd hebt, toen je nog onbewust was van het pak honden, dat je in je binnenste herbergde, en dat later alle lieve gasten van je drempel zou blaffen.’
Dan neemt de zelfhaat – het pak honden – het van hem over. Overtuigd van zijn nietswaardigheid doet hij zich zo monsterlijk mogelijk aan Martha voor. ‘Ik! roep ik, krom de benen, buk me ineen, schrompel samen, kuch, struikel, hink naast haar mee, of ik mezelf in een komische rol speelde.’
Uit pure levensangst trouwt hij zelfs nog even met een vrouw die qua schoonheid meer bij hem past dan zijn geliefde. Totdat hij volwassen wordt. En natuurlijk eindigt hij gelukkig getrouwd met Martha, maar voordat het zover is heeft de schrijver hem voor straf alle hoeken van de kamer laten zien. Een indrukwekkend hardhandig boek.

Torrentius – Het feest en de storm (1998)
Theun de Vries (1907-2005)

Bert Natter: Constantijn Huygens noemde Torrentius (Johannes Symoonisz. van der Beeck, 1588-1644) de beste schilder van stillevens in de Republiek. Het complete oeuvre van Torrentius werd echter na een proces wegens ketterij door de beul vernietigd. Pas begin twintigste eeuw dook één enkel meesterwerk van de schilder op, dat tegenwoordig te zien is in het Rijksmuseum. Gelukkig schreef Theun de Vries (1907-2005) op negentigjarige (!) leeftijd Torrentius, het feest en de stormDat is een met zeldzame liefde en toewijding geschreven fictief portret waarin de goddeloze schilder wordt opgevoerd als een briljant kunstenaar, een ironisch causeur, een gevoelig vrijdenker. De Vries troont je, aan de hand van de ondergang van zijn kleurrijke hoofdpersoon, mee naar schildersateliers, kroegen, bordelen, boudoirs en ten slotte het cachot.
Deze korte, maar niet kleine roman overstijgt de literatuur van alledag dankzij grote gebaren in fijnzinnige taal en machtige beschrijvingen die eenvoudige Hollandse landschappen een magische kracht geven. De Vries heeft een ongekende grip op de geschiedenis en durft er tegelijkertijd mee aan de haal te gaan. Dat je toch bijna honderd mag worden en zo’n boek zal schrijven. Torrentius verscheen dit jaar twintig jaar geleden, tijd voor een heruitgave, zou ik zeggen, maar tot die tijd is het in ieder geval antiquarisch te vinden en als e-book verkrijgbaar.

Aan het eind van de dag (2016)
Nelleke Noordervliet (1945)

Jet Steinz: Het boek is nog geen anderhalf jaar oud, maar na verschijnen vrij snel vergeten. Het heeft geen shortlisten van literaire prijzen gehaald, zelfs niet op longlisten gestaan. Onbegrijpelijk. Want Aan het eind van de dag van Nelleke Noordervliet is een geweldig geschreven, slimme en interessante roman. Met in de hoofdrol Kat(harina Mercedes Donker) — een bijna bitchy ex-minister, schrijver en feministe — die weigert mee te werken aan de biografie die een jonge academica over haar wil schrijven.
Want: ‘Elke poging samenhang te zien in al die losse feiten is giswerk op zijn best, geen reconstructie maar verhaal, meestal op de rand van leugen.’ En: ‘Een biografie is het verwrongen zelfportret van de auteur, een parasiet die leeft van een meestal nogal dode gastheer, een aaseter verlekkerd wroetend in een karkas.’ Er gaat inderdaad nogal wat gewroet worden, maar wel door Kat zelf; en dat levert een spannend, tragisch en ontroerend verhaal op.

De boer die sterft (1918)
Karel van de Woestijne (1878 – 1929)

Atte Jongstra: Het is een verhaal, maar een lang en schitterend verhaal: De boer die sterft van Karel van de Woestijne. Boer Nand ligt moederziel in een staat van halfdroom te wachten op zijn laatste adem. Aan zijn bed ziet hij vijf vrouwengestalten verschijnen (de zintuigen) die elk naar hun specialisme zijn leven aan hem doen voorbijgaan. Ongelofelijk hoe – inderdaad – zintuiglijk dit wonderschone, Vlaamse proza. Het zal altijd bij mij blijven. Ik las het als jonge man, mijn dood was nog ver weg. Maar als die komt, dacht ik, dan liefst zo, op die manier.
Nu ik dit schrijf is mijn vader naar de dood op weg. Ik bezocht hem vorige week, hij lag op de bank, zon op de ramen. Hij dommelde, mompelde nu en dan een woord of wat. Wie zou hij naast zich zien? De reuk? Gehoor? Gaan als boer Nand: als hem en mij dat toch eens overkomen mocht… Dan heb je – zo schrijft Van de Woestijne dat – ‘je wèl gevonden’.

Negen levens (2005)
Robert Anker (1946 – 2017)

K. Schippers: Negen levens (2005) hoort om de overvloed bij Het Evangelie van O. Dapper Dapper (1973) en Het Boek Ik (1952). Hermans’ evangelie is een surrealistische tekenfilm, Schierbeeks ik-taal overstroomt het land, de levens van Robert Anker blazen een onderwerp buiten zijn omheining.
Hij speelt als Dexter Gordon, Wardell Gray, zo’n naar alle kanten uitwaaierende tenor-saxofonist, voor wie de melodie er allang niet meer toe doet. Rob Anker zat bij de fanfare.
In het voorwoord heeft Anker het over de fles van zijn jeugd waarin alle kleuren, smaken, kleuren, geluiden, moet je ‘m schudden en dan krijg je dit in het Westfriese Oostwoud, twaalf kilometer van Hoorn. Wat?
De zintuigindruk die maar kort geloof hecht aan zijn eigen vondsten, ongeveer wat je vergeet, omdat het er toch niet doet. Hier blijft het bewaard. Sla het maar open, hindert niet waar, je ruikt het, blz. 32, nootmuskaat en peper, kaneel wekt een soort heimwee, kruidnagel wild, ‘het beeldloos visioen van een verte.’

Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928)
Felix Timmermans (1886 – 1947)

Boudewijn van Houten: Zeg in literair gezelschap in Vlaanderen nooit dat u waardering voor Felix Timmermans hebt: u wordt in de Schelde gegooid. Zeg liever dat u een hoge dunk hebt van Louis Paul Boon en u wordt op handen gedragen. Toch kon Timmermans schrijven. En tekenen. Net als Jan Wolkers begon hij als beeldend kunstenaar.
Na een depressie en een gevaarlijke operatie kiest hij voor levensvreugde, wat het unieke Pallieter oplevert, dat een wereldsucces wordt.
Daarna schrijft hij veel, mogelijk te veel. Er is genoeg flauws bij om Timmermans af te kraken. Dan wordt hij na afloop van de Tweede Wereldoorlog ook nog van ‘culturele collaboratie’ beschuldigd en flink vernederd, doordat hij in Duitsland, waar hij graag vertoefde en voordrachten hield, ook nog een prijs in ontvangst had genomen (een maand nadat deze zaak geseponeerd is, zal hij sterven).
Tot overmaat van ramp raakt hij bovendien bevriend met Anton Pieck die hij nota bene zijn werk laat illustreren. Ja, ik geef het u te doen Timmermans te verdedigen. Maar hij tekende even poëtisch als Pieck het kitscherig deed.
En daarom kies ik graag zijn roman Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken gerooken als een ten onrechte vergeten boek. Het gaat over een schilder en bovendien illustreerde Timmermans het met een massa plaatjes die een Vallotton-achtige eenvoud en charme hebben. ‘Het sneeuwde nog altijd dun en fijn, alsof de grijzen hemel wierd afgevijld.’ Zulke taal. Tragisch is dan weer dat de Nederlandse uitgever Van Kampen veel van Timmermans prachtige Vlaamse idioom onderdrukte en dat de oorspronkelijke manuscripten verloren gingen.

Zonder trommels en trompetten (1973)
Jeroen Brouwers (1940)

Auke Hulst: Jeroen Brouwers zelf is verre van vergeten – sterker, hij publiceert nog met veel succes en ouder werk verschijnt nog steeds in nieuwe jasjes – maar over deze novelle wordt te weinig gesproken. Terwijl deze ‘markante anekdote uit het leven van Jeroen Brouwers, door hemzelf verteld’, zoals de ondertitel luidt, de samengebalde essentie van Brouwers’ werk bevat: herinnering, de dood, een fascinatie voor zelfmoord en voor de literatuur, die voor Brouwers onlosmakelijk met het leven verweven is. Natuurlijk verteld door een man alleen die in deerniswekkende omstandigheden jenevertranen plengt, het nodige te (wee)klagen heeft, maar dat doet in een flonkerende stijl, die tegelijk barok is en geen woord vermorst, en ook – niet onbelangrijk! – de nodige lucht en humor bevat. In dit geval treffen we Brouwers aan in een krakend en lekkend boshuisje. We nemen kennis van de dood van zijn kat Carrabas, een verlies dat de deur opent naar herinneringen aan de zelfmoord van een goede vriend, en naar een verlangen naar een meisje ‘dat zo mooi is als de dood’. En dat alles gebracht vanuit een geestgesteldheid die de grens tussen hallucinatie en werkelijkheid poreus maakt. Een foutloos, tijdloos en onmisbaar boekje.

Rood paleis (1936)
F. Bordewijk (1884 – 1965)

L.H. Wiener: De angst voor chaos en verval en de daarmee samenhangende noodzaak tucht en orde na te streven, vormt de complementaire tweedeling in de persoonlijkheid van de auteur F. Bordewijk, die deze gesteldheid voor het eerst vorm gaf in de levensvisie van schoolhoofd Bint uit de gelijknamige korte roman, waarvan de eerste druk verscheen in 1934, met de dreiging van het naziregime en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in het verschiet. Een dreiging overigens die een onterechte verdenking op het gedachtengoed van Bordewijk heeft geworpen.
Zeventien jaar later, in 1951, verhief Bordewijk dit thema opnieuw tot grote hoogte in Rood paleis, een bordeel aan de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar de habitué Henri Leroy zijn nachtelijk heil zoekt. Leroy is de belichaming van de zichzelf complementerende persoonlijkheid, enerzijds de naar buiten tredende door en door fatsoenlijke en stijlvolle gentleman, cultureel geschoold en met een verfijnde smaak en anderzijds de romantisch-decadente hedonist voor wie het onbelemmerd bevredigen van ieder lustgevoel lokt als een levensvervulling. Hij doet in deze hoedanigheid denken aan Lord Henry uit Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray en zijn naam zou weleens geen toevalligheid kunnen zijn.
De handeling in Rood paleis voltrekt zich aan het begin van de vorige eeuw met als filosofisch perspectief het verstikkende fin de siècle-gevoel: het geloof in een toekomst die door de ontwikkeling van wetenschap en techniek alleen maar beter worden kon en anderzijds de fascinatie voor verval, decadentie en dood. Een geestelijke gesteldheid waaraan Bordewijk zelf in hoge mate onderhevig was. In deze meesterlijke roman verschuiven metamorfosen voortdurend in groteske vormen over en door elkaar heen en maken zo de werkelijkheid onkenbaar. Het ‘rode paleis’ blijkt niet levensvatbaar en gaat uiteindelijk in vlammen op, waarbij het transformeert tot een dier ‘met rode ribben en een skelet’, terwijl Henri Leroy versteend achterblijft als een gebouw ‘met twee rode markiezen’.
In de vlammenzee die het gedoemde gebouw in de as legt, ‘een fuga van vuur’ in de woorden van Bordewijk, kondigt zich de wereldbrand van de Eerste Wereldoorlog aan, waarin het fin de siècle-gevoel haar definitieve voleinding vindt.
Rood paleis vormt naar mijn stellige overtuiging het literaire hoogtepunt in het oeuvre van F. Bordewijk.

Kind in de buurt (1972)
Willem Brakman (1922 – 2008)

Vincent Schmitz: Het is alweer tien jaar geleden dat Willem Brakman stierf, de tot zijn dood uiterst productieve schrijver van een uniek oeuvre, waarin hij zowel volstrekt eigen variaties op beroemde romans van Kafka en Flaubert presenteerde als tot mythische proporties opgeblazen jeugdherinneringen.
Zijn werk is een genot voor literaire puzzelaars, liefhebbers van ondoorgrondelijke en alle kanten uit meanderende dialogen en studenten Nederlandse letterkunde op zoek naar een scriptieonderwerp. Zelf studeerde ik in 1999 af op Brakmans door de Jack the Ripper-moorden geïnspireerde novelle Heer op kamer (1988), nadat ik in colleges over postmoderne literatuur had kennisgemaakt met zijn werk. Zonder die studie was ik daar vermoedelijk nooit mee in aanraking gekomen, en tegenwoordig wordt hij ongetwijfeld nóg minder gelezen dan twintig jaar geleden.
Een roman van Brakman kan een frustrerende leeservaring zijn: terwijl je geniet van zijn taalvondsten en wonderlijke gedachtesprongen, vraag je jezelf voortdurend af of je een paar bladzijden eerder iets over het hoofd hebt gezien.
Een van zijn vroegere boeken, Kind in de buurt (1972), gaat over de Haagse kunstenaar Jan Oud. Het verval is ingezet, zijn roem is tanende, hij wordt zwaarder en trager, en hij zit vast in een liefdeloos huwelijk. Hij lijkt pas weer op te leven als hij leest dat in de buurt een jong meisje is verdwenen.
De man bijt zich zodanig vast in de zaak – zo daagt hij de vader van het meisje uit voor een spelletje schaak en hangt hij rond op haar schoolplein – dat hij zichzelf langzaam maar zeker verdacht maakt. Zelfs de lezer begint zich af te vragen in hoeverre Oud te vertrouwen valt, en hoe het nu zit met de slordig dichtgegooide kuil in zijn tuin: ‘Hij keek ernaar maar geloofde het niet, steeds opnieuw dacht hij debielig: verdomd die is dicht, die is vol, die hebben ze volgegooid, nu en dan schichtig in het rond glurend alsof hij iemand hoopte te betrappen die op een afstandje de buik vasthield van het lachen.’

Het reizen vereist sterke zenuwen (2004)
Bob den Uyl (1930 – 1992)

Mensje van Keulen: Ik sla een verhalenbundelvan Bob den Uyl (1930-1992) open en lees een eerste zin: ‘In het begin van dit jaar werd ik telefonisch door een meneer van de Belgische radio uitgenodigd in Brussel iets positiefs over zijn land te komen zeggen.’ Vooruit, nog een: ‘Een kennis van me, Alex Vreugdenberg geheten, had een nieuwe motorboot gekocht.’
In 2004 werd de Bob den Uylprijs in het leven geroepen, en sinds 2011 verscheen jaarlijks (tot 2015) in een kleine oplage het Bobschrift. Maar wie leest nog Bobs geestige, melancholieke, zwart-humoristische, hilarische verhalen over reizen, drank, zinloosheid, België, angst, Rotterdam, ergernissen, ja, wat niet al?
Zijn boeken zijn nog antiquarisch te verkrijgen. Wie nooit iets van hem heeft gelezen, kan rustig elk van zijn boeken aanschaffen. De titels spreken voor zich: Het menselijk kunnen staat voor niets, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam, Opkomst en ondergang van de zwarte trui. Lees Bob!

De versiertrucs van Victor Mids

Illusionist Victor Mids (30) haalt vanaf 17 maart weer de meest bizarre trucs uit in een nieuw seizoen van Mindf*ck en staat binnenkort in AFAS met een liveshow. Playboy vroeg hem naar trucs die we zelf kunnen toepassen.

Uit Playboy, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

Wat is je meest geslaagde truc van dit vierde seizoen van Mindf*ck?
Ik heb een heel groot experiment bedacht rondom subliminal messaging, het onbewust doorgeven van een boodschap in bijvoorbeeld een film. Ik heb filmkenner René Mioch in Tuschinski iets laten zien. Ik kan nog niet zeggen wat, alleen dat er meer tijd en werk en geld in is gestoken dan we ooit hebben gedaan. Mensen vragen mij weleens of het niet moeilijk is om elke keer weer nieuwe trucs te bedenken. Vergelijk het met het maken van een film: er verschijnen elke dag nieuwe films, terwijl je toch zou zeggen dat er maar een beperkt aantal verhaallijnen is te verzinnen. Zo werkt het ook bij illusies: het idee blijft vaak hetzelfde, maar in de manier waarop je dat idee presenteert kun je natuurlijk eindeloos variëren.

We hoorden dat je ook iets hebt uitgespookt met Rico Verhoeven?

Dat klopt. Met hem heb ik echt iets levensgevaarlijks gedaan – althans, voor mij dan. Ik kan verder nog niet veel over het experiment vertellen, behalve dat ik een soort roulette met hem heb gespeeld in een boksring. Het is oprecht het spannendste wat ik in mijn carrière tot nu toe gedaan heb. En wat ook heel tof is geworden is ons droomexperiment met Chantal Janzen. Ik ga haar op nationale televisie op magische wijze in slaap brengen.

Mislukt er eigenlijk weleens een truc?

Het gaat weleens niet zoals ik het had gewild, maar dat is vaak wel op een manier die ik later kan opvangen. Je kunt het vergelijken met een muzikant die een liedje op een gitaar speelt: soms speelt hij een verkeerd akkoord, maar dat betekent niet dat dan meteen het hele liedje is verpest. Heel soms gaat het zo erg mis dat ik het niet meer ongemerkt kan opvangen. In dit seizoen ga ik de straat op om al mind readend bij mensen hun bucketlist te achterhalen. Bij een man lukt me dat totaal niet. Ik had echt de indruk dat hij van vissen hield, maar hij haat vissen. Daarna ging ik het pad van het koken op, maar ook daar had hij niets mee. Op een gegeven moment maak ik er een lolletje van en ga ik allemaal dingen tegen hem roepen. Het lukte me in dit geval niet om zijn gedachten te doorgronden, maar ook dat zenden we gewoon uit.

In een interview zei je dat je vrij onzeker bent als je een mooie vrouw tegenkomt. Enerzijds ontfutsel je binnen no time het wachtwoord van een toevallige passant, maar anderzijds vind je het lastig om een vrouw om haar telefoonnummer te vragen. Hoe zit dat?

Ik denk dat iedere man zich onzeker kan voelen als hij een schone tegenkomt.

Heb jij voor jezelf – als iemand die de gedachtes van miljoenen mensen kan beïnvloeden – een manier gevonden om in zo’n geval je eigen gedachten te manipuleren?

Daar zijn heel veel trucs voor. Je tegen die onzekerheid verzetten is bijvoorbeeld het allerergste wat je kunt doen. Dan wordt het alleen maar erger. Als ik bijvoorbeeld voor een mooie vrouw sta en ik voel dat ik begin te stotteren, dan kan ik denken: ik begin te stotteren, dit hoort niet, ik moet hiermee ophouden. Daarmee verdwijnt die gedachte niet uit mijn hoofd. De kunst is dat je het stotteren opmerkt zonder daarover een oordeel te vellen: kijk mij hier nu stotteren tegenover haar. Als je dat doet, als je het stotteren gewoon erkent in plaats van het te ontkennen, merk je dat het meteen al een stuk minder wordt.

Heb je die kennis ook toegepast toen je je vriendin voor het eerst tegenkwam?

Lachend: Ja, ik heb haar wel geprobeerd te versieren met de kennis die ik in huis heb.

Wat is de beste truc om een vrouw te versieren?

Daar is natuurlijk nooit een techniek op te pinpointen: er bestaat niet zoiets als een magic button om een vrouw voor je te winnen. Er zijn wel wat technieken die je kunt gebruiken om het eerste contact voor jezelf iets makkelijker te maken. Wat bijvoorbeeld werkt in een eerste gesprek met een vrouw, is dat je interesse toont. Je vraagt, ik zeg maar wat, wat voor werk ze doet. Aan de bar kan het nogal een dooddoener zijn wanneer je vanuit het niets vraagt: ‘Wat doe je voor werk?’ Dat voelt zo plat. Terwijl als je zegt: ‘Hallo, ik ben Victor, en ik ben illusionist. Wat doe jij voor werk?’ Dan beginnen ze vanzelf wat te vertellen.

Met zo’n beroep is dat ook niet zo moeilijk.

Haha, dat is waar, maar het werkt echt. Het is wetenschappelijk aangetoond dat wanneer je eerst zelf antwoord geeft op de vraag die je gaat stellen, die persoon eerder geneigd is om iets over zichzelf te vertellen. Door het gebruik van dat soort kleine subtiliteiten lijkt het alsof zo’n conversatie op een natuurlijke manier verloopt. Het zijn de kleine inzichten die je helpen om goed over te komen op de ander.

Ben je eigenlijk al miljonair?

Natuurlijk niet. Maar over geld praat ik liever niet.

Je geeft het liever ook niet uit?

O jawel hoor, ik vind dat je jezelf af en toe best mag verwennen. Ik ga toevallig over een paar weken naar Bali en dan vlieg ik businessclass. Dat is iets wat ik nog niet eerder heb gedaan en wat ik in principe ook wel onbetaalbaar vind, maar ik geef mijn geld liever uit aan ervaringen dan aan spullen. Dat is ook wetenschappelijk aangetoond: je wordt gelukkiger van een ervaring dan van iets materieels. Denk maar eens aan de top tien van de gaafste dingen die je in je leven hebt gedaan, dan staat ‘het kopen van een duur horloge’ daar niet tussen. Terwijl je wel denkt: als ik geld heb dan koop ik een duur horloge. Dat is een veel kortstondiger geluk.

Tot slot: hoe zien jouw toekomstplannen eruit? Waar denk jij over tien jaar te staan?

Over tien jaar? Dan ben ik veertig. Ik hoop dat ik in ieder geval heel veel Mindf*ck-achtige programma’s heb mogen maken en daarmee wellicht de wereld over kan. En ik zou graag nog eens wetenschappelijk onderzoek willen doen naar hypnose. Dat vind ik nog steeds een fenomeen waar we veel te weinig over weten.

Paul de Munnik: ‘Ik moet het publiek bijna vanaf nul heroveren’

Paul de Munnik (47), voorheen de helft van Acda en De Munnik, staat vanaf 21 maart in het theater. Wat kijkt en luistert hij in zijn vrije tijd?

Uit HP/De Tijd, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

BOEKEN
“Mijn all-time favorite boek is A Prayer for Owen Meany van John Irving. Ik hou van zijn manier van vertellen. Hij gebruikt altijd verschillende verhaallijnen die uiteindelijk, zonder dat je het van tevoren ziet aankomen, heel ingenieus bij elkaar komen. Wat ik interessant vind aan dit boek is dat de ik-persoon (John Wheelwright) niet de hoofdpersoon is. Dat is Owen Meany, een Jezus-achtige figuur, die ervan overtuigd is dat hij een van Gods gezondenen is en een heldendaad zal verrichten. Zo eens in de twee jaar herlees ik het boek en nog altijd vraag ik me af: wat is dat voor een figuur? Alleen al de manier waarop hij praat: hij heeft zo’n gekke stem dat de schrijver alles wat hij zegt in kapitalen heeft opgeschreven. Daardoor hóór je hem krassen. Jonathan Safran Foer is een andere favoriet. Here I Am heeft diepe indruk gemaakt. Het gaat over een Joods gezin in de Verenigde Staten dat door allerlei omstandigheden in moeilijkheden geraakt – veel bondiger kan ik het niet samenvatten. Het gaat heel erg over identiteit: wie ben ik en waar kom ik vandaan? Het Jodendom speelt daarbij een grote rol. Dat vond ik ook verfrissend aan dit boek, dat je eens vanuit een Joodse beleving naar de wereld van nu kijkt.”

MUZIEK
“Ik luister altijd veel naar Tom Waits. Swordfishtrombones is mijn favoriete plaat. Nighthawks at the Diner is ook zo goed. Dat is bijna een muzikale cabaretvoorstelling. Hij vertelt te gekke verhalen, is poëtisch en geestig en het geheel is ook nog eens fucking muzikaal. Je hebt echt het idee dat je in zo’n oude jazzclub aan een tafel zit, met je neus erbovenop. Zijn latere werk vind ik wat ingewikkelder. Daarbij duurt het wat langer voor je doorhebt wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Daniël Lohues luister ik ook geregeld. Dat is een van de grootste liedjesschrijvers van ons land. Begin maart komt zijn nieuwe album uit: Vlier. Zijn liedjes zijn heel minimalistisch. Zonder opsmuk. Hij kan heel goed tot de kern van een lied komen. Heeft een tekst alleen pianobegeleiding nodig? Dan neemt hij alleen een piano. Het schrijven is voor hem ook echt een ambacht. Zoals het hoort. Ik heb de neiging om te wachten op inspiratie, maar dat bestaat niet, inspiratie. Je moet gewoon gaan zitten en gaan schrijven. Hij werkt ook veel harder dan ik. Ik heb toevallig deze week een liedje geschreven en dan ben ik de rest van de week wel weer tevreden, en volgende week ook nog wel, maar Daniël schrijft de volgende dag gewoon weer een liedje, en de dag daarop ook. Daar heb ik heel veel bewondering voor.”

THEATER
“De laatste voorstelling die ik zag was die van de jongens van Rundfunk: Wachstumsschmerzen. Het zat theatraal heel goed in elkaar: ze spelen weleens een scène met de vierde wand, zoals ze ook op televisie doen, maar het is wel altijd gerelateerd aan de publieksreactie. Hoe zou je kunnen omschrijven wat ze doen? Ze maken absurd toneelcabaret. Het is niet absurd in zijn scènes, maar wel absurd in zijn humor. Je ziet iets wat je herkent, maar wat er vervolgens gebeurt, is absurdistisch en ontregelend. Ze zijn ook niet bang om met grove grappen het publiek te choqueren, maar bij hen pakt dat goed uit. Ze schrikken het publiek daar niet mee af. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zich dat ook permitteren. Voor mij zijn dat de twee groten van onze generatie. Hans is iemand die heel duidelijk verlangt naar wat liefde en genegenheid. En dat zie je. Zijn eerste optredens waren echt overdonderend. Niet omdat hij zo grof was, maar omdat je een klein jongetje zag staan dat heel graag aardig gevonden wilde worden. Dat ontroert. Theo Maassen heeft dat ook. Hij is een jongen die zich oprecht afvraagt hoe de wereld in elkaar steekt. Natuurlijk mept hij af en toe flink om zich heen, maar ook bij hem ontdek je die diepere laag.
“Vroeger zaten de theaters altijd vol. Ook de mindere goden hadden altijd volle zalen. Nu staan er nog maar een paar boven aan de berg met volle zalen en de rest moet vechten om het publiek naar binnen te krijgen. Mensen geven hun geld namelijk maar één keer uit. En dat is ook logisch, maar dan gaan ze toch liever naar Jochem Myjer of Theo Maassen, omdat ze weten: daar krijg ik sowieso waar voor mijn geld. Sinds ik na Acda en De Munnik voor mezelf ben begonnen, merk ik dat ik het publiek weer bijna vanaf nul moet veroveren. Dat had ik ook wel verwacht, maar het is moeilijker dan ik had gedacht. Ik zal niet meer voor de echte topzalen spelen, in ieder geval de komende jaren niet. Carré zit er voor mij niet meer in. Dat hoort ook bij waar ik nu sta als maker en – heel eerlijk – ook aan het publiek dat ik op dit moment aan mij kan binden. En dat is ook niet erg. Dat komt wel weer. Ik speel nu liever voor wat minder mensen die speciaal voor de muziek komen dan voor wat meer mensen die alleen maar komen omdat ik het ben. Het is net als met een tuin: soms moet je eerst snoeien voor je iets weer kunt laten groeien. Dan is het eerst even kaal, maar uiteindelijk knapt de boom ervan op.”

Cécile Narinx: ‘Hemingway is een male chauvinist pig’

Journalist en modedeskundige Cécile Narinx (47) sprak een audiotour in voor High Society, een portrettententoonstelling in het Rijksmuseum. Wat leest, kijkt en luistert zij in haar vrije tijd?

Uit HP/De Stijl, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

BOEKEN
“Ik lees heel veel en wat ik lees gaat alle kanten op. Personal History van Katharine Graham vind ik een heel tof boek. Het is de veelbekroonde autobiografie van de eerste vrouwelijke krantenuitgever van de Verenigde Staten. Graham was ten tijde van het Watergateschandaal de uitgeefster van The Washington Post. Over die tijd gaat dat boek dan ook. Het is een heel persoonlijk verhaal dat tegelijkertijd ook heel journalistiek en politiek is ingestoken. Steven Spielberg verfilmde het onlangs als The Post, met Meryl Streep in de rol van Graham. Ik houd ook heel erg van de boeken van Ernest Hemingway. Hij is natuurlijk een enorme male chauvinist pig, hij gaat niet heel vriendelijk met vrouwen om, maar zijn vermogen om zich overal volledig in te gooien om alles tot in het diepst van zijn ziel te ervaren – oorlog, stierenvechten, liefde – vind ik fantastisch. A Moveable Feast, zijn memoires van zijn verblijf in Parijs, kan ik blijven lezen. Als ik daar ben, ga ik graag oesters eten bij La Closerie des Lilas met het idee: hier zat hij ook. De Napolitaanse romans van Elena Ferrante heb ik ook echt verslonden. Er wordt beweerd dat Domenico Starnone schuilgaat achter dit pseudoniem, maar ik geloof dat niet. Ik wil het ook niet geloven. De boeken van Ferrante zijn door een vrouw geschreven – dat kan niet anders. Ik heb laatst bijvoorbeeld Sweet Caress van William Boyd gelezen, dat ook vanuit een vrouwelijk perspectief wordt verteld, maar dat is niet zo overtuigend. Als mannen zich proberen te verplaatsen in een vrouw, dan lees je dat er altijd aan af.”

BEELDENDE KUNST
“In het Metropolitan in New York heb ik mij de benen uit het lijf gelopen voor Portrait of Madame X van John Singer Sargent, een portret van Virginie Amélie Avegno Gautreau, de Amerikaanse vrouw van de rijke Parijse bankier Pierre Gautreau. Ze had een vrij discutabele reputatie omdat ze er meerdere mannen op na zou houden en die mannen ook gebruikte om hogerop te komen. Op de tentoonstelling in het Rijksmuseum is trouwens een portret te zien van een van die vermeende minnaars, ook van Sargent: Dr. Pozzi at Home. De reden dat ik Madame X zo graag wilde zien is dat er ook een beetje modegeschiedenis aan vastzit. De jurk die ze op het schilderij draagt, is namelijk wereldberoemd. Het is een van de meest iconische zwarte jurken uit de geschiedenis, net als de little black dress van Chanel, de Givenchy van Audrey Hepburn uit Breakfast at Tiffany’s en die van Rita Hayworth uit Gilda. Saillant detail: de bandjes zijn er pas later bij geschilderd, omdat men de jurk zonder bandjes iets te wuft vond.”

MUZIEK
“Ik koop eigenlijk nooit albums, maar deze week heb ik er toevallig een gekregen. Het is het album van Hans Jürgen, een geitenbreier met een witte snor die een fietsenstalling runt op het station van Utrecht. We raakten ooit eens in gesprek toen ik hem complimenteerde met de muziek die hij daar ’s avonds altijd op heeft staan, meestal Engelbert Humperdinck. Hij vroeg verrast: ‘Ach, kennen Sie ihn?’ Hij vertelde me dat hij droomt van een eigen zangcarrière. Hij zingt ook graag in de fietsenstalling, want daar is zo’n fantastische galm. Laatst heeft hij al zijn spaargeld bij elkaar gelegd, wat nummers opgenomen in een studio en in eigen beheer een cd uitgebracht. Het heet ook My favorite songs. Alle banden die hij voor weinig geld kon krijgen heeft hij daarvoor gebruikt. Quando, quando, quando – dat soort repertoire. Het is zo schattig. Zijn vriendin Marina, die hij heeft leren kennen op de platenbeurs in de Jaarbeurs in Utrecht, voor de platenbak van Engelbert Humperdinck, heeft voor de covertjes portretfoto’s geprint en in de hoesjes gestoken. Als ik hem in de fietsenstalling hoor zingen, moet ik altijd denken aan een les die mijn vader me eens heeft geleerd: ‘Wo man singt, da laß’ dich ruhig nieder: böse Menschen haben keine Lieder.’”

Don Diablo over muziek, vrouwen en een gebrek aan erkenning

Don Diablo (38) heeft na tien jaar zijn tweede album uitgebracht: Future. Hij behoort tot de elf populairste deejays ter wereld, heeft overal uitverkochte zalen, maar erkenning voor zijn muziek krijgt hij nauwelijks in Nederland. ‘En dat is raar’, vindt hij zelf ook.

Verschenen in Playboy 04, 2018. Lees het gehele interview hier.

Q1. Waarom duurde het bijna tien jaar voor je met een tweede album kwam?
Dat had meerdere redenen. Een daarvan was dat ik op zoek was naar een nieuwe sound, die ik met future house uiteindelijk ook heb gevonden. Een andere was dat ik meer draagvlak wilde creëren voor mijn muziek. Mijn muziek wordt namelijk niet heel veel gedraaid op de radio. Ik moest dus voor een grotere fanbase zorgen. De remixes die ik heb gemaakt voor onder andere Madonna, Rihanna en Ed Sheeran zorgden voor mijn internationale doorbraak. Vijf jaar geleden had ik nog 20.000 fans op Facebook, nu heb ik er drie miljoen. Dat maakt het een stuk makkelijker om een album met zestien nummers aan de man te brengen.

Q2. Jij staat aan de basis van de future house. Kun je uitleggen wat dat precies is?

Eigenlijk is dat vijf jaar geleden begonnen, op het moment dat ik mijn vader verloor. Vlak daarvoor had ik een gesprek met hem. Het werd me opeens duidelijk hoe kostbaar tijd is, hoe bijzonder het is dat je überhaupt een toekomst hebt. Ik dacht: vanaf nu ga ik in de toekomst leven. Mocht ik het niet redden, dan heb ik de toekomst in ieder geval al gezien. Je ziet het terug in m’n socials, in m’n kledinglijn, in m’n radioshow die wordt gecohost door een robot – alles speelt zich af in de toekomst. Maar ik had natuurlijk nooit verwacht dat het een golfbeweging zou worden die de wereld over is gegaan.


Q3. Je hebt jezelf al vaker opnieuw uitgevonden. Je was als puber een nerd, compleet met paardenstaart, maffe kleren en licht autistische trekjes, om met je eigen woorden te spreken. Hoe erg was het?

Ik was altijd die jongen die geen vrienden had, die nooit een vriendinnetje kon krijgen, die altijd als laatste werd gekozen tijdens gym. Op mijn vijftiende dacht ik: fuck it, ik hoef die persoon niet te zijn. Ik ging mezelf Don Diablo noemen, waardoor Don Pepijn Schipper uit Coevorden eigenlijk een soort Clark Kent werd, die overdag naar school ging en ’s nachts in zijn laboratorium zat te brouwen op allerlei ideeën om te ontsnappen aan de dagelijkse realiteit. Dat voel ik nog steeds zo: voordat ik het podium op stap doe ik mijn superhero-outfit aan en word Don Diablo.

Q4. Bestaat Don Pepijn Schipper dan eigenlijk nog wel?

Op een gegeven moment werden Don Pepijn Schipper en Don Diablo een en dezelfde persoon. Ik kan je niet vertellen waar het verschil zit. Ik ben nog steeds dat onzekere jongetje dat zich afvraagt wat zijn rol is op deze aardbol. Het enige wat ik kan doen om die innerlijke stemmen te onderdrukken is zeventien uur per dag, zeven dagen per week te werken. En om te proberen om iets te creëren dat verder gaat dan mijzelf. Een soort movement. Ik wil met alles wat ik doe iets creëren waar de outcast zich thuis bij voelt. Because there is no such thing as an outsider.

Q8. Heb je op dit moment een relatie?
Nee. Natuurlijk zou ik wel een leuke vriendin willen hebben, maar het komt me nu ook wel goed uit dat ik vrijgezel ben. Sinds het is uitgegaan met mijn vriendin merk ik dat er iets van me is afgevallen. Ik kan nu full blazing iedere dag tot vier uur ’s nachts mijn eigen ding doen zonder dat ik daar verantwoording voor hoef af te leggen.

Q9. Heeft je werk een relatie weleens in de weg gestaan?
Ik ben natuurlijk heel vaak van huis. Mijn ex-vriendin zei dan ook: je bent nooit thuis, en als je thuis bent zie ik alleen maar je rug, want dan zat ik in de studio. Ze heeft dat heel lang geaccepteerd en mij daarin heel lang gesteund, totdat ze zich realiseerde dat dit nooit zou veranderen.

Q17. Vind je dat je genoeg erkenning krijgt in Nederland?
Ik word niet elke week overladen met prijzen in Nederland. En dat is raar, want ik sta toch in de top 300 van meest beluisterde artiesten wereldwijd op Spotify, wat niet veel Nederlandse artiesten me na kunnen zeggen. Ik weet niet hoe het komt dat ik hier blijkbaar niet zo opval. Volgens mij moet je zes miljoen streams hebben wil je een platina plaat krijgen. Ik heb op sommige platen vijftig miljoen streams, alleen hebben die streams niet allemaal plaatsgevonden in Nederland, waardoor ik hier geen gouden of platina plaat haal. Daardoor krijg je ook net niet die Popprijs, net niet die Edison, net niet de erkenning die andere artiesten hier wel krijgen. Maar ik ben voorbij het punt dat ik me daar druk om kan maken. Erkenning komt natuurlijk in vele vormen. Ik heb dan misschien geen volle prijzenkast, maar ik kan wel naar wereldsteden als Los Angeles en New York en daar grote concerten uitverkopen op mijn eigen naam.

 

De leeshonger van Griet Op de Beeck

Dit jaar schrijft Griet Op de Beeck (44) het Boekenweekgeschenk. Wat leest, kijkt en luistert zij als ze niet zelf aan het schrijven is?

Interview uit het maartnummer van HP/De Tijd (2018)

BOEKEN
“Op dit moment lees ik bijna uitsluitend het werk van Frans Kellendonk, want ik ben zowaar gevraagd om dit jaar de Frans Kellendonk-lezing te houden. Ik had weleens wat van hem gelezen, maar niet heel veel, ook omdat hij in België een veel minder bekend figuur is dan in Nederland. Ik ben begonnen met zijn verzamelde brieven. Ook al ben je in brieven onvermijdelijk toch altijd een beetje de sociaal wenselijke versie van jezelf – hoewel hij soms behoorlijk tekeergaat tegen andere mensen –, toch schetst het een mooi beeld van wie hij was, hoe hij dacht en geëvolueerd is. Het andere boek dat ik nu lees is Of heb ik het verzonnen? van Herman Koch en Wanda Reisel. Het nam me meteen mee, ik vond het nog fascinerender dan ik had gedacht. Herman en Wanda kennen elkaar al vanaf hun jeugd. Heerlijk dat twee schrijvers zo’n lange geschiedenis delen, dat ze aftasten hoe betrouwbaar herinneringen zijn, en hoe anders percepties van dezelfde gebeurtenissen. Ze schrijven over hun levens, de boeken die ze hebben gelezen en aan het schrijven zijn en het biedt een boeiende, intieme inkijk in hun hoofden. Herman is een goede vriend van mij en ik heb hem door dit boek nog wat beter leren kennen, dat is toch een mooie bonus.
“Van Philippe Claudel had ik alles gelezen, behalve Het kleine meisje van meneer Linh. Er is een theaterbewerking van gemaakt door Toneelhuis Antwerpen en ik dacht: voordat ik naar het theaterstuk ga, moet ik eigenlijk wel eerst het boek hebben gelezen. En het heeft me echt tot tranen toe geroerd. Dat gebeurt me bijna nooit. Meneer Linhs familie is in zijn thuisland vermoord, en hij is met zijn kleindochter, een baby nog, naar Europa gevlucht. Hij gaat kapot van eenzaamheid in een asielzoekerscentrum, tot hij ergens buiten op een bankje een man ontmoet. Ook al spreken ze elkaars taal niet, toch vinden die twee elkaar. Ik ga niet verklappen wat de link precies is, maar het is een prachtig portret van mensen die tegen alle verwachtingen in het verschil weten te maken in het leven van de ander. In een wereld waar zoveel mensen lijnrecht tegenover elkaar staan, gaat dit verhaal recht naar het hart.
“Een ander boek waar ik onlangs erg van onder de indruk was – nu lijk ik behept te zijn met de vluchtelingenproblematiek, maar daar wordt natuurlijk veel over geschreven nu – is Waarvan wij droomden van Julie Otsuka. Het is zo’n boek waarvan je denkt: het uitgangspunt is leuk, maar niet doenbaar. Het verhaal heeft namelijk geen hoofdpersoon. Het is helemaal geschreven in de wij-vorm. Het gaat over een groep Japanse vrouwen die in 1920 naar San Francisco werden verscheept om daar hun Amerikaanse man te ontmoeten, die hen op basis van een foto had uitgekozen – met alle gevolgen en teleurstellingen van dien. Prachtig geschreven, indrukwekkend relaas van wat mensen overkomt die op een bepaald moment door de plaatselijke bevolking niet meer getolereerd worden. Schrijnend portret dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor alle jonge mensen, vind ik.”

Het gehele interview met Griet Op de Beeck – onder meer over Francis Bacon, Alain Plattel en de Coen Brothers – leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.