Frank Lammers: ‘Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft’

Frank Lammers (47) regisseert de rockopera Jumping Jack. Playboy spreekt de gezellige acteur over motorrijden, de nieuwe Netflix-serie Undercover en het filmklimaat in Nederland. ‘Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft.’

Interview uit met meinummer (2019) van Playboy. Lees het gehele interview hier.

Q1. Je regisseert de rockopera Jumping Jack over motorcoureur Jack Middelburg. Waarom precies over hem, niemand kent hem toch meer?
Nederland is best wel een motorsportland. Kijk naar iemand als Max Verstappen, wat hij allemaal losmaakt in het land. Kijk naar de Zwarte Cross – niet voor niets het grootste festival van Nederland. Kijk naar de TT in Assen, een van de grootste sportspektakels van het land, waar jaarlijks meer dan 100.000 mensen op afkomen. Toch hebben we al heel lang geen grote motorraces meer. De laatste drie grote motorcoureurs die we hebben gehad zijn Jack Middelburg, Boet van Dulmen en Wil Hartog. Jack Middelburg was in 1980 de laatste Nederlandse winnaar van de TT in Assen. Hij is dus met recht een legende. Daarnaast is het een charismatische man met een flamboyante levenswandel die zo ongeveer elk botje in zijn lijf weleens gebroken heeft en die – en daar verklap ik niets mee – niet heel fijn aan zijn eind is gekomen.

Q4. Je speelt een gezellige huisvader in de reclames voor de Jumbo, maar ook ’s werelds grootste xtc-handelaar in de nieuwe Netflix-serie Undercover. Zijn die rollen te combineren?
Ik heb daar van beide kanten nooit problemen mee gehad. Ik heb me altijd al in verschillende werelden bewogen. Ik vloog van het alternatieve toneelclubje op de middelbare school naar de lompheid van het voetbal en het elitaire van de tennis. Ik zat overal tussenin, maar was wel overal mezelf. Dat is namelijk wat ik goed kan: mezelf zijn.

Q9. Wat vind je van het huidige filmklimaat in ons land?
Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft, vind ik. Romantische komedies doen het commercieel goed, maar dat vind ik afschuwelijke films. Daarom werk ik graag in België. Daar worden nog films met een randje gemaakt. Neem een film als Rundskop. Had een Oscarnominatie. Zou in Nederland nooit gemaakt kunnen worden. Te zwart, te moeilijk, te heftig. Nederland houdt van makkelijk. Wij hebben Frans Bauer, zij hebben deus. Een van de beste dingen die ik ooit heb gemaakt is De Enclave, een serie over Srebrenica. Daar keken op primetime 15.000 mensen naar. Dat is minder dan niks. Het is een bekroonde serie, aan de kwaliteit lag het dus niet, maar mensen weigerden gewoon om ernaar te kijken. Ze wilden niet geconfronteerd worden met de ellende uit ons recente verleden.

Q10. Klopt het dat je ontdekt bent door Hollywood?
Ha, nou ja, ik loop daar sinds kort af en toe rond. Ik heb daar vorig jaar een film gemaakt, D-railed. Die gaat over een trein die onder water verdwijnt en dan komt er een monster en dat eet iedereen op. Hij is hier nog niet uit, maar hij draait al wel op verschillende filmfestivals. Er komt waarschijnlijk een nieuwe film aan, maar dat weet ik nog niet zeker. We’ll see what happens. Ik hoef ook niet zo nodig een carrière in Hollywood. Ik wil er best af en toe naartoe om een film te draaien, maar ik ga daar niet wonen. Amerikanen zijn wel leuke mensen om mee te werken. Ze zijn – zo is me opgevallen – heel erg complimenteus. Ik werkte samen met crewleden die ook samenwerken met Steven Spielberg. Ze kwamen naar me toe en zeiden: ‘I work with a lot of A-listers man, but you fucking knocked the ball out of the park.’ Dat is leuk om te horen. Als je iets goed doet, dan wordt dat ook benoemd. Hier zijn de mensen afgunstig. Wat dat betreft kunnen wij daar nog een hoop van leren.

Q16. Wat is het grootste nadeel van de roem?
Dat je overal wordt aangesproken. ‘Hé, Jumboooo!’ schreeuwen ze dan bijvoorbeeld. Ik kan daar zelf redelijk mee omgaan, maar mijn vrouw en dochter worden daar weleens gek van. Dat snap ik ook wel. Ik ga met carnaval ook niet meer naar Eindhoven. Dat gaat gewoon niet, dan word je helemaal gek. In die zin isoleert roem wel, al zou je denken dat juist het tegenovergestelde waar zou zijn.

Q17. Waarom wil je nooit vertellen hoeveel je verdient met de reclames voor Jumbo?
Omdat daarover praten alleen maar negativiteit oplevert. Ik schaam me nergens voor, ik denk ook dat ik krijg wat ik verdien, maar het roept alleen maar afgunst op. In Amerika krijg je complimenten als je op die manier je geld verdient als acteur, hier het tegenovergestelde.

Q18. Doe je weleens boodschappen bij de Albert Heijn? Nee.

 

Advertenties

Gerard Spong: ‘Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende

Strafpleiter Gerard Spong (72) staat in de theaters met zijn college-voorstelling In vertrouwen. Wat ziet, leest en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

Boeken
“Ik lees voor mijn werk natuurlijk de hele dag, maar dan vooral vakliteratuur. En ik lees veel kranten, dat kost ook de nodige tijd. ’s Avonds in bed lees ik niet; dan val ik meestal direct in slaap. Als ik lees, dan lees ik vooral hapsnap tussen de bedrijven door. Op dit moment heb ik drie boeken op mijn bureau liggen: de Ilias van Homerus, Hitlers Eliten nach 1945 van Brüder Grimm en De glijbaan van een president van Eric Daalder. De Ilias lees ik voor het eerst. Het is een waanzinnig interessant, maar ook heel moeilijk boek. Soms ben ik na drie pagina’s al doodmoe. Hitlers Eliten nach 1945 gaat met name over hoe Duitse nazirechters na de oorlog op allerlei mooie posten zijn terechtgekomen. Het verbazingwekkende is dat dit relatief open en bloot heeft kunnen plaatsvinden. Het is puur gissen waarom ze die mensen nooit hebben berecht. Ik denk dat er enerzijds behoefte was om een aantal hoofdfiguren van het naziregime schuldig te verklaren – denk aan de Processen van Neurenberg – maar dat anderzijds de amorfe nazimassa te groot was om juridisch aan te pakken. Het was dus de makkelijkste oplossing om het naziverleden van die rechters maar een beetje te verdoezelen. De glijbaan van een president is ook een heel mooi boek. Eric Daalder is een confrère van mij, hij was lange tijd advocaat in Den Haag. Later was hij landsadvocaat en sinds enkele jaren is hij bestuursrechter bij de Raad van State. Dit boek gaat over Nixon en Watergate. Er zijn natuurlijk ontzettend veel parallellen te trekken tussen Nixon en Trump. De leugenachtigheid is er daar een van. Nixon heeft misdrijven gepleegd, maar ik durf wel te stellen, althans het lijkt er heel sterk op, dat Trump wat dat betreft zijn gelijke is – alleen is het bij hem nog niet bewezen.”
“Er zijn drie schrijvers die ik bewonder: Gerard Reve, Gerrit Komrij en Willem Frederik Hermans. Reve bewonder ik onder meer om zijn boek Nader tot U. Ik heb in mijn huis drie prachtige handgeschreven gedichten van hem hangen die ik van hem cadeau heb gekregen toen ik zijn partner in een rechtszaak had bijgestaan. Komrij en Hermans hebben natuurlijk veel gemeen met elkaar. Ze hebben een buitengewoon scherpe pen en ze zijn voor de duvel niet bang. Dat trekt mij erg aan in hun werk. Ik voel me erg verwant met die twee; ik houd mij voor dat ik dezelfde normen en waarden hanteer.”
“Een boek dat mij in zekere zin heeft gevormd is Why I Am Not a Christian van Bertrand Russell. Het heeft ertoe bijgedragen dat ik me heb afgekeerd van het geloof. Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende. Ik speelde drums in een bandje en we hadden een contract met de Oecumenische Kerk in Oegstgeest. Daarin stond dat we elke week gratis mochten repeteren in het patronaatsgebouw, maar dat we als tegenprestatie elke maand een concert moesten geven voor de jeugd uit de buurt. Dat deden we, maar op een gegeven moment kwam de pastoor naar me toe en zei: ‘U mag die liederlijke liederen van The Rolling Stones en dat soort bands niet meer spelen!’ Ik vroeg aan hem waarom dat niet mocht. Hij antwoordde: ‘U drijft daarmee de jeugd de bosjes in en daar doen ze allemaal vieze dingen.’ Ik vond dat een rare opmerking. ‘Dat is toch juist mooi, pastoor,’ zei ik, ‘dat ze in de bosjes verdwijnen? Daar heeft u uw leven aan te danken!’ Een jaar of vier later las ik dit boek en opeens zag ik de gedachten die ik over het geloof had onder woorden gebracht.”

MUZIEK
“Mijn favoriete componist is Gioachino Rossini. Ik heb mijn hele leven affiniteit gehad met klassieke muziek, maar vele jaren terug werd ik opeens gegrepen door zijn composities. Dat begon met de William Tell Overture. Ik vind dat werkelijk een prachtig stuk, dat overigens ook wordt gebruikt als soundtrack van A Clockwork Orange van Stanley Kubrick. Rossini heeft natuurlijk iets van Beethoven, maar het is Beethoven light. Zijn composities zijn veel lichter dan de zware werken van Beethoven. Tenminste, zo zie ik het. Misschien trap ik op de ziel van menig muziekliefhebber, maar dat moeten ze me dan maar vergeven. Een ander stuk waar ik naar kan blijven luisteren is het tweede pianoconcert van Rachmaninov. Ik heb dat leren waarderen door een vriendin op wie ik waanzinnig verliefd was en in een zeer romantische periode in mijn leven draaide ik dit pianoconcert dus veel. De eerste klanken brengen me nog steeds in vervoering en nemen me als het ware mee naar die tijd.”
“Ik ben totaal niet eenkennig wat betreft muziek. Ik ontdek nog steeds nieuwe muziek, zoals bijvoorbeeld laatst Hou je bek en bef me van Merol. Je moet durf hebben om zoiets te zingen en in die durf gaat een zekere artisticiteit schuil. Het kenmerk van iedere grote kunstenaar is dat hij of zij grenzen verlegt. Zij heeft de durf om met haar teksten die grenzen te verleggen. Daarom zie ik haar ook als een groot kunstenaar. Ik heb haar nog niet live gezien, maar wellicht komt het daar ooit een keer van. Ik ben sowieso niet zo’n concertganger. Ik ben niet zo lang geleden wel bij Sheila E. geweest in Paradiso en ik kom ook weleens in het Concertgebouw, maar ik heb geen abonnement. Zo’n abonnement vind ik muzikaal masochisme.”

Lees het gehele interview in het meinummer van HP/De Tijd. (2019)

 

Lykele Muus: ‘Er wordt neergekeken op schrijvende acteurs’

Lykele Muus (32) is schrijver en acteur. Deze week verscheen zijn tweede roman: We doen wat we kunnen.

Kun je kort vertellen waar het boek over gaat?
We doen wat we kunnen gaat over twee bevriende gezinnen met elk een dochter die een vakantiehuis delen aan zee. Tijdens aan van de vakanties krijgen de meisjes een quad-ongeluk. Het ene meisje belandt in een coma waar ze waarschijnlijk nooit meer uitkomt, het andere meisje heeft ogenschijnlijk niks. Later veranderen de verhoudingen en worden de ouders voor een onmogelijke keuze gesteld.”

Hoe kwam je op het idee voor dit onderwerp?
“Het boek gaat over ouderschap, maar ook over duurzaamheid van relaties en het jezelf opofferen omwille van de kinderen en omwille van het samenblijven met je partner. Na de geboorte van mijn dochter merkte ik dat ik heel erg was veranderd, maar ook de relatie met de moeder van mijn dochter was heel erg veranderd. Op een gegeven moment werkte het gewoon niet meer tussen ons. Het ideaal is dat mensen die een kind hebben bij elkaar blijven. Ik vind dat helemaal niet het ideaal. Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk. Mijn ex en ik dragen het co-ouderschap over onze dochter en dat werkt uitstekend. Ik denk dat het, als je allebei carrière wilt maken en een zware baan hebt met onregelmatige uren, bijna onmogelijk is om samen een kind op te voeden. Je wilt een goede partner zijn en een goede ouder zijn, maar je wilt ook dichtbij jezelf blijven en carrière maken. Daarnaast wil je je sociale leven onderhouden en af en toe ook een moment van rust inlassen voor jezelf. Dat is bijna ondoenlijk als je met z’n drieën onder een dak woont. In de situatie waarin wij nu zitten – dus met twee ouders die allebei een drukke baan hebben – is het co-ouderschap de beste oplossing. Toen mijn ex en ik aan familie en vrienden vertelden dat wij uit elkaar gingen, zei iedereen: ‘O, wat erg voor jullie, wat jammer dat het is mislukt.’ Iets is niet mislukt als het stopt. In het boek schrijf ik ook dat je altijd opnieuw kunt beginnen. En dat is ook waar. Zelfs als je kind wegvalt, hoe verschrikkelijk dat ook is, betekent dat niet het einde van de wereld.”

In het boek schrijf je: ‘Omringd door andere ouders is het not done om te laten merken hoe zwaar het ouderschap eigenlijk is.’ Wat vind je zelf het zwaarst aan het ouderschap?
“Het houdt niet op. Als je wakker wordt ben je een ouder, als je gaat slapen ben je een ouder – je bent altijd verantwoordelijk voor het leven van je kind en dat van jezelf. Je kind mag niet dood maar je mag zelf ook niet dood. Dat bepaalt wel heel erg hoe je in het leven staat. Voordat ik een kind kreeg was ik veel impulsiever. Ik was veel onverschilliger en veel sneller met oordelen, ik had toch niets te verliezen. Nu denk ik over alles drie keer na.”

“Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk”

Je debuteerde in 2016 met Eland. Van welke fouten uit dat eerste boek heb je geleerd?
“Bij je debuut heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een boek kan schrijven, bij je tweede heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een goedboek kan schrijven. Eland bevatte teveel passages die niets met het verhaal te maken hadden. Ik dacht: die grappige passage laat ik erin, want dan kunnen ze zien dat ik ook met humor kan schrijven. Nu heeft elke passage een functie. Het gaat niet meer om mij als schrijver, maar alles staat in dienst van het verhaal. Eland heb ik heel impulsief geschreven, zonder duidelijk plan. We doen wat we kunnen is meer doordacht. Dat komt ook omdat dit boek als filmscenario begon, waarvoor ik me onder andere heb laten inspireren door het toneelstuk Carnage van Yasmina Reza. Dat scenario was al klaar toen het werd afgewezen door het Filmfonds, waarna ik het heb omgewerkt tot een roman.”

Je bent naast schrijver ook acteur. Zit dat acteurschap het auteurschap niet in de weg, in die zin dat je wordt weggezet als die acteur die ook zo nodig moet schrijven?
“Jawel, heel erg. Soms lijkt het wel of je in Nederland maar op een manier bekend mag zijn. Waarom zou je alleen maar schrijver of acteur kunnen zijn en niet allebei? Herman Koch is toch ook ooit begonnen als acteur? In andere landen zijn de kunsten veel minder gescheiden. Hier is het: schoenmaker blijf bij je leest. Ik merkte dat voor het eerst bij het verschijnen van mijn debuut. Niemand wilde erover schrijven. En als er al iets over werd geschreven, dan werd het boek genoemd in een lijst met boeken die geschreven zijn door een acteur, waarbij er met geen woord over de inhoud werd gerept. Collega-schrijvers denken vaak dat het door je bekendheid makkelijker is om aandacht te krijgen voor je boek. Het tegendeel is waar. Het is juist veel moeilijker. Er wordt door mensen uit het boekenvak heel erg neergekeken op schrijvende acteurs. Precies wat jij zegt: daar heb je weer zo’n acteur die ook denkt dat hij kan schrijven. Ergens snap ik dat ook wel. Ik vind het als acteur ook heel erg kut wanneer ik auditie doe voor een rol en ik later te horen krijg dat die rol is vergeven aan presentator Jan Versteegh. Aan de andere kant vind ik ook dat je je talenten mag laten zien. Waarom mag een presentator die goed kan acteren niet in een film spelen? Dat geldt voor een acteur die goed kan schrijven ook.”

We doen wat we kunnen gaat over onmogelijke dilemma’s. Als we het daar dan toch over hebben: nooit meer acteren of nooit meer schrijven?
“Nooit meer acteren. Ik verdien mijn geld met acteren, want met het schrijven van een boek verdien je niet zoveel, maar als acteur werk je toch altijd in opdracht van een ander. Ik zou alleen over deze vraag twijfelen als ik zelf mijn films en toneelstukken mocht schrijven, maar dat is niet aan de orde. Toneel is trouwens ook een uitstervende kunstvorm, dus dat idee moet ik misschien sowieso loslaten. Een boek schrijven, ook al kost het drie jaar van je leven en levert het weinig op, is voor mij het summum. Je kunt je eigen verhaal vertellen. Niemand kijkt over je schouders mee en zegt wat je moet doen. Het geeft ontzettend veel voldoening om te schrijven. Een boek is ook tijdlozer dan een film of een serie.”

“Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront”

Wat vind je zelf de mooiste zin uit het boek?
“De laatste zin, maar die zal ik hier niet citeren, want dan verklap ik teveel. Wat ik ook een mooie zin vind: ‘Het grootbrengen van kinderen gaat meer over het voorkomen van verdriet dan over het creëren van geluk.’”

Op welke Nederlandstalige schrijver ben je jaloers?
“Ik ben op niemand jaloers, maar ik bewonder wel bepaalde talenten van sommige schrijvers. De toewijding van Peter Buwalda, de beeldspraak van Tom Lanoye. Ik moet altijd huilen om de personages van Jaap Robben en ik bewonder Maartje Wortel omdat ze zware filosofieën heel lichtvoetig kan opschrijven.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou je een precisiebombardement uit willen laten voeren?
“Ha. Laat ik vooropstellen dat ik niemand dood wil hebben en dat ik ook geen huizen kapot wil maken. Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront. Er zijn een paar mensen die ik hartstikke irritant vind als schrijver, maar die als mens vast hartstikke aardig zijn. Mano Bouzamour bijvoorbeeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat zo’n ijdeltuit zo onevenredig veel aandacht krijgt voor zijn boeken en ik vind het heel irritant dat hij zich dat ook zo laat aanleunen. Ik ben begonnen in Bestsellerboy, maar ik las de eerste pagina’s en had geen idee wat er stond. Wat een draak van een boek is dat.”

Kim Holland over porno, monogamie en seks in een ministerskamer

Kim Holland wordt volgende maand vijftig. Playboy ging alvast op verjaardagsvisite bij de koningin van de polderporno. Ze mag dan een monogame relatie hebben en als actrice met pensioen zijn, haar sex drive blijft onverminderd. ‘Mijn streven is nog steeds om drie keer per dag sex te hebben.’

Playboy, april 2019. Lees het gehele interview hier.

Q6. Ben je in het begin meteen open geweest over je werk?
Ja. Dat moest ook wel. Ruud had drie jonge kinderen, dus het was belangrijk om dat redelijk snel te vertellen. We hebben de ouders van de kinderen op school meteen verteld wat we deden. We zeiden: we hebben geen alledaagse hobby, het is ook weleens op tv, maar we zijn er gelukkig mee en we houden de kinderen erbuiten. Die openheid is belangrijk. Dat werd gewaardeerd. We hebben in die tijd eigenlijk alleen maar positieve reacties gehad van mensen uit onze omgeving. Behalve van de Jehova’s getuigen. Als je niet meer gelooft, word je uit de groep verstoten.

Q7. Er is een hoop veranderd sinds de jaren negentig. Iedereen kan nu overal porno kijken – waar en wanneer dan ook. Werkelijk alles is te vinden. Is dat een goede trend?
Porno bestaat in heel veel variaties: van de meest vrouwonvriendelijke films tot de huis-tuin-en-keukenporno die wij maken. Het ligt er dus al aan over welke soort porno je het hebt. Ik ben wel geschrokken van de generatie jongeren die denkt dat ze het moeten leren van porno. Dat vind ik een groot gevaar. Het liefst wil ik die jongeren college geven over hoe het wel moet. Porno is een onderdeel van pornografisch entertainment en zo moet je het ook zien. Sex is niet vijf minuten likken, vijf minuten pijpen, vijf minuten sex en dan klaarkomen in het gezicht. Het allerbelangrijkste is kussen. Vanuit de kus ontstaat alles. We proberen dat altijd in onze films terug te laten komen, maar dat lukt niet altijd, tenzij we films met stelletjes maken.

Q12. Wat is de spannendste plek waar je ooit sex hebt gehad?
In een ministerskamer. Ik kende iemand die op een van de ministeries werkte – ik kan niet zeggen welke – en die daar toevallig een sleutel van had. Ik was als een echte dame gekleed en heb daar een striptease show gehouden. We hebben het gefilmd, maar we hebben de beelden nooit gebruikt, omdat we daar problemen mee zouden kunnen krijgen. Voordat ik een masturbatieshow gaf op de ministerstafel, hebben we de belangrijke documenten die daar lagen maar even weggelegd, zodat we niet per ongeluk gevoelige informatie zouden filmen. Ik kwam spuitend klaar. Achteraf hoorden we dat de werkster een blonde haar op de tafel had gevonden, maar ik geloof niet dat het ooit is ontdekt.

Q16. Hoe was het om van het een op het andere moment monogaam te worden?
Eigenlijk ging dat vanzelf. Je kiest voor een nieuw leven, dus je kiest ook voor een nieuwe invulling van dat leven. Het enige waar ik moeite mee heb gehad, is dat ik destijds een vriendinnetje had met wie ik de seksuele relatie moest afbreken. Daar hebben we het allebei moeilijk mee gehad. Maar het is goed. Ik denk nu ook dat ik de rest van mijn leven monogaam zou kunnen blijven, al hebben we wel afgesproken dat we het daar over kunnen hebben als ik me daar anders over ga voelen.

Q17. Heb je bewust een laatste film gemaakt of ben je cold turkey gestopt als pornoactrice?
Nee. Ik heb een paar jaar geleden een film gemaakt en dat bleek achteraf de laatste. Mature is natuurlijk wel een populair genre, het is de meest gezochte term op mijn website, maar ik vind het acteren mooi geweest. Ik zie mezelf niet ooit nog een film maken. Ik heb al wel een tijd het idee om een bioscoopachtige film over mijn leven te maken. Daar ben ik al weleens voor gevraagd, maar dat vond ik toen te vroeg. Uiteindelijk lijkt het me wel mooi om dat verhaal een keer te vertellen, omdat het een bijzonder verhaal is. Ik zou het dan wel leuk vinden om als figurant ergens op te duiken, haha.

 

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2019)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan in totaal honderd literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

58. Het Geuzenboek (1979)
Louis Paul Boon (1912 – 1979)

Tom Lanoye: In genadeloze en korte hoofdstukken tekent ‘Boontje’ zowel de levenswandel van de machtigen als het lot en het weerwerk van ontelbare kleine zielen. Te weten: de water- en bosgeuzen van de zestiende eeuw, in hun strijd tegen de Spaanse bezetter en zijn vele collaborateurs. Het is een overweldigend en bijwijlen weerbarstig monument, door de hoeveelheid van de informatie en de onontkoombaar sterke stem van Boon — een verteller die maar nauwelijks zijn woede beheerst en die zijn misprijzen voor de toenmalige elites niet onder stoelen of banken steekt. (Waarom noemde men Willem ‘de Zwijger’? Boon pepert het ons met sardonisch genoegen in.)

Waarom is dit boek zo weinig bekend, zeker in Nederland? Ik was teleurgesteld, nee: verbolgen, dat in de mooie serie 80 Jaar Oorlog (NPO 2) niet minstens een paar fragmenten werden voorgelezen door presentator Hans Goedkoop. En zeker in deze tijden van hernieuwde godsdienstconflicten — die zoals altijd economische en geo-politieke belangen maskeren — zou dit meesterwerk de basis kunnen vormen van een onthutsende, spannende en leerrijke dramaserie.

Tot slot geef ik graag het motto van de meester zelf mee: “Zo wil dit Geuzenboek dan een soort bijbel zijn, waarin vastgelegd werd hoe de vromen en rechtzinnigen konden worden uitgeroeid door heerszuchtigen die het woord van Christus tot een godslasterlijk woord maakten, en in zijn naam duizenden en duizenden ombrachten door vuur en water, door strop en zwaard.”

59. Het Leven op Aarde (1934)
J. Slauerhoff (1898 – 1936)

Nelleke Noordervliet: Slauerhoff is vooral bekend als dichter. Zijn zwervend leven als scheepsarts en zijn vroege dood aan tuberculose weeft een waas van romantiek om zijn persoon. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Nooit vond ik ergens anders onderdak.’ Tijdens dat betrekkelijk korte bestaan vond hij toch tijd om een paar romans te schrijven die als de pendant van het levensgevoel in zijn gedichten kunnen worden beschouwd. Het Leven op Aarde is daarvan een geweldig voorbeeld. Cameron, een Engelse marconist, heeft genoeg van het leven op zee en drost in China. Het is een geheimzinnig, moeilijk toegankelijk land. De sfeer is duister en chaotisch. Na wat vage pogingen te settelen neemt hij deel aan een louche expeditie met een onbekend doel naar een legendarische stad in het binnenland. Het reisgezelschap bestaat uit verschillende enigmatische figuren. Cameron is een buitenstaander die af en toe een verbond met een van de andere expeditieleden sluit. Wat er gebeurt, hoe lang ze onderweg zijn  het blijft allemaal raadselachtig. Eindelijk in de grote stad in het binnenland gearriveerd wordt het doe; van de expeditie duidelijk, wordt het gezelschap vastgezet, elk van de leden op een eigen plaats en ontstaat er conflict met de leiders van de gemeenschap. Cameron stelt executie uit door te beloven een toestel te ontwerpen dat het geluid van de wereld binnen zal brengen. Hij bouwt een radio-ontvanger. In een apotheose als in een rampenfilm wordt de stad overstroomd door kolkende rivieren. Cameron vlucht naar het ijzige hooggebergte en verder. De sfeer van Het Leven op Aarde grijpt je vast, de stijl is soms slordig soms hallucinant. Een Nederlandse roman van grote, internationale allure.

60. Zondagsrust (1902)
Frans Coenen (1866 – 1936)

Rob van Essen: Een volksbuurt, eind oktober, Amsterdam, omstreeks 1900. Een gezin wordt wakker. Vader, moeder en het dochtertje (van de moeder, niet van de vader) slaan zich binnenskamers de taaie zondag door. Een dag vol verveling, verwijten, kleine chantages, tijdelijke overwinningen, dierlijk gescharrel, hoogoplopende emoties, doffe berusting – uiteindelijk eindigt alles, altijd, in teleurstelling en frustratie. Iedereen loert op elkaar op die kleine etage, iedereen is uit op eigen gewin, in een decor van goedkope prullen en opflakkerende lusten, die niet zomaar worden bevredigd – want alles heeft zijn prijs. Tegen de avond komt dan ook nog de benepen en chronisch ontevreden grootmoeder langs, om te klagen en jenever te drinken. Hier en daar geeft Coenen zich over aan op de Tachtigers geïnspireerde woordknutselarij, daar moet je tegen kunnen, maar dan heb je ook wat: een boek van totale uitzichtloosheid. Bij Coenen geen verlichtende ironie, geen mededogen. Wurgender en genadelozer is er zelden geschreven.

61. Een nagelaten bekentenis (1894) 
Marcellus Emants (1848 – 1923)

Tessa de Loo: Het is me een raadsel waarom de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, die in 1894 verscheen, tot in onze tijd niet minstens even bekend is gebleven als bijvoorbeeld Eline Vere van Couperus. Schildert de laatste voor het eerst in onze literatuur de melancholie en depressiviteit van een jonge vrouw, die zoals de meesten van haar seksegenoten gevangen zit in een wereld van voorschriften, gedragscodes en verboden, Emants tekent met een nietsontziende pen het lege, liefdeloze huwelijk van zijn hoofdpersoon Willem Termeer met diens vrouw Anne. Met een fileermesje legt hij hun relatie bloot, even scherp als een moderne therapeut tegenover een echtpaar wier huwelijk niets meer is dan een lege huls.

De roman begint met de bedaarde mededeling van Termeer dat hij daarnet zijn vrouw heeft vermoord. Was het de logische consequentie van een uitzichtloze kwelling of heeft hij zijn verstand verloren? Met deze vraag zal hij, hoewel niemand vermoedt wat hij heeft gedaan, de rest van zijn leven blijven kampen. Dat een romanschrijver een dergelijke problematiek behandelde was in die tijd, waarin het zelfgenoegzame burgerdom de toon aangaf, revolutionair. Het boek stuitte dan ook voornamelijk op afkeuring en Emants ging erg gebukt onder dit gebrek aan begrip en erkenning. Wel vertelde hij in een interview dat hij overstelpt werd met brieven vol herkenning van lezers, die schreven: ‘Ik ben net zo…’ of ‘Mijn man is ook zo…’
Over de manier waarop zijn hoofdpersonen tot stand kwamen schreef hij: ‘Al mijn personages heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zo ver in dat ik zelfs hun taalfouten in mijn taal opneem’.
Hij was een bewonderaar van het naturalisme van Emile Zola, maar deelde ook de kritische kijk op het fenomeen vrouw waar we Schopenhauer zo goed van kennen. Ook het feit dat hij vrijelijk over seksualiteit schreef schokte de brave burgerij en werd gezien als hoogst verwerpelijk.

Emants was zijn tijd ver vooruit en daarom voor ons, na ruim een eeuw vol politieke, maatschappelijke en culturele omwentelingen die inmiddels hun neerslag in de literatuur hebben gekregen, veel toegankelijker en boeiender dan voor zijn tijdgenoten. Zijn taal is vrij van overbodige stilistische hoogdraverij, nuchter en modern, maar met een onderliggende, sterk emotionele laag. Fascinerend om te lezen, nog steeds – opnieuw!

62. Veren (1994)
Veronica Hazelhoff (1947 – 2009)

Jaap Robben: Een van de boeken die direct mee verhuisde naar het plankje in mijn eerste studentenkamer was Veren van Veronica Hazelhoff. Voorin staat geschreven: ‘Voor onze lieve Jaap die nu naar de middelbare school gaat. Liefs, papa en mama.’ Dat was zes jaar voordien. Het was zo’n cadeau geweest waarbij ik vaak benadrukte dat ik er echt-heel-erg-blij mee was. Juist omdat het niet zo was.

Alle boeken die ik tot dan toe kende waren spannend of grappig. Maar dit was iets anders. Er zat iets onbegrijpelijks in dit boek. Terwijl het zo makkelijk las. Veronica Hazelhoff schreef boeken die fluisteren, tussen haar handen die ze als kommetjes tegen elkaar hield, verborg ze iets geheimzinnigs. Je mocht wel even kijken tussen de naden van haar vingers door. Haar geheimzinnigheid is niet zozeer spannend. Het is die van het niet helemaal begrijpen. De geheimzinnigheid die je op je hoede maakt, zoals stilte dat kan doen. Steeds las ik het opnieuw.

Dat was het boek waar uiteindelijk de rest van mijn boekenverzameling omheen groeide.

De tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

63. Het Revolverschot (1911)
Virginie Loveling (1836 – 1923)

Annelies Verbeke: Ik las dit boek onlangs. En schreef volgende passage over in een schriftje: ‘Wat wij met onze oogen zien, maakt ons niet blind voor het tweede gezichtsvermogen, den scherpzinnige en diepvoelende door een helsche macht verleend. Dat onverklaarbare doet ons raden wat niet gezegd wordt, gissen wat verborgen blijft, ontdekken wat onuitgedrukt of moedwillig verkeerd uitgedrukt, in ‘t brein en ‘t gemoed van de ons omgevenden opgesloten ligt. Het fluistert wantrouwen in, daar waar berusting natuurlijk schijnt.’

Dat tweede gezichtsvermogen en de veronderstellingen van mensen over elkaar en de werkelijkheid komen mooi aan bod in een roman over de oudste van twee zussen, de zorgende, opofferende, die met de eigen verbittering en jaloezie wordt geconfronteerd als haar jongere zus iets met de overbuurman blijkt te hebben, die ze zelf al als haar verloofde was gaan zien. Een interessant hoofdpersonage. Geraffineerd neergezette onderzoekingen van haar psyche en de duistere kanten van het mysterie. Verder noteerde ik de woorden ‘bloohartig’ (lafhartig, schuchter) en ‘reeuw’ (de geur van de dood).

64. De vrienden van vroeger (1955)
Esteban Lopez (1931 – 1996)

Arjan Peters: Als jongeman zat Esteban Lopez (1931-1996) een tijdje op Nijenrode, en hij werkte in de reclame. Uit die periode stamt zijn eerste roman, De vrienden van vroeger, geschreven toen hij 23 jaar was. Mooi hoor, die eenzaamheid, de afgunst op de gozer met lef (in het personage David herkennen wij de immer zelfverzekerde Heere Heeresma), en de met angst gekleurde eerste verliefdheden – zoals op het vriendinnetje dat in de deuropening van haar huis klaar staat met pingpongbal en batje, en vraagt: ‘Heb je lust mee te spelen?’ En dan zomaar tegen haar roepen: ‘Het is uit, ik heb geen zin je nog een keer te ontmoeten.’ Het balletje valt haar uit de handen en huppelt weg. ‘Ik bedacht dat haar wangen hoogrood waren en ik vond dat zij nu een spitse neus had.’ Ze smijt de deur dicht. Hij begrijpt niet wat hij heeft gedaan, en gaat maar naar de bioscoop. Balletje nog in de hand. Wat is het leven vreemd!
O, radeloosheid van de jeugd. Ik geniet.

65. Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982)
Yvonne Keuls (1931)

Eveline Aendekerk: Het verrotte leven van Floortje Bloem van Yvonne Keuls is natuurlijk geen onbekend of ongekend meesterwerk, maar ik merk dat de jongere generatie dit juweel van een boek vaak niet meer kent. Daarom deze ‘preventieve’ keuze. Alleen al de titel vind ik werkelijk briljant. Die doet je toch snakken naar de inhoud? Mij zo’n 32 jaar geleden in elk geval wel. Dit boek is een van de eerste sociale romans in Nederland en fictie en werkelijkheid vormen er een hechte eenheid. Mooi vind ik dat de zogenaamde slachtoffers geen zielige figuren zijn. Het zijn in feite sterke figuren die in een ellendige situatie terecht zijn gekomen. Thema’s als leed en onmacht, angst, onwil en het grote gemis aan liefde, maar ook schuld en eigen verantwoordelijkheid worden met warmte behandeld. Heerlijk ook dat de tijdsgeest van de jaren 80 er zo in door klinkt; de net opgezette hulpontwikkeling, de softe vaktaal en de christelijke onderdrukking bij opvanghuizen.

66. Experimenten (1911)
Geerten Gossaert (1884 – 1958)

Martin Michael Driessen: Imponerend vormvaste en aangrijpende gedichten, door hemzelf en anderen getypeerd als ‘bezielde retoriek’. Sommige behoren al een halve eeuw tot mijn absolute favorieten, zoals Libera Nos, Domine (‘De wind woei om het eenzaam huis/In het laatste avonduur;/Toen lichtte een vreemde de klink der deur/En zat bij ’t open vuur.’)

Toen ik zestien was leek dichten als hij me het hoogst haalbare; dat veranderde, maar de bewondering en de dankbaarheid zijn altijd gebleven. Het kost misschien wat moeite hem vandaag de dag te lezen, maar dan heb je ook wat: hij staat bij  lange na niet zo ver van ons af als Bilderdijk of zelfs Boutens. Hij doet eerder aan Vasalis denken.

Intrigerend: op een gegeven moment gaf hij er gewoon de brui aan. Gerretson (dat was zijn burgerlijke naam) kreeg een goedgedoteerde baan bij de Shell en liet weten dat hij ‘geen tijd meer had voor een onmaatschappelijke activiteit als het dichten.’

Uit zijn enige bundel komt een man naar voren die zichzelf alleen kon of wilde prijsgeven in een uiterst beheerste en vaak archaïserende kunstvorm. Het effect is verpletterend. Hij laat zich nooit gaan. Hij weet wat hij doet. Het lijkt alsof hij zich niet wil laten kennen, maar na lezing van die formidabele verzen heb je er een vriend voor het leven bij.

Volgens mij is Geerten Gossaert is een van de grootste Nederlandse dichters.

67.
 Dood van een non (1961)

Maria Rosseels (1916 – 2005)

Kristien Hemmerechts:  De nonnen op mijn school hebben mij vaak op hoogmoed betrapt. Het was een verraderlijke zonde: je kon die begaan zonder dat je je ervan bewust was. Ook Sabine Arnauld, hoofdpersonage in Dood van een non maakt er zich schuldig aan, althans in de ogen van de zusters in het klooster dat ze wil betreden. De roman legt de absurditeit van die obsessie met hoogmoed bloot zonder het geloof of gelovige mensen belachelijk te maken. Auteur Maria Rosseels weet het evenwicht te bewaren tussen weerzin en respect. Wanneer je alle onzinnige ballast weg schraapt die het Katholicisme over de jaren heeft verzameld, blijft de poging over van de mens om een relatie met God aan te gaan. De lezer die erin slaagt het ontegensprekelijk gedateerde karakter van de roman te negeren, ontdekt een intelligente en fascinerende voorstelling van een verlangen dat – terecht of onterecht – ook vandaag onuitroeibaar blijkt.

68. De Metsiers (1950)
Hugo Claus (1929 – 2008)

Oek de Jong:  Ik heb de roman zojuist herlezen en vond hem opnieuw steengoed: een rauw en beklemmend verhaal, meesterlijk van psychologisch inzicht, compact geschreven, stampvol gebeurtenissen in krap honderd bladzijden. Ik heb het over het debuut van Hugo Claus: DeMetsiers. Hij schreef dit kleine meesterwerk op zijn negentiende. Verbazingwekkend dat een negentienjarige al zoveel van het leven had gezien en begrepen.

De Metsiers – een boerenfamilie in het Vlaanderen van vlak na de oorlog. In het dorp zijn de Metsiers ongewenst. De toegang tot de mis is hen ontzegd. Ze worden veracht en gemeden. Het is een familie van primitieve hartstochten waar geen rem op zit. Als negentienjarige bewoog Claus zich meteen op het niveau van de Griekse tragedie: moord, incest, onverzoenlijke haat, verblinding. Een allesoverheersende moederfiguur, aangeduid als de Moeder. Mon, die samen met de Moeder haar man Metsier heeft vermoord, en nu met haar leeft. Bennie, achterlijke jongen, en zijn halfzusje Ana, samen een liefdespaar. Jules, ooit ook een minnaar van de Moeder. Dat alles bij elkaar op een afgelegen hoeve. Broeieriger kan het niet. Twee Amerikaanse soldaten worden ingekwartierd bij de Metsiers. Indringers zijn het, vreemdelingen. Alle in de familie verzamelde haat richt zich op hen. Tijdens een eendenjacht in het nachtelijk moeras volgt de ontknoping.

Bijzonder is ook de vorm van de roman: 25 korte monologen van de Moeder, Mon, Ana, Bennie, Jules en Jim Braddok. Het werkt beklemmend.  Ik citeer als smaakmaker de meteen al zo dreigende eerste zin: ‘Een half uur het duister in staren, zinloos staren naar de weg, waarlangs de Vette Smelders moet komen’. Eenmaal gelezen, is het een verhaal dat je niet meer vergeet.

69. Mannekino (1968)
Sybren Polet (1924 – 2015)

Elke Geurts: Mannekino is een moderne klassieker over het negenjarige wonderkind Guido Jagt, dat almaar doet alsof hij zeer middelmatig tot regelrecht dom is, omdat hij erachter is gekomen dat hij als hij zijn intelligentie toont raar bevonden wordt. Maar Guido – die met z’n negen jaar in wezen een zeer sluwe zakenman is en volwassenen in het bedrijfsleven omkoopt, bedriegt en voor z’n karretje spant – heeft zich voorgenomen om op zijn tiende miljonair te zijn om de studie voor zijn vader te kunnen betalen. Zijn vader moest stoppen met studeren toen Guido geboren werd. Mannekino is onderdeel van de Lokienreeks van Sybren Polet, maar kan ook heel goed los gelezen worden. Het is fabelachtig goed geschreven, speels, fascinerend om te lezen, op iedere bladzijde verrassend, wendbaar, fantasierijk, geestig en dient heden ten dagen door iedereen verplicht gelezen te worden.

70. Nachtboek van een slapeloze (1988)
Patricia de Martelaere (1957 – 2009)

Saskia de Coster: Sowieso is een al dan niet overleden Vlaamse auteur in Nederland alsmaar meer een curiosum. In het geval van de zowel Vlaamse als ook nog eens geniale Patricia de Martelaere is dat doodzonde. Nachtboek van een slapeloze, voor het eerst verschenen in 1988, is een prachtig, toegankelijk en toepasselijk gitzwart boek. Een man is bij aanvang simpelweg gelukkig en toch stort hij nacht na nacht meer in. De slapeloosheid neemt hem en zijn lichaam volledig over. Van zijn neergang doet hij iedere nacht verslag, een jaar lang. Wie zijn nachtelijk dagboek leest, voelt de snaren van het universum trillen in iedere wanhopige poging van de hoofdpersoon om toch de voeten op de grond te houden en te geloven dat het gewone leven een bescheiden feest is. Zijn hele, vredige gezinsleven wordt hem zo steeds meer een gruwel. Dat is veel te kort gezegd de tragiek die in Nachtboek van een slapeloze op een totaal meeslepende manier, met een enorm naturel, verteld wordt. Een onontkoombaar boek om tja, van wakker te liggen.

Tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

71. De Verbeelding (1999)
Herman Franke (1948 – 2010)

Lykele Muus: Dit boek had net de AKO Literatuurprijs gewonnen en Trafalgar Square stond op de voorkant, dus ik nam het mee op reis naar London. Ik heb zowat meer van het boek dan van die reis onthouden. Kort daarna zag ik de film Magnolia, ook zo’n slim geconstrueerde mozaïekvertelling. Over Magnolia wordt nog steeds gesproken, maar van De Verbeelding heb ik nooit meer iets gehoord. Die vorm van vertellen werd een soort heilige graal voor mij. Vermoedelijk zal ik tot mijn dood blijven proberen zo’n verweven constructie te scheppen, nooit zal ik daar zo glansrijk in slagen als Franke. Onder het web van verbindingen ligt nog een web, en daaronder nog een. Daarboven de boodschap dat ieder mens op zijn eigen, vaak mooie, manier beschadigd is, maar dat het leven desondanks draaglijk wordt van de juiste balans tussen realiteit en fantasie

72. Tobias en de dood (1925)
J. Van Oudshoorn (1876 – 1951)

Maarten ’t Hart: In boekhandels zoek je vergeefs naar werk van J. van Oudshoorn. Een totaal vergeten schrijver? Het lijkt er wel op. En dan te bedenken dat Bordewijk ooit Tobias en de dood de grootste roman uit de Nederlandse letterkunde heeft genoemd. Frits Hotz was het daar geheel mee eens en heeft in enkele verhalen zelfs geprobeerd de sfeer van Tobias en de dood weer op te roepen, onder andere in het verhaal Zand en grind. Zoveel is intussen zeker: van de vier romans die Van Oudshoorn heeft geschreven – het onvolprezen Willem Mertens’ levensspiegel, het iets minder geslaagde Louteringen, het superieure Achter groene horren – loopt Tobias en de dood, hoe archaïsch-plechtig het taalgebruik soms ook uitpakt, het meest nadrukkelijk vooruit op een werk als Noorderlicht van Bordewijk en De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Anders dan in de drie andere romans is hoofdpersoon Tobias niet alleen maar een mislukking.  Hij houdt zich, hoewel slachtoffer van chantage, staande in een geheimzinnige, grimmige wereld. En in deze roman is zelfs voor eenmaal in het werk van Van Oudshoorn sprake van een superieur soort humor.

73. Het uur tussen hond en wolf (1987)
Maarten ‘t Hart (1944)

Elsbeth Etty: Van het grootse meesterwerk uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar (1860), kan niet worden gezegd dat het onbekend of vergeten is. Des te meer geldt dat voor Het uur tussen hond en wolf: een Multatuliaanse sleutelroman waarin Maarten ‘t Hart afrekent met een Amsterdamse Slijmering, die hem een trauma heeft bezorgd, vergelijkbaar met dat van Douwes Dekker in de zaak-Lebak.

In 1980 kocht ’t Hart van het geld dat hij verdiend had met Een vlucht regenwulpen een monumentaal pand aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Eén verdieping hield hij zelf, de overige verhuurde hij aan onder meer vertaler en journalist bij NRC Handelsblad Hans Bakx. Die ontpopte zich als wanbetaler en pleger van huisvredebreuk met behulp van gewelddadige krakers.

Het conflict tussen huisbaas en huurder eindigde na kostbare verbouwingen en eindeloze procedures voor de rechter. “De enige manier om nog iets van het geld terug te zien is over dit alles een boek te schrijven …’ zegt ’t Harts alter ego Melchior in de roman en dat voornemen resulteerde in Het uur tussen hond en wolf: een wraakoefening met smakelijke roddels over duidelijk herkenbare figuren uit de literaire en journalistieke wereld.

Natuurlijk haalt dit boek het niet bij Multatuli’s aanklacht tegen koloniale wantoestanden en de calvinistische Nederlandse koopmansgeest. ’t Hart identificeert zich met de schraperige Droogstoppel en hij bespot Bakx, in het boek figurerend onder de naam Koudvuur, omdat die dweept met de vrijgevige Multatuli.

De uitgeefgeschiedenis van Het uur tussen hond en wolf lijkt op die van Max Havelaar met uitgever Theo Sontrop in de rol van Jacob van Lennep. Om te voorkomen dat het boek wegens laster uit de handel zou worden genomen liet hij de straatnaam Oudezijds Voorburgwal veranderen in Marnixkade en stuurde hij het typoscript ruim vóór publicatie naar Bakx. Die stapte echter niet naar de rechter, maar maakte gebruik van ’t Harts tekst voor een tegenaanval: de vileine sleutelroman Midas’ tranen. Allebei hilarische boeken en nog immer actueel als het gaat over jaloezie en wraak in bepaalde milieus.

74. Het verstoorde mierennest (1916)
C.J.A. van Bruggen (1874 – 1960)

Max Pam: Wie Carrie van Bruggen was, weten de meeste Nederlandse lezers nog wel. Zij schreef Prometheus, dat zij zelf ‘een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur’ noemde. Ook haar taalboek Hedendaagsch Fetisjisme zal misschien nog een belletje doen rinkelen, maar dan alleen omdat Renate Rubinstein ernaar verwees in haar pamflet Hedendaags feminisme.

Wie C.J.A. van Bruggen was, weet daarentegen niemand meer. Hij was de echtgenoot van Carry, en ook schrijver/journalist. Bijna al zijn boeken en stukken zijn vergeten, maar één roman verdient het om aan de vergetelheid ontrukt te blijven: Het verstoorde mierennest.

Het thema is tegenwoordig weer uiterst populair: de ondergang van de wereld. Het gaat over een mijnwerker, diep neergedaald in een Limburgse schacht, die merkt dat iedereen om hem heen gestorven is. Hij weet naar boven te komen en ziet dat hij de enige overlevende is van een verschrikkelijk ongeluk dat de aarde heeft getroffen. Jonathan Strong, want zo heet hij, is de Hollandse Robinson Crusoë. Een vrolijk boek is het niet, want het eindigt met doodslag en in snikkende puntjes… Maar het leert je wel hoe Nederland er honderd jaar geleden uitzag. Nederland was toen een prachtig land, jammer van al die doden die op straat lagen.

Van harte aanbevolen!

75. Laten we vader eruit gooien (1967)
Mary Dorna (1891 – 1971)

Sylvia Witteman: Het oprakelen van ‘vergeten’ boeken is hip, net als de teelt van ‘vergeten’ groentes: soms worden ze terecht weer van stal gehaald, maar soms ook begrijp je best waarom men ze ooit de rug toekeerde; neem nu bijvoorbeeld snijbiet, of Hugo Claus. Ik twijfel nog steeds over John Williams’ Stoner (die ik niet zozeer een tragische held vond als wel een lafaard), maar als ik van íémand zeker weet dat ze een comeback verdient is het Mary Dorna.

Geestig-ironisch, met een flinke dosis verdriet, beschrijft ze de zeden en gewoontes van de benepen bourgeoisie, waarin ze zelf honderd jaar geleden opgroeide, als lastig en opstandig kind; een soort Joop ter Heul from hell, met een strenge vader, een zachte moeder en een, volgens betrokkenen ‘onmaatschappelijke voorkeur’.

In de leukste van Dorna’s sterk autobiografische verhalen is de ‘ik’ een jonge tiener, die voortdurend ongewenste betrekkingen aanknoopt met mensen buiten haar milieu. De zus van het dienstmeisje, bijvoorbeeld, Nelly, die een ‘meisje van pleizier’ is, met ‘zulke prachtige kleuren rose op de wangen, en zulke rode lippen. (…) In de kamer bevonden zich nog een groot bed, een neger en een papegaai. De neger heette Jim, en toen Nelly over liefde sprak gaf hij haar een zoen in de hals. Voor het eerst van mijn leven begreep ik dat zoenen prettig kan zijn. Ik had een paar dagen tevoren een vreselijke proef doorstaan met een jongen – het was juist de tijd dat er over zoenen en nog veel griezeliger dingen op school gesproken werd – en in mijn nieuwsgierigheid probeerde ik het in het smalle straatje dat voor dergelijke experimenten bij onze school in trek was. ‘Jasses, het is net nat spuug’ was de verpletterende ontdekking voor mezelf en ook voor de beteuterde jongen. Maar de neger had zulke prachtige witte tanden en Nelly zag er zo beeldig perzikachtig uit – ik begon iets van de liefde te begrijpen.’

Annie (waarom moet dat M. G. er eigenlijk altijd tussen?) Schmidt en Simon Carmiggelt waren zwaar schatplichtig aan Mary Dorna. En ik ook. Liefst zou ik hier haar complete oeuvre citeren om u te overtuigen, maar daar is geen ruimte voor. Haar werk is niet meer in druk, maar op joodsebibliotheek.nl is het gratis te lezen. Begin maar met de bundel Laten we vader eruit gooien en concludeer zelf: een ten onrechte vergeten meesterwerk.

(Een uitgebreide versie vindt u hier.)

 

Annet Malherbe over haar museumfobie

Annet Malherbe (61) speelt in de voorstelling InVrede. Als tv-actrice werd ze bekend door onder meer Jiskefet en Gooische Vrouwen. Wat leest, luistert en ziet zij zoal in haar vrije tijd?

Verschenen in het aprilnummer van HP/De Tijd. (2019)
Lees het gehele interview hier.

Boeken
“Ik heb al een jaar een reader’s block. Ik heb wel een aantal boeken op mijn nachttafel liggen, maar die worden altijd vrijwel meteen weer neergelegd. Laatst begon ik in Mijn zusje, de seriemoordenaar, het debuut van de Nigeriaanse schrijfster Oyinkan Braithwaite. Het schijnt een goed boek te zijn, alleen ben ik niet verder gekomen dan de eerste drie bladzijden, die ik ook alweer vergeten ben. Ik zeg het je: het is echt een aandoening. Ik word wel graag voorgelezen. Mijn man (kunstenaar en regisseur Alex van Warmerdam – red.) leest mij nu voor het slapengaan voor uit Een huis vol – een geschiedenis van het dagelijks leven van Bill Bryson. Hij las gisteren bijvoorbeeld voor dat het helemaal niet vanzelfsprekend was dat mensen zich vroeger wasten. Ook vooraanstaande mensen wasten zich niet. Hij vertelde iets over een of andere koning die zich elfenhalf jaar niet had gewassen, maar ook zijn onderhemd niet had verwisseld of verschoond. Toen het uit moest, omdat er waarschijnlijk niet veel meer van over was, bleek dat hemd helemaal in zijn huid gegroeid te zijn. Hele repen vel werden meegetrokken. Ik ben dus echt dol op dat soort verhalen. Het kan mij niet goor genoeg.”

Beeldende kunst
“Ik heb een soort museumfobie. Ik vind het heel moeilijk om in een museum te zijn, omdat er gewoon te veel is om te zien. Een poos geleden waren we in het Prado in Madrid. Alex stond erop dat ik Las Meninas (de hofdames) zag van Velázquez. Ik heb in de enorme museumhal op een bankje gewacht terwijl hij het schilderij ging zoeken. Als acteur is het fantastisch om daar te zitten. Je ziet allemaal kleine dingen – bijvoorbeeld hoe iemand loopt of hoe iemand zijn jas uittrekt – die je later weer kunt gebruiken voor een rol. Na een tijdje kwam hij me halen en heeft hij me linea recta naar dat schilderij geleid. Het is inderdaad een prachtig schilderij. Ik heb het goed op me in laten werken en daarna zijn we weer vertrokken. Het Guggenheim in New York vind ik wel een prettig museum, omdat je in een krul omhooggaat. Je loopt niet van zaal naar zaal; je ziet waar je naartoe gaat. Je hebt ook maar één wand met schilderijen. De andere wand is open. Heel overzichtelijk.”

Theater
“Je vraagt wat ik vind van de #Metoobeschuldigingen aan het adres van Job Gosschalk en Ruut Weissman. Natuurlijk vind ik iedere ongewenste seksuele avance verwerpelijk. Ik weet dat er uiteindelijk maar één aanklacht is geweest tegen Job Gosschalk. Ruut Weissman is een ander verhaal. Een docent kan geen seksuele relatie hebben met een leerling. Dan is er altijd sprake van een machtsverhouding. Natuurlijk kan een docent verliefd worden op een leerling, dat mag van mij best, maar dan moet je wel stoppen met lesgegeven. Ik vind het trouwens verbazingwekkend hoe weinig aanklachten er zijn geweest in Nederland. Ik ken acteurs van wie ik in die periode dacht: jij zult wel zenuwachtig worden, maar ze zijn ermee weggekomen. Er zijn trouwens nog steeds mannen die hun handjes niet thuis kunnen houden. Ook nu nog worden er ongevraagd tongen naar binnen gestoken. De predatoren staan zichzelf vrijheden toe die nog steeds worden gedoogd. Even de hand langs de borst of tussen de benen. Jonge actrices durven daar misschien niet zo snel iets van te zeggen, omdat ze denken: heb ik dat wel goed gemerkt? Zolang mensen hun mond dichthouden, blijft dit doorgaan. Als ik nu getuige zou zijn, dan zou ik er ogenblikkelijk werk van maken. I don’t give a fuck. Zolang we er niets van zeggen, blijft dit doorgaan.”

Schrijver Jan Cremer: ‘Het Boekenbal stelt niets meer voor’

Jan Cremer (78) is schrijver en kunstenaar. Vorige week verscheen Canaille – het derde deel uit zijn autobiografische Odyssee-cyclus.

Verschenen op de website van HP/De Tijd. 22 maart 2019.

Zeg, waar gaat het boek eigenlijk over?

“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Het vormen van een gezin is mislukt: de moeder beschouwde haar zeven jaar met mij als een one-night-stand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar spermadonor. Ik heb met beiden geen contact meer.”

Canaille maakt onderdeel uit van uw Odyssee-reeks. Hoeveel boeken zitten er op dit moment nog in uw hoofd?

“Ik ben dagelijks actief: schilderen in de zomer en schrijven in de winter. Op dit moment schrijf ik dus vooral. In mijn huis in Italië. Tien jaar geleden ben ik begonnen aan Sauvage, dat wordt het vierde deel uit de reeks. Sauvagegaat over mijn tijd in Frankrijk. Ik heb ook nog twee andere boeken in mijn hoofd zitten, maar daar wil ik nog niet teveel over vertellen. Ik hou er niet van om de huid te verkopen voor de beer is geschoten. Ik wil in ieder geval nog een boek schrijven over mijn visie op de kunstwereld en dan met name over het stalinisme in de kunst. Je leest t.z.t. wel wat ik daarmee bedoel. Ik wil ook een boek schrijven over mijn tijd als grensbewoner, over de zeven jaar dat ik in een Saksische boerderij op de Duitse grens schreef aan mijn epos De Hunnen.”

Waar schrijft u mee?

“Met potlood en pen maak ik notities, maar mijn minnaressen zijn mijn typemachines, mijn Triumph Gabrieles. Daar wordt alles op geschreven. Waar ter wereld ik ook was, of het nu Parijs, de Tropen of de Noordpool was, ik had er altijd een bij me.”

Wat verdient u met dit boek?

“Net genoeg om het hoofd boven water te houden. Kijk, als je rekent dat ik een vol jaar aan een boek werk, minimaal acht uur per dag, dan houd ik niets over. Ik krijg geen beurzen of stipendia. Wat ik met een boek verdien gaat meteen op aan achterstallige schulden. Toen ik op de kunstacademie zat in Arnhem woonde ik in een souterrain. Ik schreef op de muur: ‘Kunst is hongeren’. Dat is het nog steeds.”

U gaat vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer naar het Boekenbal. Waarom bent u al die jaren niet gegaan?

“Het Boekenbal was vroeger een hot item in Amsterdam. Er gebeurde weinig in de stad dus het was het hoogtepunt van het jaar. Het Boekenbal had allure. De koningin kwam, de ministers kwamen, vrouwen kwamen in avondkledij en mannen in smoking. Nu sta je tussen mensen in bloemetjesjurken en zelfgebreide truien. Soms zie je een praalhans in een duur pak, maar meestal is het net of de gasten zijn gekleed door het rampenfonds. Het Boekenbal stelt niets meer voor. Heel anders is dat in Amerika. Ik ben ook al tientallen jaren lid van de American Authors League, de Amerikaanse schrijversvakbondEen keer per jaar geven ze aan gala. Iedereen is daar in avondjurk of smoking. Er lopen honderden kelners rond met champagne en kreeft. Er zijn lezingen van wereldberoemde mensen, er treden fantastische sterren op. Hier sta je met een hand vol knopen in de rij voor een lauw biertje. En als je een knoop tekort hebt dan moet je terug. Dat is Holland.”

Wie hoopt u tegen te komen?

“Ik hoop vanavond tegen te komen mijn gewaardeerde collega’s, waarvoor ik veel bewondering heb en die ook veel bewondering voor mij hebben, en waar ik graag een gesprek op niveau mee wil voeren.”

En wie niet?

“De mensen die ik niet tegen hoop te komen zijn allemaal al dood.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?

“Daar vraag je me wat.” Er valt een lange stilte. “David van Reybrouck. Dat is mijn favoriete schrijver van dit moment. Congo is echt een meesterwerk. Wereldliteratuur. Ik bewonder zijn directheid, zijn scherpheid, de prachtige zinnen die hij schrijft. Belgen zijn beter met taal dan Hollanders. Hij neemt je mee in een wereld waar je niet in mee getrokken wilt worden, maar je bent veilig bij hem en je zit de rit wel helemaal uit.”

Zijn er schrijvers die u tot uw vrienden rekent?

“Dat is altijd een heikel punt, want als je iemand vergeet, heb je daar weer ruzie mee de komende tien jaar, begrijp je?”

Laat ik het anders stellen: kunt u drie schrijvers noemen die u tot uw vrienden rekent?

“Gerard Reve, Willem Frederik Hermans en de enige andere oorspronkelijke en overgebleven De Bezige Bij-auteur Remco Campert.”

Op het huis van welke schrijver zou u een precisiebombardement uit willen voeren?

“Laat ik daar nog even over nadenken, voordat ik in de voetsporen treed van Bomber Harris.”

 

Nick te gast bij Freek en Hella de Jonge

(Via de website van het Groninger Museum.)

Het echtpaar Hella en Freek de Jonge werkt al decennia samen. Deze tentoonstelling vertelt hun verhaal aan de hand van hun kunstcollectie en persoonlijke eigendommen als kostuums, keramieken, foto’s, filmbeelden en niet eerder vertoonde fragmenten over hun activiteiten in Groningen. Bijzonder aan deze expositie is dat Hella en Freek tijdelijk ‘wonen’ in het Groninger Museum. Zij zijn er elke dag tussen 10 en 17 uur en ontvangen bijna dagelijks bekende gasten. Hierdoor stap je voor heel even letterlijk in het leven van Freek en Hella de Jonge.

Ik was op dinsdag 18 september te gast en ging in het Groninger Museum met Freek en Hella in gesprek over hun tentoonstelling. Het interview is hier terug te bekijken.

Danny Vera heeft nooit een hit gehad, maar altijd volle zalen

Danny Vera (41) heeft een nieuwe plaat én een theatertour. Playboy sprak de best gekapte muzikant van het land over paddo’s, rock-’n-roll en alles wat daarbij hoort: ‘Groupies zijn vaak niet de meest aantrekkelijke vrouwen.’

Uit het maartnummer van Playboy, 2019. Het gehele interview leest u hier.

1. Je nieuwe plaat Pressure makes diamonds bestaat uit twee delen: The Year of the Snake en Pompadour HippieWaarom heb je ervoor gekozen om het album in twee delen uit te brengen?
Dat is een beetje uit nood. Elke vinylplaat heeft natuurlijk een A-kant en een B-kant. In het begin heb ik ervoor gekozen om alle uptempoliedjes op de A-kant en alle rustige liedjes op de B-kant te zetten. De plaat was begin oktober klaar, maar bij de vinylfabriek duurt het ruim drie maanden om hem te laten persen en mijn clubtour begon in november. Daarom hebben we er toen voor gekozen om de A-kant alvast digitaal te releasen en de rest in februari uit te brengen.

3. Je hebt het imago van een stoere rocker, maar je bent al vijftien jaar samen met dezelfde vrouw, drinkt geen alcohol en eet geen vlees. Was er een periode waarin je wel aan dat imago voldeed?
Er is een periode geweest waarin ik heel veel heb gedronken. In eerste instantie omdat ik het gewoon heel lekker vond, later heb ik het als excuus gebruikt omdat mijn moeder was overleden. Ik vond drinken prettig omdat je dan lekker in zelfmedelijden kunt wegkwijnen. Verder heb ik een beetje moeite met zoiets als ‘het imago van een rocker’. Onafhankelijkheid is wat mij betreft het enige échte kenmerk rock-’n-roll, dat er niemand is die vertelt wat ik moet doen. Ja, mijn vrouw misschien een beetje, ha. Die onafhankelijkheid was ook altijd mijn streven. Ik had veel geld kunnen verdienen door covers te spelen op bedrijfsfeesten, maar dat heb ik niet gedaan. Ik wilde doen waar ik zelf zin in had.

4. Je woont al je hele leven in je geboortehuis in Middelburg. Is het niet veel handiger om naar de randstad te verhuizen?
Een paar jaar geleden heb ik inderdaad weleens gekeken naar een huisje in de buurt van Hilversum, maar dan moet je voor een kutappartementje zoveel geld neertellen dat ik denk: dan maar 70.000 kilometer per jaar in de auto zitten. Ik blijf een Zeeuw, hè. Ik voel me ook een beetje verplicht aan het huis om daar te blijven. Het heeft er altijd voor gezorgd dat ik muziek kon gaan maken. Een groot deel van mijn leven had ik namelijk geen rooie rotcent, maar ik had wel een dak boven mijn hoofd. Mijn beide ouders zijn ook in dat huis overleden. Ik weet nog wel dat ik kort na het overlijden van mijn vader ’s nachts thuiskwam van een optreden en opeens zijn schoenen in de gang zag staan. Dat trok ik niet. Kort daarna hebben we het gedeelte van het huis waarin hij woonde helemaal gestript en bij ons deel getrokken. De echte herinneringen zitten toch in je hoofd.

7. Je bent nu vijftien jaar samen met Escha, de charmante bardame van Veronica Inside. Vond je het lastig toen ze vijf jaar geleden naakt poseerde voor Playboy?
Nee, ik vond het juist fantastisch. Ik vind het een groot compliment als jouw vrouw wordt gevraagd door zo’n iconisch blad als Playboy. We hebben er ook wel om moeten lachen: het stereotype beeld van de rock-’n-roll-muzikant die datet met een playmate werd natuurlijk helemaal bevestigd, alleen met het verschil dat wij elkaar toen al tien jaar kenden en we samen letterlijk met niets zijn begonnen. Nu hangt de cover levensgroot in onze woonkamer. Sommige mensen kijken daar raar van op, maar wij vinden het gewoon een mooie foto.

8. Tien jaar geleden brak je door als huisband van VI – nu Veronica Inside. Het programma komt vaak in het nieuws door de controversiële uitspraken die daar worden gedaan. Vind je weleens dat ze het te bont maken?
Natuurlijk denk ik weleens: moet dit nu, maar aan de andere kant is het ook gewoon maar satire. Ik vind dat iedereen het altijd veel te serieus neemt. What the fuck? Het is gewoon een voetbalprogramma met vier leipies die wat over voetbal te melden hebben. Ik zal geen namen noemen, maar van sommige mensen denk ik weleens dat ze het fijn vinden dat ze door Johan (Derksen, red.) worden genoemd, zodat ze zelf ook weer even in de media kunnen komen.

9. Je doelt op mensen als Sylvana Simons?
Niet alleen zij, het is een hele groep. Je geeft die mensen een podium als je het maar over ze blijft hebben. En dat is juist waar ze op uit zijn. Beter kun je ze gewoon negeren. Als er iemand op de markt in Middelburg uit zijn nek staat te zwetsen en iedereen staat te luisteren, dan heeft hij een publiek. Maar als je gewoon denkt: dat is een leipie en je loopt door, dan is het toch klaar? Ik snap sowieso niet in wat voor wereld zij leven. Dat wat zij doen, heeft alleen maar met het uit elkaar halen van de samenleving te maken in plaats van verbinden. Ik kan me daar echt over verbazen. Ik verbaas me sowieso over alles.

 

Jan Siebelink: ‘Film heeft mij laten zien hoe mooi de wereld is’

Jan Siebelink (81) is dit jaar de auteur van het Boekenweekgeschenk, Jas vanbelofte. Wat leest, luistert en ziet hij zoal?

Interview in HP/De Tijd 03, 2019. Lees het gehele stuk hier.

BOEKEN
“Voordat je kwam was ik wat aan het grasduinen in mijn boekenkast en kwam ik dit boekje tegen: La symphonie pastorale van André Gide. Ik heb het in mijn tijd als leraar op de middelbare school vaak klassikaal gelezen. Het gaat over een dominee die in het gebergte een blind weesmeisje tegenkomt en haar in huis neemt. Hij is getrouwd en heeft kinderen, maar wordt verliefd op haar. Uiteindelijk wordt ze geopereerd en kan ze weer zien. Dan blijkt dat de liefde niet wederkerig is en dat ze verliefd is op zijn zoon. Een schitterend thema. À rebours van J.-K. Huysmans heb ik ook maar even meegenomen naar beneden. Dat is mijn lijfboek. Er gaat nauwelijks een dag voorbij dat ik er niet even in blader. In mijn persoonlijke ontwikkeling speelt het boek ook een belangrijke rol. In 1973 werd ik gevraagd om de vertaling te maken, die vier jaar later verscheen onder de titel Tegen de keer. Het maken van die vertaling heeft ertoe geleid dat ik zelf ben gaan schrijven.”

BEELDENDE KUNST
“Klaas Gubbels is niet alleen een van mijn beste vrienden, hij is ook een van mijn favoriete kunstenaars. Overal in huis hangen schilderijen en staan beelden van hem. Van kunst kun je soms denken: hier begrijp ik niets van, maar van zijn werk begrijp je alles. Hij schildert voornamelijk koffiekannen en tafels, maar hij heeft ook een serie litho’s gemaakt bij citaten uit Knielen op een bed violen. Die litho’s staan in het boek Het gat in de heg, maar we hebben ze ook hier in de woonkamer hangen. Moet je eens zien hoe hij dat gedaan heeft. Hoe hij met een paar lijnen heel veelzeggende beelden neerzet. Het heeft wel wat weg van Matisse, vind je niet? De allermooiste vind ik misschien wel de laatste steendruk uit deze serie: het doodsbed van mijn vader met daaromheen de broeders. Hij heeft er meerdere versies van gemaakt, maar deze is niet minder dan perfect.”

MUZIEK
“Mijn favoriete muzikant is klarinettist André Kerver. In Theater Concordia in Enschede, zo’n heel oud theatertje met van die mooie balkonnetjes, organiseert hij een paar keer per jaar een middag met muziek en literatuur. Hij vraagt dan een schrijver om uit zijn of haar werk voor te lezen en voorziet de tekst met zijn ensemble al improviserend van muziek. Ik heb daar vorig jaar aan mee mogen werken en het was een van de leukste ervaringen die ik op dat gebied heb gehad. In september doen we het nog een keer over in Eindhoven. Kerver is ook een heel aangename man. Hij speelde jarenlang bij het Orkest van het Oosten, maar werd door een oogziekte bijna blind en moest het orkest verlaten. Ik ben zelf inmiddels ook blind aan mijn rechteroog en voor mijn linkeroog krijg ik oogdruppels. Misschien dat ik daarom ook wel verwantschap met hem voel. Ik weet hoe onthand je bent. Omdat mijn ogen niet meer bij elkaar komen, kan ik bijvoorbeeld niet op een scherm kijken. Dat is heel vervelend als ik bijvoorbeeld foto’s of berichten doorgestuurd krijg van mijn kleinkinderen. Schrijven doe ik daarom ook gewoon met potlood. Daarna typ ik het over op mijn Adler Gabriele 25.”