De twaalf best gelezen interviews van 2018

Deze twaalf stukken zijn dit jaar het meest gelezen op deze website.

12. Iris van Herpen over David Attenborough, August Rodin en Terry Gilliam
Wereldwijd gelauwerde modeontwerpster laat zich door vele personen inspireren. (HP/De Tijd, juni 2018)

11. Jan Wolkers: Cremers knapste leerling?
Schreef Jan Wolkers ‘pik’ dankzij Jan Cremer, of kon Cremer zo onverbloemd schrijven dankzij Wolkers? Biograaf Onno Blom gaat voorbij aan de band die de twee giganten hadden, aldus Cremer. ‘Een literair schandaal’, vindt hij. (HP/De Tijd, april 2018.)

10. Géza Weisz: ‘Ik wil zoveel mogelijk vrouwen veroveren’
Géza Weisz speelt een van de hoofdrollen in Het leven is vurrukkulluk, geregisseerd door zijn vader Frans Weisz. ‘Ik maak me geen illusies: ik had deze rol niet gekregen als hij niet de regisseur was geweest.’ (Playboy, februari 2018.)

9. Armando: “Misschien blijk ik wel onsterfelijk”
Oud zelfportret van Armando (1929 – 2018). Op de vraag of hij weleens bidt: “Nee. Ik denk ook niet dat God tijd heeft om mijn gebeden te verhoren. Hij heeft wel wat anders te doen. Ik denk dat-ie op dit moment nog bezig is met Auschwitz, omdat-ie destijds de andere kant opkeek toen de mensen hem nodig hadden.” (HP/De Tijd, september 2014)

8. Hella en Freek de Jonge: ‘Als het ons niet bevalt, zijn we weg’
Freek (74) en Hella de Jonge (69) woonden zes weken in het Groninger Museum voor de expositie Het Volle Leven. Aan de hand van hun kunstcollectie vertellen ze over hun decennialange samenwerking. Hella tegen Freek: “Jij hebt ooit eens gezegd dat Brief aan mijn moeder van Ischa Meijer je geleerd heeft hoe ik in elkaar steek. Het boek Leerschool van Tara Westover had datzelfde effect op mij.” (HP/De Tijd, september 2018.)

7. Taco Dibbits over ‘Het Joodse Bruidje’ van Rembrandt
De directeur van het Rijksmuseum geeft een klein college over Rembrandt. (HP/De Tijd, mei 2018.)

6. Maarten van Rossem: ‘Vincent van Gogh kon niet schilderen’
Historicus Maarten van Rossem werd 75 jaar en schreef een boek: Wat is geluk? Hij blijkt minder stoïcijns dan gedacht: “Ik ben vrij huilerig ingesteld. Ik hoef maar een film te zien waarin een padvinder een klein hondje uit een vijver redt en ik ben al weg.”(HP/De Tijd, november 2018.)

5. Don Diablo over muziek, vrouwen en een gebrek aan erkenning
Don Diablo heeft na tien jaar zijn tweede album uitgebracht: Future. Hij behoort tot de elf populairste deejays ter wereld, heeft overal uitverkochte zalen, maar erkenning voor zijn muziek krijgt hij nauwelijks in Nederland. ‘En dat is raar’, vindt hij zelf ook. (Playboy, april 2018.)

4. Mies Bouwman: ‘Het liefst wil ik helemaal niets meer’
Interview uit 2017 met de dit jaar overleden Mies Bouwman. Op de vraag aan wie ze zich ergerde: “Aan overdreven mensen. En dan met name: mensen die overdreven hun bewondering voor je uitspreken. Die moet ik niet.” (HP/De Tijd, mei 2017)

3. Olcay Gulsen: ‘Van types als Sylvana Simons gaan mij de haren rechtovereind staan’
Vlak voor het faillissement van haar modemerk Supertrash deed Olcay Gulsen uit de doeken hoe ze aan de top is gekomen. “Ik heb veel gebluft, ik heb een beetje gelogen, ik heb interessant gedaan, ik heb mezelf beter voorgedaan dan ik was – het hoort er allemaal bij. En ik zou het morgen weer doen.” (Playboy, februari 2018.)

2. Tino Martin: ‘Om de zoveel maanden neem ik aan andere auto’
Veelbesproken interview met volkszanger Tino Martin. Een gesprek over zijn weigering bij De Toppers, zijn ervaringen met drugs en zijn succes: ‘Ik durf wel te zeggen dat ik een van de zes beste zangers ben van Nederland.’ (Playboy, juli 2018)

1. Gerard Joling: ‘De beste zanger van Nederland? Dat ben ik zelf’
Veelbesproken interview met de meest sympathieke Topper. “Het zou mij niet verbazen als er binnen drie jaar een burgeroorlog uitbreekt in Nederland.” (Playboy, mei 2018)

Schermafbeelding-2018-06-22-om-23.22.52

Advertenties

Hedy d’Ancona: ‘Architectuur is de moeder aller kunsten’

Sociologe, feministe en voormalig politica Hedy d’Ancona (81) is gastcurator van de tentoonstelling Vrouwen van Museum Gouda. Wat leest, kijkt en luistert zij in haar vrije tijd?

Verschenen in het dubbeldikke winternummer van HP/De Tijd. (2018) Het interview was al gedrukt toen haar levensgezel, kunstenaar Aat Veldhoen, die bij het gesprek aanwezig was en er ook veelvuldig in voorkomt, onverwacht overleed op 9 december 2018. Het gehele interview is hier te lezen.

BOEKEN
“Ik ben net jarig geweest en heb een onthutsende hoeveelheid heel dikke boeken gekregen. Ik ben nu een beetje aan het snuffelen waar ik eens in zal gaan beginnen. Ik denk dat het De eeuw van Gisèle wordt van Annet Mooij – de biografie van Gisèle van Waterschoot van der Gracht. Ik ben vooral benieuwd naar het verhaal van die twee kunstenaars die in de oorlog bij haar ondergedoken zaten: Wolfgang Frommel en Percy Gothein. Die mannen blijken minder onschuldig dan gedacht. Ze gebruikten hun onderduikadres onder meer om jonge knapen te misbruiken die zich wilden aansluiten bij hun ‘mannengemeenschap’. Gisèle stond dat allemaal toe, hoewel ook zij door hen werd uitgebuit. Ik kan ook niet wachten om te beginnen in de biografie van Remco Campert. Dat is bijna voor de lekker. Mirjam van Hengel heeft eerder een prachtig boek geschreven over Leo en Tineke Vroman. Ik moest daarbij heel erg denken aan het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck. Leo vlucht in de oorlog naar Indië om niet opgepakt, afgevoerd en weggerukt te worden, maar belandt dan dáár in verschillende kampen. Aan de dood valt niet te ontkomen. Des te mooier is het als ze elkaar na de oorlog weer vinden en uiteindelijk nog bijna zeventig jaar van elkaar mogen genieten.”

BEELDENDE KUNST
“Kijken vereist enige oefening. Kleine kinderen kunnen heel goed kijken. Die kunnen soms uren naar iets onbenulligs als een lege fles kijken. Een beeldend kunstenaar kan dat ook. Aatje zit soms uren te kijken naar de mensen en de machines die hier nu op straat aan het werk zijn en maakt daar dan tekeningen van in zijn schetsboekje. Hij heeft me dat echt geleerd. Je leert de schoonheid van die dingen zien. In de trein kijk ik veel vaker uit het raam dan vroeger. In de avond zijn er vaak prachtige zonsondergangen te zien, maar niemand die het ziet, iedereen kijkt op zijn telefoon of ligt te soezen. Dan roept de conducteur om welk station we binnenrijden en denk ik: waarom zegt die man ook niet even dat we naar buiten moeten kijken? Want de lucht is wonderschoon. “Architectuur is de moeder aller kunsten. Ik heb sociale geografie gestudeerd en heb me daarna gespecialiseerd in zowel stadsgeografie als de sociologie van het wonen. Daar is mijn belangstelling voor architectuur ontstaan. Als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vond ik het een kunstuiting die we moesten stimuleren. Een gebouw is niet alleen voor degenen die het gebruiken, maar ook voor degenen die erlangs lopen, fietsen en rijden. Het is van ons allemaal. Na mijn ministerschap zat ik in het College Bouw Zorginstellingen. Daarin richtte men zich heel erg op de functionaliteit van die gebouwen. Dat is natuurlijk ook het belangrijkste, maar daardoor hoeft het nog geen saai en onaantrekkelijk gebouw te zijn. Streel de ogen en laat mensen zich er behaaglijk voelen. Ze zitten er al niet voor hun plezier. Een mooi gebouw kan troost bieden. Om dat te bevorderen hebben ze vier keer de Hedy d’Ancona-prijs voor excellente zorgarchitectuur uitgereikt. De eerste winnaar was revalidatiecentrum Groot Klimmendaal in Arnhem. Dat gebouw is van een grote schoonheid. Het is functioneel, maar het is ook mooi en innemend, een gebouw dat je omarmt.”

FILM
“Ik vind het laf van mezelf dat ik liever geen oorlogsfilms wil zien, dus af en toe dwing ik mezelf om dat toch te doen. Ik wil geen wegkijker zijn. In de negen uur durende documentaire Shoah van Claude Lanzmann komen mensen aan het woord die rondom de concentratiekampen woonden en niets hebben gezegd. Ze wisten wat er gebeurde, maar hielden zich gedeisd. Ik kan me dat niet voorstellen. Als je vindt dat iets niet deugt, dan zég je er wat van. “Neem het niet!” Die lijfspreuk heb ik overgenomen van Stéphane Hessel, verzetsstrijder en Holocaustoverlevende, die een geweldig essay over verzet heeft geschreven. Alles begint volgens hem met verontwaardiging. Je kunt nooit zeggen: daar kan ik niets aan doen. Dat kun je namelijk wél. Hij roept de jongere generaties op om in opstand te komen tegen de toenemende ongelijkheid in de wereld. Indignez-vous! Hij eindigt het pamflet met zijn woede over wat de Israëlische regering doet met de Palestijnen. En dan te bedenken dat hij in de negentig was toen hij dit schreef. Ik ben iets jonger, maar ik ben ook nog steeds verontwaardigd over dingen. En zo hoort dat ook. Als dat ooit stopt, dan kunnen ze me net zo goed inkuilen.”

 

Kajsa Ollongren: ‘Als André Hazes door het stadion schalt, krijg ik kippenvel’

Kajsa Ollongren (51) is minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hiervoor was ze namens D66 wethouder en locoburgemeester in Amsterdam. Wat leest, kijkt en luistert ze in haar vrije tijd?

Verschenen in het decembernummer van HP/De Stijl. (2018)

(Selectie)

BOEKEN
“Ik heb de gewoonte om meerdere boeken tegelijk te lezen. Op mijn nachtkastje ligt op dit moment 1793 van de Zweedse schrijver Niklas Natt och Dag. Een prachtige achternaam trouwens, Natt och Dag. Het betekent letterlijk ‘nacht en dag’. Het boek is een kruising tussen een historische roman en een thriller. Het speelt zich af in 1793 in Stockholm. Er wordt een verminkt lijk opgevist, een romp en een hoofd zonder ogen, en een man krijgt de onmogelijke taak om uit te zoeken wie het slachtoffer en zijn moordenaar zijn. Verder zal ik niet te veel verklappen. Het is niet alleen een heel spannend en gruwelijk boek, het geeft ook een mooi tijdsbeeld, bijvoorbeeld van de extreme armoede die er toen heerste. En het is ook nog eens prachtig opgeschreven, in een rijke taal. Verder lees ik op dit moment in de onlangs verschenen biografie van Thorbecke, Thorbecke wil het van Remieg Aerts. Er staan veel dingen in die voor mij nieuw zijn. Over de relatie met zijn vader bijvoorbeeld. Zijn vader had grootse plannen met zijn zoon, maar mislukte zelf in alles. De jonge Thorbecke was uiteindelijk tot ver in zijn volwassenheid bezig om de problemen van zijn vader op te lossen.”

BEELDENDE KUNST
“Mijn ouders zijn enorme kunstliefhebbers. Hun hele huis hangt vol met kunst die ze in de loop der jaren verzameld hebben. Dat zijn niet per se werken van bekende kunstenaars die veel geld waard zijn, maar ze kopen iets omdat ze het mooi vinden. Ze hebben bijvoorbeeld een hele wand met prachtige etsen van José Calsina. Hij is niet beroemd, maar mijn ouders zijn bevriend met hem, we kwamen ook wel bij hem thuis, en hij maakte echt prachtig verfijnde werken. Zo hebben zij hun kunstcollectie opgebouwd en zo kijk ik ook naar kunst. Een kunstwerk hoeft niet per se van een grote kunstenaar te zijn om iets op te roepen. Een mooi voorbeeld: kort na het overlijden van Johan Cruijff liep ik over een van de grachten en zag in een etalage een prachtig waterverfportret van hem. Iedereen die langsliep bleef even kijken. Dat is toch hartstikke mooi? In mijn werkkamer hangt nu een schilderij uit de kunstcollectie van het Rijk – een schilderij van Steven Aalders uit Amsterdam. Het toeval wil dat in mijn vorige werkkamer ook een werk van hem hing, maar dat kwam uit het depot van het Stedelijk. Ik ben er dol op. Zijn werk lijkt wel een beetje op dat van Malevitsj en Mondriaan. Met een paar simpele lijnen en een beperkt aantal kleuren weten zijn schilderijen een enorme indruk te maken op de toeschouwer.”

FILM

“Ik ben muzikaal heel breed georiënteerd. Ik heb piano en saxofoon gespeeld. Ik speelde klassieke stukken, maar ik heb ook in bandjes gezeten en zelfs in een bigband. Als ik ooit weer meer tijd heb, lijkt het me leuk om zelf weer meer muziek te maken. Je verleert het namelijk niet. Als ik muziek luister, switch ik makkelijk van Bach naar Foo Fighters naar Anouk. Anouk vind ik geweldig. Ik heb net haar nieuwe album gehoord: Jij. Niet elk nummer spreekt me aan, maar het is wel echt een fantastische plaat. Het maakt niet uit wat ze maakt; als ze iets nieuws heeft, dan luister ik het.
Als ik hardloop, dan luister ik het liefst naar een beetje opzwepende muziek. Op een paar lekkere gitaarsolo’s schijn je beter te lopen. Spotify is wat dat betreft echt een uitkomst: je zet een hardrock-playlist aan en je gaat naar buiten. Soms hoor je een nummer waarvan je denkt: hé, dat ken ik, maar vaak hoor je het voor het eerst. Naar concerten ga ik heel weinig, moet ik eerlijk zeggen. Mijn vrouw is van oudsher Madonna-fan, dus ik ben weleens mee geweest naar een concert van haar, maar dan denk ik na een paar nummers toch: ik vind het leuker om dit thuis op te zetten. Daar hoef ik niet een hele avond voor naar Ziggo Dome. Ik ga wel iedere twee weken naar de thuiswedstrijden van Ajax. Ik krijg dan toch altijd kippenvel als Bloed, zweet en tranen van André Hazes door het stadion schalt. Het is ook mooi om te zien dat Dré junior nu bijna dezelfde status als zijn vader heeft bereikt.”

Het gehele interview leest u hier.

 

Freek van Noortwijk: ‘Ik vond Katja vroeger niet zo boeiend’

Met het nieuwste restaurant Maris Piper erbij runt Freek van Noortwijk (30) nu vier horecazaken in de hoofdstad. Maar de prestatie die hem doorgaans de meeste bewondering oplevert, is toch het aan de haak slaan van Katja Schuurman. ‘Ik ben gewoon het vriendje van. Daar schaam ik me helemaal niet voor.’

Verschenen in het decembernummer van Playboy. (2018)

Q1. Vind je het vervelend om altijd als ‘de vriend van’ bestempeld te worden?

Ik lach erom. Ik ben ook gewoon het vriendje van en daar schaam ik me helemaal niet voor. Het scheelt wel dat wij al succesvol waren voordat ik iets met Katja kreeg, anders gaan mensen weer zeggen dat je je succes aan haar te danken hebt. In het begin kwamen er weleens mensen in het restaurant die zeiden: waar is Katja? Het is niet zo dat zij hier elke avond op de bar staat te dansen. Helaas, want dat zou ik geweldig vinden, maar mensen komen hier hopelijk toch voor onze filosofie, onze gastvrijheid en natuurlijk ons eten.

Q10. Jij was een puber toen Katja in Playboy stond. Heb je die foto’s destijds gezien?

Ik heb die foto’s pas gezien nadat we voor het eerst sex hadden gehad. Ik moet eerlijk zeggen dat ik haar vroeger ook helemaal niet zo boeiend vond. Ik vind haar nu veel aantrekkelijker. Ze droeg in die tijd veel make-up, had van die grote oorbellen in en droeg van die belachelijke extensions… Daar hou ik helemaal niet van. Ik hou wel heel erg van borsten en ­billen, maar die heeft ze gelukkig nog steeds.

Q11. Die eerste keer sex was toch op het toilet van Guts & Glory, een kwartier nadat je haar voor het eerst had ontmoet?

Je hebt je goed ingelezen. Later die avond, toen ik het er met wat vrienden over had, heb ik die foto’s dus gegoogeld en natuurlijk ook wel even laten zien. Ik kon het ook niet laten om dat avontuurtje om vijf uur ’s nachts nog even op de familie-app te delen. Mijn moeder zei de volgende dag: ‘Wil je me nooit meer om vijf uur ’s nachts appen? Ik maakte me helemaal ongerust.’ Aan de inhoud van het bericht ging ze volledig voorbij.

Q12. Wat is het meest bizarre wat je op seksueel gebied hebt gedaan?
Ik kan niets bedenken wat ik nog zou willen doen. Alle fantasieën heb ik wel uitgevoerd. Dingen als over elkaar heen kakken hoeven van mij niet. Daar krijg je zo’n bende van en het gaat zo stinken.

Q13. Heb je het weleens met een man gedaan?
Ik vind het wel gezellig met mannen erbij, maar dan alleen om mee te highfiven. Het is weleens per ongeluk gebeurd dat we bezig waren en een man iets bij me deed, maar ik heb toen gewoon eerlijk gezegd dat ik er niet opgewonden van werd.

Huub van der Lubbe: “Het is een misvatting dat kunst ‘mooi’ moet zijn”

Huub van der Lubbe (61) is de frontman van De Dijk. Deze maand verschijnt hun nieuwe album: Allemansplein. Waardoor laat hij zich inspireren?

Verschenen in het oktobernummer van HP/De Tijd, 2014.

Beeldende Kunst
“Waar ik ook ben, ook al is het op een plek waar ik de weg nog niet helemaal weet, in een museum voel ik me altijd thuis. Het heeft iets vertrouwds. Iets rustgevends. Hoe dat komt? Hmmm. Ik denk dat het komt omdat ik kunst inmiddels wel snap ofzo. Ik heb onderhand al zoveel kunst gezien dat ik de meeste schilderijen inmiddels wel kan duiden. ‘Oh, dat lijkt daar en daar op, dus dat zal wel uit die periode komen.’ Als ik bijvoorbeeld in Boedapest in een museum ben, dan zie ik van de meeste schilderijen wel aan welke Europese stroming ze verwant zijn, en dus ook wat de achtergrond van het schilderij is en uit welke tijd het stamt. Dat geeft een vertrouwd gevoel, het gevoel dat je het begrijpt. Dat zou ik in Azië en Afrika denk ik niet hebben.”

“Wat ik een grote misvatting vind, is dat kunst ‘mooi’ moet zijn. Kunst hoeft helemaal niet ‘mooi’ te zijn om te ontroeren. Ik herinner me dat ik ooit door de Dordogne fietste en in een klein dorpje een bordje met ‘Musée’ zag hangen. Dat ‘musée’ bleek niets anders dan een grotje met een oude schuurdeur ervoor. Ik was benieuwd wat er te zien zou zijn, dus belde ik aan bij de koster – want dat moest, zo stond op een ander bordje. Niet veel later kwam er aan oude man naar buiten gelopen, volgens mij had hij net een middagdutje gedaan, met in zijn ene hand een sleutel en in zijn andere hand een lamp. Zonder ook maar een woord te zeggen opende hij dat schuurdeurtje en scheen naar binnen. Ik zag een min of meer uitgehouwen paard uit de prehistorie. Prachtig! Het beeld was dan weliswaar geen Michelangelo, maar dat hoeft ook helemaal niet. Het was een beeld van een paard waar de handige jongen van het dorp zo’n drieduizend jaar geleden zijn ziel en zaligheid in heeft gestopt. Dat ontroert.”

“Iets wat daar op lijkt, maar dan de moderne variant, is het uit Spanje, via Londen overgewaaide initiatief Pintar Rapido. Niet zo lang geleden ben ik daarnaar wezen kijken in Posthoornkerk in Amsterdam. Het idee is heel simpel: tegen een kleine vergoeding kunnen mensen op zaterdag een blanco doek halen – met stempel uiteraard, zodat je niet iets in kan leveren wat je al aan de muur hebt hangen – waar je dan vervolgens in de loop van de dag iets op moet schilderen. In dit geval was dat een stadsgezicht van Amsterdam. Op zondagochtend dien je het doek weer in te leveren en wordt deze tentoongesteld, en misschien wel verkocht. Bij mijn weten was die keer in Posthoornkerk de eerste keer dat dit in Nederland werd gedaan. Tweehonderd mensen, zowel amateurs als professionals, leverden iets in. En daar zaten echt mooie dingen bij. Maar het is, net als toen in Frankrijk, alleen al leuk om te zien wat mensen kunnen. Hoe ze zich kunnen verliezen in het maken van een schilderij. Daarom: kunst hoeft niet per se ‘mooi’ te zijn.”
Boeken
“Twee boeken waardoor ik de laatste tijd erg gegrepen ben zijn Stil de tijd en Kairos van schrijfster en filosofe Joke Hermsen. Beide boeken gaan over het begrip ‘tijd.’ Tegenwoordig kennen we nog maar één soort tijd: de chronologische tijd, de kloktijd. De Grieken daarentegen hadden nog een tweede soort tijd: de duurtijd. Bij de duurtijd gaat het niet om de klok, maar om de beleving. De duurtijd is de tijd die stilstaat als je iets intens meemaakt: een zoen, of als je een mooi muziekstuk hoort, of een mooi schilderij ziet. Tien seconden lijken dan wel tien minuten – maar andersom kan natuurlijk ook. Precies die momenten kun je niet meten in kloktijd. Hermsen doet in haar boeken dan ook bijna een pleidooi om kairos, de duurtijd, te herintroduceren. Ja, dat zet wel fijn aan het denken, zulke boeken. Ik kwam er zo ook achter dat een heleboel liedjes die ik heb  geschreven over die duurtijd gaan. Je schrijft natuurlijk geen tekst over de ene seconde die doelloos verspringt in de andere seconde. Maar over een ervaring, een beleving, natuurlijk wel. Het schrijven van een lied is eigenlijk niets anders dan een poging om die duurtijd te vangen.”

“De enige boeken die ik meer dan eens gelezen heb, zijn de detectives van Ray Chandler. Dat is zo cool opgeschreven. Ken je ze? Een deel is later ook verfilmd met Humphrey Bogart en Lauren Bacall in de hoofdrol. De boeken, of eigenlijk: pockets, gaan over een beetje een sloeberige detective, Philip Marlow, die een moraal probeert hoog te houden in het door en door corrupte het L.A. van de jaren vijftig. Niet alleen de verhalen zijn elke keer weer goed, maar ook van die briljante stijl van Chandler smul ik elke keer weer. Zo onderkoeld. Goed. En wat ik ook graag herlees is Dichtertje van Nescio. Dat is wel grappig: toen ik het voor het eerst las, ik was begin twintig, snapte ik het verhaal nog niet zo goed. Inmiddels snap ik het héél goed. Ik kan het door de levenservaring die je opdoet veel beter navoelen, denk ik, hoe de hoofdpersoon aan zijn passie ten onder is gegaan. Niet dat dat mij ook is overkomen, maar het had gekund.”

“Daarover gesproken: ik probeer elke dag met een gedicht te beginnen. Iets van Herman de Conick is altijd goed. Hij kan fantastisch observeren giet dat in heel heldere taal. En ik heb veel van Gerrit gelezen. Gerrit Komrij. God, wat vinden we het allemaal jammer dat hij er niet meer is. Dat was een goeie vent, een groot pleitbezorger voor de Nederlandse poëzie ook. De Russische dichter Vladimir Majakovski vind ik als dichter ongeëvenaard. Ieder woord snijdt. Bij Majakovski geen sferisch gefleem – alles wat hij opschrijft is ontvleesd. Snap je? En hij kan ook zo bewonderenswaardig groot denken. Dat hij opeens de zon naar beneden roept om zijn tafel te verlichten als hij een woedende brief aan zijn meisje schrijft. Daar zou ik zelf nooit zijn opgekomen. Bengt Jangfeldt schreef trouwens een prachtige biografie over hem: Een leven op scherp.”

Film
“De laatste film die ik heb gezien? Ik kan het me eerlijk gezegd niet herinneren. Ik ben wel een filmkijker, maar de laatste tijd kijken ik samen met mijn vrouw graag naar series. Dat komt: veel kennissen tipten zeiden dat we eens naar Legacy en House of Cards moesten kijken, omdat dat van die meesterlijke series zijn. Maar het kwam er nooit van. Toen besloten we een paar maanden geleden om een flatscreen en een dvd-speler aan te schaffen en nu zijn we dus verslaafd. We zijn begonnen bij The Sopranos, die hebben we in één ruk bekeken. Topamusement. Daarna Legacy. Wat een fantastische serie ook. En nu kijken we House of Cards. Gewéldig. Dat is echt zo’n serie die je veel uitlegt over hoe de wereld in elkaar steekt. Over de constante machtsstrijd die wordt gevoerd in de Amerikaanse politiek. In Nederland zal dat niet veel anders zijn, zij het op kleinere schaal. Een andere reden dat we veel naar series kijken, is dat ik geen televisie meer kijk. Ik kan er niet meer tegen, tegen al die ellende. Ik lees het wel in de krant. Ik kan er niets aan doen, dus waarom zou ik het dan moeten zien? Die onmacht die ik voel als ik de beelden op het journaal zie, vind ik een heel vervelend gevoel.”

“Federico Fellini is mijn lievelingsregisseur. Ik heb een groot zwak voor Amarcord. Maar ook E la nave va: die film is bijna visionair. Dat gaat over nu. Over bootvluchtelingen, over de derde wereld die het establishment van de westerse wereld binnendringt. Toen ik ‘m voor het eerst in de bioscoop zag, vond ik ‘m niet zo bijzonder. Maar nu, nu ik hem onlangs weer gezien hem, denk ik: wat een meesterwerk. Chinatown van Roman Polanski is ook zo’n fijne film. Dat doet qua sfeer een beetje aan die detectives van Ray Chandler denken. Dat coole, altijd mot hebben met de politie. En mijn favoriete acteur Jack Nicholson speelt er ook in mee, ach. Wat ik zo goed vind aan hem is dat hij zichzelf te kakken durft te zetten. Welke acteur gaat er nu een halve film met een pleister over zijn mooie neus lopen? Wie durft zo onijdel te zijn? Nou, hij. Nederlandse films zie ik ook graag. Alex van Warmerdam, Eddy Terstall… En wat ik ook een hele leuke film vind, is Wonderbroeders. Die draait vanaf deze maand in de bioscoop. Films die zich aan de Nederlandse maat houden vind ik in de regel hartstikke goed. Je moet hier geen Hollywood gaan spelen. Je moet het doen met de middelen die je hebt.”

Muziek
“Toen ik laatst naar Zomergasten keek met Reinbert de Leeuw, zei hij iets waar ik me wel in kon vinden. Op de vraag van Wilfried de Jong wat De Leeuw zoal luisterde in zijn vrije tijd, zei hij iets als: ‘ik luister geen muziek voor mijn plezier.’ Ik luister ook nauwelijks muziek in mijn vrije tijd. Als ik al iets luister, dan is het swingmuziek uit den jaren twintig, of fadomuziek, of van die oude bootlegs van Bob Dylan… Als ik iets heb wat ik mooi vind, heb ik daar ook meteen voor jaren plezier aan. Waarom ik bijna geen muziek luister? Het werkt gewoon niet ontspannend voor mij. Ik luister toch altijd onbewust met een tweede oor: wat kan ik van dit nummer leren, kan ik hier zelf iets mee? Dat soort dingen.”

“Van Morrison vind ik erg goed. Daniël Lohues’ muziek is me ook zeer dierbaar. En Alex Roeka niet te vergeten. Dat is, wat mij betreft, de beste tekstschrijver van Nederland. Alleen maar dit moment bijvoorbeeld, prachtnummer. Voor mij was het enorme schok bijna toen ik zijn werk ontdekte. Toen ik voor het eerst van hem hoorde had hij al een paar cd’s op zijn naam staan, maar niemand had me ooit over hem verteld. Toen ik hem voor het eerst hoorde zingen, dacht ik: jemig, dit is dus ook mogelijk. Hij inspireert me. Zette me ook op scherp trouwens. Als ik toen dacht: nou, ik kan wel een beetje achterover leunen qua teksten, mooi niet dus. Aanpoten. Maar ik vind verschillende soorten muziek mooi hoor. Als de geest maar goed is, dan is de muziek ook altijd goed. Zo’n jongen als Typhoon vind ik bijvoorbeeld ook hartstikke goed. Dat is een groot talent van Nederlandse bodem.”

Theater
“Weet je wat ik ook zo plezierig vind aan theater? Dat het zo geconcentreerd is, zo geïsoleerd. Een goede theatermaker heeft de gave om – gedurende een voorstelling – de rest van de wereld even buiten te sluiten, om het vervolgens weer naar binnen te halen en er met een vergrootglas naar te kijken. En als je dan na anderhalf of twee uur weer terugkeert in dat wat wij de werkelijkheid noemen, kijk je door de kennis die je door het stuk hebt opgedaan opeens heel anders naar de wereld om je heen. Bij een concert werkt het precies hetzelfde, alleen is daar het grote verschil tussen muziek en theater: muziek ontroert via het hart, theater via de hersens. Via de taal. Dat is toch een heel andere ervaring.”

“Door mijn theaterachtergrond (Van der Lubbe volgde een opleiding tot theaterregisseur aan de Theaterschool in Amsterdam, red.) kijk ik misschien wel wat kritischer naar theaterstukken dan de gemiddelde bezoeker. Laatst was ik bijvoorbeeld naar De Entertainer van Toneelgroep Amsterdam. Wat is Gijs Scholten van Aschat daarin goed zeg. Het lijkt misschien makkelijk om een rol als foute entertainer neer te zetten, maar doe het maar eens. Magistraal vond ik ‘m. Maar er zijn ook dingen die ik die avond niet helemaal gelukt vond. Vormdingetjes. Het stuk was naar mijn smaak iets te gestileerd. Iets te kunstzinnig. Dat had wat mij betreft niet gehoeven. En wat ik toch ook een beetje jammer vond, is dat het stuk zich nadrukkelijk in de jaren vijftig en zestig in Engeland afspeelt. Volgens mij hadden ze dit ook makkelijk naar het Nederland van nu kunnen vertalen – dat had het stuk nog weer een nieuwe lading gegeven. Maar goed, dat is een persoonlijke mening.”

“Een ander stuk wat ik onlangs heb gezien is The Fountainhead. Ook van Toneelgroep Amsterdam. Het stuk vertelt over een architect die zijn eigen standpunten en ideeën heeft en daar geen duimbreedte van af wil wijken. Dat stuk zette me echt aan het denken. In eerste instantie ben ik geneigd om die architect gelijk te geven en te zeggen: ‘Joh, laat die man lekker maken wat hij zelf wil.’ Net als dichters. En schrijvers. En filmmakers. Die moeten ook gewoon de vrijheid krijgen om te maken wat ze willen. Maar tegelijkertijd zie ik dat er aan die onfatsoenlijkheid van die man ook een aantal moeilijke kanten zitten. Om een voorbeeld te geven: als een dichter iets schrijft wat hij wil schrijven, dan is het aan het publiek of ze het willen lezen of niet. Maar een architect maakt doorgaans iets waar iedereen verplicht jaren tegenaan moet kijken. Moet je dan een democratisch proces invoeren – en dus als architect allerlei concessies doen – of moet je zo’n man ook maar zijn gang laten gaan? Als je dat wel doet creëer je twee klassen mensen, namelijk: de Grote Denkers en de mensen die de Grote Denkers moeten gedogen. De meelopers. Moeilijk, moeilijk.”

Reinbert de Leeuw: ‘Naar muziek luister ik bijna nooit’

Op 26 november ontvangt dirigent en componist Reinbert de Leeuw (80) de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor zijn gehele oeuvre. Hoe heeft zijn kijk op kunst zijn muzikale ontwikkeling beïnvloed – en vice versa?

Verschenen in HP/De Stijl 3, 2018.

BOEKEN
“Ik denk dat je in je jonge jaren ontvankelijker bent voor kunst dan wanneer je wat ouder bent. Als ik denk aan de boeken die een overweldigende indruk hebben gemaakt, dan kom ik altijd uit op boeken die ik als adolescent heb gelezen. De idioot van Dostojevski heeft in die tijd de meeste indruk gemaakt. Ik weet er eerlijk gezegd niet zoveel meer van, behalve dat ik uit school kwam en thuis meteen naar dat boek greep om erin verder te lezen. Het had iets magisch wat bewerkstelligde dat ik er niet meer los van kon komen. Ik ging er als het ware in wonen – mijn hele lijf werd vervuld van dat boek. Het belangrijkste boek over muziek is voor mij Doctor Faustus van Thomas Mann. Het gaat over de fictieve componist Adrian Leverkühn, die zijn ziel aan de duivel verkoopt om de volmaakte compositie te schrijven. Mann geeft in een van de hoofdstukken een ongelooflijk gedetailleerde beschrijving van dat stuk en doet dat zo goed dat je het meteen wilt horen – maar dat kan dus niet. Er is bij mijn weten nooit zo intens en zo geniaal geschreven over muziek die niet bestaat als in dit boek. Mann werd beinvloed door de filosofie van Schopenhauer, die muziek als de hoogste kunstvorm zag. Harry Mulisch werd ook beïnvloed door Schopenhauer. Zijn De compositie van de wereld verklaart de historie van de mens en van de wereld aan de hand van octaviteit: de paradox dat twee tonen van het octaaf gelijk aan elkaar zijn en toch ook weer niet. Grote kunstenaars zijn altijd op zoek naar die paradox. Dat is ook de reden waarom je niet kunt uitleggen waarom je een boek, een schilderij of een compositie mooi vindt – een paradox is niet uit te leggen. De wereld is verdeeld in waar, niet waar en tegelijkertijd waar en niet waar. Dat is een fascinerend gegeven dat in dit boek aan de orde wordt gesteld. Ik moet wel eerlijk bekennen dat ik van de laatste honderd pagina’s geen zin heb begrepen. Dat ging mij boven de pet.”
“Ik lees veel boeken over muziek. De laatste jaren houd ik me veel bezig met Johann Sebastian Bach, omdat ik de Johannes-Passion en de Matthäus-Passion heb gedirigeerd. Het boek J.S. Bach – Johannes-Passion versus Matthäus-Passion van Kees van Houten hielp mij enorm om de verschillen tussen die twee stukken te begrijpen. Er is namelijk een wereld van verschil tussen die twee evangeliën. De Matthäus-Passion gaat over het lijden van Jezus Christus. Hij zegt: ‘Meine Seele ist betrübt bis an den Tod.’ Hij heeft Todesangst. We zijn allemaal getuige van zijn lijden. In de Johannes-Passion komt dat lijden helemaal niet voor. Hij kent geen angst, hij weet wat er gaat gebeuren en waartoe het dient. ‘Es ist vollbracht,’ zegt hij. Dat is heel wat anders dan het ‘Mein Gott, warum hast Du mich verlassen?’ uit de Matthäus. Dat is het kernverschil. De Matthäus gaat over de menselijke kant van Christus. Al onze angsten heeft hij ook. De Johannes gaat over zijn goddelijke kant. Hij is vanaf het begin degene die het superieure overzicht heeft en weet wat hij moet doen om de mensheid te verlossen van haar zonden.”

MUZIEK
“Ik luister bijna nooit naar muziek. Ik moet het zelf doen. En als ik eenmaal weet hoe ik het moet doen, kan ik ook niet meer naar andere uitvoeringen luisteren. Dat klinkt misschien een beetje arrogant, want niemand heeft de wijsheid in pacht, maar zo werkt dat nu eenmaal bij mij. Ik heb vroeger natuurlijk wel veel naar klassieke muziek geluisterd. Ik weet nog dat ik Le sacre du printemps van Stravinsky voor het eerst hoorde. De haren gingen me rechtovereind staan. Ik vind het nog steeds een waanzinnig stuk, ik heb het ook een paar keer mogen dirigeren, maar zo’n overweldigende ervaring is het nooit meer geworden.”

(…)

“Bach is het hoogste wat de menselijke geest ooit heeft voortgebracht. De Matthäus – die ik begin volgend jaar weer ga dirigeren – is zijn absolute meesterstuk. Hoe is het mogelijk dat iemand zoiets kan schrijven? Dat stuk is oneindig rijk. Misschien is dat wel iets wat alle vormen van grote kunst met elkaar gemeen hebben: je kunt er eindeloos mee bezig zijn. Je weet ook steeds meer dat je het niet weet. Muziek heeft in tegenstelling tot taal geen directe betekenis. Het maakt iets duidelijk wat je niet in taal kunt uitdrukken. Ik ben mijn hele leven al bezig om dat geheim te ontrafelen en ik weet dat het me nooit zal lukken. En eigenlijk is dat maar goed ook, want dat is waarom het muziek is.”

Het gehele interview met Reinbert de Leeuw leest u hier.

Maarten van Rossem: ‘Vincent van Gogh kon niet schilderen’

Op 22 november viert historicus en schrijver Maarten van Rossem zijn 75ste verjaardag groots in Tivolivredenburg, Utrecht. Wat leest, kijkt en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

Verschenen in het novembernummer van HP/De Tijd, 2018.

BOEKEN
“Ik werd aan het begin van deze eeuw door de universiteit gevraagd om een leesclub te beginnen en dat heb ik toen gedaan. Sindsdien lezen we met een man of tien elke maand een klassieker uit de wereldliteratuur. Fictie geeft vaak zo’n schitterend beeld van het verleden, veel beter dan historici kunnen beschrijven, want in fictie kun je de waarheid liegen. Het laatste boek dat we hebben gelezen is Het leven een gebruiksaanwijzing van George Perec. Een fantastisch boek. Het gaat over een groot appartementengebouw in Parijs en alle mensen die daar gewoond hebben sinds het werd gebouwd. Soms bestaat het uit spannende miniromans binnen de roman, maar het bestaat ook voor een groot gedeelte uit opsommingen. Dan beschrijft hij zes bladzijden lang allerhande huis-, tuin- en keukenapparatuur zonder dat het vervelend wordt. Over het boek dat we de maand daarvoor lazen, was ik minder te spreken. Ik vond De schoonheid van de nacht van Gabriele d’Annunzio een enorm kloteboek van een onbeschrijfelijke ijdeltuit – al was de rest wel wat milder over het boek en de schrijver. Deze maand lezen we Stilte van Shusaku Endo, maar daar ben ik net in begonnen, dus daar kan ik nog niets over zeggen.”

(…)

“Ik heb thuis een plankje met kinderlectuur. Als de r in de maand is, dan begin ik die boeken uit mijn jeugd weer te herlezen. Jules Verne, Nils Holgersson, Winnie-the- Pooh – allemaal boeken die ik praktisch uit mijn hoofd ken, maar dat is ook het fijne. Ik kan het op een willekeurige bladzijde openslaan en beginnen met lezen. Ik ben ook dol op The Lord of the Rings. Een fascistoide kaboutersprookje. Het is altijd fijn om tegen literatuurliefhebbers te zeggen dat je dat prachtboeken vindt. Ik heb destijds getwijfeld of ik de films moest gaan bekijken, omdat je altijd een beetje teleurgesteld bent als je beeld ziet van een boek waar je zelf al beeld bij hebt gemaakt. Ik heb uiteindelijk alleen de eerste film gezien en ben toen afgehaakt. Ik was teleurgesteld. Neem alleen al die molentjes in The Shire. Dan heb je een budget van driehonderd miljoen en dan zet je zulke prutmolentjes neer.”

MUZIEK
“Ik ben vrij huilerig ingesteld. Ik hoef maar een film te zien waarin een padvinder een klein hondje uit een vijver redt en ik ben al weg. Er zijn ook films die ik geweldig vind zonder dat ik er een traan bij laat. Dr. Strangelove bijvoorbeeld, alhoewel die afsluit met We’ll Meet Again van Vera Lynn. Dat nummer moet ik nu ook niet opzetten, want dan gaat het ook fout. Dat is een altijd werkende tearjerker. Het lijkt me wel geinig om dit nummer op mijn begrafenis te draaien. Iedereen verwacht dan natuurlijk een sentimenteel klassiek stuk, maar dan zet ik de boel op het verkeerde been door heel ordinair We’ll Meet Again te draaien. Een prima laatste grap. Bij muziek is het echt verschrikkelijk: er zijn veel dingen die ik niet ga beluisteren waar andere mensen bij zijn. Het middenstuk van het Eerste pianoconcert van Chopin, om maar eens wat te noemen. Ik zat laatst in de auto toen het werd gedraaid op Radio 4. Ik was nog net op tijd, ik kon hem nog net op een andere zender zetten, anders was ik behuild op mijn lezing aangekomen. Niet zo lang geleden schreef een meneer in The New York Times, en dat is gevaarlijk om te vertellen want ik raak altijd licht ontroerd als ik het vertel, dat hij altijd moet huilen als hij Help Me, Rhonda van The Beach Boys luistert. Ik vond het typisch, want het is niet hun beste nummer, maar ik wilde het toch ook eens proberen. En verdomd – binnen een paar tellen was ik weg.”

BEELDENDE KUNST
“Het modernisme is even erg als een orthodoxe kerk. Barnett Newman, de vervaardiger van het fameuze kloteschilderij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue, zei eens: als je mijn kunst mooi vindt, dan kun je nooit fascist worden. Waardoor ik al denk: die man is er zelf misschien wel een. Of neem bijvoorbeeld die pisbak van Marcel Duchamp. Ik geloof dat er nu zes pisbakken zijn waarvan ze beweren dat het de echte is, maar het is juist de bedoeling van de kunstenaar dat dat er niets toe doet! De mensen die daarover discussiëren hebben er werkelijk niets van begrepen. Daarbij is abstracte kunst een vergissing. Een onvermijdelijke vergissing, maar wel een vergissing. Joseph Beuys met zijn brokken vet en vilt. Allemaal pretentieuze lulkoek. Je moet er even doorheen als je het Hamburger Bahnhof in Berlijn bezoekt, wat overigens een ontzettend amusant museum is, maar de eindzaal maakt alles goed. Daar staat het loden vliegtuig van Anselm Kiefer. En dat is, hoe gek het ook klinkt, een ontroerend ding. Het kan dus wel!

(…)

“Ik was laatst alleen in het Van Gogh Museum, omdat ik voor RTV Utrecht een kleine documentaire maakte over de vriendschap tussen Vincent van Gogh en Anthon van Rappard. Ik was daar in het bijzonder voor het schilderij De aardappeleters. Iedereen die er enig verstand van heeft kan zien dat dit een ontzettend klunzig schilderij is. Het valt in het niet bij de meesterwerken die hij een paar jaar later maakte, zoals Het nachtcafé en De sterrennacht. Van Gogh was apetrots op De aardappeleters, maar toen hij het aan Van Rappard liet zien, een academisch geschoolde schilder, werd het door hem vernietigend besproken. Werkelijk niets deugde. Van Gogh werd razend en het betekende het einde van hun vriendschap. Van Gogh was natuurlijk een amateur, iemand die niet kon schilderen. Het wonderlijke is alleen dat hij wel het ene meesterwerk na het andere maakte. Misschien is hij enigszins te vergelijken met Edward Hopper. Die kon ook niet schilderen, anatomisch klopt er vaak geen reet van, maar hij schilderde wel wonderlijke iconische voorstellingen. Neem alleen al Nighthawks en Room in New York. Als je die schilderijen een keer hebt gezien, dan vergeet je ze nooit meer.”

Het gehele interview is hier te lezen op Blendle.

Vjeze Fur schrijft nu ook smartlappen

Volkszanger Tino Martin bracht deze week zijn nieuwe album uit: Thuis komen pas de tranen. Freddy Tratlehner, beter bekend als Vjeze Fur van De Jeugd van Tegenwoordig, is medeverantwoordelijk voor de titelsong van dit nieuwe album. Een wonderlijke combinatie. Tratlehner: “Het leek me leuk om eens een keer iets anders te doen.”

Toen hij werd gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe album van Tino Martin, wist Freddy Tratlehner (35) niet precies wie dat was, geeft hij eerlijk toe. Met zijn monotone stem en kenmerkende accent zegt hij: “Ik wist dat hij iets deed in het levensliedgenre, maar niet precies wat.” Hij zal niet de enige zijn. Dat neemt niet weg dat de volkszanger mateloos populair is onder de liefhebbers van het Nederlandstalige lied; Carré was binnen twee minuten uitverkocht en ook de Ziggo Dome wist hij meermaals moeiteloos te vullen.

Tratlehner beweegt zich in een heel ander muzikaal universum. Als onderdeel van de hiphopformatie De Jeugd van Tegenwoordig scoorde hij talloze hits en als muzikant en tekstschrijver hielp hij ook andere rappers aan muzikale successen. Nu vindt hij het tijd om zijn horizon wat te verbreden. “Het leek me leuk om eens iets anders te doen, om eens een uitstapje te maken naar een ander genre en daar mijn visie op te geven.” Dat resulteerde dus in Thuis komen pas de tranen – een nummer dat hij samen schreef met Kirsten Michel en The Compassions.

De tekst gaat onder de video verder

Wie ‘Vjezla’ een beetje kent en denkt dat dit een lollige pastiche is geworden op de oudhollandse smartlap heeft het mis. Het nummer gaat over iemand die zijn hoofd omhoog probeert te houden terwijl er veel verdriet is in zijn leven. De titel is een quote uit een interview met Tino Martin, die eerder dit jaar zijn zus verloor aan kanker. Heeft Tratlehner, die zich doorgaans van het lichtvoetige genre bedient, getwijfeld of hij wel zo’n emotioneel beladen nummer moest maken? “Nee, ik heb daar niet echt over nagedacht. Het nummer gaat over emoties die we allemaal hebben. Iedereen probeert zich weleens groot te houden terwijl je eigenlijk wel kunt janken. Dat hoeft niet alleen te zijn als iemand is overleden, dat kan in meerdere situaties voorkomen.”

Martin was uiteindelijk zo content met het nummer dat het de titelsong werd van zijn nieuwe album. Leidt dit uitstapje tot meer wonderlijke samenwerkingen? Tratlehner: “Ik vind het leuk om met andere genres te experimenteren, dus wat mij betreft wel. Ik ben bijvoorbeeld net de studio in geweest met Trijntje Oosterhuis, waar ik een heel tof nummer voor heb geschreven.” Speelt het klimmen der jaren een rol bij het maken van meer serieuze teksten? “Nee. Ik hoef ook niet per se een andere kant van mezelf te laten zien, of hoe je het ook wilt noemen. Ik vind het gewoon leuk om liedjes te schrijven. Ook liedjes die ik niet kwijt kan bij De Jeugd.”

Dutch Denim – Atelier Reservé uit Amsterdam

Nederland is een echt denimland, alleen geven we het liefst niet te veel geld uit aan een nieuwe spijkerbroek of spijkerjas. Japanners daarentegen kijken niet op een duizendje meer of minder.

Artikel uit het oktobernummer van Playboy – 2018.

Eind oktober kleurt onze hoofdstad weer indigoblauw. Op verschillende locaties in de stad komen denim lovers bij elkaar voor de jaarlijkse Amsterdam Denim Days. Dat ze uitgerekend voor deze stad kiezen is geen toeval. Amsterdam is namelijk de onbetwiste spijkerbroekenhoofdstad van de wereld. Nergens anders vind je per vierkante kilometer zoveel jeansmerken als in het hippe Mokum. Wereldmerken als G-Star, Gsus en Denham hebben hier hun wortels liggen en ook de jeanslijnen van Tommy Hilfiger en Pepe Jeans houden hier kantoor.

Nederland is daarnaast ook nog eens een echt spijkerbroekenland. Al sinds de jaren vijftig, toen de broek van gekeperd blauw katoen zijn intrede deed in ons land, is hij niet meer weg te denken uit ons straatbeeld. Spijkerbroeken zijn stoer en spijkerbroeken zijn sexy. Iedere man die zichzelf respecteert – jong of oud, rijk of arm – heeft er een in zijn kast liggen. Iedere vrouw die zichzelf respecteert trouwens ook. Nothing is more alluring to a man than a woman who looks good in her jeans. Uit onderzoek blijkt dat we per hoofd van de bevolking gemiddeld 1,82 spijkerbroeken per jaar kopen. Daarmee zijn we koploper in de wereld. Uit datzelfde onderzoek blijkt ook dat we gemiddeld iets meer dan veertig euro uitgeven aan zo’n broek. Denim dragen we graag, als het maar niet te veel kost.

Visual artist Alljan Moehamad van het denimlabel Atelier Reservé vindt het jammer dat er in ons land met zo weinig aandacht kleding wordt gekocht. ‘Nederlanders kopen liever tien goedkope broeken dan één dure,’ zegt hij. ‘Dan kunnen ze vaker shoppen. Aziaten gaan daar veel bewuster mee om. Die kopen het liefst een dure broek, waar veel zorg en aandacht aan is besteed, en zijn daar dan heel zuinig op.’ Moehamad richtte twee jaar geleden samen met zijn compagnon Deyrinio Fraenk het Amsterdamse label op. Hun missie is om van oude spijkerbroeken nieuwe en hoogwaardige kledingstukken maken. ‘Jeans worden mooier naarmate ze ouder worden. Dat is de belangrijkste reden waarom we zo graag met vintage denim werken. Niet omdat we, zoals sommige mensen denken, van die geitenwollensokkengasten zijn die dit beter vinden voor het milieu. Wij eten gewoon vlees en rijden ook gewoon benzine.’

Alljan en Deyrinio gaan voor hun ontwerpen op zoek naar hoogwaardige spijkerstof. Op markten en in winkels zoeken ze naar oude spijkerbroeken (‘Het liefst vintage Levi’s die al meermaals tweedehands zijn verkocht, met goedkope broeken kunnen we niets’) en nemen die mee naar hun atelier. Daar worden ze vervolgens verwerkt in een nieuwe broek, kimono of jas. Van elk nieuw kledingstuk dat het pand verlaat, bestaat maar een enkel exemplaar. Voor die exclusiviteit betaal je uiteindelijk ook: een jacket begint bij zevenhonderd euro, maar wie een echt masterpiece wil dragen, bijvoorbeeld een jas, telt zo drieduizend euro neer. Daar zitten dan ook ongeveer zes spijkerbroeken in verwerkt die elk makkelijk tien jaar zijn gedragen. ‘In landen als Japan en China betalen ze dat er graag voor,’ weet Alljan. ‘Onlangs hebben we nog een opdracht gekregen om 350 items te maken voor een bekend warenhuis in Japan.’

Lees hier het gehele artikel.