Schilderende sekstoerist

‘Kunstkannibaal’ Peter Klashorst (63) is ernstig ziek, maar dat weerhoudt hem er niet van om door te gaan met wat hij het liefste doet: schilderen en neuken. Playboy spreekt hem naar aanleiding van zijn nieuwe koffietafelboek Dirty Diaries: ‘Vroeger schilderde en neukte ik soms twintig vrouwen per dag, maar dat hoeft voor mij nu niet meer.’

Lees verder Schilderende sekstoerist

Rudi Fuchs: ‘Wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien’

Kunsthistoricus en oud-museumdirecteur Rudi Fuchs (77) stelde de tentoonstelling Licht in kleur – Edgar Fernhout samen voor Museum Kranenburgh in Bergen (NH). Wat leest, luistert en ziet hij in zijn vrije tijd?

Interview in het juninummer van HP/De Tijd. (2019)

BOEKEN
“Ik lees heel veel door elkaar heen, maar het zijn meestal gedichten die ik lees. Daar krijg ik geen genoeg van. Gedichten hebben mij altijd geholpen om naar kunst te kijken. Mijn leermeester, hoogleraar Henri van de Waal, heeft mij geleerd: wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien. Hij bedoelde daarmee dat je de taal los moet maken in je hoofd om onder woorden te kunnen brengen wat je ziet. En dat losmaken – dat heb ik van begin af aan zo gevoeld – doe je door gedichten te lezen. In allerlei talen. Zelfs ook talen die je niet begrijpt. Daardoor leer je klanken kennen. Je komt er ook achter dat een woord naast elk ander woord kan staan. Je kunt zeggen dat iets ‘strak rood’ is, ‘broeiend rood’ of ‘kokend rood’ – ik noem maar wat. Het kan alles zijn. Dat geldt ook voor kunstwerken. Elk kunstwerk kan naast elk ander kunstwerk hangen. Zie je trouwens dat schilderij dat daar hangt? Dat is van Arnulf Rainer. Ik kijk daarnaar zoals ik ook naar een zin kijk als ik aan het schrijven ben. Je kunt schrijven: ‘Het is warm vandaag’, ‘Vandaag is het warm’ of ‘Het is vandaag warm’. Zo kun je ook naar dit schilderij kijken. Dat zwart, valt dat nu of zweeft het? Of allebei tegelijkertijd? Of misschien is het wel zo dat het bruin valt en het zwart blijft hangen. Ik schrijf om te kijken en ik kijk om te schrijven.”

THEATER
“Ik zei net dat poëzie de woorden losmaakt die je kunt gebruiken om kunst te beschrijven, maar theater maakt de ruimte los die je kunt gebruiken om kunst te presenteren. Een gemiddelde museumzaal is strontsaai. Het is altijd wit. Ik ben als museumdirecteur een van de eersten geweest die de muren verschillende kleuren heeft gegeven, die schilderijen hoger en lager ging hangen en die het aandurfde om verschillende kunstwerken door elkaar heen te hangen. Ik weet nog dat ik in de tijd als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven een zaal moest inrichten. Ik had een werk van Sol Lewitt aangekocht, ik had een grijs kwadraat van Charlton en daar moest nog iets bij. Toen heb ik daar een Mondriaan uit 1930 bij gehangen. Mijn collega’s vonden dat raar, hoe kun je dat doen, maar ik vond het gewoon mooi. Ik meende dat die werken elkaar juist verscherpten door ze naast elkaar te hangen. Niets is te gek. Kijk eens naar het schilderij van Arnulf Rainer waar ik het net over had. Dat hangt niet in het midden van de muur, dat hangt schuin boven de haard. Dat rode vierkant van Steven Aalders is bewust daar op de grond geplaatst. Dat vind ik wel leuk. Het spelen met dat ophangen en neerzetten, met die mise-en-scène, heb ik geleerd bij het theater. Eind jaren zestig kwam ik in contact met Jannis Kounellis. Via hem kwam ik in contact met regisseur Carlo Quartucci, de oprichter van theatergroep Camion. Samen met zijn vrouw Carla Tatò, die we altijd ‘La Spectacola’ noemden vanwege haar enorme bos haar, was hij drijvende kracht van het gezelschap. Ze speelden moderne theaterstukken van schrijvers als Luigi Pirandello en Samuel Beckett. Mijn rol was om af en toe iets voor het gezelschap te schrijven. Kounellis zorgde voor het beeld bij de voorstellingen, dat natuurlijk net zo belangrijk is als de tekst. Deze groep mensen had het idee dat ze een gezamenlijk kunstwerk maakten met taal, muziek, kleur, vorm en beeld. Al die verschillende kunstvormen versterkten elkaar.”

BEELDENDE KUNST
“Ik kom nog af en toe in het Stedelijk, maar met gemengde gevoelens. Er zijn een paar mensen van mijn oude team aan wie ik ben verknocht, maar die zie ik zo ook wel. Als ik daar kom, word ik met grote eerbied ontvangen, dat wel, maar het is me te stijf geworden, te formeel, ook de tentoonstellingen. Alles wordt wetenschappelijk dichtgespijkerd. Niets mag meer. Alles is verboden. Drie jaar geleden werd ik door het museum uitgenodigd om een tentoonstelling te maken waarin ik terugkijk op mijn loopbaan als museumdirecteur en tentoonstellingsmaker. Ik was daar aanwezig om de werken op te hangen, maar ik mocht ze niet aanraken – kunstwerken die ik nota 2 Locatie, Auteur bene zelf had aangekocht. Ik wist niet wat ik hoorde. Heb jij weleens een kunstenaar gezien die zijn eigen werk met 4 handschoenen aanpakt? Ik niet. Het depot is ook een probleem. Vroeger zat dat gewoon in de kelder van het museum. Als je iets nodig had, dan liep je even naar de kelder en dan haalde je het op – alsof je iets uit de ijskast pakt. Het depot is nu bij de westelijke haven. Daar moet je dus eerst al naartoe als je een werk wilt hebben, dan moeten die werken volgens de nieuwe kunstpolitie ook nog eens op allerlei manieren worden verpakt en gecontroleerd en vervolgens ook nog eens met speciaal vervoer naar het museum worden gebracht. Het duurt minimaal een week voor je een schilderij hebt. Ik vind dat oprecht een groot probleem. De ruimte waar toen die tentoonstelling werd gehouden, is nu een zaal waarin stukken uit het depot worden tentoongesteld. Beatrix Ruf (de toenmalig directeur van het Stedelijk – red.) had aan Rem Koolhaas gevraagd of hij metalen schuifwanden wilde ontwerpen zodat je een dynamische ruimte krijgt. Dat heet nu Stedelijk Base. De wanden blijken echter zo zwaar dat je ze nauwelijks kunt bewegen. En de werken die er hangen, hangen er al vanaf het begin. Vroeger veranderden we soms maandelijks de mise-en-scène, hier is die al twee jaar hetzelfde. Je kunt die zaal bij een volgend bezoek dus rustig overslaan.
“Ik heb zo veel kunstwerken gezien in mijn leven – ik heb bijna te veel gezien. Daarom ga ik ook niet zo vaak meer op reis. Het idee dat ik naar Parijs zou moeten… Wat moet ik daar doen? Ik heb alles daar al honderd keer gezien. Ik kan wel nog steeds ontroerd raken door kunst. Dat gebeurde onlangs bijvoorbeeld toen ik dat rode vierkant van Steven Aalders zag. Ik raakte ontroerd door de eenvoud van dat vierkant. Ik moet ineens denken aan een van de eerste ervaringen die ik met kunst heb gehad. Als jongetje van een jaar of veertien zag ik Compositie in wit en zwart van Piet Mondriaan voor het eerst. Ik begreep meteen dat het iets heel bijzonders was waar ik naar keek. De meeste mensen die er voorbijlopen, denken dat ze kijken naar een paar zwarte lijnen op een wit vlak. Het zijn geen lijnen. Het zijn rechthoeken. Van de witte rechthoeken is geen een hetzelfde. Ook de zwarte rechthoeken verschillen allemaal van lengte en breedte. Je moet kijken. Pas dan zie je het.”

Henk Schiffmacher: ‘Mijn filmcarrière is in de kut gesmoord’

Klein interview met Hanky Panky voor het augustusnummer van Playboy.

Tattookoning Henk Schiffmachter (66) won onlangs bijna twee ton bij de Postcodeloterij.

Laatst aangeschafte album?
Ik koop nooit muziek. Al die nieuwe bands en deejays vind ik een ramp.

Beste nummer ooit geschreven?
96 Tears van ? and the Mysterians.

Herman Brood of Barry Hay?
Barry Brood. Over de doden niets dan goeds, I love Herman, maar Barry is ook een hele grappige en lieve man.

Het duurste wat ik ooit voor mezelf heb gekocht is…
Ik heb ooit eens een verzameling van allemaal oude tattoospullen van tachtigduizend gulden gekocht.

Dit is het mooiste horloge van de wereld…
Ik ben niet zo van de horloges. Het geld dat ik heb gewonnen wil ik investeren in de collectie van een nog op te zetten Tattoo Museum – al is dat natuurlijk een schijntje van wat we nodig hebben. Vooralsnog vind ik het een prettig gevoel om eens in de plus te staan en niet te moeten werken om het verlies te betalen. Ik ga hier heel rustig van genieten.

Deze auto zou ik wel willen rijden…
Ik geef ook niets om auto’s of Harley Davidsons.

Deze bekende persoon zou ik nog weleens willen tatoeëren…
Willem-Alexander. Zijn grootvader had er ook een. Ik weet dat hij de Playboy leest, dus bij dezen is hij uitgenodigd.

Met deze overleden persoon zou ik nog weleens een borrel willen drinken?
Dat is met mijn vriend Mike Malone, een begenadigd verhalenverteller en toptattooeerder. Ik mis hem. Hij heeft een aantal jaren geleden met een grote magnum zijn hele hoofd eraf geschoten. Ik mis hem.

Stiekem ben ik verslaafd aan…
Ik heb een heleboel verslavingen gehad, maar nooit stiekem. Iedereen mag alles weten. Ik ben met drugs gestopt, en af en toe mis ik dat weleens, ik vond het wel gezellig om af en toe een snuif te nemen. Ik ben nu alleen nog maar verslaafd aan mooie dingen. Ik mag graag naar het Rijks of naar het Stedelijk gaan om daar naar mooie schilderijen te kijken.

Heeft u weleens voor een schilderij staan huilen?
Ja, er zijn schilderijen die gekke dingen met me hebben gedaan. De portretten van Rubens, De geslachte os van Soutine en Who’s afraid of red, yellow and blue van Newman bijvoorbeeld.

Als ik een miljoen had, dan kocht ik meteen…
Oude tattoospullen. Ik heb net een banner gekocht van een oude degenslikker en ik heb nog een Marquizaanse war club met allemaal tattoo designs erin gesneden.

Laatst gelezen boek?
De ondergang van de Batavia van Mike Dash. Die man doet een boekje open over wat voor een tuig wij waren. Mannen die elkaar radbraken… unbelievable.

Beste restaurant van Nederland?
New Draver in Amsterdam. Je kunt daar heerlijk Surinaams eten.

Voor dit drankje kun je me ’s nachts wakker maken?
Een ijskoud watertje vind ik lekker of een glas goede champagne.

Beste film?
Apocalypse now. Ik had daar bijna in meegespeeld. Ik was in die tijd in de Filipijnen en toen ben ik gecast om mee te spelen als zijnde een G.I., maar ik kreeg vlak daarvoor een ernstige ontsteking aan mijn glanslans waardoor ik mijn rol heb gemist. Mijn filmcarrière is in de kut gesmoord.

Deze actrice schop ik niet uit mijn bed…
Angelina Jolie. Als ze in bed dan maar niet acteert.

Jasper Krabbé over Jan Wolkers, Jean-Michel Basquiat en Joep Beving

Jasper Krabbé (48) is kunstschilder. Vanaf 16 juni wordt werk van hem tentoongesteld in Museum de Fundatie in Zwolle. Wat leest, kijkt en luistert hij in zijn vrije tijd?

Interview in HP/De Tijd, juni 2018. Het gehele interview (vier pagina’s) vindt u hier.

BOEKEN
“Ik kreeg onlangs een boek binnen dat ik al heel lang wilde hebben, van de Collection Lambert in Avignon. Die geven altijd prachtig vormgegeven catalogi uit die visueel heel sterk zijn. Daar kun je een hele dag in bladeren en dan nog verveelt het je niet. Een ander soort kunstboek dat ik even wil noemen is de biografie van Jan Wolkers: Het litteken van de dood van Onno Blom. Je kunt je echt geen mooiere biograaf wensen als kunstenaar. Hij heeft het zo vanuit de persoon geschreven, met zoveel kleine details, dat je het idee krijgt dat je er zelf bij bent geweest. Wat mij verbaasde, is dat bijna al zijn werk autobiografisch is. Ik heb in het begin van mijn carrière, na het lezen van Kort Amerikaans, eens een schilderij gemaakt van een man die een tors omhelst, omdat ik dat zo’n mooi beeld vond uit dat boek. In zijn biografie las ik dat hij echt een beeld had waar hij iets voor voelde. Hij was misschien wel een animist ten voeten uit: hij bezielde de objecten waar hij van hield.”

BEELDENDE KUNST
“In de loop van de jaren heeft mijn smaak zich verder ontwikkeld. In mijn begintijd had ik bijvoorbeeld heel veel moeite met Jeff Koons. Ik weet nog dat het Stedelijk toen net Ushering in Banality had aangekocht. Ik vond dat echt een schande. Hij had dat beeld nota bene niet eens zelf gemaakt! Nu is mijn waardering voor hem totaal omgedraaid. Dat geldt niet voor Jean-Michel Basquiat: die bewonder ik al vanaf de tijd dat ik graffiti maakte. Er zijn bepaalde kunstenaars naar wie je altijd kunt terugkeren. Velázquez is er een van, Picasso uiteraard ook, maar Basquiat hoort wat mij betreft bij de allergrootsten. Wat ik echt een fantastisch schilderij vind, en waarvan ik ook elke keer zin krijg om het zelf te schilderen, is Hollywood Africans. Hij heeft zichzelf daarop met twee gabbers afgebeeld, met de schilder Toxic en de rapper Rammellzee, toen ze met z’n drieën voor het eerst in Los Angeles waren. Die guy heeft geen slecht schilderij gemaakt. Ik heb in Barbican Centre in Londen niet zo lang geleden de overzichtstentoonstelling Boom for Real gezien. Het is ongelooflijk om te zien welke ontwikkeling hij heeft doorgemaakt in zijn toch zo korte leven.”

MUZIEK
“Benjamin Clementine vind ik echt waanzinnig. Zijn debuutalbum At Least for Now is echt ongelooflijk. Zijn muziek zit een beetje tussen jazz, hiphop en soul in. Ik heb nog eens een portret van hem gemaakt. Hij heeft een supermooie kop met hele hoge jukbeenderen. Dat schilderij is later verkocht aan een kunstverzamelaar. Hij kende Benjamin Clementine niet, maar toen ik zijn muziek liet horen, was ook hij helemaal hooked. Joep Beving vind ik ook erg goed. Het is heel zeldzaam dat je zo geraakt wordt door een muzikant. Hij is echt een grote viking om te zien, maar als hij gaat spelen wordt het allemaal heel klein. Zijn eerste album Solipsism heeft hij thuis opgenomen. Je hoort zijn stoel kraken, je hoort kindjes buitenspelen. Hij heeft die geluiden er niet bewust ingestopt, het ging per ongeluk, omdat hij geen geld had om in een studio op te nemen. Het maakt zijn muziek nog intenser. Je luistert nog beter door die noise. Zijn mooiste nummer vind ik Sleeping Lotus, maar dat komt omdat mijn dochter Lotus heet.”

Iris van Herpen over David Attenborough, August Rodin en Terry Gilliam

Modeontwerper Iris van Herpen (33) laat zich door vele disciplines inspireren. In juni en juli is werk van haar te zien in De Melkfabriek in Arnhem. Wat leest, kijkt en luistert zij in haar vrije tijd?

Interview in HP/De Stijl. Mei 2018. Het gehele interview (vier pagina’s) leest u hier.

BOEKEN
“Ik lees eigenlijk altijd meerdere boeken tegelijk. De twee boeken waar ik nu al een eind in op weg ben, zijn The Soul of an Octopus van Sy Montgomery en De avonturen van een jonge bioloog van David Attenborough. Het eerste boek is geschreven door een schrijfster die zich verdiept in de intelligentie van octopussen. Dat doet ze onder meer door regelmatig een aquarium te bezoeken en een band op te bouwen met een specifieke octopus – wat ook lukt. Ik heb altijd al een fascinatie voor deze beesten gehad, omdat ze zo transformatief zijn. Hun huid kan bijvoorbeeld veranderen van kleur en vorm. Ik ken geen enkel organisme dat zo veranderlijk is. Daarom zijn ze ook wel een inspiratie voor mijn eigen werk. Ik denk dat we daar de komende jaren nog wel meer over gaan lezen, want de kennis over hoe hun intelligentie nu echt werkt, is nog vrij beperkt. Het andere boek is wat meer vermakelijk. De avonturen van een jonge bioloog is echt een avonturenboek. David Attenborough vertelt over de ervaringen die hij als jonge bioloog heeft gehad. Het is bijna niet te geloven dat iemand dat echt allemaal heeft meegemaakt. Hij vertelt over mensen die met hun blote handen krokodillen vangen, over de cultuurverschillen met de inheemse stammen die hij tegenkomt, over alle risico’s die er aan zijn vak zitten. De liefde voor de natuur springt er echt vanaf. Hij weet nog steeds miljoenen mensen te fascineren voor het kleine en het grote in de natuur.”

BEELDENDE KUNST
“Beeldende kunst is mijn allergrootste liefde. Wellicht nog meer dan dans. Op het moment ben ik heel erg fan van David Altmejd. Ik vind het moeilijk om zijn werk te omschrijven. Als je de wereld van Björk kent, dan weet je een beetje wat hij maakt. Hij creëert werelden die je nog nooit hebt gezien en weet als geen ander bewegingen in beelden te vangen. Niet zo lang geleden was ik in zijn studio in New York en werd ik compleet overdonderd. Het is denk ik te vergelijken met de eerste keer dat ik ontroerd raakte door een kunstwerk. Dat was toen ik in Parijs De hellepoort van Auguste Rodin zag. Het is de pure schoonheid, dat iemand zoiets moois kan bedenken en kan maken, die beide keren een gevoelig snaartje bij me raakte. Het is misschien ook de schoonheid van de mens die me heel erg ontroert. Dat iemand maar blijft zoeken naar het ultieme kunstwerk. Want dat probeert iedere kunstenaar uiteindelijk toch te vinden.”

FILM
“Ik ben opgegroeid zonder televisie en ik heb er ook nog nooit een gehad. Ik keek ook bijna geen films. Sinds een jaar of vijf doe ik dat wat vaker en echt: er ging een heel nieuwe wereld voor me open. Ik kan me nog herinneren dat ik in het begin echt moest bijkomen van de films die ik zag. Het verhaal bleef nog dagen door mijn hoofd spoken. Dat heb je ook weleens als je een goed boek leest, maar bij film was het altijd nog veel heftiger. Tegenwoordig is dat een stuk minder, omdat ik er wat meer aan gewend ben geraakt. Eigenlijk is dat ook wel een beetje jammer. De klassiekers ken ik dus niet, de kinderfilms heb ik ook gemist, maar in de afgelopen jaren heb ik toch redelijk wat gezien. Terry Gilliam is mijn favoriete regisseur. Brazil is een van mijn favoriete films ever. Het gaat over een dystopische toekomst waar geen enkel apparaat goed werkt. Alle apparaten worden met plakband en elastiek bij elkaar gehouden. Ook de gezichten van de personages lijken soms van elastiek – ze trekken het vel van hun wangen tot over hun oren.”

Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik ben gezegend met twee geheugens’

Eddy Posthuma de Boer (1931) is al meer dan zestig jaar fotograaf. Hij bezocht meer dan tachtig landen en fotografeerde voor verschillende kranten en tijdschriften – onder meer voor de Haagsche PostAvenue en Time-Life. Hij publiceerde een groot aantal fotoboeken en had diverse tentoonstellingen. 

(Gepubliceerd op de website van HP/De Tijd – 14 december 2017.)

Tot en met eind december zijn op De Kring in Amsterdam foto’s te zien die hij in de jaren zestig op de kunstenaarssociëteit maakte. Reden voor HP/De Tijd om hem te onderwerpen aan een ‘zelfportret’: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Die is redelijk optimistisch. Ik ben wel beducht voor de dingen die kunnen gebeuren, maar ik laat me er niet door van de wijs brengen.

Wie zijn uw helden?
Dat zijn een paar fotografen. In de eerste plaats is dat André Kertész die samen met een groep andere fotografen in het interbellum vanuit hun geboorteland Hongarije naar Duitsland zijn gevlucht, en vanuit daar weer zijn doorgetrokken naar steden als Parijs en New York. Zij zijn de oerbron van de journalistieke fotografie. En daarnaast Henri Cartier-Bresson en de gebroeders Friedmann, beter bekend als Robert en Cornell Capa. Zij hebben mij geïnspireerd in wat ik wilde doen als fotograaf.

‘Als ik naar mijn ringvinger kijk, denk ik: dat is de vinger van mijn moeder.’

Aan wie ergert u zich?
Ik erger me nog steeds aan een onderwijzer op de lagere school. Dat was een vreselijke man. Op zaterdag stond hij in zijn WA-uniform voor de klas omdat hij ’s middags moest marcheren. En die man had een vreselijk gedrag. Als je te hard praatte met je buurman dan moest je op het podium komen en dan sloeg-ie ons met de koppen tegen elkaar. In de laatste oorlogsdagen heeft hij zich op een motorfiets tegen een betonnen wand gereden. Toen ik dat hoorde, dacht ik: zo, die is er niet meer.

Lijkt u op uw vader?
Zoals ze weleens zeggen: van boven lijk ik op mijn moeder en van onder op mijn vader. Nee, ik draag de familienaam, maar verder lijk ik in weinig op hem. Het was een goudeerlijke man, maar fanatisch links. En dat ben ik niet.

Lijkt u op uw moeder?
Als ik naar mijn ringvinger kijk, denk ik: dat is de vinger van mijn moeder. Mijn nagels zijn de nagels die mijn moeder had. Ik heb ook het karakter van mijn moeder. Zij was altijd optimistisch en zeer creatief. Als ik zie hoe zij altijd aan het borduren was en aan het knippen en plakken en wat dan ook. Dat heb ik van haar. Altijd iets bedenken en altijd iets maken.

‘Mijn grootste angst? Dat iemand een atoombom gooit.’

Wat zijn uw dagdromen?
Ik ben zeer tevreden met wat ik heb en wie ik ben. Als je op mijn leeftijd bent dan kijk je meer op het leven terug dan vooruit. Ik heb die dagdromerij dus niet meer nodig.

Wat is uw grootste angst?
Dat iemand een atoombom gooit.

Bidt u weleens?
Nee, nooit. Ik ben opgegroeid met de De amusante Bijbel van Léo Taxil, waarin God op een wolk werd afgebeeld en belachelijk werd gemaakt. Mijn vader en mijn moeder waren allebei niet gelovig.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Nee. Ik heb in Lourdes en Banneux gefotografeerd, en in wel meer van die bedevaartsoorden, en daar kom je mensen tegen die iedere dág een mystieke ervaring hebben. Mij is dat nooit overkomen. Daar ben ik teveel realist voor.

‘Geluk is een kort moment.’

Bent u aantrekkelijk?
Nee. Mijn broer was een leuke en mooie jongen, daar zaten de meiden achteraan, die kon overal terecht. Ik was een verlegen en bescheiden jongen met rood haar en sproeten – nou, dan weet je het wel. Een mooie jongen heeft niemand mij ooit gevonden.

Wat is uw definitie van geluk?
Geluk is een kort moment. Je kunt niet de hele dag gelukkig zijn. Laat staan een hele week of een heel jaar. Mijn laatste moment van geluk was afgelopen zondagmiddag bij de presentatie van het boek van mijn jongste dochter Eva: Voer voor vrienden. Ik was zo trots en er waren zoveel leuke mensen en de hele familie was bij elkaar – ja, dat was een geluksmoment.

Waar schaamt u zich voor?
Voor het gedrag van andere mensen. Ik ben eens in Zaïre op reportage geweest en toen ben ik op straat vijf keer gearresteerd. Dat kwam door de corruptie. Dan schaam ik me dat zo’n land zo slecht bestuurd wordt en daardoor zo’n slechte mentaliteit heeft.

Bent u monogaam?
Ja. Ik ben meer dan 55 jaar getrouwd met Henriette. Voor ons beiden is dat huwelijk fantastisch. We hebben geen behoefte aan iets of iemand anders.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Ik heb dit najaar vier vrienden begraven. Bij drie moest ik huilen. Op onze leeftijd gebeurt het nog weleens dat je naar een begrafenis moet. Het is niet alleen de begrafenis die de emoties aanwakkeren, maar vooral het idee dat je voorgoed afscheid van iemand moet nemen. Iemand die ongeveer even oud is als jij en die je al je hele leven kent. Dan denk je onwillekeurig weleens: ik behoor ook tot de doelgroep.

‘Mannen hebben de eigenschap zorgzaamheid niet.’

Hoe moedig bent u?
Laat ik het zo zeggen: ik ben nogal wilskrachtig en daadkrachtig. Ik wil heel veel en om dat te kunnen doen moet je daadkracht tonen. Dat heb ik in mijn journalistieke leven altijd wel gehad. Misschien kun je dat onder het noemertje ‘moedig’ zetten. Maar ik ben niet iemand die in de gracht springt om een ander te redden. Dat moeten andere mensen maar doen.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Ik denk van mijn vrouw. Mijn ouders waren eenvoudige mensen en door mijn vak kom je soms in situaties terecht waarin je je netjes moet gedragen en aan ongeschreven regels moet houden. Ik heb dat allemaal van mijn vrouw moeten leren.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Zorgzaamheid vind ik iets fantastisch aan vrouwen. Die eigenschap hebben mannen niet. Dat heeft waarschijnlijk toch te maken met dat oerinstinct: de mannen gaan op jacht terwijl de vrouwen voor de kinderen zorgen. Ik merk die zorg in alles. Dan ziet mijn vrouw bijvoorbeeld weer een vlek in mijn trui die ik zelf helemaal niet had gezien en dan gaat ze dat schoonmaken.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Dat ik fysiek weer zo zou zijn als dertig jaar geleden. Op mijn leeftijd heb je een beetje van dit en een beetje van dat en dat vind ik zo stom… Het mag niet ophouden bij mij. Ik heb zo’n leuk beroep en er is zoveel te zien en te doen in de wereld en dat blijft ook zo – dat geef je dan weer door aan andere generaties. Ik ben zo nieuwsgierig hoe de wereld er over twintig jaar uit zal zien en ik kan het bijna niet verkroppen dat ik er dan waarschijnlijk niet meer ben.

Hoe ontspant u zich?
Ik heb geen reden om te ontspannen, want ik doe alles wel ontspannen. Maar ik vind het wel prettig als ik ’s avonds om elf uur alles uit heb gedaan nog even wat te lezen in bed. Dat is voor mij bijna een soort meditatief moment. Ik bedenk of ik een nuttige dag heb gehad en zo nee, dan denk ik: morgen verder, hè, en vergeet het niet. En dan laat ik de dag los en val ik rustig in slaap.

Van wie houdt u het meest?
Van mijn vrouw en mijn twee dochters. Dat is lijfelijk en dat is verstandelijk en dat is meelevend en als er wat nieuws is dan bellen we gauw. Zij staan het dichtste bij.

Gelooft u in God?
Nee.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Aan m’n dagelijks leven. Het bezig zijn in mijn studio met name. Ik werk eigenlijk nog steeds zeven dagen per week. Soms ben ik afgeleid of moet ik ergens naartoe, maar meestal ben ik hier bezig. Ik werk hard, maar besteed ook veel aandacht aan familie en vrienden. Je kunt ook niet zonder ze.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Ik geloof niet dat ik een schoon geweten heb, maar ik ben me ook niet bewust van het leed dat ik anderen berokkend heb. Ik heb weleens ‘klootzak’ tegen iemand geroepen, dat hebben we allemaal weleens, maar ik heb geen leed veroorzaakt door bijvoorbeeld met mijn auto een kind dood te rijden. Er zijn mensen die dat is overkomen, die ongewild veel leed hebben veroorzaakt, maar mij is dat godzijdank bespaard gebleven.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Ik heb weleens dingen gemist in de journalistiek. Ik was in 1962 in Moskou voor een reportage. Toen ik terug op de redactie was, zei mijn chef: ‘Je hebt de begrafenis van Pasternak toch wel meegepakt?’ Dat had ik dus helemaal gemist. Jammer, want hij werd begraven in een open kist, dat deden ze in die tijd in de Sovjet-Unie. Dat vind ik dan een miskleun. Dat is later nog een paar keer gebeurd.

‘Het noodlot kun je niet bestellen of afwijzen – het overkomt je’

Wanneer was u het gelukkigst?
Bij de geboortes van mijn dochters. Dat vond ik fantastisch. En ik heb ook nog eens een onbestemd geluksgevoel gehad… Ik liep in het Alameda Park in Santa Barbara, ik ging op een bankje zitten en toen overviel me een onbestemd geluksgevoel dat ik nog nooit eerder had gevoeld. Het was een soort tevredenheid: ik zat daar aan de andere kant van de wereld in zo’n lief en aardig park en alles was goed. Een soort muzisch gevoel. Ik ben gelukkig gezegend met twee geheugens: mijn eigen geheugen is nog aardig in orde, alhoewel ik af en toe een beetje slijtage wel merk, maar mijn andere geheugen is mijn archief. En die twee geheugens triggerenelkaar. Het een herinnert me aan dit, het ander aan dat. Dat moment in het park zal ik nooit vergeten, maar als ik wil weten hoe het daar ook alweer was, hoef ik maar een doos open te trekken en de foto’s tevoorschijn te halen.

Wat is de beste plek om te wonen?
Amsterdam. We hebben een huisje in Frankrijk, en ik waardeer de stilte daar en de schone lucht, maar ik ben echt een jongen van de stad. Ik wil rumoer om mij heen hebben.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Het noodlot kun je niet bestellen of afwijzen – het overkomt je. Het enige wat je kunt doen is alert blijven. Iedere dag alert blijven. Ik ben in Bogotá een keer in elkaar geslagen door twee jongens die m’n camera wilden hebben. Dat was mijn eigen schuld. Ik was niet alert genoeg. Ik had beter niet met hen op kunnen lopen, maar de nieuwsgierigheid overheerst dan toch altijd.

Wat is uw devies?
Carpe diem.

De expositie is nog tot en met eind december te zien op sociëtiet De Kring in Amsterdam. Meer informatie vindt u hier.

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Fotoserie: op bezoek in het atelier van Dick Bruna

In de zomer van 2008 bracht ik met mijn beste vriend en trawant Brian van der Vegt een bezoek aan het atelier van Dick Bruna in de Jeruzalemstraat in Utrecht.

Voor een serie interviews die ik voor een fictieve schoolkrant maakte (als je geen schoolkrant hebt moet je er als nieuwsgierige jongeling maar een verzinnen) stelde ik hem wat vragen. Het interview is tezamen met andere interviews die ik die zomer hield tot mijn grote spijt verloren gegaan. Een gecrashte harde schijf wiste zomaar mijn eerste schreden op het interviewerspad.
Van het bezoek herinner ik mij slechts flarden. Ik weet nog dat zijn atelier veel kleiner was dan ik me had voorgesteld. De ruimte rook naar mijn basisschool. (Dat zal de plakkaatverf zijn geweest. Of beeldde ik het me in en riepen de afbeeldingen van nijntje die geurherinnering op?) Overal stonden kwasten en potloden. In verschillende lades bewaarde hij tekeningen. Naast een boekenkast met daarin vele honderden nijntjeboeken – soms in talen waarvan ik nog nooit had gehoord – stond een kast waarin hij de fanmail die hij vanuit de hele wereld ontving trots had uitgestald. Zijn ogen glunderden toen hij vertelde dat hij dagelijks tientallen brieven en kaartjes van kinderen ontving.
Van het interview zelf herinner ik mij ook nog slechts een peer antwoorden. Hij vertelde onder meer dat hij, hoewel hij toen al tachtig jaar oud was, zeven dagen per week op zijn atelier was, vaak minimaal acht uur per dag. Zijn grootste angst was dat hij niet meer kon tekenen. De lijnen begonnen al iets meer te bibberen dan voorheen. Soms hield hij een kwast met twee handen vast om toch een strakke lijn te trekken. Het moeilijkst om te tekenen vond hij de ogen van nijn – dat kwam allemaal heel precies. Hij vertelde dat hij hoopte dat hij nog lang geestelijk en lichamelijk in goede gezondheid zou verkeren en nog minimaal tien jaar dagelijks naar zijn atelier kon fietsen. Als ik een keer tijd heb zal ik proberen om wat van mijn oude aantekeningen uit te werken en een langer verhaal te schrijven.

Ter gelegenheid van de negentigste geboortedag van Dick Bruna (1927 – 2017) zet ik een selectie van de fotoserie online. Het atelier aan de Jeruzalemstraat is inmiddels ontmanteld en een op een gereconstrueerd in het nijntje museum in Utrecht. Zijn fiets staat er voorgoed op slot.

Foto’s: © Nick Muller, 2008.

 

Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli

Tekenaar Peter van Straaten (1935 – 2016) over het gedicht ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli. Uit de bundel: Gedichten die mannen aan het huilen maken, 2015. Lees verder Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli