Memlings Jeruzalem

In de openingstentoonstelling van BRUSK, de nieuwe Brugse kunsthal, hangt een paneel dat Hans Memling (ca. 1430–1494) schilderde van een stad die hij nooit zag. Wat we ervan zien zegt evenveel over Brugge als over de Heilige Stad.

Verschenen bij HP/De Tijd, 17 mei 2026

In februari 1470 reed een gezelschap ruiters Brugge uit, voorop Anselm Adornes, een patriciër uit een Brugse familie van Genuese afkomst, op zijn vijfenveertigste oud genoeg om aan een lange reis te durven beginnen. Naast hem zat zijn zoon Jan in het zadel, zesentwintig jaar oud en op weg om later kanunnik in Rijsel te worden. Veertien maanden waren ze onderweg, langs Tunis, Alexandrië, de Sinaï, Jeruzalem, Cyprus en Rhodos, en op de Calvarieberg, waar Christus volgens de overlevering werd gekruisigd, kon Anselm zich niet inhouden. “Wie deze plaats kan aanschouwen zonder smart en tranen”, schreef hij later in Itinerarium, het reisverslag dat hij opdroeg aan Jacobus III van Schotland, “zonder dat zijn hart ineenkrimpt en zonder een medelijdende ziel.” Anselm had die opdracht goed gekozen, want hij was tot ridder geslagen in de Schotse Orde van de Eenhoorn, en hij zou dertien jaar na zijn thuiskomst in een Schotse hinderlaag worden vermoord. Zijn hart, in een loden kistje, ligt tot vandaag begraven in de Jeruzalemkapel aan de Peperstraat, die hij na zijn terugkomst liet verbouwen tot een nabouw van de kerk in Jeruzalem waar Christus is begraven.

Niet ver van die kapel, in een atelier in de stad, stond op datzelfde moment een schildersezel, en daar werkte een Duitser aan een paneel van vijfenvijftig bij negentig centimeter. Hij schilderde Jeruzalem. Hans Memling had Jeruzalem nooit gezien. Verder oostwaarts dan Keulen was hij naar alle waarschijnlijkheid niet gekomen, geboren als hij was in het Duitse Seligenstadt, opgeleid in het atelier van Rogier van der Weyden in Brussel en op 30 januari 1465 ingeschreven als poorter van Brugge. Wat hij van Jeruzalem wist, wist hij van anderen, en anderen waren er volop. Brugge was in die jaren de belangrijkste havenstad van Noordwest-Europa, een knooppunt waar Hanzeaten uit de Oostzee, Italianen uit Florence en Genua, Castilianen, Portugezen en Engelsen elkaar in de straten van het centrum tegen het lijf liepen.

Dat paneel, Passie van Christus, hangt sinds vorige week vrijdag weer in Brugge, uitgeleend door de Galleria Sabauda in Turijn aan BRUSK, de nieuwe Brugse kunsthal die op 8 mei opende. Het is het pronkstuk van de openingstentoonstelling, Breedbeeld. Verweven werelden van Brugge 900-1550. BRUSK staat aan de rand van het oude Brugge, tussen het Groeningemuseum en het Gruuthuse, ontworpen door Robbrecht en Daem met Olivier Salens. Boven heeft de kunsthal twee zalen van samen 2400 vierkante meter, beneden een gratis toegankelijke hal waar kunstenares Laure Prouvost met een geheel vrouwelijk team een fresco van driehonderdvijftig vierkante meter heeft geschilderd. Het is haar eerste en grootste fresco tot nog toe, een uitbarsting van kleur waarin verwijzingen naar Brugse gebouwen, naar de stedelijke collectie en naar de geschiedenis van de stad door elkaar zijn gehaald. Wie geen kaartje koopt kan er gewoon binnenlopen.

Wie voor het Memling-paneel gaat staan ziet eerst geen lijden maar een stad. Een ommuurde stad in vogelperspectief, met poorten en torens en wat een kerk lijkt te zijn, en pas daarna ziet de kijker dat er door die stad een verhaal kronkelt. Jezus die op een ezel een poort binnentrekt, Jezus die de voeten van zijn leerlingen wast, Petrus die in een tuin slaapt, Jezus die wordt gegeseld en onder zijn kruis valt, die op Golgotha hangt, die verrijst, die als tuinman aan Maria Magdalena verschijnt. Meer dan twintig taferelen tegelijk, op één paneel, in één stad. Tussen de figuren lopen mannen met tulbanden en lange mantels, oosterse types die Memling moet hebben afgekeken van kooplieden die in Brugge over de markt liepen. De gevels lijken Brugs, de daken lijken Brugs, alleen in de architectuur op de achtergrond zijn oosterse vormen ingebracht die de Heilige Stad moeten oproepen. Onder in het paneel, klein als vingerafdrukken, knielen de opdrachtgevers: Tommaso Portinari, de Florentijnse bankier die de Medici-belangen in Brugge behartigde, links in zijn zwarte mantel, en zijn jonge bruid Maria Baroncelli rechts, het hoofd gebogen, haar handen gevouwen. 

Memling heeft een stad gebouwd uit de woorden van anderen, en die stad is, zes eeuwen later, geloofwaardiger dan menige stad die wel ter plekke is geschilderd.

Ik heb eens gelezen, ik geloof bij Cees Nooteboom, dat de Vlaamse Primitieven juist daarom zo fascineren omdat zij een werkelijkheid afbeeldden waar zij niet bij waren geweest, en die zij daarom des te scherper hadden moeten verzinnen. Memling heeft een stad gebouwd uit de woorden van anderen, en die stad is, zes eeuwen later, geloofwaardiger dan menige stad die wel ter plekke is geschilderd.

De bestelling voor het paneel kwam van een Florentijn, en die Florentijn was geen vreemde. Tommaso Portinari, filiaalhoofd van de Medici-bank in Brugge en financier van Karel de Stoute, was doopvader van een van Adornes’ kinderen. Hij was bovendien de man die rond diezelfde tijd bij Hugo van der Goes het beroemde Portinari-altaar bestelde, dat hij in 1483 als een Vlaamse cadeauzending naar Florence verscheepte, waar het tot vandaag in de Uffizi hangt. Dat een Florentijnse bankier in Brugge een doopvader-relatie met een Genuees-Brugse koopman aanging klinkt misschien als een formaliteit, maar in de vijftiende eeuw was het hoe koopliedendynastieën zich aan elkaar knoopten zonder hun zaken te vermengen. Memling zou rond dezelfde tijd portretten van Portinari en Baroncelli schilderen die nu in het Metropolitan in New York hangen. Portinari zou aan het einde van zijn leven verarmd in Florence sterven, in de schaduw van het hospitaal Santa Maria Nuova dat zijn voorvader Folco Portinari had gesticht, de vader van Beatrice, de geliefde van Dante.

Of Memling het Itinerarium van de Adornes-mannen op zijn werktafel had liggen toen hij aan zijn Jeruzalem begon, weet geen kunsthistoricus zeker. De korte loopafstand tussen het Adornes-huis en zijn atelier maakt het waarschijnlijk, en de doopvader-relatie en een chronologie die naadloos klopt doen de rest. De Jeruzalemkapel staat er nog steeds, met haar achthoekige toren naar het model van het Heilig Graf en een gehouwen Calvarie-reliëf waarop Christus aan het kruis hangt tussen Maria en Johannes. De kapel is vandaag nog in handen van directe afstammelingen van een familie die in Brugge bleef wonen toen alle andere Italiaanse koopliedendynastieën verdwenen waren.

De vrouw die ervoor heeft gekozen om BRUSK met dit verhaal te openen heet Kristl Strubbe. Zij is sinds negen maanden directeur van Musea Brugge, een organisatie met meer dan tweehonderd medewerkers en negen museumlocaties. Het BRUSK-project loopt al sinds 2018, met Robbrecht en Daem als winnende architecten en een bouw die in 2021 begon. Toen Strubbe aantrad was het gebouw bijna klaar, maar moest de hele programmering nog worden bepaald. Voor de komende jaren staan Memling, de Bourgondiërs en de Vlaamse Primitieven uit het Groeningemuseum op het programma, dat laatste mede omdat dat museum vanaf volgend jaar dichtgaat voor renovatie tot 2030. Voor de opening koos Strubbe voor iets anders.

“We willen niet een kunsthal bouwen die je gewoon kan oppakken en in een andere stad kan zetten”, vertelde ze op de ochtend van de opening. “De link met Brugge moet erin zitten. Het wil niet zeggen dat het alleen maar over Brugge moet gaan. Er moet een reden zijn waarom die kunsthal hier in deze stad staat.”


Breedbeeld. Foto: Matthias Desmet

Honderden voorwerpen uit prestigieuze collecties zijn voor Breedbeeld aangevoerd, van het Louvre tot het Vaticaan, van het Rijksmuseum tot het Met in New York, en de onderhandelingen verliepen niet zonder zorgen. “We zijn met negentig organisaties in gesprek geweest”, zegt Strubbe op de droge toon van iemand die het niet nog eens zou willen. “Eén van de strengste bruikleengevers was de British Library. Tot het laatste moment werd er onderhandeld. Vorige donderdagavond moest ik tot op het laatste moment papieren tekenen. Vrijdagochtend zijn die stukken gebracht.”

De tentoonstelling is samengesteld door de Britse historicus Peter Frankopan, hoogleraar in Oxford, in 2016 in het Nederlands vertaald met zijn bestseller De zijderoutes, en zijn grondbeweging is altijd geweest dat Europa zich te lang aan zichzelf heeft toegeschreven wat het uit het Oosten heeft gekregen, een these die hij in Brugge visueel maakt. Tijdens de persvoorstelling liep hij persoonlijk door de zalen en bekende dat hij voor de introductiefilm zijn beste Hugh Grant-imitatie had gegeven. “Waar je staat”, zei hij voor de Arabische wereldkaart die de tentoonstelling opent, “vormt niet alleen hoe je de wereld begrijpt, maar ook hoe je jezelf ziet.”

Om de schaal van dat Brugge te begrijpen helpt een vergelijking. Toen Amsterdam in 1300 niet meer was dan een vissersnederzetting van een paar duizend zielen aan de Amstel, jaren voor het stadsrecht ooit zou worden uitgereikt, woonden er in Brugge al vijftigduizend mensen op een paar vierkante kilometer, in een stad die werd bevolkt door Hanzeaten en Italianen, Castilianen en Portugezen, Engelsen en Schotten, en door Basken uit Bilbao met een eigen consulaat. Op het Beursplein, vernoemd naar de herbergiersfamilie Van der Beurze, ruilden zij hun handelspapieren, en daar komt het woord beurs vandaan, dat sinds Brugge in elke wereldtaal is blijven hangen. De Castiliaanse edelman Pero Tafur, die in 1438 een paar weken in Brugge logeerde, schreef in zijn reisboek dat wie geld had en het wilde uitgeven, in deze ene stad alles vond wat de hele wereld voortbracht. Hij somde op wat hij aantrof: sinaasappels uit Castilië, wijn uit Griekenland, specerijen uit Alexandrië, bont uit de Baltische landen, brokaat uit Italië.

Brugge ontvangt vandaag acht miljoen toeristen per jaar, die gondelen, kant kopen en chocolade eten in een binnenstad waar inwoners zelf nauwelijks nog kunnen wonen. Wat Breedbeeld laat zien is iets wat aan die toeristische voorstelling voorbijgaat: een stad die haar grootheid van vreemden kreeg.

In de Peperstraat staat de Jeruzalemkapel met het praalgraf van Anselm Adornes en zijn vrouw Margareta van der Banck, gehouwen omstreeks 1473 door Cornelis Tielman in zwarte Doornikse steen, en op acht minuten lopen, in BRUSK, hangt nu een paneel waarvan we vermoeden dat het zonder die kapel, zonder dat reisverslag en zonder die doopvader-relatie niet zo geschilderd had kunnen worden. Twee dingen die ooit naast elkaar lagen, staan weer in dezelfde stad.

Breedbeeld loopt nog tot 6 september. Daarna gaat het paneel terug naar Turijn, naar de zaal waar het al sinds de negentiende eeuw hangt, ver van het hart van Anselm dat in Brugge blijft liggen.

BRUSK, Garenmarkt (ingang Dijver 12), Brugge
Breedbeeld. Verweven werelden van Brugge 900-1550, tot 6 september
Website: http://www.bruskbrugge.be