Schrijver Jan Siebelink (88) en beeldend kunstenaar Klaas Gubbels (92) ontmoetten elkaar in de jaren tachtig na een bijna-vechtpartij in Café Verheyden in Arnhem.
Fragment. Verschenen in het meinummer van HP/De Tijd, 2026. Fotografie door Clemens Rikken.
Jan Siebelink (Velp, 1938) is schrijver van onder meer Knielen op een bed violen. Klaas Gubbels (Rotterdam, 1934) is beeldend kunstenaar, vooral bekend om zijn schilderijen, tekeningen en sculpturen van koffiekannen en tafels. Onlangs verscheen hun nieuwste boekproject: Pistool en andere verhalen.
Jan en Klaas begroeten elkaar met een kus op de mond. Gevraagd of ze dat elke week doen, antwoordt Jan: “We zoenen elkaar niet echt op de mond, meer ernaast. Als het niet lukt, omdat er mensen zijn die ons net een hand willen geven, zoeken we elkaar daarna nog even op om dat alsnog te doen. Het heeft niets met erotiek te maken; het heeft te maken met een totale opoffering en liefde, met genegenheid.”
We zitten voor hun wekelijkse lunch op een zonnige donderdagmiddag op het terras van Hofmeester, het restaurant van Golfclub Papendal, niet ver van het atelier van Klaas en het huis van Jan.
Jan: “Klaas noemt het onze sociëteit. We hebben ons hier ingekletst, dat is het juiste woord, geloof ik. Een meisje vroeg of we lid waren en wij zeiden ja. Niemand heeft het ooit gecontroleerd.”
Klaas, met een kwajongensachtige blik: “Een lidmaatschap kost tweeduizend euro per jaar, maar wij hebben nooit één cent betaald.”
Jan: “We lunchen wat, drinken een glaasje, kijken naar buiten, en dan zegt Klaas: Jan, wat een droomplek. Hij herhaalt dat een paar keer, en hij meent het elke keer.”
Klaas: “Het is een dróóm om hier te zitten. Een dróóm!”
Jan: “Dan, onverwachts, zie ik aan zijn gezicht dat hij iets wil zeggen. Ik denk: o, hij gaat iets nieuws vertellen, maar dan zegt hij: Jan, we zijn onvolwassen, maar we zijn gepassioneerd. Dat zijn de vaste woorden van Klaas. Ze komen elke week terug, en ze zijn elke week waar. We hebben een beperkte woordenschat, om het zo te zeggen.”
Klaas: “Heerlijk toch, als je onvolwassen bent. Ik hoop dat we nooit volwassen worden, want dan is het gedaan met ons.”
Jan: “We blijven tot het einde toe onvolwassen. Zo zie ik het ook.”
Klaas: “We hebben een vriendschap die vanzelf is ontstaan, die klikt aan alle kanten.”
Jan: “Dat vind ik een mooi zinnetje. Ik was met mijn vrouw Gerda aan het eten in Café Verheyden, een klein restaurantje in de Arnhemse binnenstad, toen ik Klaas en zijn vrouw Heleen voor het eerst ontmoette. Klaas rekende af, we stonden samen aan het ronde barretje, en hij zei: ik ken jou. Hij gaf me een hand. Ik zei: ik ken jou ook. Een paar weken later kwamen we elkaar weer tegen, in hetzelfde café. Ik had die dag mijn hondje bij me, Tikker, een klein hazewindje. Ik ging even naar het toilet en nam mijn hond mee. Toen ik terugkwam aan tafel stond de eigenaar woedend te fulmineren: die hond heeft een plas gedaan op het toilet. Dat was helemaal niet waar. Er lagen misschien wat waterspetters op de grond, maar dat kwam van een klein fonteintje, niet van de hond. Ik werd woedend.”
Klaas: “Heleen zei tegen mij: Klaas, daar gaat iets mis. Dit wordt matten.”
Jan: “Heleen is toen naar de baas gegaan en heeft de boel gesust. Sindsdien zijn we vrienden. Kort daarna ben ik voor het eerst op je atelier geweest, toen nog met Tikker. Hij was al heel oud. De dag erna is hij overleden, en de dag dáárna had jij een tekening gemaakt, in één lijn, met alle snelheid en alle schoonheid van het beest erin.”
Klaas: “Als het mij raakt, kan ik onmiddellijk iets maken. Uit mijn hart. Dat is mijn sterkste kant.”
Jan: “Dat wij elkaar meteen mochten, had misschien ook te maken met het feit dat we beiden op één ding gefixeerd zijn in het leven. Ik ben gericht op het ouderlijk huis, op de vader, op het geloof, op de schaduwzijde en de zonzijde die het leven symboliseren. Vanaf mijn eerste verhaal tot nu toe ben ik daarmee bezig. Klaas schildert al zeventig jaar bijna uitsluitend tafels en koffiekannen.”
Klaas: “Jij en ik, we zijn aan het vernauwen. We houden ons niet bezig met de hele wereld. We brengen die terug tot de kern.”
Jan: “Je kunt niets over de wereld vertellen, je kunt ook niets over het nieuws vertellen – ik zou niet weten wat ik bijvoorbeeld zou moeten schrijven in de oorlog in Iran – dus je moet het helemaal terugbrengen tot de koffiekan of de kwekerij. Klaas’ koffiekannen zijn niet zomaar koffiekannen, het zijn personages. Soms schildert hij een peinzende koffiekan, of twee koffiekannen die met elkaar in gesprek zijn, je kunt er van alles in zien. Bij mij is het de kwekerij die als beeld geldt voor het leven. Op mijn veertiende had ik al zoveel meegemaakt. Ik beleefde de zorgen van mijn ouders heel intens: de angst voor belastingpapieren, voor rekeningen die betaald moesten worden en waar geen geld voor was. In die zin ben ik een sociologische schrijver: ik schrijf over de kleine middenstand die hard moet sappelen om rond te komen. Dat is mijn wereld, dat geeft mij ook vorm.”
Klaas: “We hebben veel gemeen, we zijn allebei naïef en hebben allebei iets kinderlijks, maar we hebben ook wat verschillen. Ik ben meer intuïtief, jij bent meer intellectueel, al moet ik dat eigenlijk niet hardop zeggen, want dan ga je naast je schoenen lopen.”