Ze groeide op in Wassenaar, werd gepest op school en overwoog ooit non te worden. Nu reist Francis van Broekhuizen (50) heel Nederland door om te zingen in kerken, theaters en ziekenhuizen. Een gesprek over humor als wapen, de worsteling met zichzelf en waarom ze het liefst de hele dag zou vlaggen.
Verschenen in Hollands Glorie, mei 2026.
Je bent opgegroeid in Wassenaar. Hoe is je band met dat dorp?
‘Ik ben er niet zo aan gehecht als mensen denken. Mijn ouders wonen er nog en ik kom er geregeld, maar het blijft een gek dorp. Je hebt het gewone gedeelte waar mijn ouders wonen, met de molen en een kleine dorpskern, en aan de rand ligt het rijke gedeelte met villa’s in de bossen, waar de nouveau riche woont. Ik ben weleens in een van die huizen geweest en ik dacht: als je hier iets kwijtraakt, vind je het nooit meer terug. Ik had thuis wel een fijne jeugd, alleen werd ik als kind veel gepest. Ik hoorde er gewoon niet bij. Nu ik bekend ben, willen alle dorpsgenoten opeens met me praten en doen ze alsof ze me heel goed kennen van vroeger, terwijl ik destijds amper wist wie het waren.’
Is je succes een soort middelvinger naar die mensen?
‘Dat vragen mensen wel vaker, maar zo denk ik niet. Het is fijn dat je ineens overal wél bij hoort, maar ik zie het niet als wraak. Het is meer een bevestiging: als je anders bent, moet je volhouden, want het komt uiteindelijk goed. In die zin ben ik misschien een voorbeeld voor jonge mensen die niet helemaal weten hoe ze in elkaar steken. Je moet geduld hebben en doorzetten, en niet denken dat het alleen aan jou ligt, want de omgeving snapt het soms gewoon niet. De mens is nu eenmaal een kuddedier. Het moet het liefst een beetje gemiddeld zijn, daar voelt men zich veilig bij, en iedereen die daarbuiten valt wordt als eng gezien.’
Humor werd voor jou een manier om aansluiting te vinden bij de rest.
‘Op de middelbare school merkte ik dat ik met humor de sfeer kon omdraaien. Ze lachten om me in plaats van dat ze me uitlachten. Brigitte Kaandorp brak door in 1983, ik was toen een jaar of acht. Al die liedjes in die soepjurk, over die zielige liefdes – dat vond ik geweldig. Zij maakte grapjes over zichzelf, waardoor een ander het niet meer hoefde te doen, en dat herkende ik enorm. Op school trok ik meer naar de docenten dan naar mijn klasgenoten, want ik heb een oude ziel. Wij hadden thuis interesses als kunst en klassieke muziek, terwijl mijn leeftijdsgenoten daar helemaal niet mee bezig waren. Met oudere mensen kon je daar wel over praten, en daarom was ik raar. Welk kind houdt er nou van Mozart? Dat verklaart misschien ook mijn band met het klooster. Ik wilde altijd in The Sound of Music wonen, dat was mijn lievelingsfilm. Op mijn zevende kwam ik bij de Zusters Penitenten van de Eenheid terecht, een klein franciscaans klooster in Wassenaar. Het hoofd van de lagere school vroeg wie er misdienaartje wilde worden en ik stak meteen mijn vinger op. Heel vanzelfsprekend ging ik drie keer per week de mis dienen, want dat klooster was mijn tweede thuis. De zusters waren aandachtig, maar ze hielden ook van samen een borreltje drinken en van vals spelen bij kaartspelletjes. Op een gegeven moment dacht ik zelfs: misschien ga ik wel het klooster in, maar dat bleek toch niet aan mij besteed.’
Je vader zei altijd: wees jezelf. Is dat makkelijk?
‘Nee, omdat je eerst moet uitvogelen wie dat dan is. Wie ben je? Daar kom je pas gaandeweg je leven achter. De worsteling met mijn homoseksualiteit heeft daar ook mee te maken. Ik heb er lang over gedaan om dat te accepteren, maar toen ik het op mijn negenentwintigste uiteindelijk omarmde, gaf dat een enorme opluchting. Ineens vielen veel puzzelstukjes in elkaar en ik dacht: wat zonde dat ik dat niet eerder snapte. Het was niet dat ik het bewust tegenhield, ik had het gewoon oprecht niet door. Door mijn studie maatschappelijk werk leerde ik reflecteren: waarom handel je zo, waarom doe je dingen zoals je ze doet. Ik heb gemerkt dat ik de beste versie van mezelf ben als ik gewoon ben wie ik ben. Ik geneer me nergens meer voor, behalve als ik moet dansen, want dat kan ik niet.’
Helpt kunst daarbij, bij het worden van jezelf?
‘Absoluut. Kunst kan een spiegel zijn. Je kunt je erin herkennen, maar het laat je ook werelden zien die je nog niet kent. Ik heb Christiane F. gelezen tijdens mijn studie maatschappelijk werk, een fantastisch boek, maar ik dacht meteen: ik ga nooit aan de drugs. Wat een ellende levert dat op. Muziek heeft me ook enorm geholpen. Toen ik vijftien was, ontdekte ik dat ik goed kon zingen. Ik was een soort natuurzanger, zoals dat heet. Wij zongen thuis veel samen, op zondagavond met de hele familie, een beetje zoals de Von Trapps. Mijn ouders, mijn twee broers en ik waren de kern, en de ooms en tantes sloten aan. We hebben 25 jaar lang met Kerst gezongen in een kerk in Katwijk en we deden kerkdiensten in het Tergooi ziekenhuis. Altijd samen zingen.’
Jullie maakten ook een legendarische reis naar Keulen.
‘Met het familiekoor, ja. We waren uitgenodigd door het Cuypers Genootschap om te zingen tijdens hun lustrumviering in de Dom. We hadden een half jaar gerepeteerd op een achtstemmig stuk van Alphons Diepenbrock. We kwamen aan en mijn moeder ging naar binnen om te vragen waar we ons konden omkleden. Een norse kerkbewaker keek haar aan en zei: hier wordt niet gezongen, er is biechten tot acht uur. De penningmeester van het Genootschap, die alles had geregeld, bleek de bevestigingsbrief in zijn binnenzak te hebben, maar hij had die als kladpapier gebruikt en was het vergeten. We hebben toen toch maar gezongen. Na vijf minuten brak een woedende kerkman door ons cordon en gaf onze dirigent een klap in zijn gezicht. Een leraar van mijn middelbare school die meezong stortte zich op de aanvaller, er ontstond een gevecht, en we zijn de kerk uit gegooid. Een Duitse toerist sloeg een kruisje en zei: Ich schäme mich daß ich katholisch bin. Ondertussen zakte de penningmeester in elkaar van de schrik. Achteraf hebben we er hard om kunnen lachen.’
De meeste operazangers vertrekken naar het buitenland, maar jij bleef in Nederland.
‘Ik ben bang om te vliegen en ik wil niet maanden alleen op een hotelkamer zitten. Ik zeg altijd: mijn rayon is Nederland. Je hebt hier geweldige plekken om te zingen. De Sint-Jan in Den Bosch is in mijn ogen de mooiste kerk van het land. Hij is enorm, maar ik zing er altijd zonder microfoon, want de akoestiek is fantastisch. Ik hou ook van hele kleine kerkjes, zoals de Onbevlekt Hart van Mariakerk in Den Haag. Dat is net een kerststalletje. Laatst was ik in Oude-Tonge voor de watersnoodrampherdenking. Dat dorp op Goeree-Overflakkee werd in 1953 het zwaarst getroffen van heel Nederland, daar vielen 305 doden. De verhalen die ik hoorde waren heel heftig. In Limburg heb je die heuvels met het Geuldal. Als daar sneeuw ligt, wandel je in een kerstkaart. Overal is wel iets moois te vinden.’
Wat is je favoriete plek in Nederland?
‘Ik woon in Nootdorp, tegenover Delft, een gezellige stad met die kleine grachten. In de Delftse Hout heb je prachtige uitspanningen midden in het groen, met een meertje erbij. Je zit in de Randstad en je denkt: waar ben ik terechtgekomen? Zo mooi is het daar. Qua restaurant zit ik altijd bij Loetje, voor de biefstukjes. De oorspronkelijke vestiging in Amsterdam is nog steeds de gezelligste.’
Je bent echt gehecht aan dit land.
‘Ik ben gek op Nederland, totaal nationalistisch. Ik zou het liefst elke dag de vlag hijsen, met een oranje wimpel eraan. Heerlijk. Ik ben ook heel erg koningsgezind. Volgend jaar vieren Willem-Alexander en Máxima hun zilveren huwelijk met een groot feest in het GelreDome. Ik hoop dat ze me bellen om te komen zingen. Zij mogen kiezen wat: misschien iets Spaanstalig voor Máxima, of Waar de blanke top der duinen. Het Wilhelmus is ook mooi. Als het met Armin van Buuren moet, mag het ook.’
Wat vind je van de andere kant van nationalisme?
‘Nederland eerst, eigen volk eerst – daar hou ik helemaal niet van, dat is een heel ander soort nationalisme. Ik vond het mooi dat Rob Jetten tijdens de laatste verkiezingscampagne de Nederlandse vlag terugkaapte van extreemrechts. Hij zei dat de vlag niet alleen van de extreme flanken is, maar symbool moet staan voor tolerantie. Dat vind ik een goed punt. Lekker je vlag uithangen met Bevrijdingsdag, gewoon omdat je van dit land houdt. Ik ben dan ook blij met het nieuwe kabinet. We hebben twee jaar lang ruzie gehad in de politiek, alleen maar gedoe en geen oplossingen. Nu worden er hopelijk wat dingen opgelost. Ik heb veel vertrouwen in Jetten.’
Dat tribalisme, dat buitensluiten van mensen – daar zit ook iets van pestgedrag in. Ben je er daarom zo gevoelig voor?
‘O, dat zal daar best iets mee te maken hebben. Ik vind het verschrikkelijk wat er gebeurt in Minneapolis. Trump heeft duidelijk een persoonlijkheidsstoornis. Ik zit de hele tijd te wachten totdat ze een keer met een dwangbuis komen en hem afvoeren uit het Witte Huis. Wie sluit hij buiten? Mensen. Het is niet zo dat iemand met een andere huidskleur ineens geen mens is. Dat is toch een heel raar idee. Je moet je verdiepen in de ander, want dan leer je hem begrijpen. Dat kost moeite en tijd. De makkelijke weg is om de ander te ontmenselijken en buiten te sluiten. Ik weet hoe dat voelt, dus ik doe het andersom.’