Bennie Jolink: ‘Caravaggio was een querulant, net als ik’

Bennie Jolink (73) zou het 45-jarig jubileum van Normaal vieren met een groot concert, maar dat gaat vanwege het coronavirus niet door. Wel verschijnt er tegen het eind van dit jaar een 35-delige cd-box met alle singles en het boek Normale verhalen. Wat leest, luistert en ziet deze boerenrocker in zijn vrije tijd?

Lees verder Bennie Jolink: ‘Caravaggio was een querulant, net als ik’

Schrijversschrijvers

Van welke boeken kan een jonge schrijver iets opsteken? Nick Muller, derdejaars student Nederlandse Taal en Cultuur en redacteur bij HP/De Tijd, vroeg het vijf jaar geleden aan twintig literatoren. Onder meer Cees Nooteboom, Hanna Bervoets en Joost Zwagerman gaven advies. “Madame Bovary is een must read voor iedereen die ernst maakt met het schrijverschap.”

Verschenen in Absint, mei 2019.

Veel meer dan een knapzak met proviand en een viool had hij niet bij zich toen hij vertrok. Arnold Samuelson (1912 – 1981) had net zijn studie journalistiek afgerond aan de Universiteit van Minnesota, toen hij in het voorjaar van 1934 in de Cosmopolitan het inmiddels klassieke verhaal One Trip Across van Ernest Hemingway las. Hij werd er zo door gegrepen dat hij stante pede besloot om van zijn woonplaats Minneapolis naar het bijna tweeduizend kilometer verderop gelegen Key West te liften, de stad waar de toen al wereldberoemde schrijver resideerde. “It seemed a damn fool thing to do”, memoreert hij later in zijn boek With Hemingway: A Year in Key West and Cuba, “but a twenty-two-year-old tramp during the Great Depression didn’t have to have much reason for what he did.”

Samuelson zat een beetje vast. Hij had zijn studie afgerond, maar omdat hij weigerde om vijf dollar te betalen voor een diploma was hij niet officieel afgestudeerd. Voor de plaatselijke krant schreef hij af en toe een journalistiek stuk – al deed hij dat met lichte tegenzin. Hij wist zeker dat hij in de wieg was gelegd om grote meesterwerken te schrijven. Hij wilde niets liever dan schrijver worden, alleen het schrijven zelf lukte nog niet zo goed: hij wist niet hoe hij een verhaal op moest bouwen of hoe hij zijn personages leven in kon blazen. In een vlaag van jeugdige overmoed zag hij in de schrijver van het dan pas verschenen A Farewell to Arms zijn ideale leermeester en vertrok. Na een barre tocht – het laatste deel van de reis legde hij met gevaar voor eigen leven af op het dak van een goederentrein – kwam hij aan in Key West. De stad lag door de crisis op zijn gat. Veel sigarenfabrieken waren gesloten en veel vissers bleven aan land. Alleen de schrijvers bleven schrijven. Hemingway was aan het werk toen er iemand op de deur klopte. Hij deed open en vroeg geagiteerd: “What do you want?” Samuelson viel even stil. Hij had niet verwacht dat de schrijver zelf open zou doen. Hij nam een hap lucht, stelde zich beleefd aan hem voor en vertelde zijn verhaal: hoe hij werd getroffen door One Trip Across, dat hij zelf schrijver wilde worden en dat hij tweeduizend kilometer heeft gelift om de door hem bewonderde schrijver om advies te vragen. “Why the hell didn’t you say you just wanted to chew the fat?”, antwoordde een opgeklaarde Hemingway. “I thought you wanted to visit.”
De volgende middag was hij welkom voor advies. Hemingway zat op zijn veranda. Hij droeg een kakikleurige broek en een paar afgetrapte pantoffels en had The New York Times en een glas vuurwater binnen handbereik. Het gesprek werd al snel een college van meester tot leerling, herinnert Samuelson zich in zijn boek: “’The most important thing I’ve learned about writing is never write too much at a time’, Hemingway said, tapping my arm with his finger. ‘Never pump yourself dry. Leave a little for the next day. [-] The next morning, when you’ve had a good sleep and you’re feeling fresh, rewrite what you wrote the day before. When you come to the interesting place and you know what is going to happen next, go on from there and stop at another high point of interest. That way, when you get through, your stuff is full of interesting places and when you write a novel you never get stuck and you make it interesting as you go along’.” Ook adviseerde hij hem om veel klassiekers te lezen, omdat je zeker weet dat die de tand des tijds hebben doorstaan. Bij hedendaagse schrijvers is dat nog maar de vraag. Aan het eind van de middag – waar overigens de kiem werd gelegd voor een innige vriendschap – schreef de meester een leeslijst waar zijn gulzige leerling zijn voordeel mee kon doen. Op die lijst staan onder meer Oorlog en Vrede van Leo Tolstoj, Madame Bovary van Gustave Flaubert en Dubliners van James Joyce.

We maken een sprong in de tijd. Het is exact tachtig jaar later. Key West ligt door een economische crisis opnieuw op zijn gat – de geschiedenis blijft zich altijd herhalen. Een tweeëntwintigjarige, pas afgestudeerde journalist met schrijfambities leest het verhaal over de ontmoeting tussen Arnold Samuelson en Ernest Hemingway. Hij wil ook beter leren schrijven en bedenkt daarom een list. Voor het blad waarvoor hij werkt maakt hij een rubriek waarin hij twintig door hem bewonderde schrijvers om advies vraagt. Met welke boeken kan een jonge schrijver zijn voordeel doen? Het is als een literaire interviewserie verpakt, maar stiekem is hij zelf gewoon op zoek naar een duwtje in de goede richting. Tot zijn grote vreugde werkt iedereen mee. Verderop staat een selectie van de boeken die zijn genoemd; wie even googelt op ‘WritLit’ vindt alle adviezen en leeslijsten die destijds zijn gepasseerd.
Drie adviezen zijn hem bijgebleven. Jan Cremer zegt dat je als schrijver allereerst een rotsvast vertrouwen in jezelf moet hebben. “Ik vind dat elke schrijver de dwingende ambitie moet hebben om ‘de beste schrijver ter wereld’ te worden, anders moet je meteen de pen neerleggen, de schrijfmachine in de hoek gooien, de computer bij het grofvuil zetten en het schrijfgerei nooit meer aanraken. Geen valse bescheidenheid, weg met dat calvinistische vitriool. Geloof in jezelf, denk écht dat je de Nobelprijs waardig bent, en zet de champagne klaar ten tijde van de uitreiking (zoals een enkele schrijver doet.)”
Hanna Bervoets schrijft dat je alleen moet lezen wat je zelf goed vindt. “Laat je leeslijst alsjeblieft niet bederven door de opgelegde smaak van anderen. Lijstjes als deze moet je altijd wantrouwen: ze dienen niet zelden om de auteur van een belezen, kritisch danwel intelligent imago te voorzien. In mijn lijst staan tien boeken die ik mooi vond. Ga gerust verder in The Hunger Games als je ze niets vindt.”
Cees Nooteboom geeft ten slotte misschien wel het beste advies: volg je instinct. “Algemene, niet gevraagde raad aan de jonge schrijver: ga op reis. Neem een goedkoop vliegtuig naar een armzalige hoofdstad, ga naar het busstation en begin maar ergens. Ooit vroeg ik in een vlaag van jaloezie aan Rüdiger Safranski, die mij steeds verbijstert door zijn enorme belezenheid: ‘Wanneer heb je dat allemaal gelezen?’ Zijn antwoord: ‘Toen jij met al je reizen in het boek van de wereld gelezen hebt.’ Lees trouwens zijn biografieën van Nietzsche en Schopenhauer, daar kun je heel wat eigentijdse glorieboeken voor laten liggen. Tweede ongevraagde raad: lees poëzie. Poëzie waagt zich verder in het domein van de taal dan het meeste proza, daar kun je je voordeel mee doen. Ik las in de lijst van Joost Zwagerman: stijl is alles. Ik las ergens bij mezelf: ‘Stijl is het eerste dat bederft.’ Ook ik vind dat stijl belangrijk is. Maar stijl is niet alles. Schrijven is organisatie. En er is ook zoiets als ervaring van de wereld. Niet iedereen heeft daar evenveel van nodig. Volg je instinct.”

Die tweeëntwintigjarige, pas afgestudeerde journalist was ik. Na het maken van deze rubriek was er niets meer over van mijn schrijfambities. Ik vind mezelf niet de beste schrijver van de wereld en heb niet het idee dat ik de wereld kan veranderen met een nog te schrijven roman. Ik heb inmiddels redelijk wat gelezen, ook van de boeken die werden genoemd, en die leeservaringen sterken mijn idee. Bij elk boek dat ik dichtsla, denk ik: je moet wel erg hoogmoedig zijn om te denken dat je dit kunt overtreffen. Ik ben dus geen schrijver. Ook dat is een waardevolle les.
Arnold Samuelson bleek trouwens ook niet het literaire genie dat hij hoopte te zijn. Op internet is er nauwelijks iets over hem te vinden. Het enige wat rest zijn een handvol artikelen over zijn avontuurlijke trip naar Key West.
De meeste schrijvers zijn lezers, maar de meeste lezers zijn geen schrijvers. Het is een harde waarheid voor zachte jongenszielen zoals die van ons. Ik geloof ook niet dat je schrijver kunt worden; een schrijver ben je of je bent het niet. Als je een schrijver wilt worden dan ben je het blijkbaar niet. Hemingway wist altijd al dat hij een groot schrijver was. Daar helpt – om maar eens een andere grote schrijver te citeren – geen moedertjelief aan. /

Kaderteksten

Kees de Jongen (1923)
Theo Thijssen (1879 – 1943)

Remco Campert: “Een ontroerend boek over de dromen en de werkelijkheid van een Amsterdamse jongen. Helder en in ‘gewone’ taal geschreven, wars van de toenmalige literaire conventies. Dit boek kon wat mij betreft ook gisteren geschreven zijn.”

Madame Bovary (1856)
Gustave Flaubert (1821 – 1880)

Joost Zwagerman: “Een must read voor iedereen die ernst maakt met het schrijverschap. Van Flaubert leer je zorgvuldig en effectief formuleren; iedere zin uit dit boek staat er fier gebeeldhouwd bij. En wat is Emma Bovary nu eigenlijk voor een vrouw? Een smachtende romantische en zinnelijke vrouw of een eeuwig ontevreden zeurwijf uit de kleinburgerij? Allebei misschien – dat is het raadselachtige.”

Le premier homme (1960)
Albert Camus (1913 – 1960)

Nelleke Noordervliet: “Het eerdere werk van Camus opende in mijn tere jongemeisjesjaren een wereld van onafhankelijk denken en goed schrijven. De mens in opstand verwoordde begin jaren zestig voor mij precies mijn levensgevoel: het leven heeft geen zin of betekenis, maar laten we er iets rechtvaardigs van proberen te maken. [-] Le premier homme [-] is het verhaal van een jongen uit een achterbuurt van Algiers, die het tot winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur schopt. From rags to riches. Het is een met veel liefde geschreven portret van een familie en een gemeenschap die door de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd in een precaire positie terechtkwam.”

Villa des Roses (1913)
Willem Elsschot (1882 – 1960)

A.L. Snijders: “Terwijl ik Villa des Roses herlees, legt een beoefenaar van de vergelijkende literatuurwetenschap me uit dat je een Engelse roman van honderd jaar geleden zonder problemen kunt lezen, spelling en stijl zijn niet veranderd. Vergelijk dat eens met onze literatuur uit die tijd, hopeloos verouderd. Ik kijk naar Villa des Roses, in Rotterdam geschreven in 1909, de taal is nieuw gebleven, het boek is gisteren geschreven.”

Bezoek van een knokploeg (2010)
Jennifer Egan (1962)

Hanna Bervoets: Veelgeprezen én gehypte verhalenbundel over de Amerikaanse muziekscene, vooral fantastisch vanwege de stijl. Ieder hoofdstuk wordt verteld vanuit een ander perspectief, en volgens sommige recensenten slaat Egan steeds een compleet andere toon aan. Maar eigenlijk is dat niet zo. Je blijft Egan – als auteur – door de zogenaamd zo verschillende stijlen heen lezen; zoals je iemand nog steeds herkent wanneer hij zijn gezicht heeft geschminkt. Gelukkig maar, Egan schrijft intelligent maar met compassie voor haar hoofdpersonages, schakelt moeiteloos van slapstick naar sentiment.

Tegen de keer
(1884)
J.-K. Huysmans (1848 – 1907)

Jan Siebelink: “Ik las het voor het eerst als twintigjarige en mijn leven veranderde. Zo’n boek had ik niet eerder gelezen. Het voerde mij een wereld binnen die ik niet kende, die van het kwaad, de decadentie, het symbolisme. In deze roman wordt het kwaad geprezen, de mens tot op de bodem gepeild, worden de grenzen van de kennis verlegd, en dat alles in een werkelijk verblindende stijl die in Nederland min of meer aan Couperus doet denken.”

The Catcher in the Rye (1951)
J.D. Salinger (1919 – 2010)

Herman Brusselmans: “Salinger kan met een grote eenvoud de belangrijke thema’s des levens verwoorden, maar het is een bedrieglijke eenvoud: bijna niet na te doen. The Catcher In The Rye is het ultieme puberboek, maar overstijgt dat genre: eenieder kan er een les uit trekken. Deze les is dezelfde als die bij Reve: het leven is niks, maar we moeten erdoorheen.”

Annet Malherbe over haar museumfobie

Annet Malherbe (61) speelt in de voorstelling InVrede. Als tv-actrice werd ze bekend door onder meer Jiskefet en Gooische Vrouwen. Wat leest, luistert en ziet zij zoal in haar vrije tijd?

Verschenen in het aprilnummer van HP/De Tijd. (2019)
Lees het gehele interview hier.

Boeken
“Ik heb al een jaar een reader’s block. Ik heb wel een aantal boeken op mijn nachttafel liggen, maar die worden altijd vrijwel meteen weer neergelegd. Laatst begon ik in Mijn zusje, de seriemoordenaar, het debuut van de Nigeriaanse schrijfster Oyinkan Braithwaite. Het schijnt een goed boek te zijn, alleen ben ik niet verder gekomen dan de eerste drie bladzijden, die ik ook alweer vergeten ben. Ik zeg het je: het is echt een aandoening. Ik word wel graag voorgelezen. Mijn man (kunstenaar en regisseur Alex van Warmerdam – red.) leest mij nu voor het slapengaan voor uit Een huis vol – een geschiedenis van het dagelijks leven van Bill Bryson. Hij las gisteren bijvoorbeeld voor dat het helemaal niet vanzelfsprekend was dat mensen zich vroeger wasten. Ook vooraanstaande mensen wasten zich niet. Hij vertelde iets over een of andere koning die zich elfenhalf jaar niet had gewassen, maar ook zijn onderhemd niet had verwisseld of verschoond. Toen het uit moest, omdat er waarschijnlijk niet veel meer van over was, bleek dat hemd helemaal in zijn huid gegroeid te zijn. Hele repen vel werden meegetrokken. Ik ben dus echt dol op dat soort verhalen. Het kan mij niet goor genoeg.”

Beeldende kunst
“Ik heb een soort museumfobie. Ik vind het heel moeilijk om in een museum te zijn, omdat er gewoon te veel is om te zien. Een poos geleden waren we in het Prado in Madrid. Alex stond erop dat ik Las Meninas (de hofdames) zag van Velázquez. Ik heb in de enorme museumhal op een bankje gewacht terwijl hij het schilderij ging zoeken. Als acteur is het fantastisch om daar te zitten. Je ziet allemaal kleine dingen – bijvoorbeeld hoe iemand loopt of hoe iemand zijn jas uittrekt – die je later weer kunt gebruiken voor een rol. Na een tijdje kwam hij me halen en heeft hij me linea recta naar dat schilderij geleid. Het is inderdaad een prachtig schilderij. Ik heb het goed op me in laten werken en daarna zijn we weer vertrokken. Het Guggenheim in New York vind ik wel een prettig museum, omdat je in een krul omhooggaat. Je loopt niet van zaal naar zaal; je ziet waar je naartoe gaat. Je hebt ook maar één wand met schilderijen. De andere wand is open. Heel overzichtelijk.”

Theater
“Je vraagt wat ik vind van de #Metoobeschuldigingen aan het adres van Job Gosschalk en Ruut Weissman. Natuurlijk vind ik iedere ongewenste seksuele avance verwerpelijk. Ik weet dat er uiteindelijk maar één aanklacht is geweest tegen Job Gosschalk. Ruut Weissman is een ander verhaal. Een docent kan geen seksuele relatie hebben met een leerling. Dan is er altijd sprake van een machtsverhouding. Natuurlijk kan een docent verliefd worden op een leerling, dat mag van mij best, maar dan moet je wel stoppen met lesgegeven. Ik vind het trouwens verbazingwekkend hoe weinig aanklachten er zijn geweest in Nederland. Ik ken acteurs van wie ik in die periode dacht: jij zult wel zenuwachtig worden, maar ze zijn ermee weggekomen. Er zijn trouwens nog steeds mannen die hun handjes niet thuis kunnen houden. Ook nu nog worden er ongevraagd tongen naar binnen gestoken. De predatoren staan zichzelf vrijheden toe die nog steeds worden gedoogd. Even de hand langs de borst of tussen de benen. Jonge actrices durven daar misschien niet zo snel iets van te zeggen, omdat ze denken: heb ik dat wel goed gemerkt? Zolang mensen hun mond dichthouden, blijft dit doorgaan. Als ik nu getuige zou zijn, dan zou ik er ogenblikkelijk werk van maken. I don’t give a fuck. Zolang we er niets van zeggen, blijft dit doorgaan.”

Nick te gast bij Freek en Hella de Jonge

(Via de website van het Groninger Museum.)

Het echtpaar Hella en Freek de Jonge werkt al decennia samen. Deze tentoonstelling vertelt hun verhaal aan de hand van hun kunstcollectie en persoonlijke eigendommen als kostuums, keramieken, foto’s, filmbeelden en niet eerder vertoonde fragmenten over hun activiteiten in Groningen. Bijzonder aan deze expositie is dat Hella en Freek tijdelijk ‘wonen’ in het Groninger Museum. Zij zijn er elke dag tussen 10 en 17 uur en ontvangen bijna dagelijks bekende gasten. Hierdoor stap je voor heel even letterlijk in het leven van Freek en Hella de Jonge.

Ik was op dinsdag 18 september te gast en ging in het Groninger Museum met Freek en Hella in gesprek over hun tentoonstelling. Het interview is hier terug te bekijken.

De twaalf best gelezen interviews van 2018

Deze twaalf stukken zijn dit jaar het meest gelezen op deze website.

12. Iris van Herpen over David Attenborough, August Rodin en Terry Gilliam
Wereldwijd gelauwerde modeontwerpster laat zich door vele personen inspireren. (HP/De Tijd, juni 2018)

11. Jan Wolkers: Cremers knapste leerling?
Schreef Jan Wolkers ‘pik’ dankzij Jan Cremer, of kon Cremer zo onverbloemd schrijven dankzij Wolkers? Biograaf Onno Blom gaat voorbij aan de band die de twee giganten hadden, aldus Cremer. ‘Een literair schandaal’, vindt hij. (HP/De Tijd, april 2018.)

10. Géza Weisz: ‘Ik wil zoveel mogelijk vrouwen veroveren’
Géza Weisz speelt een van de hoofdrollen in Het leven is vurrukkulluk, geregisseerd door zijn vader Frans Weisz. ‘Ik maak me geen illusies: ik had deze rol niet gekregen als hij niet de regisseur was geweest.’ (Playboy, februari 2018.)

9. Armando: “Misschien blijk ik wel onsterfelijk”
Oud zelfportret van Armando (1929 – 2018). Op de vraag of hij weleens bidt: “Nee. Ik denk ook niet dat God tijd heeft om mijn gebeden te verhoren. Hij heeft wel wat anders te doen. Ik denk dat-ie op dit moment nog bezig is met Auschwitz, omdat-ie destijds de andere kant opkeek toen de mensen hem nodig hadden.” (HP/De Tijd, september 2014)

8. Hella en Freek de Jonge: ‘Als het ons niet bevalt, zijn we weg’
Freek (74) en Hella de Jonge (69) woonden zes weken in het Groninger Museum voor de expositie Het Volle Leven. Aan de hand van hun kunstcollectie vertellen ze over hun decennialange samenwerking. Hella tegen Freek: “Jij hebt ooit eens gezegd dat Brief aan mijn moeder van Ischa Meijer je geleerd heeft hoe ik in elkaar steek. Het boek Leerschool van Tara Westover had datzelfde effect op mij.” (HP/De Tijd, september 2018.)

7. Taco Dibbits over ‘Het Joodse Bruidje’ van Rembrandt
De directeur van het Rijksmuseum geeft een klein college over Rembrandt. (HP/De Tijd, mei 2018.)

6. Maarten van Rossem: ‘Vincent van Gogh kon niet schilderen’
Historicus Maarten van Rossem werd 75 jaar en schreef een boek: Wat is geluk? Hij blijkt minder stoïcijns dan gedacht: “Ik ben vrij huilerig ingesteld. Ik hoef maar een film te zien waarin een padvinder een klein hondje uit een vijver redt en ik ben al weg.”(HP/De Tijd, november 2018.)

5. Don Diablo over muziek, vrouwen en een gebrek aan erkenning
Don Diablo heeft na tien jaar zijn tweede album uitgebracht: Future. Hij behoort tot de elf populairste deejays ter wereld, heeft overal uitverkochte zalen, maar erkenning voor zijn muziek krijgt hij nauwelijks in Nederland. ‘En dat is raar’, vindt hij zelf ook. (Playboy, april 2018.)

4. Mies Bouwman: ‘Het liefst wil ik helemaal niets meer’
Interview uit 2017 met de dit jaar overleden Mies Bouwman. Op de vraag aan wie ze zich ergerde: “Aan overdreven mensen. En dan met name: mensen die overdreven hun bewondering voor je uitspreken. Die moet ik niet.” (HP/De Tijd, mei 2017)

3. Olcay Gulsen: ‘Van types als Sylvana Simons gaan mij de haren rechtovereind staan’
Vlak voor het faillissement van haar modemerk Supertrash deed Olcay Gulsen uit de doeken hoe ze aan de top is gekomen. “Ik heb veel gebluft, ik heb een beetje gelogen, ik heb interessant gedaan, ik heb mezelf beter voorgedaan dan ik was – het hoort er allemaal bij. En ik zou het morgen weer doen.” (Playboy, februari 2018.)

2. Tino Martin: ‘Om de zoveel maanden neem ik aan andere auto’
Veelbesproken interview met volkszanger Tino Martin. Een gesprek over zijn weigering bij De Toppers, zijn ervaringen met drugs en zijn succes: ‘Ik durf wel te zeggen dat ik een van de zes beste zangers ben van Nederland.’ (Playboy, juli 2018)

1. Gerard Joling: ‘De beste zanger van Nederland? Dat ben ik zelf’
Veelbesproken interview met de meest sympathieke Topper. “Het zou mij niet verbazen als er binnen drie jaar een burgeroorlog uitbreekt in Nederland.” (Playboy, mei 2018)

Schermafbeelding-2018-06-22-om-23.22.52

Vjeze Fur schrijft nu ook smartlappen

Volkszanger Tino Martin bracht deze week zijn nieuwe album uit: Thuis komen pas de tranen. Freddy Tratlehner, beter bekend als Vjeze Fur van De Jeugd van Tegenwoordig, is medeverantwoordelijk voor de titelsong van dit nieuwe album. Een wonderlijke combinatie. Tratlehner: “Het leek me leuk om eens een keer iets anders te doen.”

Toen hij werd gevraagd om mee te schrijven aan het nieuwe album van Tino Martin, wist Freddy Tratlehner (35) niet precies wie dat was, geeft hij eerlijk toe. Met zijn monotone stem en kenmerkende accent zegt hij: “Ik wist dat hij iets deed in het levensliedgenre, maar niet precies wat.” Hij zal niet de enige zijn. Dat neemt niet weg dat de volkszanger mateloos populair is onder de liefhebbers van het Nederlandstalige lied; Carré was binnen twee minuten uitverkocht en ook de Ziggo Dome wist hij meermaals moeiteloos te vullen.

Tratlehner beweegt zich in een heel ander muzikaal universum. Als onderdeel van de hiphopformatie De Jeugd van Tegenwoordig scoorde hij talloze hits en als muzikant en tekstschrijver hielp hij ook andere rappers aan muzikale successen. Nu vindt hij het tijd om zijn horizon wat te verbreden. “Het leek me leuk om eens iets anders te doen, om eens een uitstapje te maken naar een ander genre en daar mijn visie op te geven.” Dat resulteerde dus in Thuis komen pas de tranen – een nummer dat hij samen schreef met Kirsten Michel en The Compassions.

De tekst gaat onder de video verder

Wie ‘Vjezla’ een beetje kent en denkt dat dit een lollige pastiche is geworden op de oudhollandse smartlap heeft het mis. Het nummer gaat over iemand die zijn hoofd omhoog probeert te houden terwijl er veel verdriet is in zijn leven. De titel is een quote uit een interview met Tino Martin, die eerder dit jaar zijn zus verloor aan kanker. Heeft Tratlehner, die zich doorgaans van het lichtvoetige genre bedient, getwijfeld of hij wel zo’n emotioneel beladen nummer moest maken? “Nee, ik heb daar niet echt over nagedacht. Het nummer gaat over emoties die we allemaal hebben. Iedereen probeert zich weleens groot te houden terwijl je eigenlijk wel kunt janken. Dat hoeft niet alleen te zijn als iemand is overleden, dat kan in meerdere situaties voorkomen.”

Martin was uiteindelijk zo content met het nummer dat het de titelsong werd van zijn nieuwe album. Leidt dit uitstapje tot meer wonderlijke samenwerkingen? Tratlehner: “Ik vind het leuk om met andere genres te experimenteren, dus wat mij betreft wel. Ik ben bijvoorbeeld net de studio in geweest met Trijntje Oosterhuis, waar ik een heel tof nummer voor heb geschreven.” Speelt het klimmen der jaren een rol bij het maken van meer serieuze teksten? “Nee. Ik hoef ook niet per se een andere kant van mezelf te laten zien, of hoe je het ook wilt noemen. Ik vind het gewoon leuk om liedjes te schrijven. Ook liedjes die ik niet kwijt kan bij De Jeugd.”

Dutch Denim – Atelier Reservé uit Amsterdam

Nederland is een echt denimland, alleen geven we het liefst niet te veel geld uit aan een nieuwe spijkerbroek of spijkerjas. Japanners daarentegen kijken niet op een duizendje meer of minder.

Artikel uit het oktobernummer van Playboy – 2018.

Eind oktober kleurt onze hoofdstad weer indigoblauw. Op verschillende locaties in de stad komen denim lovers bij elkaar voor de jaarlijkse Amsterdam Denim Days. Dat ze uitgerekend voor deze stad kiezen is geen toeval. Amsterdam is namelijk de onbetwiste spijkerbroekenhoofdstad van de wereld. Nergens anders vind je per vierkante kilometer zoveel jeansmerken als in het hippe Mokum. Wereldmerken als G-Star, Gsus en Denham hebben hier hun wortels liggen en ook de jeanslijnen van Tommy Hilfiger en Pepe Jeans houden hier kantoor.

Nederland is daarnaast ook nog eens een echt spijkerbroekenland. Al sinds de jaren vijftig, toen de broek van gekeperd blauw katoen zijn intrede deed in ons land, is hij niet meer weg te denken uit ons straatbeeld. Spijkerbroeken zijn stoer en spijkerbroeken zijn sexy. Iedere man die zichzelf respecteert – jong of oud, rijk of arm – heeft er een in zijn kast liggen. Iedere vrouw die zichzelf respecteert trouwens ook. Nothing is more alluring to a man than a woman who looks good in her jeans. Uit onderzoek blijkt dat we per hoofd van de bevolking gemiddeld 1,82 spijkerbroeken per jaar kopen. Daarmee zijn we koploper in de wereld. Uit datzelfde onderzoek blijkt ook dat we gemiddeld iets meer dan veertig euro uitgeven aan zo’n broek. Denim dragen we graag, als het maar niet te veel kost.

Visual artist Alljan Moehamad van het denimlabel Atelier Reservé vindt het jammer dat er in ons land met zo weinig aandacht kleding wordt gekocht. ‘Nederlanders kopen liever tien goedkope broeken dan één dure,’ zegt hij. ‘Dan kunnen ze vaker shoppen. Aziaten gaan daar veel bewuster mee om. Die kopen het liefst een dure broek, waar veel zorg en aandacht aan is besteed, en zijn daar dan heel zuinig op.’ Moehamad richtte twee jaar geleden samen met zijn compagnon Deyrinio Fraenk het Amsterdamse label op. Hun missie is om van oude spijkerbroeken nieuwe en hoogwaardige kledingstukken maken. ‘Jeans worden mooier naarmate ze ouder worden. Dat is de belangrijkste reden waarom we zo graag met vintage denim werken. Niet omdat we, zoals sommige mensen denken, van die geitenwollensokkengasten zijn die dit beter vinden voor het milieu. Wij eten gewoon vlees en rijden ook gewoon benzine.’

Alljan en Deyrinio gaan voor hun ontwerpen op zoek naar hoogwaardige spijkerstof. Op markten en in winkels zoeken ze naar oude spijkerbroeken (‘Het liefst vintage Levi’s die al meermaals tweedehands zijn verkocht, met goedkope broeken kunnen we niets’) en nemen die mee naar hun atelier. Daar worden ze vervolgens verwerkt in een nieuwe broek, kimono of jas. Van elk nieuw kledingstuk dat het pand verlaat, bestaat maar een enkel exemplaar. Voor die exclusiviteit betaal je uiteindelijk ook: een jacket begint bij zevenhonderd euro, maar wie een echt masterpiece wil dragen, bijvoorbeeld een jas, telt zo drieduizend euro neer. Daar zitten dan ook ongeveer zes spijkerbroeken in verwerkt die elk makkelijk tien jaar zijn gedragen. ‘In landen als Japan en China betalen ze dat er graag voor,’ weet Alljan. ‘Onlangs hebben we nog een opdracht gekregen om 350 items te maken voor een bekend warenhuis in Japan.’

Lees hier het gehele artikel.