Theaterregisseur Adelheid Roosen en beeldend kunstenaar en theatermaker Leendert Vooijce ontmoetten elkaar in 2009, toen Leendert een portret van Adelheid kwam maken voor een schoolopdracht.
(Fragment. Fotografie door George Maas.)
Adelheid Roosen (Breda, 1958) is theaterregisseur, schrijver en oprichtster en artistiek leider van theatercollectief Female Economy. Leendert Vooijce (Katwijk aan Zee, 1993) is beeldend kunstenaar en theatermaker, opgeleid aan de Rietveld Academie, en sinds 2018 onderdeel van Female Economy. Ze ontmoetten elkaar in 2009.
Leendert: “Ik was een jaar of zes toen ik Adelheid voor het eerst zag. Op woensdagavond mocht ik altijd opblijven, omdat mijn opa en oma dan langskwamen. Op een van die avonden keken we naar Andermans Veren. Er werd een scène vertoond van Purper, met Adelheid en Karin Bloemen, en het was nog geen tien seconden bezig of mijn moeder veerde op uit de bank en begon de afstandsbediening te zoeken. Ik ben hervormd-christelijk opgevoed en blijkbaar wilde ze niet dat ik dat zag, maar juist doordat ze zo snel reageerde, besefte ik in één keer dat er een wereld bestond waar ik niets van wist en die ik ook niet mocht kennen. Ik was al een dromer – in mijn schoolrapport stond elk jaar: Leendert is er niet, Leendert is aan het dromen – maar vanaf die avond droomde ik van die andere wereld die ik op televisie had gezien. Katwijk was op dat moment mijn kader, mijn hele universum. Ik dacht dat Jezus in Katwijk begraven lag, want naast het gemeentehuis stond een oorlogsmonument en elk jaar lagen daar bloemen. Als kind dacht ik: die zijn voor Jezus, die daar begraven ligt. Tien jaar later, op de middelbare school, heb ik al mijn moed verzameld en Adelheid een brief geschreven.”
Volgens Montaigne smelten in ware vriendschap twee zielen samen. In deze rubriek spreken bekende en minder bekende boezemvrienden over hun innige band.
Adelheid: “Op een dag stond je in mijn atelier op de Lindengracht. Ik zag een beeldschoon, enorm lang, charismatisch mensenkind met trillende handen in de deuropening staan. Die trillende handen heb jij altijd, maar dat wist ik toen nog niet. Het had zoiets ontroerends, omdat je het niet verborg, je liet je kwetsbaarheid zien. Je kwam een portret van me maken voor een schoolopdracht, maar ik dacht: wat een wonderwezen heb ik nu over de vloer. Ik was totaal gefascineerd door jouw verschijning.”
Leendert: “Jaren later kwamen we elkaar per ongeluk tegen in de Stadsschouwburg. We liepen samen naar buiten, Adelheid liep met mij mee, en op een gegeven moment zei ik: we zijn bij mijn huis. Adelheid zei: hoe kan dit, we zijn ook bij mijn huis! Ik woonde in Rotterdam, trok naar Amsterdam, ging in een klein straatje wonen…”
Adelheid: “… waar ik ook al dertig jaar woonde, zonder dat je dat wist. We woonden op spuugafstand van elkaar.”
Leendert: “Dat hebben we ook gedaan. Allebei uit het voorraam hangen en naar elkaar spugen.”
Adelheid: “Onze vriendschap ontstond zo vanzelf. ’s Avonds een sigaretje roken op de trap, dat soort dingen. Elke keer als ik Leen zie, word ik meteen gelukkig, vanaf die eerste dag.”
Adelheid springt op uit haar stoel en begint liefdevol met haar armen te zwaaien.
Adelheid: “Dan denk ik: Leen, hoe is het met je, en dan voel ik gewoon een grote liefde. Misschien is dat bij mij wel het overkoepelende woord van al mijn vriendschappen: dat ik iemand lief vind, maar dat ‘lief’ is niet iets van zacht of poppig of roze. Ik bedoel met ‘lief’ dat je het kind in een mens kan herkennen. In iedereen zit een heel lief wezen van drie jaar, van zeven jaar, dat kind is kwetsbaar, onbeschermd, en in die kwetsbaarheid zit altijd een beschadiging, wat het leven met dat kind heeft gedaan. In dat lieve, beschadigde kind zit wat ik herken. Je zoekt een resonantie van je eigen beschadiging.”
Leendert: “In een vriendschap herken je de beschadiging in elkaar.”
Adelheid: “Dat zit ook heel erg in je autobiografische solo, Zou je van mij houden, waarin je aan je moeder vraagt of ze van je zou houden als je een meisje was. Die voorstelling was een manier om jezelf aan alle kanten uit te deuken. Dat proces begrijp ik als geen ander. Bij de première kwamen je ouders kijken. Ze waren net zo zenuwachtig als jij. Ik zag ze buiten zitten op een bank, tussen al dat Amsterdamse publiek, en ben ze op gaan halen. Ik zei: ‘Leen heeft een solo gemaakt, die is hartstikke mooi geworden. Het gaat helemaal over diens binnenwerk. Jullie gaan ervan genieten. Misschien moet je huilen, maar dat is helemaal niet erg, want ik moest ook huilen.’”
Lees het gehele interview in het meinummer van HP/De Tijd. (2026)