Irma Boom (64) is een van ’s werelds bekendste boekontwerpers. Wat leest, luistert en ziet ‘The Queen of Books’ in haar vrije tijd?
“Het gedrukte boek is een fundamenteel en integraal onderdeel van onze traditie en cultuur, van gepubliceerde en openbare kennis en wijsheid. Een bibliotheek vertegenwoordigt het geheugen van onze geschiedenis: een tastbaar bewijs van wetenschap, literatuur en denkbeelden die door de eeuwen heen zijn vastgelegd. Sinds 2018 doe ik onderzoek in de bibliotheek van het Vaticaan, waar ik het fenomeen boek bestudeer, en in het bijzonder wat er met het boek is gebeurd. Ik realiseerde me: boeken maak je niet voor het verleden of het heden, maar voor de toekomst. Bibliotheken fungeren als databases en bronnen van kennis. Het voordeel van het boek is dat het onveranderlijke informatie biedt, inkt zwart-op-wit gedrukt. In tegenstelling tot de flux van het internet, waar alles iedere seconde verandert. Een voorbeeld hiervan is Galileo Galilei, die in 1610 in Sidereus Nuncius (Sterrenbode) als eerste vastlegde dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Hij kon dit met zijn telescoop bewijzen. Copernicus had dit idee al veel eerder geformuleerd, maar Galileo leverde het bewijs en legde het vast. Dit illustreert de kracht van het gedrukte woord. Een boek is een middel om kennis te delen en gedachten vast te leggen. Dat zijn de intrinsieke waarden van een boek. Diametraal tegenover dit idee staat het concept van koffietafelboeken, waarin de vorm belangrijker is dan de inhoud.
“Als kind was ik obsessief bezig met tekenen en schilderen, en het stond voor mij vast dat ik schilder wilde worden. Nadat ik een aantal academies had bezocht, bleek de AKI in Enschede het meest uitdagend en vrij. De AKI was destijds de meest liberale kunstacademie van Nederland en daar wilde ik per se naartoe. Op de academie had ik vrij snel door dat ik een te romantisch idee had van vrij kunstenaar zijn. Al dwalend door de academie kwam ik in de les van kunstenaar Abe Kuipers, en dat was een openbaring. Elke woensdag kwam hij naar de academie vanuit Groningen met twee koffers vol boeken. Hij vertelde over inhoud en vorm, reciteerde poëzie en droeg literatuur voor. Zo besprak hij Turks fruit en Horrible tango van Jan Wolkers, beide boekontwerpen van Jan Vermeulen, nog steeds de beste boekomslagen die we ooit hebben gemaakt. Het zijn iconische ontwerpen. Kuipers vertelde hoe je met typografie een beeld kunt creëren dat iets prijsgeeft over de inhoud van het boek, zonder illustratief te zijn. Als je Turks fruit gelezen hebt, begrijp je waarom het omslag zo goed is met de fluorescerende letters op de zwarte ondergrond. Het omslag weerspiegelt de inhoud: de kwetsbaarheid van het leven en de vergankelijkheid van schoonheid en liefde. Het is zo simpel, en tegelijk zo geniaal bedacht. Tot die middag had ik nooit stilgestaan bij het idee dat het ontwerpen van boeken een kunstvorm op zich is, en na die ervaring heb ik nooit meer een penseel aangeraakt. Vanaf dat moment wist ik: dit wil ik ook. Het maken van boeken is net als het maken van schilderijen een cultureel fenomeen.
“Toen ik in 2014 de Johannes Vermeerprijs ontving, besloot ik een kleine bibliotheek op te richten. De prijs bestaat uit een geldbedrag dat bestemd is voor de realisatie van een speciaal project. Ik verzamelde boeken uit de vijftiende en zestiende eeuw, evenals uit de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw. Een van de eerste boeken die ik toevoegde aan de verzameling was het Xerox Book van Seth Siegelaub uit 1968. De kunstenaars Carl Andre, Robert Barry, Douglas Huebler, Joseph Kosuth, Sol LeWitt, Robert Morris en Lawrence Weiner kregen de opdracht om pagina’s te vullen met werk dat de beperkingen en mogelijkheden van een Xerox-machine reflecteert – een toen innovatieve en relatief nieuwe techniek. Hierdoor was het boek een experiment met het medium en benadrukte het de ideeën achter het kunstwerk in plaats van de fysieke objecten zelf. Het boek is een voorbeeld van hoe kunst kon bestaan als documentatie: het is eigenlijk een groepstentoonstelling.
“Een andere favoriet uit mijn bibliotheek is een boek over de collectie van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Het is gemaakt door de Fluxus-kunstenaar Wolf Vostell. Dit boek is een kaleidoscoop, een van de meest fantastische catalogi die er zijn, met werken van Joseph Beuys, Lawrence Weiner en Yves Klein. Het begint met een biografie van de kunstenaar. Op een transparante film staat een portret, en op bruinig papier is een werk ingeplakt. Het enige jammere is dat het boek gebonden is met een plexiglas rug en twee grote schroeven door het papier heen. Daardoor valt het boek minder mooi open. Als ik een exemplaar zie, koop ik het. Ik geloof dat ik er inmiddels een stuk of tien van heb. Elk exemplaar is weer verschillend.
“Ik heb verder een heel interessant boek van Petrarca uit 1522. Ik heb niet eens paraat waar dat boek over gaat, maar daar gaat het mij – in dit specifieke geval – niet om: hier gaat het me om hoe het boek is gestructureerd. De korte tekst is van Petrarca, en de tekst om de korte tekst heen zijn commentaren; het werkt als voetnoten bij de tekst. Waarom ik dat boek zo mooi vind? Omdat het niet over een ontwerp gaat. Het boek maakt zichzelf. Soms is er te veel ruimte en soms lopen de letters bijna in elkaar over. Het is niet bedacht maar een consequentie van een idee. Dit boek staat symbool voor hoe ik werk: er is een inhoud, er is een idee en het ontwerp is het gevolg daarvan. Daarom is ieder boek dat ik maak anders, heeft het een andere stijl dan mijn vorige boek, maar het heeft wel dezelfde houding. Ik ben geen dienstverlener, maar een ontwerper met een eigen visie. Ik heb onlangs een boek gemaakt voor Jil Sander, de Duitse modeontwerper. Ik maakte een ontwerp waarin ik details van haar kleding liet zien, want zij is een meester van het detail. Toen ik met het voorstel kwam, begreep ze niet waarom het hele kledingstuk niet te zien was. Ze zei: dit ben ik niet, maar ik antwoordde: dit ben je wel. Uiteindelijk laat ik haar kleding natuurlijk ook ten voeten uit zien. Ik twijfel voortdurend aan mezelf. Vroeger zag ik twijfel als onvermogen, maar nu denk ik dat twijfel het belangrijkste onderdeel is van mijn werk. Je moet blijven twijfelen, want als je twijfelt, blijf je denken.”
Lees het gehele interview in het februarinummer van HP/De Tijd. Dit was de laatste editie van ‘Culturele agenda’. Alle ruim 120 afleveringen zijn terug te lezen op deze website.