Volgens Montaigne is ware vriendschap een zeldzame verhouding waarin twee zielen samensmelten tot één. In deze nieuwe rubriek proberen bekende en minder bekende boezemvrienden woorden te geven aan hun innige band. Deze keer: Herman Koch (71) en Michiel Romeyn (70). ‘Hè hè, eindelijk iemand die me begrijpt.’
Herman Koch (1953) en Michiel Romeyn (1955) kennen elkaar al sinds hun jeugd. In de jaren tachtig begonnen ze met het radioprogramma Borat, waarmee ze hun carrière begonnen. Ze kregen landelijke bekendheid door het iconische televisieprogramma Jiskefet.
Herman: “Op de lagere school raakte ik bevriend met Joost, de oudere broer van Michiel. Michiel is anderhalf jaar jonger dan ik, maar als je zeven bent, is dat een enorm verschil. De vriendschap tussen mij en zijn broer verwaterde een beetje, maar onze moeders waren intussen wel bevriend geraakt. Na een tijdje zei mijn moeder: Herman, je spreekt nooit meer af met Joost, maar moet je niet eens met dat jongere broertje afspreken? Dat lijkt me nou echt een leuke jongen en hij kan nog goed tekenen ook. Dat laatste zei ze erbij als een soort verkooppraatje. Dat was het begin van onze vriendschap.”
Michiel: “Het is niet zo dat we vanaf de lagere school beste vrienden zijn geweest, want we hebben elkaar ook heel lang niet gezien. Herman had een heel ander leven dan ik: hij zat op het Montessori Lyceum en het Spinoza Lyceum, terwijl ik op de IVO-Mavo zat. Een heel andere wereld. We kwamen elkaar in die tijd wel tegen, maar de vriendschap is pas later ontstaan, rond mijn twintigste. Ik ben nogal somber van aard en wist niet wat ik moest doen met mijn leven. Ik verdiende mijn geld met het plakken van affiches en toen kwam ik Herman een keer tegen in het nachtleven. We begonnen te keten, de belhamel uit te hangen, zoals we eigenlijk nog steeds doen. Ik vond het heel prettig om iemand te hebben met wie je aan de bar slappe grappen kunt maken. We hadden dezelfde recalcitrantie. We wilden in de pas lopen, maar ook weer niet. We houden allebei niet van autoriteiten. Mensen die zeggen wat je moet doen. Jij woonde in die tijd al alleen in je ouderlijk huis. Dat vond ik heel moedig. Je zei toen tegen me: ik wil een café openen en dat ga ik dan ‘De Vochtige Wees’ noemen. Dat vond ik zo goed.”
Herman: “Is dat zo? Dat weet ik helemaal niet meer. Wel een goede naam, De Vochtige Wees. Ik geloof ook dat we heel erg hetzelfde gevoel voor humor hebben. Dat is ook iets waar we elkaar meteen in vonden.”
Michiel: “Waar we ook zijn, we zitten te geiten.”
Herman: “Zelfs aan de telefoon. We bellen elkaar zo’n drie keer per week en hebben dan gesprekken waarvan je hoopt dat ze niet worden afgeluisterd, want dan zaten we hier niet.”
Michiel: “Niet levend, nee.”
Herman: “Wat jij heel vaak doet is onverstaanbaar tegen mensen praten. Ik weet nog dat we in die eerste jaren eens benzine gingen tanken aan de Haarlemmerweg. Je kon in die tijd nog niet pinnen, maar moest het briefgeld op een schuif leggen, waarna het onder een raam door geschoven werd, als beveiligingsmaatregel. Door zo’n raam kon je de pompmedewerker moeilijk verstaan, maar jij zei dan tegen zo’n man: ‘Ja, suweokdanmaarmetvijftienmanerbijgierennetookbuitenstonden!’ Totaal onverstaanbaar, maar omdat je er zo uitbundig bij lachte, dacht die benzinepompmedewerker: laat ik maar meelachen. In Spanje doe je dat ook, door op een terras zogenaamd Spaans te praten tegen de serveerster.”
Michiel: “‘Porque sol fuyente de muy bueno yasi! A qui o lo ombros!’ Die serveerster denkt: die man komt uit een andere streek, ik doe maar net of ik hem begrijp. Dat zijn baldadige dingen, ja. Dat mis ik vaak node in deze wereld. Mensen zijn altijd zo keurig.”
Herman: “Onze vrouwen zeggen weleens: hoe oud zijn jullie nu eigenlijk? Ik herinner me een vakantie van ons tweeën in Cadaqués. We slapen altijd op dezelfde hotelkamer, met twee eenpersoonsbedden, want dan kunnen we tot laat keten.”
Michiel: “Wat een verschrikkelijk woord is dat eigenlijk, keten.”
Herman: “We hadden een balkonnetje en bleven daar net zo lang op liggen tot er iemand voorbij kwam lopen. Dan gooiden we een muntje op de stoep, zodat die persoon in verwarring omkeek en naar dat muntje ging zoeken. Heel kinderachtig, maar wel heel leuk.”
Michiel: “We hadden die munten eigenlijk eerst in een koekenpan moeten verhitten!”
Herman: “We hadden geen koekenpan.”
Lees het gehele interview hier.