Max Pam en Jeroen Henneman: ‘Onze vriendschap gaat door na onze dood’

Volgens Montaigne smelten in ware vriendschap twee zielen samen. In deze rubriek spreken bekende en minder bekende boezemvrienden over hun innige band. Deze keer: Max Pam en Jeroen Henneman.

Verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd. Lees het gehele interview hier. Fotografie door Clemens Rikken.

Max Pam (1946) is journalist, columnist en schrijver. Onlangs verscheen zijn nieuwste roman De laatste schaker. Jeroen Henneman (1942) is tekenaar en beeldend kunstenaar. Ze leerden elkaar in 1970 kennen en werkten veelvuldig samen, met als hoogtepunt het satirische architectuurprogramma De Woestijn Leeft.

Max: “Ik leerde je begin jaren zeventig kennen via onze wederzijdse vriend Dirk Ayelt Kooiman. Jij was een man van de wereld, had alles al gedaan en gezien, terwijl ik iemand was die niet geneigd was om veel van het leven te genieten.”

Jeroen: “Jij kon geen vreugde in het leven vinden. Daarin leek je wel op Dirk.” 

Max: “Dirk had in die tijd net zijn bekendste boek gepubliceerd: Romance, een ongelooflijk gereformeerde roman over een man die seks heeft met de vriendin van zijn vriend en daar een enorm schuldgevoel over heeft. Jij begreep daar niets van.”

Jeroen: “Waarom zou je je schuldig voelen over zoiets leuks als seks?”

Max: “Ik begreep die geesteshouding wel, je over alles wat met seksualiteit te maken heeft schuldig voelen. Ik vond het heel aangenaam om te merken dat jij daar totaal, maar dan ook echt totaal geen last van had.”

Jeroen: “Van de grote wijde wereld hadden jullie nog nooit gehoord. Ik ben na mijn eindexamen meteen naar het buitenland vertrokken: ik heb overal gewoond, van Leuven tot Lissabon. In die tijd heb ik het leven leren kennen. Ik wilde jou uit de schaakcafés trekken en van het leven laten proeven. Een van de eerste dingen die we samen hebben gedaan, is voor het tijdschrift Avenue anderhalve maand naar Brazilië.”

Max: “We kregen meteen in de eerste week ontzettende ruzie.”

Jeroen: “Ik had alles al meegemaakt wat je mee kunt maken, van motoren repareren tot bij mensen logeren, maar jij, als onervaren reiziger, was zo koppig dat je niets van mij wilde aannemen.”

Max: “Nee, we moesten aan elkaar wennen, maar aan jou wennen is heel lastig. In het begin schik je in, dat heb ik ook gedaan, maar na een week denk je: nu schik jij maar eens in. Jij hebt een heel eigen wil. We zijn daarna nog tientallen keren met elkaar op vakantie geweest en altijd hebben we in de eerste week een enorm conflict.”

Jeroen: “In Brazilië hebben we middenin de bushbush afscheid van elkaar genomen.” 

Max: “Ik ben op de bus gestapt naar nowhere en jij bent gewoon doorgelopen. Ik had me voorbereid op een eenzame tocht verder door de jungle; een maand moest ik het nog zien te rooien. Aan het eind van de dag, toen ik bij een willekeurige halte was uitgestapt, in Ouro Preto, een oude goudzoekersstad, zocht ik een hotel. En wie zat daar in de lobby?”

Jeroen: “Dat was een klein wonder, ja. Nu is het heel makkelijk om elkaar even op te bellen, maar in die tijd had je geen communicatiemiddelen. We hadden elkaar nooit meer gevonden.”

Max: “Op een boot is het veel moeilijker om van elkaar weg te lopen. We zijn vaak wezen vissen in Ierland. Als we dan ruzie kregen, ging jij in de voorcabine zitten en ik in de achtercabine.”

Jeroen: “Jij zegt dat we aan elkaar moesten wennen, maar we zijn in wezen gewoon twee heel verschillende mensen. Dat is waar het wringt. Jij hebt iets wereldvreemds, iets naïefs, waar ik ook weleens jaloers op was, want ik heb altijd zorgen. Ik ben altijd beducht op bliksem, oplichting en ander onheil.”

Max: “Ik ben meer een schaker: die heeft naast de echte wereld een wereld die helemaal logisch in elkaar steekt. Schaken is een methode om je van de echte wereld af te zonderen. Die heb je ook helemaal niet meer nodig als je eenmaal in dat schaakuniversum zit. Dat zou je inderdaad wereldvreemd kunnen noemen. Nu zijn we op een leeftijd dat reizen gevaarlijker wordt.”

Jeroen: “We kunnen best nog een keer gaan vissen in Ierland. Paling vangen en dan meteen opeten. Ik zie je nog staan in de kajuit, paling snijden, terwijl de stukken paling nog minutenlang bewogen in de pan.”

Max: “Ik weet het niet. Ik ben toch minder behendig dan tien jaar geleden. Je moet soms op de kant springen en dat zie ik mezelf niet zo snel meer doen. Weet je nog die keer dat het op een meer enorm begon te onweren en dat een van onze ruitenwissers stukging? Jij ging naar buiten om het te maken, want jij kunt niet tegen iets wat stuk is, zeker niet als het iets technisch is. Het schip begon enorm te slingeren en je waaide bijna weg. Ik dacht nog: als we omslaan, zijn we er allebei geweest.”

Jeroen: “Je moet het schip gewoon haaks op de rollende golven sturen en vol op de wind, dan is er niets aan de hand. We gaan gewoon nog een keer.”

Max: “De laatste keer ben ik uitgegleden en twee meter naar beneden gevallen in een sluis. De sluiswachter was woedend op ons, omdat we geen reddingsvesten droegen. Jij hebt me er met een puthaak uitgetrokken.”

Jeroen, smalend: “Je hebt je leven aan mij te danken. Daar mag je me wel dankbaar voor zijn.”