Volgens Montaigne smelten in ware vriendschap twee zielen samen. In deze rubriek spreken bekende en minder bekende boezemvrienden over hun innige band. Deze keer: Mai Spijkers en Özcan Akyol.
Fragment. Lees het gehele interview hier. Fotografie door Clemens Rikken.
Mai Spijkers (Goirle, 1955) is oprichter, eigenaar en uitgever van uitgeverij Prometheus in Amsterdam. Özcan Akyol (Deventer, 1984) is schrijver, columnist en presentator. Onlangs verscheen zijn nieuwe boek Mijn moeder, de kleine reus. Ook staat hij in de theaters met de voorstelling De klassenmigrant. Mai en Özcan leerden elkaar kennen in 2012.
Özcan: “We hebben elkaar voor het eerst ontmoet op de uitgeverij.”
Mai: “Ik herinner het me anders. Er was in de schouwburg een of andere literaire bijeenkomst van de CPNB. Je had net het contract bij ons getekend voor je debuutroman, maar we hadden elkaar alleen een hand gegeven. Op die bijeenkomst hebben we elkaar voor het eerst gesproken. Je zag er in die tijd uit als een zigeuner en je had een bolle kop van de whisky.”
Özcan: “Een zigeuner?”
Mai: “Ja, je had altijd zo’n wit vest aan. Dat associeer ik met zigeuners.”
Özcan: “Dat hoorde bij mijn sociale klasse. Al mijn vrienden droegen van die witte vesten.”
Mai: “We hebben toen dus een praatje gemaakt en heb ik voorgesteld om een keer wat te gaan eten bij de Italiaan. Ik neem wel vaker nieuwe schrijvers mee uit eten om kennis te maken.”
Özcan: “Het is verdacht als je als nieuwe schrijver níet mee uit eten wordt gevraagd.”
Mai, lachend, zoals vaak tijdens het gesprek: “Dan moet je je zorgen gaan maken.”
Özcan: “Ik was wel zenuwachtig die eerste keer. Ik ging daarheen met het idee: deze man heeft de sleutel van mijn toekomst in zijn handen. Ik wilde een succesvol schrijver worden en mijn debuutroman moest daarvoor zorgen.”
Mai: “Je hebt die beroemde zin van Montaigne: ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.’ We hadden meteen een klik, maar het is lastig om die chemie waarmee vriendschap begint te duiden. Wat ik me nog heel goed herinner van dat gesprek, is dat je vroeg: wat blijft er over van onze klik – want we hadden veel gemeen – als mijn boek mislukt? Ik zei dat we dan nog steeds contact zouden houden en dat meende ik ook. Jij bent een redelijk onaangepast iemand. Ik ben zelf een nette uitgever, maar ik heb wel een hang naar dat soort figuren. Dat is een van de dingen waarmee je me charmeerde. Ik was mede om die reden ook bevriend met Hafid Bouazza en Peter Klashorst. Die waren net zo onaangepast als jij.”
Özcan: “We herkenden inderdaad veel in elkaar. We komen allebei uit de sociale onderklasse. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik er niet bij hoor en dat gevoel heb jij volgens mij ook.”
Mai: “Dat gevoel gaat nooit helemaal weg.”
Özcan: “Ik heb dat gevoel nog steeds heel sterk. Als ik hier op de jaarlijkse borrel met vooraanstaande intellectuelen sta te praten, dan weet ik op welke mensen ik terug kan vallen als het slecht met me gaat: dat zijn zij niet. Zij staan emotioneel gezien heel ver van me af. De mensen op wie ik wel terug kan vallen als ik in de shit zit, zijn de mensen uit mijn eigen sociale klasse. Daar reken ik jou ook toe.”
Mai: “Je had bij wijze van spreken mijn buurjongen kunnen zijn. Wij behoorden ook tot de armsten van het dorp. Ik was op de lagere school een van de eerste kinderen die doorstroomde naar de middelbare school. Later ging ik naar de universiteit; dat was helemaal ongekend. Ik moest alles zelf uitzoeken.”
Özcan: “Dat is voor mij ook een thema: ik ben een eerste-generatie-leerling, eerste-generatie-student, maar ook een eerste-generatie-schrijver. Dat heb jij natuurlijk net zo goed: jij kende ook niemand in de literaire wereld.”
Mai: “Ik werd in het begin met de nek aangekeken door de culturele elite. Nog steeds, misschien. Je voelt je door je achtergrond toch altijd een mindere. Ik kan me nog herinneren: in Goirle, het dorp waar ik ben opgegroeid, had je een tennisbaan. Daar gingen we als jongetjes loeren naar meiden die daar in hun mooie witte rokjes aan het tennissen waren, maar geen haar op ons hoofd die dacht dat we ooit een van die meisjes zouden kunnen krijgen. Zij kwamen uit de bungalowbuurt: voor ons een totaal onbereikbare wereld. Dat riep toch een zekere rancune op: waarom zij wel en ik niet?”
Özcan: “Ik had vroeger een hekel aan rijkeluiskinderen. Dat zit er bij mij zo ingepeperd… Als ik nu naar mijn eigen kinderen kijk, dan erger ik me er soms aan hoe vanzelfsprekend zij het vinden dat ze de schoenen krijgen die ze willen hebben of dat ze schoenen niet meer willen dragen omdat ze ze niet mooi meer vinden. Jij en ik hebben meegemaakt dat je vijfde- of zesdehands schoenen kreeg met de gaten er al in. Ik heb een hamerteen door de te kleine schoenen die ik droeg.”
Mai, ironisch: “Je zou een hekel krijgen aan je eigen kinderen. Ik vind het niet erg om mijn kinderen te verwennen. Ze kunnen alles van me krijgen. Dat is wraak op mijn arme jeugd.”
Özcan: “Welvaart is ook niet per se goed voor de karaktervorming. Ik vind het wel goed om niet alles als vanzelfsprekend te beschouwen. Ik ben me er erg van bewust dat het succes ook zo voorbij kan zijn. Daarom wil ik voor die tijd binnen zijn. Onbewust is er toch die angst om weer in armoede te vervallen.”