Fong-Leng en Jan Jansen: ‘Wij doen geen concessies’

Volgens Montaigne smelten in ware vriendschap twee zielen samen. In deze rubriek spreken bekende en minder bekende boezemvrienden over hun innige band. Deze keer: Fong-Leng en Jan Jansen.

Verschenen in het dubbeldikke winternummer van HP/De Tijd. Dit is een fragment. Het gehele interview lees je hier. De fotografie is zoals altijd van Clemens Rikken.

Fong-Leng (Rotterdam, 1937) is modeontwerpster en kunstenaar. Op dit moment is de tentoonstelling Fong-Leng & Fans – 60 jaar Fashion & Faam te zien in Museum JAN in Amstelveen. Jan Jansen (Nijmegen, 1941) is schoenontwerper. Fong-Leng en Jan leerden elkaar eind jaren zestig kennen.

Fong-Leng: “Onze vriendschap begon vanuit wederzijdse bewondering. Ik zag een van jouw ontwerpen en dacht: hé, wat een interessante kunstenaar, ik wil hem leren kennen. Ik ben toen gewoon naar jouw huis gegaan om even ‘dag’ te zeggen. Weet je dat nog?”

Jan: “Nou en of. Het was alsof ik water zag branden. Fong-Leng stond ineens voor mijn deur! Ik kende je natuurlijk van naam, iedereen kende je van naam, maar ik had je nog nooit ontmoet. Ik weet nog dat ik je jurken voor het eerst zag en dacht: dat is mijn bloedbroeder, mijn zuster in de kunst. Ik ben maar een eenvoudige schoenontwerper, maar als ik kleding zou ontwerpen, dan zou die er precies zo uitzien als de kleding van Fong-Leng.”

Fong-Leng: “Hou eens op! Doe eens niet zo bescheiden. Jij bent de grootste schoenontwerper van Nederland!”

Jan: “Dat kan wel zo zijn, maar schoenen zijn in mijn ogen zeer ondergeschikt aan kleding.”

Fong-Leng: “Ho, dat ben ik helemaal niet met je eens. Ik ben een schoenenfetisjist, hè. Dat durf ik wel te zeggen. Ik vind schoenen heel belangrijk. Ze moeten passen bij wat je draagt. Schoenen maken een outfit compleet.”

Jan: “Ik vind het heel fijn dat je dat zegt, maar feit blijft dat er bij modeshows veel aandacht uitgaat naar hoeden en kleding en minder naar de schoenen. Jij bent ook veel beroemder dan ik, omdat er meer aandacht is voor kleding dan voor schoenen.”

Fong-Leng: “Jij bent ook heel beroemd. Je bent weer veel te bescheiden!”

Jan: “Jij staat op eenzame hoogte in Nederland. Dat was eind jaren zestig al toen we elkaar leerden kennen. Jij stak met kop en schouders boven iedereen uit. Jouw shows waren van een andere wereld. Het is haast niet te beschrijven: het waren extravagante feesten, een mengeling van theater, kunst en mode, op bijzondere locaties zoals de Beurs van Berlage, het De Mirandabad en het PSV-stadion. Alleen de opkomst van de modellen was al bijzonder: ze gleden in glinsterende stoffen over de catwalk. Ik kwam altijd kijken en heb ook het voorrecht gehad om een keer mee te werken aan zo’n show.”

Fong-Leng: “Voor de show zat jij de schoenen af te maken. Ik riep: ‘Jan, we gaan zo beginnen!’ Jij zei heel kalm dat je nog even bezig was maar dat je alles op tijd af zou hebben en dat was ook zo. Het is grappig dat we los van elkaar in dezelfde tijd zijn begonnen en toch veel met elkaar gemeen hebben.”

Jan: “We zwommen allebei tegen de stroom in.”

Fong-Leng: “Niemand anders had die schoenen kunnen maken bij mijn kleding. We werken ook veel met dezelfde materialen. Hier, kijk eens wat ik voor me heb liggen, een rol goudleer. Daar zijn we allebei dol op. Goudleer kost ondertussen een godsvermogen, maar al kost het onze laatste centen, we zullen met goudleer werken. We doen geen concessies. Als ik wil dat iets van goudleer wordt gemaakt, dan wordt het van goudleer.”

Jan: “Jij zegt tegen een naaister: zo moet het, want zo heb ik het in mijn hoofd. Dat heb ik precies hetzelfde. Je moet nooit concessies doen. Ik weet, als ik een schoen ontwerp, precies hoe die schoen eruit moet komen te zien. Ik heb vierduizend ontwerpen gemaakt en allemaal zien ze er precies zo uit als ik wil.”

Fong Leng: “Ja, maar de meeste mensen zeggen dan: leuk idee, maar dat kan helemaal niet. Dan zeggen wij: dat is niet waar, want wij weten dat het wél kan.”

Jan: “Ik antwoord dan: ‘Dat kan niet? Dan zal ik het even voordoen.’ Wij zijn geen stylisten die een tekening maken en dan aan een technische uitvoerder vragen om het te maken. Nee, wij hebben zelf een achtergrond in techniek en weten precies hoe iets gemaakt moet worden. Wij hebben het ontwerp al in onze verbeelding gezien. We hoeven het alleen nog maar na te maken.”

Fong-Leng: “Wij zijn gewoon de beste. Onthoud dat nou, Jan. Dat heb ik geleerd van Muhammad Ali: die zei ook dat hij de beste was.”

Jan: “I am the greatest.”

Fong-Leng: “Ja, dat heb ik altijd gezegd: ik ben de beste. Dat is niet arrogant, dat is de waarheid. Ik vind dat ons werk heel hoog gewaardeerd moet worden. In je werk moet je niet bescheiden zijn. Je moet laten zien wat je kan. Ik kan niet alleen creaties maken, ik kan ook decors maken, ik kan fotograferen, daar heb ik zelfs prijzen mee gewonnen, en nu maak ik schilderijen, maar op een andere manier dan een schilder dat doet. Ik maak schilderijen met leer. Dat doet niemand, behalve ik. Ook daarin ben ik de beste.”

Jan: “In het begin van mijn carrière heb ik gezegd dat ik een goede schoenontwerper wilde worden, maar pas sinds een jaar of tien durf ik te zeggen: dat is gelukt. Als je zoals wij boven de tachtig bent, dan heb je wat ze in Duitsland noemen ‘Narrenfreiheit’; dan mag je een beetje opscheppen. Ik heb ontzettend veel zin om een grote opschepper te worden.”