Voor RTL nieuws verslaat hij Duitsland, Oost-Europa en de Balkan – en daar gebeurt nogal eens wat. In gesprek met de correspondent die ondanks alles weigert cynisch te worden.
Verschenen in de VARAgids, 20 januari 2026.
Op internet is weinig over je te vinden. Niet waar en wanneer je geboren bent, niet welke opleiding je hebt gevolgd. Is dat bewust?
‘Nee, dat is toevallig zo gelopen. Ik doe niet zo heel veel interviews, en als ik ze doe, gaan ze meestal over oorlog, over de verhalen. Niet over waar ik vandaan kom. Ik ben in Hilversum geboren en opgegroeid in Laren, dat is bepaald geen geheim. Mijn privéleven hoef ik niet per se op straat te hebben, maar als iemand ernaar vraagt, geef ik netjes antwoord.’
Wat voor kind was je?
‘Ik heb goede herinneringen aan de Montessorischool in Bussum. Die vrijheid die je daar kreeg als kind, daar heb ik enorm van genoten. Met mijn middelbare schooltijd heb ik veel moeite gehad, ik heb er ook lang over gedaan. Ik had, net als zoveel andere jongeren, problemen met de autoriteit van leraren. Na het VWO ben ik Maatschappijgeschiedenis gaan studeren in Rotterdam, maar ik kreeg het pas naar mijn zin in Amsterdam, waar ik Communicatiewetenschappen studeerde. Ik deed dat wel met het idee: na mijn studie ga ik weg. Nederland benauwde me. In 1989 kreeg ik mijn eerste baan in Londen en ik heb sindsdien nooit meer in Nederland gewoond.’
Had je als kind al last van Fernweh?
‘Ja, ik hield bij in hoeveel landen ik was geweest. Mijn ouders wilden nooit naar Duitsland, dus dan fietste ik er zelf heen tot net over de grens. Hup, weer een land op mijn lijst.’
Waarom wilden je ouders niet naar Duitsland?
‘De oorlog was een last die zij op hun schouders meedroegen. Vooral mijn vader. Hij was iemand die tussen servet en tafellaken zat: te jong om mee te vechten, maar oud genoeg om alles bewust mee te maken. Het eerste wat hij wilde toen hij achttien was, was piloot worden bij de luchtmacht: eindelijk meewerken aan die oorlog die hij jarenlang machteloos had moeten aanschouwen. Maar toen hij zich wilde melden was de oorlog voorbij, de Japanners hadden gecapituleerd, en al die vliegopleidingen werden afgebroken. Vervolgens is hij sociologie gaan studeren en later documentairemaker geworden. Het oorlogsverleden heeft altijd een grote rol gespeeld in zijn werk. Het bracht frustratie met zich mee, dat gevoel dat hij er niet bij had kunnen zijn, maar ook een grote betrokkenheid bij de samenleving. Die heeft hij overgebracht op zijn kinderen.’
Wat kreeg je als kind mee van dat oorlogsverleden?
‘Bij de familie Akkermans moesten alle borden echt leeg. Mijn vader kon zich behoorlijk opwinden als je iets liet staan. Dat herleid ik direct terug naar de hongerwinter. Mijn moeder groeide op in Amsterdam. Haar vader had een café op de Nassaukade, dus die kon altijd nog wel wat ritselen, maar aan mijn vaders kant was dat lastig. Hij woonde met zijn familie aan de Diergaardesingel. Ze werden twee keer gebombardeerd en raakten alles kwijt. Alleen de klok heeft het overleefd. Die staat nu bij mij thuis. In Berlijn, nota bene.’
Ben je door die achtergrond een betere oorlogsverslaggever geworden, misschien omdat je je beter in kunt leven?
‘Dat weet ik niet, maar het heeft me wel gevormd. Als ik in Oekraïne steden zie die in puin worden gelegd, dan denk ik aan de burgers die de rest van hun leven gebrandmerkt zijn. Overigens noem ik mezelf niet graag een oorlogsverslaggever. Ik ben correspondent, toevallig in een gebied waar vaak oorlog is.’
Je bent afgekeurd voor militaire dienst wegens ‘knikkende knieën’. Ironisch, gezien je latere loopbaan.
‘Ja, daar zit een zekere ironie in. Op dat moment vond ik het prettig, want zo had ik meer tijd om te doen wat ik wilde. Vrienden die wel in dienst waren geweest, spraken er namelijk niet over alsof ze daar veel van hadden opgestoken. Ik had niet gedacht dat ik ooit in een oorlog verzeild zou raken. Je moet dan een manier vinden om daarmee om te gaan. Ik heb veel meegemaakt, heb een collega verloren, maar ik denk ook altijd aan de burgers die het overkomt en geen keus hebben. Die moeten maar zien te overleven.’
Heeft een reportage van jou ooit iets veranderd of sta je daar toch als machteloze getuige?
‘Ik voel me als journalist niet machteloos. Ik vind het een belangrijke taak, zelfs een plicht, van journalisten om het verhaal van mensen in oorlogstijd te vertellen, of ze nu goed zijn of slecht. Openbaarheid is een belangrijk wapen. Op het moment dat er geen camera’s meer zijn in een oorlogsgebied, nou, berg je dan maar als burger. De taak van de journalistiek is om de underdog aan het woord te laten, en die komt steeds minder aan het woord hoe langer een oorlog duurt. Dat zie nu ook in Oekraïne: in het begin liepen daar drieduizend journalisten rond, nu beduidend veel minder. De journalistiek is verdomd belangrijk, niet alleen in oorlogsgebieden, maar overal waar autoriteiten en burgers met elkaar in botsing raken.’