Bovengronds

Fritz Langs sciencefictionklassieker Metropolis uit 1927 speelt zich af in het jaar 2026, in een wereld waarin de onderklasse onzichtbaar zwoegt voor de elite. Nu dat jaar is aangebroken, blijkt de werkelijkheid grimmiger, op een manier die de regisseur niet eens had voorzien.

Verschenen in de Volkskrant, 20 januari 2026. Lees hier het gehele stuk.

In oktober 1924 was de Oostenrijkse film­regisseur Fritz Lang (1890-1976) aan boord van het stoomschip SS Deutschland in de haven van New York, toen hij voor het eerst de skyline van Manhattan zag oplichten in de avondschemering.

Hij was 33 jaar oud, net getrouwd met scenarioschrijfster Thea von Harbou, die al aan de roman Metropolis werkte, en op weg naar Hollywood om de Amerikaanse filmindustrie te bestuderen. Wat hij die avond zag vanaf het dek zou belangrijker blijken dan alles wat hij in de studio’s zou leren. De wolkenkrabbers rezen op uit het water als een verticaal zeil, zou hij later zeggen, fonkelend en ongelooflijk licht, hangend aan de zwarte hemel om te verblinden en te hypnotiseren.

De aanblik wierp een vraag op die hem niet meer zou loslaten: wie bouwden die torens, en waar woonden zij? Lang was een meester in het creëren van mythologie rond zijn persoon, maar de anekdote past te goed bij de film om hem niet te vertellen.

Zijn antwoord op die vraag werd de expressionistische sciencefictionfilm Metropolis, de duurste film die tot dan toe (1927) in Duitsland was gemaakt. De film presenteert een stad die verticaal is gesegregeerd: bovenin, in tuinen vol zonlicht en fonteinen, leeft de elite; onderin, in betonnen catacomben waar nooit daglicht komt, werken de arbeiders die de machines bedienen die de bovenwereld draaiende houden.

De twee werelden raken elkaar nooit, tot de zoon van de machtigste industrieel per ongeluk afdaalt en ontdekt wie daarbeneden zwoegt voor zijn luxe. De jonge Freder ziet de uitgeputte lichamen, hij ziet machines die arbeiders letterlijk lijken te verslinden, en hij is onmiddellijk bekeerd. Kennis leidt tot inzicht, inzicht leidt tot actie: dat was het idee. Wie uitbuiting ziet, wil haar beëindigen.

De film speelt zich af in 2026 (eerst niet, later wel, zie inzet). Dat jaartal was ver weg genoeg om sciencefiction te zijn, en dichtbij genoeg om te verontrusten. Nu dat jaar is aangebroken, dringt zich een ongemakkelijke conclusie op. Niet dat Lang gelijk heeft gekregen: in Metropolis is er één schuldige, één fabriek, één oplossing, en zo simpel is onze wereld niet. Wat blijkt is dat zijn centrale aanname achterhaald is: dat wie ellende ziet, haar ook wil beëindigen.

Lang en Von Harbou noemden zelf geen specifiek jaar waarin Metropolis zich afspeelt. In de roman schreef Von Harbou dat het verhaal zich ‘niet op een bepaalde plaats of tijd’ afspeelt, en ook de originele film noemde geen jaartal. Het was de Engelse uitgever Readers Library die in 1927 (het jaar van de verfilming) de specificatie ‘The World of 2026 A.D.’ toevoegde, een eeuw na publicatie. Giorgio Moroder nam dat jaartal over in zijn restauratie uit 1984, waarna het canoniek werd. De keuze was dus geen bewuste, precieze voorspelling van de filmmakers, maar een marketingbeslissing die bleef hangen, en die het kunstwerk sindsdien heeft gekleurd.

In Metropolis is de onderdrukking spectaculair zichtbaar: de machines zijn reusachtig, de fabrieken roken, de arbeiders bewegen synchroon als tandwielen in een groter mechaniek. In de beroemdste scène verandert een fabrieksmachine in de Moloch, de oudtestamentische god die kinderoffers eiste. De mond van het apparaat zwaait open als een oven, de arbeiders strompelen in rijen naar binnen, en de machine slikt ze door.

Lang filmde de scène met honderden figuranten, in decors die tientallen meters hoog waren. Het is een beeld dat je niet meer vergeet, de mens als brandstof, maar het maakt het probleem ook concreet: je kunt naar de verantwoordelijke wijzen. De industrieel Joh Fredersen woont in de hoogste toren van de stad, hij neemt de beslissingen, hij is de schuldige.

Nu is het 2026 en de machine staat er nog steeds, alleen zie je haar niet meer. De grote industriecomplexen die 19de-eeuwse steden domineerden zijn grotendeels verdwenen, en wat ervoor in de plaats kwam is moeilijker in beeld te brengen: distributiecentra langs de snelweg die er allemaal hetzelfde uitzien, datacenters die meer elektriciteit verbruiken dan Delft of Haarlem, en ergens ver weg de fabrieken in China, de naaiateliers in Bangladesh, de mijnen in Congo. Te ver om nog te zien, dichtbij genoeg om van te profiteren.