Peter Heerschop en Viggo Waas: ‘Als jij er niet meer bent, ga ik ons heel erg missen’

Volgens Montaigne smelten in ware vriendschap twee zielen samen. In deze rubriek spreken bekende en minder bekende boezemvrienden over hun innige band. Deze keer: Peter Heerschop en Viggo Waas. ‘We maakten grappen over elkaars vrouwen, elkaars kinderen, alles was materiaal.’

Lees verder: Peter Heerschop en Viggo Waas: ‘Als jij er niet meer bent, ga ik ons heel erg missen’

Verschenen in het februarinummer van HP/De Tijd. (2026) Dit is een fragment. Lees het gehele interview hier. De fotografie is van Clemens Rikken.

Peter Heerschop (Bussum, 1963) en Viggo Waas (Amsterdam, 1965) kennen elkaar al ruim veertig jaar. Hun vriendschap begon op de Amsterdamse ALO, de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Samen met Joep van Deudekom en Eddie B. Wahr vormden ze cabaretgroep NUHR. Over hun vriendschap schreven ze de boeken Infarct (2023) en Jeugd (2025).

Peter: “Vriendschap is het belangrijkste thema in de voorstellingen die we hebben gemaakt, maar ook privé speelt het een grote rol. Wij zien elkaar al veertig jaar elke dag: overdag om te repeteren of iets leuks te doen, ’s avonds om op te treden of naar een wedstrijd te gaan. Je zou denken dat dat gaat wringen, maar dat is nooit gebeurd.”

Viggo: “We gaan alleen nooit met elkaar op vakantie. Daar ligt de grens. De vakanties zijn voor ons gezin.”

Peter: “Toch is het bijzonder dat het altijd goed is gegaan tussen ons. Onze karakters weigeren te botsen. Ik kan met genoeg mensen ruzie krijgen, maar met jou lukt het niet. Mocht er toch een keer wrijving zijn, dan heb jij het niet eens in de gaten en gaan we gewoon wat anders doen.”

Viggo: “Je moet elkaar de vrijheid gunnen, vrijheid van denken, vrijheid van handelen. Als je elkaar gaat controleren, komt de vriendschap in gevaar. Zonder vriendschap had ik dit werk niet zo lang volgehouden. Ik speelde daarom ook nooit in producties met mensen die ik niet mocht. Je bent heel intens met elkaar bezig als je in het theater staat, dus je moet het leuk hebben samen. Wat we hebben gemaakt, kon ook alleen omdat we vrienden waren, anders hadden we ruzie gekregen.”

Peter: “We speelden in onze voorstellingen hard op de persoon. We hebben elkaars gezinssituaties afgekloven tot het pijn ging doen. We maakten grappen over elkaars vrouwen, elkaars kinderen, alles was materiaal. Dat mochten we doen omdat we wisten dat de vriendschap altijd groter zou zijn dan wat er gezegd werd. Als iemand die je niet kent op het toneel iets over je vrouw zegt, wat weleens is gebeurd, denk je: jij mag dit niet zeggen, ik heb een hele leuke vrouw, jij kent haar niet. Maar als jij het doet, weet ik: Viggo houdt ook van haar. Ik heb jou op allerlei manieren je ijdelheid voor de voeten geworpen, je oppervlakkigheid. Dat kan, omdat jij weet dat ik je op een andere manier ken, die veel dieper gaat dan de karikatuur die ik van je neerzet.”

Viggo: “Je hebt een afspraak met het publiek. Ze weten: dit zijn lieve jongens, maar we smullen van de verschrikkelijke dingen die ze zeggen. Als die code er eenmaal is, kun je ver gaan. We hebben sketches gemaakt die homofoob en racistisch waren, die nu absoluut niet meer zouden kunnen, maar de zaal wist: ze menen het niet. Daarom werkt het niet als Johan Derksen zegt dat hij satire maakt: hij meent het wél als hij iets vrouwonvriendelijks zegt en iedereen voelt dat.” 

Peter: “Vroeger was het genoeg om te laten zien dat je het goed bedoelde, maar dat volstaat niet meer.”

Viggo: “Je moet duidelijk laten merken dat je niet meent wat je zegt.”

Peter: “Ja, maar als je dat zo uitspreekt, ben je meteen een smerige deugneus. Wij drijven de spot met iedereen, maar vooral met onszelf. Wij hebben altijd sneue mannen gespeeld, mannen met een grote bek. Dat werkt omdat we zelf ook sneue mannen zijn met een grote bek. Het is een uitvergroting van wie we zijn.”

Viggo: “Ik moet vaak om mezelf lachen. Wat ben je aan het doen? Waar maak je je druk om?”

Peter: “Dat herkennen we in elkaar en dat herkent het publiek in ons. Vriendschap hangt voor mij ook samen met onvoorwaardelijkheid. Dat klinkt misschien als een platitude, maar misschien zijn platitudes ook wel waar. Je kunt soms denken: ik zou dat zelf nooit hebben gedaan, maar zoiets is nooit een reden om de vriendschap te verbreken.”

Viggo: “Een rotsvast vertrouwen dat iemand het juiste meent. Dat is wat vriendschap is. Onvoorwaardelijkheid hangt daarmee samen. Een liefdesrelatie kent voorwaarden: daar ben je de enige voor. Je wordt niet geacht om meerdere partners te hebben, maar je kunt wel meerdere beste vrienden hebben.” 

Peter: “Tegenwoordig is het heel normaal om meerdere partners te hebben, Vig.”

Viggo: “O, ik loop achter.”

Peter: “Een echte vriend kun je een tijd niet zien, en als je elkaar weer ziet, ga je verder waar je was gebleven.”

Viggo: “Vrienden die gaan klagen – ‘ik zie je nooit meer, waar ben je nou?’ – dat werkt niet. Je wilt niet geclaimd worden. Mijn oudste vriend zie ik soms vier maanden niet, maar hij zeikt nooit.”

Peter: “Sommige vriendschappen zijn plichtmatig. Die zijn meer vanuit het hoofd dan vanuit het hart. Dan voel je: we moeten weer eens afspreken, ik moet even vragen hoe het gaat. Als je dat niet doet, krijg je inderdaad verwijten. Bij echte vrienden heb je dat niet. Mijn dochter zei ooit: een vader moet lief zijn en gevraagd van advies kunnen dienen. Voor vrienden geldt precies hetzelfde.”

Viggo: “Echte vrienden veroordelen je niet, die verdedigen je.”

Peter: “Het is raar dat we niet meer weten wanneer onze vriendschap precies begon. Joep en ik werden als studenten gevraagd om een voorstelling te maken voor het zestigjarig bestaan van de ALO. We deden dat met z’n drieën, maar die andere vriend ging op wereldreis. Toen hebben we jou erbij gevraagd.”

Viggo: “Of heb ik mezelf aangeboden? Ik ben heel goed in mezelf aanbieden.”

Peter: “Opeens deed je gewoon mee.”

Viggo: “Waarschijnlijk hebben jullie nog geprobeerd om me weg te krijgen, maar ik ben gewoon aan jullie karretje gaan hangen en heb niet meer losgelaten.”