Ben Feringa, hoogleraar organische chemie, won in 2016 de Nobelprijs voor Scheikunde. Bert Meijer is universiteitshoogleraar moleculaire wetenschappen. Ze ontmoetten elkaar in 1975.
Fragment. Verschenen in het aprilnummer van HP/De Tijd. (2026) Fotografie door Clemens Rikken.
Ben Feringa (Barger-Compascuum, 1951) is hoogleraar organische chemie aan de Rijksuniversiteit Groningen en won in 2016 de Nobelprijs voor Scheikunde voor zijn pionierswerk aan moleculaire motoren. Bert Meijer (Groningen, 1955) is universiteitshoogleraar moleculaire wetenschappen aan de Technische Universiteit Eindhoven en geldt als grondlegger van de supramoleculaire polymeerchemie, een vakgebied dat bestudeert hoe moleculen zich zonder chemische binding tot grotere structuren kunnen organiseren. De internationaal veelgeprezen wetenschappers ontmoetten elkaar in 1975 in de onderzoeksgroep van professor Hans Wijnberg aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Bert: “Ben was bij onze eerste ontmoeting net begonnen als promovendus, ik startte mijn kandidaatsonderzoek. In de onderzoeksgroep zat een aantal zeer prominente postdocs die werkelijk de leiding hadden. Jan Dopper en René Helder herinner ik me, dat waren mannen van naam en faam.”
Ben: “Daar keken we tegenop. Als beginnende student, of beginnende promovendus, ben je in zo’n groep niet zo zichtbaar. Wij mochten als broekies de koffiekamer binnenkomen bij de gratie van die postdocs. Zij verhieven zich boven de rest, mag je wel zeggen.”
Bert: “Je werd ook getest. Dan zeiden ze: jij bent dus een topstudent van professor Wijnberg? Schrijf dan maar even een structuur van deze chemische formule op het bord. Maakte je een foutje, dan bespraken ze of ze wel een positief advies aan de professor moesten uitbrengen. Of jij wel in de groep paste.”
Ben: “Je hoorde het ze zeggen: professor Wijnberg, wij dachten dat u toptalent had binnengehaald, maar ze weten niks.”
Bert: “Jij en ik stonden in verschillende laboratoria, in verschillende vleugels zelfs, en werkten aan verschillende onderwerpen. Het is niet zo dat we in die tijd ongelooflijk veel contact hadden. Pas later leerden we elkaar echt kennen, bij groepsbijeenkomsten en probleemsessies. Daarna gingen we de kroeg in om een biertje te drinken.”
Ben: “Ik moet ook meteen denken aan de werkweken op Vlieland met de hele onderzoeksgroep. Daar heb ik zulke goede herinneringen aan. Je had het gevoel dat je in een groep zat die internationaal vooraanstaand was, en dat was ook zo. Dat kwam door Wijnberg. Waar ter wereld je ook kwam, iedereen kende hem. Door hem had je het idee dat je bij AC Milan speelde in plaats van FC Lutjebroek.”
Bert: “Wijnberg was voor ons een soort tweede vader. Ik besprak alles met hem: of ik wel of niet weg moest uit Groningen, tegen welke problemen ik aanliep, welke onzekerheden ik had. Hij had het altijd over de ‘wetenschappelijke familie’. Zichzelf noemde hij onze ‘wetenschappelijke vader’. William Johnson, de wereldberoemde professor bij wie hij aan de Universiteit van Wisconsin is gepromoveerd en die baanbrekend werk deed op het gebied van steroïden en de anticonceptiepil, noemde hij onze ‘wetenschappelijke grootvader’. Daarom beschouw ik jou ook als mijn wetenschappelijke broer.”
Ben: “Ik was daar waanzinnig trots op, dat hij ons in die familie plaatste. Wijnberg was vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika gegaan om te studeren en werd daar hoogleraar. Toen hij na de oorlog terugkeerde, speelde hij een leidende rol in de scheikunde in heel Nederland. Hij had die Amerikaanse attitude. Nederlandse professoren hielden afstand. Wijnberg niet. Als er buitenlandse onderzoekers naar Nederland kwamen, zei hij: je moet ook met mijn promovendi praten. Dan introduceerde hij je: ‘This is Ben Feringa, a bright young fellow’. Dat deed lang niet elke hoogleraar. Hij betrok ons overal bij, hij daagde ons uit, hij nam ons serieus.”