Wereldberoemd in Drachten

Wia, Arno,Sandra, Gurbe, Pé en Rooie Rinus verkopen tienduizenden platen, treden op in uitpuilende zalen, maar buiten hun eigen provincie kent niemand ze. Tijd om deze local heroes voor te stellen.

Verschenen in Mezza, 21 maart 2026. Fotografie door Clemens Rikken.

Wia Buze

In Groningen is haar voornaam genoeg. Zeg Wia en iedereen weet dat je het hebt over Wia Buze, de 55-jarige zangeres uit Termunten die ruim veertig jaar geleden haar eerste talentenjacht won in discotheek Temptation in Appingedam. Sindsdien won ze er meer dan tweehonderd (!) door heel Nederland. Wat al die overwinningen haar opleverden? ‘Een bak ervaring. In het begin stond ik erbij als een grijs muisje dat niks zei behalve ja en nee. Nu zegt mijn man soms dat ik juist te veel praat op het podium.’

Buze bracht elf studio-albums uit, verkocht tienduizenden cd’s en had zelfs een eigen fanclub. Een landelijke doorbraak is er nooit van gekomen, onder meer omdat dialectmuziek niet op de nationale radio werd gedraaid. Robert Long sprak daar destijds schande van en draaide haar nummers stiekem toch. Buze: ‘Italiaanse nummers draaiden ze wel, en andere talen die de meeste mensen niet verstaan. Maar dialect, dat bij Nederland hoort, dat mocht niet.’

Haar grootste hit is De Roos, een Groningse vertaling van The Rose van Bette Midler, die al jaren op uitvaarten wordt gedraaid. In de Grunneger 1000 — de jaarlijkse Groningse muzieklijst van RTV Noord — had ze in 2025 maar liefst 28 noteringen, met De Roos op nummer 2, direct achter Ede Staals onsterfelijke Het het nog nooit zo donker west. Soms hoort ze het nummer als ze zelf op een uitvaart is. Dan moet ze even slikken. ‘Op het podium kan ik het met droge ogen zingen, maar bij zo’n uitvaart luister je toch anders naar jezelf.’

Een bijzonder hoogtepunt in haar carrière was de fuchsia die naar haar werd vernoemd. ‘Ik had liever een roos gehad, maar een fuchsia is ook leuk.’ Of de Wia Buze-fuchsia nog in de vensterbanken prijkt, weet ze niet. ‘Bij mij in ieder geval niet. Na een paar maanden was-ie hartstikke dood. Nee, geef mij maar een sanseveria, die blijven tenminste in leven.’

Gurbe Douwstra

In de schoolbandjes van zijn jeugd zou Gurbe Douwstra er niet over gepeinsd hebben om in het Fries te zingen. Het moest allemaal in het Engels. Pas op zijn veertigste schreef de journalist van Omrop Fryslân zijn eerste Friestalige tekst, voor een bruiloft. Sindsdien werd de 71-jarige Drachtenaar een van de grootste troubadours van de provincie. Hij bracht vijf soloalbums uit, maakte bijna 2.500 afleveringen van Radio Froskepôle (een programma over streektaalmuziek uit heel Nederland) en toert nog altijd met zijn gitaar langs de Friese theaters.

Zijn nummer Cliffs of Moher, over een jong stel dat bij de Ierse kliffen door een golf de oceaan in werd getrokken, stond elf keer op nummer 1 in de Fryske Top 100, een jaarlijkse publieksstemming waarop zo’n 60.000 Friezen hun stem uitbrengen. Het nummer is meer dan twintig jaar oud, maar Douwstra speelt het nog bij elk optreden. ‘Ik kom er eigenlijk niet onderuit. Een beetje zoals The Rolling Stones niet onder Satisfaction uitkomen,’ grapt hij.

Dat 95 procent van zijn optredens in de eigen provincie plaatsvindt, daar heeft hij vrede mee. ‘Als ik mijn liedjes zou laten vertalen in het Nederlands, zou ik ze niet met hetzelfde gevoel kunnen brengen. Je zingt over wat je het meest na aan het hart ligt, en dat doe je het liefst in de taal die het dichtst bij je staat.’ Bovendien, zegt hij, maakt taal uiteindelijk niet uit. ‘Ik versta ook geen woord Portugees, maar naar fado luister ik graag.’

Zijn andere grote nummer, As it myn tiid is, schreef hij als troostlied voor zijn kinderen. Het staat in Friesland op nummer 1 van de meest gedraaide uitvaartnummers. ‘De eerste keer dat ik mezelf hoorde in een aula was een vreemde gewaarwording. Mensen die je kennen zitten je ineens aan te staren, terwijl je denkt: het gaat hier niet om mij.’

Over de toekomst van het Fries maakt hij zich geen zorgen. Er zijn genoeg jonge artiesten die in de taal zingen. ‘Niet altijd even grammaticaal correct, maar het is wel hún Fries. Ik vind het alleen jammer dat het vaak bij twee of drie nummers blijft. Dan willen ze buiten de provinciegrenzen en stappen ze over op het Engels. Terwijl je in je eigen taal zoveel meer kunt zeggen.’

Arno Adams

Ze noemen hem de treurwilg van Belfeld. Arno Adams (68) zong jarenlang in het Engels, in coverbands en achttien-koppige showgroepen, tot hij rond zijn veertigste overstapte op het Belfelds, de streektaal van zijn geboortedorp aan de Maas. ‘In het Engels kon ik me niet uiten’, zegt hij met zijn donkerbruine stem. ‘In het Limburgs wel. Dat is de taal waarin ik denk.’ 

Sindsdien bracht hij zo’n tien albums uit, won hij de Veldeke Oeuvre-Pries, de belangrijkste Limburgse muziekprijs, en lobbyde DJ Felix Meurders persoonlijk voor zijn opname in de Evergreen Top 1000 van NPO Radio 5. Zijn concerten zijn steevast uitverkocht, maar buiten Limburg kent niemand hem. ‘Ik moet er ook niet aan denken om voor een uurtje naar het westen te moeten voor een optreden. Als het te veel op werken gaat lijken, vind ik er niks meer aan.’

Adams worstelde met drank- en gokverslaving, belandde in afkickkliniek Paschalis en schreef daar een van zijn sterkste albums: Ich Weit Desse D’r Bus. Hij heeft een aangeboren bloedvatenkluwen in zijn hoofd, onderging een hersenoperatie en is sindsdien epilepsiepatiënt. Zijn linkerhand trilt, gitaar spelen kan hij niet meer. Tijdens de opnames van Belfeld Blues, de documentaire die over zijn leven is gemaakt en is uitgezonden bij Het Uur van de Wolf, zong hij het nummer Mien Mooder en brak. ‘Ik schaamde me. Ik wilde het er niet in hebben, maar ze hebben het toch laten zitten. Misschien is dat ook wel goed, maar ik heb het nummer daarna nooit meer gezongen.’

Nu staat hij op een kantelpunt: dit najaar wordt hij zeventig en hij twijfelt of hij door moet gaan. Bij een van zijn laatste optredens werd hij onwel, wat hem onzeker maakt, maar optreden werkt voor hem ook als een soort therapie. ‘Na een concert voel ik me opgelucht: alsof er tien kilo van me is afgevallen. Het leukste van een optreden vind ik de afterparty’s, maar ja, dan word je de volgende morgen wakker en voel ik die zwaarte weer.’

Pé Daalemmer & Rooie Rinus

Sommige duo’s houden het langer vol dan de meeste huwelijken. Pé Daalemmer & Rooie Rinus stonden in 1980 voor het eerst samen op straat, bij het fonteintje voor de HEMA in de Herestraat in Groningen. Ze waren zenuwachtig en liepen een paar keer heen en weer voor ze durfden te beginnen. Vijfenveertig jaar later verkochten ze Paradiso uit.

Peter de Haan (69) komt uit Loppersum en werd apotheker. Frank den Hollander (68) komt uit Middelburg, studeerde in Groningen en leerde het dialect op de studentenvereniging. Ze hadden een klik en begonnen liedjes te schrijven die ergens tussen cabaret en popmuziek in hangen: te grappig voor het levenslied, te scherp voor gezellige meezingers. Ze zijn nooit fulltime muzikant geworden. De Haan bleef pillen draaien, Den Hollander werkte bij de universiteitsbibliotheek. ‘Er zit geen machine achter, geen verplichting. Je gaat dingen maken omdat je er zin in hebt, niet omdat het moet.’

Hun bekendste nummer is De Hoornse Plas: een man fietst met een kratje bier naar het Groningse recreatiemeer, zijn vrouw wil naar Spanje. De regel die elke Groninger kent: ‘Ik heb wel zin in sjans mit zo’n lekkere Spoanse mokkel, moar ik heb gain schien van kaans mit mien dikke witte pokkel.’ De Haan lacht. \Misschien komt iemand over honderd jaar dat liedje nog eens tegen en denkt: dat waren toch wel leuke tekstjes.’

In 2025, hun jubileumjaar, gingen vijftienduizend kaarten in één dag weg. Freek de Jonge en Arjen Lubach, beiden fan, stonden als gasten op het podium. Net als Bennie Jolink werden ze benaderd door de BBB, die hen uitnodigde voor een overwinningsfeest. Ze bedankten. ‘We voelden ons helemaal niet met die partij verwant, maar we hadden blijkbaar wel het imago.’ Er kwamen boze mailtjes van de lokale partijafdeling. ‘Dat valt ons toch wel erg van jullie tegen, schreven ze.’ De Haan haalt zijn schouders op. Ze waren altijd populair bij twee groepen tegelijk: studenten die in Groningen kwamen studeren én plattelandsmensen. ‘Ons publiek is gemiddeld misschien wat rechtser dan wij. Dat zagen we juist als een kans om ze aan het denken te zetten. Daarom zijn onze laatste nummers iets politieker dan de eerdere nummers die we hebben gemaakt.’

Sandra Vanreys

Jarenlang zong Sandra Vanreys (61) in het Engels en het Nederlands, in de country-scene waar ze naam maakte — tot en met een optreden in Nashville Now, de legendarische talkshow op het Amerikaanse kabelnetwerk TNN met 42 miljoen kijkers. Als jonge zangeres was dialect niet aan de orde. ‘Als je jong bent, is dat niet hip. Je gaat eerst de Engelstalige kant op en probeert daar je weg te vinden.’ Pas toen ze voor haar Nederlandstalige album Puur het nummer De Achterhoek schreef, kantelde het. ‘Heel veel mensen zeiden: prachtig liedje, maar wat jammer dat het niet in het dialect is.’ Ze liet de tekst vertalen door Arie Ribbers van Omroep Gelderland, zong het opnieuw in en raakte in één klap een heel nieuw publiek. ‘Van Groningen tot en met Limburg werd ik ineens gedraaid op al die regionale radiostations.’

Vanreys groeide op in Aalten, maar haar ouders komen uit Zoetermeer. Dialect sprak ze thuis niet. ‘Ik heb het niet met de paplepel binnengekregen. Ik versta het allemaal, maar om het zelf te zingen was toch even wennen.’ Het moeilijkste was de uitspraak. Dialect wordt in de Achterhoek razendsnel gesproken, en dat tempo moet je ook in een liedje kunnen meenemen. ‘Het is net als met Spaans: je denkt dat je een aardig woordje spreekt, maar dan beginnen te praten.’

Dat country en dialect zo dicht bij elkaar liggen, verbaasde haar aanvankelijk zelf ook. ‘Country is eigenlijk ook volksmuziek: verhalen over het leven op het platteland. Dat ligt heel dicht bij elkaar.’ Het bewijs zit in de nummers. Hans Keuper, zanger van Boh Foi Toch, maakte van The French Song van de Canadese countryzangeres Lucille Starr bijvoorbeeld het Achterhoekse ’t Montferland. Het zijn overal dezelfde verhalen, alleen de taal verschilt. Alhoewel: het dialect verschilt niet eens zoveel van elkaar. ‘Langs de hele oostkant van Nederland, van Limburg tot Groningen, draaien regionale radiostations elkaars dialectmuziek. We begrijpen elkaar, omdat het allemaal Nedersaksisch is.’