Komrij schreef tegen antimoslimpopulisme; nu is hij er het symbool van

Gerrit Komrij schreef in 2008 een essay tegen antimoslimpopulisme, maar is door één (bewust?) misgelezen zin uit een column uit 1989 nu zelf het symbool geworden van precies die beweging die hij haatte.

Verschenen op de website van HP/De Tijd, 26 maart 2026.

Een schrijver die expliciet tegen het uitsluiten van vreemdelingen schreef, geldt nu als symbool van antimoslimpopulisme. Historicus Lotfi El Hamidi gebruikte een zin uit een column van Gerrit Komrij (1944-2012) als titel voor zijn deze maand verschenen boek Stakkers en wolven: In de schaduw van Gaza. In het boek betoogt El Hamidi dat het Nederlandse antimoslimpopulisme zijn wortels heeft in de jaren tachtig, en dat Komrij met zijn column over de Rushdie-demonstraties een toon zette die later door Pim Fortuyn en Geert Wilders zou worden overgenomen.

NRC-columnist Frits Abrahams schreef naar aanleiding van El Hamidi’s boek dat Komrij inderdaad “fel anti-islam” was met een “tunnelvisie.” El Hamidi en Abrahams suggereren beiden dat Komrij de intellectuele grondlegger is van het huidige antimoslimpopulisme.

El Hamidi en Abrahams baseren die bewering op één ongebundelde column. Die verscheen begin maart 1989, enkele dagen nadat duizenden demonstranten door Den Haag en Rotterdam trokken met spandoeken waarop ‘Dood aan Rushdie!’ stond. De Iraanse leider Ayatollah Khomeini had kort daarvoor opgeroepen tot de moord op de Brits-Indiase schrijver Salman Rushdie, wiens roman The Satanic Verses door veel moslims als godslasterlijk werd ervaren. In Nederland gingen demonstranten de straat op om hun steun aan de fatwa te betuigen. Ze staken exemplaren van het boek in brand. Het was de eerste keer dat moslimradicalisme zich zo openlijk manifesteerde in Nederland.

Komrij reageerde met een column in NRC Handelsblad. Hij begon niet met een aanval op de demonstranten, maar op westerse politici. Die bekommerden zich volgens hem meer om olie en economische belangen dan om vrijheid van meningsuiting. Pas daarna richtte hij zijn pijlen op de straat. Hij schreef over “de moslim-gemeenschap” die “en masse” door de straten trok met “woeste kreten.” Een van de laatste zinnen van de column luidt: “We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.”

Die formulering wordt nu als het bewijs gepresenteerd. Maar generaliseert Komrij hier werkelijk naar alle moslims? Komrij-biograaf Arie Pos weet zeker van niet. “Ik geloof niet dat je van ‘De moslim-gemeenschap trekt ‘en masse’ langs de straten’ kunt zeggen dat Komrij daarmee alle moslims in Nederland bedoelt,” zegt Pos in een reactie per mail. “Het is beperkt tot de protesterenden op straat. Hetzelfde geldt voor de ‘stakkers’ en ‘wolven’. Neem bijvoorbeeld de zin: ‘De Feyenoord-aanhang misdroeg zich op straat’. Geen mens zal denken dat je daarmee alle Feyenoord-supporters in Nederland bedoelt.”

‘Poll, Abrahams en El Hamidi lezen eigenlijk te kwader trouw, vanuit een vooringenomen kleinzerigheid die de woorden bewust hyperbolisch uitvergroot, door Komrijs ‘de’ als ‘alle’ in te vullen.’

Arie Pos, biograaf Gerrit Komrij

Pos stelt dat El Hamidi en Abrahams de zin bewust verkeerd uitleggen. “Poll, Abrahams en El Hamidi lezen eigenlijk te kwader trouw, vanuit een vooringenomen kleinzerigheid die de woorden bewust hyperbolisch uitvergroot, door Komrijs ‘de’ als ‘alle’ in te vullen. Komrij schreef niet ‘alle’. Ze houden geen rekening met de explosieve context toen of de geloofsbrieven van de – boos reagerende – auteur.”

Hij noemt het een bekende truc. “De beschuldiging dat iemand generaliseert is een bekende kaltstell-truc uit de anti-discriminatiebeweging. Ik geloof dat je Komrij dan bewust wilt misverstaan. Hij heeft fel tegen gewelddadig moslimradicalisme en moslimdictators geschreven, maar nooit tegen ‘alle moslims’.”

Pos wijst er in een artikel op de website Neerlandistiek.nl op dat er bij de Rushdie-demonstratie zes- tot zevenduizend demonstranten waren, anderhalf procent van de 450.000 moslims die destijds in Nederland woonden. Volgens hem richtte Komrij zich op een kleine groep extremisten die een moordfatwa steunden, niet op een hele bevolkingsgroep. Hij concludeert: “Komrij was geen racist of islamofoob met een tunnelvisie.”

Wat El Hamidi en Abrahams niet vermelden: Komrij schreef bijna twee decennia na die column expliciet tégen de beweging die zij nu in hem herkennen. In 2010 verscheen zijn essaybundel Morgen heten we allemaal Ali. Het titelessay heette oorspronkelijk Het populisme of de grenzen van de democratie en was een lezing die Komrij hield in het jaar dat Geert Wilders zijn film Fitna uitbracht. Het antimoslimpopulisme was in die tijd mainstream aan het worden, met Wilders als belangrijkste stem.

Komrij viel politici aan die ‘vreemdelingen, of ze nu Koerd, Turk of Limburger zijn, bij voorbaat van de beschaafde wereld uitsluiten.’

Komrij opende zijn essay met een frontale aanval op dat populisme. “Populisme is wat ik het meest haat van al,” schreef hij. “Met een haat waardoor ik me bijna een mens voel.” Hij viel politici aan die “vreemdelingen, of ze nu Koerd, Turk of Limburger zijn, bij voorbaat van de beschaafde wereld uitsluiten.” Het is precies de beweging die El Hamidi en Abrahams nu in hem herkennen. Terwijl Wilders groeide, schreef Komrij tegen wat Wilders vertegenwoordigde.

Sterker nog, aldus Pos: “Hij waarschuwde vanaf 1990 bovendien vaak tegen de opkomst van Nederlands rancuneus nationalisme dat ‘de moslims’ tot zondebokken zou maken en in elke moslim een terrorist zag. En ziedaar: daar kwamen Fortuyn, PVV en FVD.”

Wat blijft is een paradox. Een schrijver schreef in 1989 in de hectiek van het moment een column over demonstranten die een moordfatwa steunden. Bijna twee decennia later schreef hij expliciet tegen de beweging die nu uit die column wordt afgeleid. Nog eens twee decennia verder geldt hij als symbool van precies wat hij bestreed. Zijn waarschuwingen tegen het nationalisme dat opkwam – en dat inderdaad opkwam, met partijen als LPF, PVV en FVD – worden vergeten. Die ene misschien onzorgvuldig geformuleerde zin van bijna veertig jaar geleden bepaalt nu zijn nalatenschap. Dat lijkt nogal onterecht.