Dick Maas: ‘Filmen is een dure hobby’

Deze maand wordt-ie 75: Dick Maas, de man achter De Lift, Flodder en Amsterdamned. Toch zit de sleet er allerminst in. ‘Ik heb de ultieme film nog steeds niet gemaakt.’

Verschenen in het aprilnummer van Playboy, 2026.

Bij het retrospectief in Eye werden al je films weer op het witte doek vertoond. Sommige had je twintig, vijfentwintig jaar niet meer gezien. Leverde dat verrassingen op?
Do Not Disturb, mijn Engelstalige thriller met William Hurt, had ik meer dan twintig jaar niet gezien. In mijn hoofd was dat een flop, omdat het destijds maar zestigduizend bezoekers naar de bioscoop trok, wat tegenwoordig trouwens niet eens zo slecht is, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Ik vond het zelfs een goede film.’

Film is de snelst verouderende kunstvorm, zeggen ze. Als je nu terugkijkt naar je eigen werk: welke films doorstaan de tand des tijds?
Bijna allemaal, zou ik zeggen. Hoeveel Nederlandse films uit de jaren tachtig ken je nog? De Lift, Flodder en Amsterdamned worden nog steeds vertoond. Je zou denken dat ze misschien gedateerd overkomen, maar dat is volgens mij niet zo. Het eerste wat verouderd in film is de verteltechniek. Ik merkte het weer bij de vertoning van mijn films hier in EYE: de mensen die ik sprak waren verbaasd over het tempo van de films.’ 

‘Dezelfde tekst nog een keer, maar dan sneller’ is naar verluidt een van je belangrijkste regieaanwijzingen.
Dat zei Lou Landré, Sjakie in Flodder, geloof ik een keertje. Maar het klopt, ik zal dat heel vaak gezegd hebben. Kijk naar Billy Wilder, hoe snel de dialogen gaan in een film als Some Like It Hot. In comedy moet je vlot zijn. Bij een thriller is dat anders.’

Paul Verhoeven is lang verguisd en wordt nu op een schild gehesen. Is dat bij jou ook aan het gebeuren?
Ik heb gelukkig altijd een trouwe schare volgers gehad, maar ik merk wel dat ik nu iets serieuzer word genomen dan lange tijd het geval was. Misschien ook omdat mensen zien dat er weinig andere Nederlandse filmmakers zijn die bezig zijn die…’

De kop boven het maaiveld uit durven steken.
‘Ja, die zelf met originele ideeën komen en dat dan ook gewoon gaan maken. Wat ik jammer vind, is dat filmcritici elkaar altijd napraten. Elke keer lees ik weer dat mijn scenario’s nergens over gaan. Zelfs op Wikipedia staat dat mijn films zich kenmerken door botte grappen en een gebrek aan inhoud.’

Dat heb je misschien ook een beetje aan jezelf te wijten. Een van je bekendste uitspraken is, gevraagd naar de boodschap in je films: ‘Boodschappen doe je maar bij de Albert Heijn’.
‘Dat heb ik inderdaad eens geroepen, en misschien had ik dat beter niet kunnen doen.’

Waarom niet?
‘Er zitten vaak inhoudelijke statements in mijn films, maar die verdwijnen allemaal achter zo’n uitspraak. Pas sinds een paar jaar hoor ik af en toe: er zit toch een visie op de maatschappij in zijn films. Die boodschap voeg ik er niet bewust aan toe, maar hij zit er wel degelijk in. Mensen die schrijven dat mijn films nergens over gaan, zijn vaak niet verder gekomen dan Flodder.’ 

Flodder heeft volgens mij ook een duidelijke boodschap: de nette buren zijn net zo erg als de Flodders, alleen verbergen ze het wat beter. Dat gaat over de hypocrisie binnen de maatschappij.
‘Jij zegt het.’

Je wordt in april 75. Is dat iets waar je mee bezig bent?
‘Nee, niet zo. Af en toe moet ik zelfs even nadenken: hoe oud ben ik ook alweer? Het is wel zo dat ik steeds vaker denk: jongens, we moeten een beetje opschieten.’ 

Opschieten waarmee?
‘Nou, ik wil nog wel een paar films maken, maar in Nederland ben je zo vijf jaar bezig voordat die film er is. Tussen Amsterdamned II en mijn een na laatste film Prooi zit negen jaar.’

Het probleem is dus niet dat je geen ideeën hebt.
‘Er liggen stapels scripts klaar in mijn kantoor: historische thrillers, sciencefictionfilms, een spionageverhaal. Als het had gekund, had ik om de twee jaar een film gemaakt, maar dat is niet mogelijk in Nederland.’

Waaraan ligt dat?
‘Aan geld, het ligt altijd aan geld. Filmen is een dure hobby. Sint, mijn film uit 2010, had ook een aanloop van tien jaar. Het eerste idee had ik in 1999 en het script was klaar in 2005. ls het script af is, wil je draaien, maar als je dan nog vijf jaar moet wachten, ben je in je hoofd alweer met het volgende project bezig. Eigenlijk maak je steeds de film die je al niet meer wilt maken. Prooi is een ander goed voorbeeld. Het basisidee lag er al tien jaar voordat we de financiering rond kregen. Je maakt als regisseur dus niet de film die je op dat moment wilt maken, maar waarvoor je de financiering rond kan krijgen.’ 

Heb je nog films die je per se wilt maken?
‘Ik heb één of twee scripts liggen waarvan ik denk: die zou ik graag nog willen maken, mits er voldoende budget is. Maar een heleboel ideeën uit het verleden zijn inmiddels achterhaald. Daar baal ik van. Die scripts hadden gemaakt moeten worden in de tijd dat ze er lagen. Dat is niet gebeurd, en nu is het te laat.’

Amsterdamned II had de beste opening en de hoogste recette van alle Nederlandse films van het afgelopen jaar, maar trok driehonderdduizend bezoekers. Is dat genoeg? ‘Nee. Driehonderdduizend bezoekers vind ik voor een film die zoveel in de publiciteit is geweest niet veel. Je denkt zelfs een klein beetje: waar doe ik het nog voor. Films maken is op deze manier niet meer rendabel. Ik zal het je voorrekenen. Driehonderdduizend verkochte kaartjes brengt ongeveer drieënhalf miljoen euro op. Zestig procent daarvan blijft bij de bioscoop. Van de veertig procent die naar de distributeur gaat, worden nog de marketing- en distributiekosten afgetrokken. Dan blijft er een paar ton over voor de producent. We gingen uit van een budget van tien miljoen, toen werd het acht, en uiteindelijk hebben we de film voor zesenhalf miljoen euro gemaakt. We zijn bewust om het Filmfonds heen gegaan, want als we die aanvraagprocedure in waren gegaan, hadden we niet eens kunnen draaien, dan waren we weer een jaar verder geweest. We hebben particuliere financiering gezocht. Dat ging goed, maar ik ben bang dat we die investeerders niet kunnen terugbetalen. Misschien over tien jaar, als de film ook aan andere landen is verkocht, maar ik vraag het me af.’ 

Ter vergelijking: Gooische Vrouwen trok in 2011 nog twee miljoen bezoekers, Sint een jaar eerder, trok honderdduizend bezoekers in het eerste weekend. Die tijden zijn voorbij?
‘Als zelfs Avatar hier nog maar net een miljoen bezoekers haalt — de grootste Amerikaanse release van het jaar — dan weet je het wel.’

Is films maken eigenlijk nog wel leuk?
‘Dat is een vraag die ik me tijdens een draaiperiode ook vaak stel. Je denkt steeds: deze keer gaan we het op een normale manier doen, maar dan krijg je toch telkens weer tegenslag. Je moet tijdens een draaiperiode bijvoorbeeld steeds concessies doen. Vroeger ging je daar een soort strijd voor aan: je moest en zou de film maken die je in je hoofd had, koste wat kost. Die drift is er nog wel, maar de lol verdwijnt als je halverwege het draaien weer scènes moet schrappen omdat het geld op is. Ik weet dus niet of ik films maken nog wel leuk vind. Ik weet eigenlijk ook niet of ik het vroeger wel leuk vond. Flodder in Amerika was, nu ik erover nadenk, ook niet heel leuk om te maken vanwege alle bureaucratische rompslomp, maar gek genoeg vergeet je dat en onthoud je alleen de leuke dingen.’

Amsterdamned II speelt zich grotendeels af in de regen. Een bewuste keuze, maar ook een dure.
‘We hebben twee weken met regenmachines gedraaid, midden in Amsterdam. Dan kom je al snel op minstens tachtigduizend euro per draaidag, inclusief stunts enzo, maar toch. Het eerste wat de productie vroeg: kunnen we die regen niet schrappen? Dat scheelt een paar ton op de begroting. Het is hetzelfde als bij Sint, toen vroegen ze of de sneeuw er niet uit kon. Maar die regen ís het karakter van de film, net als de sneeuw het karakter van Sint was. Als je dat weghaalt, kun je net zo goed thuisblijven. Daar heb ik mijn poot stijfgehouden. Dan laat ik liever iets anders vallen.’

Wat is er dan gesneuveld?
Een uitgebreide achtervolging over de daken van Amsterdam. Een heftige bloederige scène op de gracht: die heb ik ook helemaal geschrapt. Er waren ook onderwaterscènes gepland, mariniers die onder water schieten. Oorspronkelijk was de bedoeling om dat echt te draaien in een bassin. Dat kost al snel vier ton. Uiteindelijk hebben we het dry for wet gedaan: droog in de studio, met rook en slow motion en blowers. Met wat luchtbellen en visual effects erbij ziet het er beter uit dan ik het ooit onder water had kunnen doen, omdat ik er zo meer controle over had. Niemand die het verschil ziet.’

Die dry for wet-techniek is in feite een visueel trucje. Speelt AI inmiddels ook een rol bij het omzeilen van budgetproblemen?
‘Absoluut. AI is een verlengde van de visual effects. Bij Amsterdamned II hebben we het veel gebruikt, vaak in combinatie met traditionele effecten. AI genereert een basisbeeld, daar gaan de visual effects-specialisten nog overheen, en zo bouw je laag voor laag je shot op. Zonder die combinatie had ik de film voor dit budget niet kunnen maken. Ik ben elke dag aan het spelen met AI. De technische ontwikkelingen gaan ongelooflijk hard.’

Wat kun je er op dit moment al mee?
‘Een waanzinnig shot maken lukt al, maar het moet passen binnen je verhaal, en daar zit het probleem. Je kunt de camerastandpunten inmiddels aanpassen — ‘breng de camera iets meer naar rechts’ — maar dat werkt in de praktijk nog niet zo goed. Als je wilt dat de man op de achtergrond net iets langzamer loopt, lukt dat ook nog niet. AI weet soms ook niet wat de voor- en achterkant van een auto is, dus rijdt de auto in een achtervolging opeens achteruit. Elke week wordt het beter, maar de techniek is nog lang niet toereikend om er een hele film mee te maken.’

Dat zal vast niet lang meer duren.
‘Over een jaar of vijf kun je als kijker gewoon zeggen: ik wil een film die in Rusland speelt, met een auto-achtervolging en een dramatische liefdeslijn en een paar zinderende actiescènes, en een paar minuten later heb je die film. Je kunt nu al filmpjes van tien, vijftien seconden laten genereren. Je typt in: twee mannen vechten met elkaar, maak het spectaculair, doe het in vier shots. Over een tijdje verdeelt een platform zo’n opdracht in een paar honderd van zulke prompts, zet alles achter elkaar, en je hebt een speelfilm.’

Is dat dan een goede film?
‘Waarschijnlijk niet heel goed, maar ook niet heel slecht. Kijk naar muziek: er zijn al honderden zenders die alleen maar door AI gegenereerde nummers uitzenden. Je zegt: doe mij hiphop, en je krijgt de hele dag hiphop, allemaal speciaal voor jou gemaakt. Ik heb zelf ook muziek gemaakt met AI, en soms denk ik: verrek, dat klinkt lekker. Maar goed, muziek werd ook vóór AI al samengesteld uit stukjes die je ergens had opgepikt. ‘Oh, dat is een lekker drumloopje, laten we dat nemen.’ Het verschil met AI is kleiner dan je denkt. En muziek loopt altijd iets voor op beeld. Wat daar nu gebeurt, krijgen we straks met film. Dat zie je nu al: AI wordt gestimuleerd door de streamers, want daardoor gaan de kosten naar beneden. Scripts worden door AI geschreven, figuranten worden door AI gemaakt. Film wordt straks een goedkoop massaproduct en de mensen pikken dat. Je kunt nu al de grootste troep online zetten en het publiek smult ervan. De goede films, met leuke ideeën van creatieve makers, worden door die ontwikkelingen veel te duur. Waarom zou een streamer daar geld in steken? ‘O, daar heb je die Dick Maas weer, met zijn dure ideeën.’ Ik hoor het ze al zeggen.’

Voor een regisseur lijkt me dat een schrikbeeld. Dat is toch de dood van de filmkunst?
‘Ik zou het geen schrikbeeld noemen, want het geeft ook weer nieuwe mogelijkheden. De bioscopen gaan langzaam verdwijnen. Streamingsdiensten hebben de toekomst. Regisseurs zullen in de toekomst hun eigen winkeltje moeten gaan runnen. Je maakt met AI een film die wél creatief is en zet die op een platform, bijvoorbeeld op YouTube. Misschien zegt een streamer: dat is interessant wat je maakt, ik wil dat wel van je kopen, maar dat hoeft niet. Het wordt een soort cottage industry. Filmmaken zal door deze ontwikkeling nooit meer hetzelfde zijn. Het kan best dat Amsterdamned II mijn laatste traditionele bioscoopfilm is.’

Heb je zelf weleens plannen neergelegd bij streamers?
‘Ja, maar die werden allemaal afgewezen. Ik wil best een film of een serie voor een streamer maken, maar je wordt beknot in je vrijheid, dat hoor je van iedereen. Dat wil ik niet. Ik wil dat doen op mijn manier.’

Een streamer wil geen film, die wil content.
‘In de bioscoop zie je het ook. Elke Sinterklaasfilm maakt twee miljoen euro boxoffice. Die films worden gedicteerd door producenten met een businessmodel, niet door makers. Datzelfde geldt voor films als Verliefd op Ibiza of Verliefd op Bali. Ik heb niets tegen Johan Nijenhuis, hij maakt prima films in hun genre, maar ze worden gemaakt omdat ze goedkoop te financieren zijn en gegarandeerd succes hebben. Het is een verdienmodel, geen filmkunst.’

Zijn er nog echte makers in Nederland?
Cyriel Guds met zijn Loverboy: Emoties Uit — die maakte daarmee een film uit zijn hart. Martin Koolhoven doet dat ook, net als Alex van Warmerdam. Maar verder? De meeste regisseurs verfilmen in opdracht braaf een script van iemand anders, maar waar zijn de makers met een eigen idee, die een scenario schrijven en de film vervolgens maken? Ik mis regisseurs met een stevige persoonlijkheid.’ 

Wat is eigenlijk het belangrijkste dat een regisseur doet?
‘Wat hij moet doen: het hele product bij elkaar houden. De visie van de regisseur overstijgt alles. Er zijn nu discussies of cameramensen en andere crewleden ook residuals moeten krijgen, nabetalingen voor hergebruik van een film, omdat zij een creatieve inbreng zouden hebben. Ik vind dat onzin. Iedereen werkt onder supervisie van de regisseur. Ik huur een goede kostuumvrouw in omdát ik weet dat ze goede smaak heeft. De regisseur bepaalt, en als het misgaat krijgt hij het ook op zijn bord. Dat hoort bij het vak.’

De regisseur is volgens jou dus de onbetwiste baas op de set. Tegenwoordig kan dat zomaar een ‘toxische werksfeer’ worden genoemd.
‘Wat is daar toxisch aan? Je merkt soms op de set dat de hiërarchie verdwijnt. Dat iedereen denkt mee te moeten praten over hoe een acteur moet spelen. Lichtassistenten die bij een acteursgesprek komen staan.’

Wat doe je dan?
Dan zeg ik daar wat van, of ik huur iemand niet meer in. Ik heb mensen van de set gestuurd omdat ze zich met de film gingen bemoeien. Het mag op draaidagen best gezellig zijn, bij mij wordt altijd veel gelachen, maar iedereen heeft zijn eigen taak en er moet wel hard gewerkt worden. Ik heb eens uitgerekend wat een draaidag kost; meer dan 80 euro per minuut. Dat zijn geen theekransjes.’

Heeft een acteur weleens geweigerd wat je vroeg?
Bij Flodder in Amerika wilde Huub Stapel het woord ‘mietje’ niet zeggen. Nelly Frijda had hem ingefluisterd dat hij dat beter kon laten. Ik heb het ter plekke veranderd in iets als ‘sukkel’, maar later heb ik Huub alsnog overtuigd om ‘mietje’ in te spreken, en dat is het ook geworden. Alleen klopt de lip-sync nu niet meer.’ 

Bij Amsterdamned II kreeg de film na één klacht een extra Kijkwijzer-pictogram voor discriminatie, vanwege een scène waarin een taxichauffeur een dragqueen weigert. Dat was groot nieuws. Jij bent ertegen in beroep gegaan.
‘Niemand in de cast of crew had moeite met die scène. Niemand had gedacht dat het een probleem zou zijn. De hele essentie is juist dat de film laat zien dat het niet oké is wat die taxichauffeur doet. Daarom zijn we een procedure gestart om dit terug te draaien.’

Het is niet de eerste keer dat je provoceert.
‘Maar dit is geen bewuste provocatie. Bij Moordwijven had ik een popgroep bedacht die de Fucking Holocausters heette — dat was wél bewust uitdagen. Maar een taxichauffeur die een transpersoon laat staan is gewoon de werkelijkheid.’

In de documentaire De Dick Maas Methode is te zien hoe Tatjana Simic bij de opnames van Flodder moeite had met de buurmanscène. Ze was 23, had geen acteerervaring, en moest gedeeltelijk bloot terwijl een man die ze nauwelijks kende haar van achteren beetpakte. Ze heeft voor de opnames zitten huilen. Jij zei in diezelfde documentaire: ‘Gewoon broek uit en klaar.’
‘Ja, dat heb ik gezegd, en zo dacht ik er toen waarschijnlijk ook over. De scène moest nu eenmaal worden opgenomen. Ik was seksscènes in die tijd zelf ook niet gewend, het is altijd een beetje gênant. Ik had gelukkig een goede assistente die dat helemaal begeleidde en met de acteurs besprak. Bij Flodder 3 hadden we acteurs die uit het pornocircuit kwamen, die zijn dat gewend, dan kun je zeggen: jullie gaan daar lekker tekeer. Maar met gewone acteurs ligt het gevoelig. Het is altijd ongemakkelijk.’

Zijn je ideeën daarover veranderd? Tegenwoordig moet er een intimiteitscoördinator bij.
‘Ja, bij Amsterdamned II moest dat eigenlijk ook. Er was een zoenscène, een brave kus op een boot, en een tikje op een bil. Ik heb de acteurs gevraagd of ze zo’n coach nodig vonden. Nee, zeiden ze. Bij een heftige scène vind ik het prima om iemand erbij te hebben. Ik zeg wat ik wil zien en zij vertalen dat naar de acteurs, dat is prettig. Maar bij een zoentje en een tik op de billen kost het je meteen vierhonderd euro per dag voor zo’n coach. Dat vind ik nonsens.’

Je hebt ook drie Amsterdamned-boeken geschreven, over het Erik Visser-personage uit de films. Zou je die nog willen verfilmen? Een Amsterdamned III, of eigenlijk drie, vier en vijf?
‘Niet per se als bioscoopfilm, maar die boeken lenen zich prima voor een miniserie. Zo heb ik ze ook een beetje opgezet. Ik zou wel wat aan de personages moeten veranderen, maar het materiaal is er. Als de gelegenheid zich voordoet, zou ik dat zo kunnen maken.’

Als je je carrière over zou mogen doen, wat zou je dan anders hebben gedaan?
‘Dan zou ik muzikant zijn geworden. Muziek maken is een van de leukste dingen die er is. Op een gegeven moment was het een afweging: ga ik door in de muziek in of de film? Ik heb in bandjes gezeten, heb de muziek voor mijn films gemaakt en maak thuis nog steeds muziek. Maar uiteindelijk is het verhalen vertellen wat ik het allerleukste vind, of dat nu via film is of via een boek.’

En als dit alles was, als er geen film meer komt, zou je dan vrede hebben met wat je hebt gemaakt?
Nee. Ik heb de ultieme film nog steeds niet gemaakt.’

Wat voor film zou dat zijn?
Bij het retrospectief is me gevraagd wat mijn favoriete film aller tijden is. Dat is A Clockwork Orange van Stanley Kubrick. Daar komt alles in samen: de beelden, de soundtrack, het spel van de acteurs, en het verhaal, en dan klopt het ook nog eens allemaal. Zo’n film zou ik ook nog willen maken. Een film die niet in een genre past: niet meteen een slasher of een romcom, maar een eigen soort genre. Een beetje absurdistisch, met een goed verhaal, een kijk op de wereld erin. Het mag best een boodschap hebben, al zit ik daar zelf niet op te wachten, maar het moet vooral entertaining zijn, met goede acteurs.’

En of dat met AI is of op de traditionele manier…
‘Over een tijdje ziet niemand het verschil meer. Het blijft leuker om met echte acteurs te werken, maar als daar geen geld voor is, dan maar met AI. Als het maar gemaakt wordt. Wat dat betreft kan ik nog jaren vooruit.’