Dit interview met Hanneke van Schooten verscheen in haar bundel Zeven manieren om thuis te komen. Van Schooten debuteerde in 1990 met Dit landschap zien en was tot haar pensionering universitair hoofddocent Staatsrecht en Rechtsfilosofie aan de Universiteit van Tilburg. Een gesprek over Willem Brakman, de rust van Schiermonnikoog en de betekenis van de witregel.
In eerdere bundels, De slapende stad en Getijden, is de dood van uw man een belangrijk thema. In deze bundel is dat minder.
“Hij is nog steeds overal aanwezig in zijn afwezigheid, ook in deze bundel. Het is alleen wel zo dat er nu ook meer gedichten over het schrijven van poëzie in staan in samenhang met het thema ‘tijd’. Die conclusie trok ik toen ik de bundel in zijn huidige vorm voor het eerst overlas. Mijn poëzie is lichter geworden, dragelijker geworden. Dat vond ik een interessante constatering. Poëzie is natuurlijk een weerslag van je leven. Eigenlijk schrijf je tijdens je leven één lang gedicht, waarbij de bundels de cesuren vormen. De slapende stad is heel zwaarmoedig. Dat beschrijft de nacht voorafgaand aan de begrafenis van mijn man. Getijden is al weer wat lichter. Het is een ode geworden aan een verdwenen geliefde. In de liefde is de afwezige de grootste liefde. Zodra je samen gaat leven gaan de perikelen van alledag spelen, maar de afwezige geliefde blijft voor altijd de ideale geliefde. Ik heb het geschreven in het jaar van mijn pensionering. Ik had tot die tijd al mijn energie in wetenschappelijke publicaties gestopt en wilde me nu aan deze bundel wijden. Dus ik ben een jaar lang op Schiermonnikoog gaan wonen. Ik heb daar toen wat mensen leren kennen, waaronder mijn huidige geliefde. Dat is misschien een van de veranderingen die maken dat deze bundel weer wat lichter is dan de vorige. Al blijf ik natuurlijk een aartsmelancholicus. Mijn gedichten hebben altijd met gemis of afwezigheid te maken.”
Hoe ontstaat een gedicht eigenlijk?
“Dat is heel verschillend. Soms komt er alleen maar een regel, soms komt er een beeld. Nacht is bijvoorbeeld ontstaan uit een beeld. Ik was een maand writer in residence in het voormalig woonhuis van Adriaan Roland Holst in Bergen. Het was een prachtig rietgedekt villaatje met rondom een tuin. Ik was er in oktober. De rozen bloeiden nog. Op een avond zat ik aan de schrijftafel en keek uit over de tuin in de richting van de duinenrij en zie wat koeien staan. Zo is dat gedicht ontstaan.”
Een deel van de gedichten in deze bundel heeft u geschreven in dat huis. Is de invloed van dat huis, met zijn geschiedenis en zijn beroemde bewoner, ergens terug te vinden in de gedichten?
“Het huis is in de loop der jaren natuurlijk helemaal verbouwd en er is weinig origineels meer over. Alleen de spiegel in de slaapkamer is de originele spiegel. Verder heeft het geen invloed gehad op mijn stijl, of hoe ik schrijf, maar je krijgt door de geschiedenis van dat huis wel het idee dat je in een literaire traditie staat, dat je opgenomen bent in de stroom van mensen die daar geworsteld hebben met taal, dat je op dezelfde plek bent van waaruit zij hun gedichten de wereld in hebben gestuurd.”
Roland Holst vertelde in een interview eens dat hij de rust die hij daar vond nodig had om gedichten te kunnen schrijven. Is rust een voorwaarde om tot goede poëzie te komen?
“Je moet inderdaad geen sores aan je kop hebben. Dan lukt het niet. Vroeger was mijn leven heel erg hectisch. Ik had een zware baan als universitair hoofddocent Staatsrecht en Rechtsfilosofie aan de Universiteit van Tilburg, met alle dwang van publicaties, colleges en begeleiding van studenten bij doctoraalscripties en promovendi bij hun proefschriften, en was constant onderweg. De zee had dan altijd een rustgevende werking op me. Roland Holst vond die rust in Bergen, ik op Schiermonnikoog. Ik kwam daar in de jaren 80 omdat Willem Brakman schreef dat hij daar altijd zo gelukkig was. Hij was natuurlijk een ongelukkige man met een moeizaam leven, maar daar was het leven geweldig. Dus ik moest daar ook maar eens naartoe. Tegenwoordig ben ik er bijna wekelijks. Zodra de boot losraakt van de wal speelt de agenda geen rol meer. Je komt als het ware buiten de tijd te staan. En dan moet je gewoon gaan zitten, aan je bureau, of met pen en papier in de duinen. En dan komt er iets. Of niet.”
En als het dan komt, wanneer weet je dan dat het af is?
“Dat is een heel intuïtief proces. Je weet wel wanneer een gedicht niet af is. Soms is een gedicht zo weerbarstig dat je het moet opgeven. Ik heb de afgelopen jaren misschien wel honderdvijftig gedichten geschreven, waarvan dit slechts een selectie is. De rest is in een laatje of de prullenmand beland. Het kan ook gebeuren dat een gedicht vrijwel meteen op papier staat. Dan zie je een beeld of hoor je een zin en dan schrijft het gedicht zich als het ware vanzelf. Een gedicht is pas klaar als de woorden gelukkig zijn met elkaar. Soms passen klanken of associaties van woorden niet bij elkaar en dan wil zo’n gedicht niet. Dan moet je luisteren wat zo’n gedicht wil. Een gedicht wordt door de taal geboetseerd. Poëzie schrijven is ritme, het zijn de klanken, het is een soort muziek die je maakt. Daardoor laat je je leiden. Mensen denken altijd dat je, wanneer je dicht, je emoties op papier smijt, maar dat is het niet. Dichten is eigenlijk een heel koud en kil proces. Je kijkt heel nauwkeurig hoe je het maximale uit woorden kunt halen om te bereiken wat je wilt.”
In het gedicht Adem lees ik dat witregels daarin heel belangrijk zijn. Leg eens uit?
“Ik kwam een mooi essay tegen van Martinus Nijhoff waarin hij schreef over de stilte, over de adempauze in een gedicht. Hij schrijft dat er veel betekenis zit in het moment dat je ademhaalt voordat je een woord uitspreekt. Ik werd toen nog meer bewust van het nut van het wit, dat zo’n stilte op papier invloed heeft op het woord of de regel die daar staat. Ik denk dat een gedicht je niet alleen kan troosten in de schoonheid van de inhoud, maar ook in de schoonheid van de vorm. Het nut van die witregel is het versterken van dat gevoel en het overbrengen van dat waar een ander door gegrepen wordt. Noem het ontroering. En bij elke nieuwe bundel hoop je weer dat dat lukt. Als je dat bevestigd krijgt in reacties, durf je de gedichten los te laten en op eigen benen te laten staan.”