Stradivarius van Rembrandt

Herman Brusselmans (66) over De Beste Grap Aller Tijden.

“Tommy Cooper vertelde eens het volgende. Je moet het hem zien vertellen, met dat onnozele gezicht van hem.

‘Ik was laatst de zolder aan het opruimen met mijn vrouw. Smerig, onder het spinrag, maar ze is goed voor de kinderen. Wat denk je, vind ik een Stradivarius en een Rembrandt. Helaas heeft Stradivarius het schilderij gemaakt en Rembrandt de viool.’

De omkering maakt deze grap zo goed. Een andere grap waar ik meteen aan moest denken bij de vraag wat de beste grap aller tijden is, gaat ook over een schilderij, maar is van Herman Finkers.

‘Ik moet bekennen dat moderne beeldende kunst mij zelden bekoort. Het is toch vaak niet meer dan – om mijn moeder te citeren – ‘Nen klodd’n hier, nen klodd’n doar en et kunstwerk is weer kloar.’ En als je dan het resultaat bekijkt, dan zeg je: ‘Ja, dat kan mijn zoontje van vier ook.’ Bekijken we bijvoorbeeld dit kunstwerk, van de Fransman Picard, die leefde van 1920 tot 1924…’

Dit is een grap die mij meteen in de lach doet schieten. 

Als ik zelf iets grappigs probeer te schrijven dan zit ik niet hardop te lachen, maar ik weet wel wanneer iets zal werken. Als ik optreed lees ik bijvoorbeeld nooit iets voor uit een van mijn boeken, maar lees ik speciaal daarvoor geschreven podiumverhalen, die veel meer naar spreektaal neigen. De beste opening voor een optreden is trouwens ook bedacht door Finkers. ‘Dames en heren, ik heb er zin in vanavond. Alleen jammer dat ik eerst nog twee uur moet optreden.’ 

Café-moppen doen het ook altijd goed. Laatst heb ik er nog een verteld in De Slimste Mens Ter Wereld: ‘Een man koopt een hond en zegt tegen die hondenverkoper: ik ben op zoek naar een bijzondere exemplaar. Ah, zegt de man, ik weet wel wat, loopt u maar even mee. Achter de hondenfokkerij ligt een rivier. Hij pakt een hond uit een van de kooien, gooit een stok in die rivier en die hond loopt zo over het water naar die stok. Hij pakt de stok en loopt over het water weer terug. ‘Hoeveel moet die hond kosten’, vraagt de man. De fokker antwoordt: ‘Drieduizend euro.’ ‘Tsss’, zegt die man, ‘dat is veel te veel geld voor een hond die niet kan zwemmen.’ 

Je wordt met gevoel voor humor geboren, dat kun je niet aanleren. Ik had een grootvader langs moederskant – jong weduwnaar, alcoholicus, met zijn drinkebroers vaak te vinden was in de bordelen – die heel goed mensen achter hun rug om kon imiteren. Humor zit dus in de familie. Ik merk ook aan mijn zoontje van zeventien maanden dat hij gevoel voor humor heeft. Hij spreekt nog niet, maar hij doet dingen die hij niet mag, zijn vingers in het stopcontact steken enzovoort. Dan zeg ik: ‘Dat mag niet, Roman’, maar hij lacht me met zijn ogen gewoon uit. Hij weet dat hij dat niet mag doen, maar je ziet hem denken: wat ga je dan doen, ouwe. Ik voed hem nu op met grappen van Hans Teeuwen. Ken je de sketch Adolf van Duin? Dat hij Adolf Hitler na doet met de stem van André van Duin? Dat laat ik hem dan zien. Of dat fragment over wereldmuziek. Over Aziatische (‘hatsjinikongka!’) en Afrikaanse (amekawekagabajeeee) muziek. Dat zing ik dan voor mijn zoontje en dat vindt hij leuk.”