Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Van nature ben ik geen pessimistisch mens’

Ilja Leonard Pfeijffer (58) schreef een boek over het verval van de democratie. ‘Mijn probleem is dat ik bijna altijd gelijk heb, dat komt arrogant over.’

Twintig vragen aan Ilja Leonard Pfeijffer. Verschenen in het februarinummer van Playboy. (2026)

1. Je nieuwe essaybundel heet Absolute democratie. Wat is de kernboodschap van dit boek?

‘Het boek komt voort uit zorgen over wat ik om mij heen zie gebeuren, over de afkalving van de democratie vooral. De term ‘absolute democratie’ heb ik bedacht naar analogie van de monarchie. Een constitutionele monarchie is een monarchie waarbij de macht van de koning is vastgelegd en ingeperkt door de grondwet, het tegenovergestelde zou een absolute monarchie zijn, waar de koning kan doen wat hij wil. Heel lang is het vanzelfsprekend geweest om over onze democratie te spreken als een constitutionele democratie, maar wat we nu zien is dat dit model wordt uitgedaagd door een absolutistische variant – het idee dat degene die de verkiezingen heeft gewonnen het democratisch mandaat heeft om te doen wat hij wil. Om in naam van de democratie de rechtsstaat te negeren en de grondwet aan zijn laars te lappen.’

2. Herkennen mensen die zorgen als je erover praat?

‘Ik was een paar maanden geleden bij een verkiezingsbijeenkomst hier in Genua en raakte in gesprek met een ouder echtpaar. Die man wist dat ik schrijver was en vroeg waar ik mee bezig was, dus ik vertelde over Alkibiades en legde uit dat het boek voortkwam uit mijn zorgen over de staat van de democratie. Daar waren ze het volledig mee eens: de democratie staat op instorten, zeiden ze. Kijk maar naar wat er gebeurd is in Frankrijk, waar Le Pen is veroordeeld, kijk maar naar Trump, die de hele tijd wordt dwarsgezeten door onverkozen rechters. Vance heeft gelijk, het is the enemy within. Dat was voor mij een eye-opener. Zij hadden diezelfde zorgen over de democratie, maar op een diametraal tegenovergestelde wijze. Het was alsof je een discussie hebt tussen pyromanen en brandweermannen die het roerend eens zijn dat het huis in brand staat.’

3. Ben je een pessimistisch mens?

‘Van nature niet, maar de omstandigheden maken het me niet eenvoudig om mijn aard te volgen. Mijn grootste zorg is dat onze democratie aan slagkracht verliest, aan oplossend vermogen. Nederland is het duidelijkste voorbeeld: na twee jaar stilstand is het land zo goed als onbestuurbaar. Dit interne verval valt bovendien samen met enorme buitenlandse dreigingen. We hebben niet alleen een vijand in het oosten, ook onze voormalige bondgenoot in het westen is een vijand geworden. Europa heeft de middelen om zich te ontwikkelen tot een mondiale supermacht, we hebben ook geen andere keuze, maar daarvoor moet je wel eenheid hebben en een goed functionerend bestuur, en daar schort het aan.’

7. Je hebt de perfecte schrijversnaam. Zou je een pseudoniem hebben gekozen als je een minder literaire naam had gehad, zoals bijvoorbeeld je collega Arie Storm?

‘Als ik Arie Storm was geweest, had ik me in het begin misschien nog wel van mijn eigen naam bediend, maar dan komt er een moment waarop je je als Arie Storm begint te schamen voor alles wat je onder die naam hebt geproduceerd. Dan wordt het verleidelijk om die naam van je af te schudden en opnieuw te beginnen.’

11. Je rookt als een ketter. Hoe kan zo’n intelligente man elke dag een pakje shag wegpaffen?

‘Omdat het het enige is wat ik nog heb. Ik ben gestopt met drinken, en als ik ook stop met roken heb ik helemaal geen ondeugden meer. Dat lijkt me niet goed, dus ik klamp me hieraan vast. Het is ook recalcitrantie: als ik ooit stop met roken, wil ik het zelf beslissen, niet omdat er een wet is die mij verbiedt om in cafés te roken of die mijn tabak duurder maakt. Als ik om die reden stop, hebben zij gewonnen. Dat is een reden om alleen maar meer te gaan roken.’

19. Onlangs verscheen de biografie over Joost Zwagerman, waar hij niet al te best afkwam. Hoeveel skeletten heb jij in de kast?

‘Helemaal geen. In mijn geval is een biografie overbodig, want die heb ik zelf geschreven: Brieven uit Genua is mijn autobiografie. Ik heb die biografie van Zwagerman wel met interesse gelezen. Het boek is voorbeeldig, maar het leven dat erin wordt beschreven is voor een schrijver een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Zwagerman was alleen maar bezig met wat anderen over hem dachten, met zijn positie op de apenrots, met eindeloze polemieken. Daarmee is dat talent opgebrand. Ik kan die biografie lezen als een biografie van hoe ik zou zijn geworden als ik niet op tijd een ander was geworden.’

20. Die biografie over jou gaat er ongetwijfeld komen. Wat zou je boodschap zijn voor je toekomstige biograaf?

‘Ik zie al gebeuren dat dat Onno Blom zal zijn. Er zijn weinig mensen die mij zo vaak hebben geïnterviewd. Hij heeft mij ooit geïnterviewd voor het Leidsch Dagblad, en hij heeft dat interview van A tot Z verzonnen. We hebben elkaar wel gezien in Café Burgerzaken, gewoon een gezellige avond, we zaten daar als vrienden. Op een gegeven moment zei hij: ‘Oké, dan moeten we nu even aan het interview. Ben je geboren in 1967 of in 1968?’ Ik zei: 1968. Hij zei: dan heb ik het wel zo’n beetje. De volgende dag stond er een interview in de krant dat totaal uit zijn duim was gezogen. Niets van wat hij had opgeschreven had ik gezegd, maar ik had het wel kúnnen zeggen. Ik hoop dus op een totaal verzonnen biografie die toch wel waar is. Dat is misschien niet eens zo slecht.’