Hoe cultureel is Neelie Kroes?

Neelie Kroes (1941) is net van Wassenaar naar Amsterdam verhuisd. Na een ‘krankzinnig leven’ komt de voormalige eurocommissaris nu in wat rustiger vaarwater. Eindelijk is er wat meer tijd voor de kunsten – wat leest, luistert en ziet zij als niet aan het werk is?

(Interview voor HP/De Stijl, juli 2017)

LEZEN
“U vroeg welk boek ik als laatste gelezen had, maar ik moet even een kleine aanloop nemen om die vraag te beantwoorden. Ik ben de afgelopen dagen verhuisd van een groot huis in Wassenaar naar een appartement in Amsterdam. Ik had een prachtig huis met een grote tuin, maar het was er ook heel eenzaam. Nadat ik afgelopen zomer gestalkt was, zei mijn zoon, die in Amerika woont: ‘Als je nu geen actie onderneemt en een appartement zoekt, dan laat ik je opsluiten.’ En toen vond ik via een vrind een appartement met een afgesloten oprit en een doorman, vlak bij het Museumplein.
Eerst sloeg ik overigens niet zoveel acht op die stalker. Natuurlijk is het vervelend als een of andere dwaas op onmogelijke tijden bij je langs komt, en het was ook heel indringend, maar dat komt wel vaker voor als je een publieke figuur bent. Zo’n man doet niets, zei ik. Tot mijn zoon daarop reageerde met: ‘Dat zei Els Borst ook.’
Dat vond ik een goed argument. Je hoeft maar net de verkeerde te treffen. Daarom heb ik de afgelopen dagen tig dozen met boeken uitgepakt. Maar het boek waar ik in bezig was, over Travis Kalanick, de oprichter van Uber, kon ik niet meer vinden. Dus ik moet u de titel schuldig blijven. Ik ben het boek aan het lezen omdat ik zelf betrokken ben bij Uber en hem dus persoonlijk ken. Veel dingen die ik in het boek las, zijn een bevestiging van wat ik al wist: hij is een geniale jongen, buitengewoon strategisch en iedereen mijlenver vooruit, maar zijn emotionele intelligentie is wat minder ontwikkeld.
“Ik heb de volgens sommigen verschrikkelijke gewoonte om een boek, als het te dik is, met een broodmes doormidden te snijden. Dan is het makkelijker te lezen. Anders is zo’n boek zo zwaar. Als ik aan boord van een vliegtuig om een broodmes vraag, zeggen ze vaak: ‘Ik kan uw brood ook wel snijden?’ Als ik dan uitleg wat ik ermee wil doen, kijken ze me even raar aan en pakken dan een mes. Eenmaal thuis zet ik de twee helften keurig naast elkaar in de kast. De boeken van Elena Ferrante staan bijvoorbeeld zo in de kast. Wat is zij goed. Elke keer als ik hoorde dat er een volgend deel van haar Napolitaanse romans uitkwam, ijlde ik naar de boekwinkel en kocht het. Inmiddels zijn er vier delen. Het gaat over de levenslange vriendschap tussen twee vriendinnen die beiden zijn geboren en getogen in Napels. De families, de intriges, de Italiaanse gemeenschap… Het is Bertolucci op schrift. Ik vind dat heel erg mooi, maar mijn zusje, dat ook graag leest, vindt het helemaal niets. Smaken verschillen. Connie Palmen vind ik ook een aanrader. In haar laatste boek, Jij zegt het, neemt ze het voor de man op, de dichter Ted Hughes. Dat vind ik fascinerend. Het is natuurlijk heel voor de hand liggend om het als vrouw voor een vrouw op te nemen, in dit geval Sylvia Plath, maar dat doet ze niet. (…)”

FILM
“(…) De laatste film die ik heb gezien is Hidden Figures. Ik kende het verhaal al door het gelijknamige boek, dat ik in één adem heb uitgelezen. Het vertelt het verhaal van drie zwarte vrouwen die in de jaren zestig voor de NASA werkten. Het was de tijd van de rassenstrijd. Het was ook de tijd dat het nog helemaal niet vanzelfsprekend was dat vrouwen, laat staan Afro-Amerikaanse vrouwen, een carrière hadden. Dankzij hen lukte het John Glenn in 1962 om als eerste Amerikaan in een baan om de aarde te vliegen. Hij zei later in interviews dat als die drie vrouwen er niet waren geweest met hun berekeningen, hij nooit de ruimte in had durven gaan. Het is goed dat dit soort verhalen verteld worden. Dat ook eens wordt belicht hoe bepalend vrouwen zijn geweest bij belangrijke momenten in de geschiedenis.
Amour vond ik een heel ontroerende film. Het gaat over een bejaard stel, een man en een vrouw, twee gepensioneerde muziekdocenten. Ze wonen in een oud appartement in Parijs. Op een gegeven moment krijgt de vrouw een hersenbloeding. Haar man gaat voor haar zorgen, maar als ze gaandeweg de film steeds verder aftakelt, wordt dat een steeds moeilijkere taak. Hij besluit het heft in eigen handen te nemen: hij smoort haar met een kussen en pleegt zelfmoord. En hoe afschuwelijk die daad op het eerste gezicht ook lijkt, je begrijpt hem. Ook hier wordt iets abstracts als euthanasie door kunst heel invoelbaar gemaakt. Je blik op het onderwerp wordt verbreed en verdiept. Still Alice is ook zo’n film. Julianne Moore speelt een hoogleraar die op jonge leeftijd gediagnosticeerd wordt met alzheimer. Van een vrouw die midden in het leven staat en overal en nergens lezingen geeft, verandert ze in een vrouw die niets meer kan. Eén beeld uit de film zal ik nooit vergeten: ze staat voor de commode waarin de pillen liggen waarmee ze een eind aan haar leven kan maken. En net als ze op het punt staat om die pillen in te nemen, belt er iemand aan en vallen de pillen op de grond. Ze gaat naar beneden om te kijken wie er aan de deur staat, maar raakt de draad dan kwijt en weet niet meer dat ze die pillen in wilde nemen. Ook dat is weer voer voor discussie: je kunt zeggen: ik neem het heft in eigen hand, ik wil mijn familie daar niet mee opzadelen, maar wanneer doe je het dan? Pas als het zo erg is dat je niet meer weet waar de pillen liggen? Dan is het al te laat.”

BEELDENDE KUNST
“Ik heb zelf ook wel wat kunst, maar niet veel. Ik had een kunstwerk waar ik heel erg trots op was, maar dat heb ik net weggegeven aan mijn zoon, omdat ik er geen plaats meer voor had. Toen ik klein was, ging ik met mijn ouders, zusje en broertje naar het Kröller-Müller Museum. Daar stond een creatie van licht materiaal dat bewoog in de wind die ik zo mooi vond, dat ik dacht: als ik later groot ben en ik heb geld, dan wil ik zoiets kopen. Enfin. Ik werd groot, maar inmiddels was de kunstenaar, George Rickey, zo bekend geworden dat zijn werk onbetaalbaar was geworden. Toevalligerwijs was mijn oud-hoogleraar Piet Sanders, die tevens een beroemd kunstverzamelaar was, bevriend met hem. Hij regelde een ontmoeting, zodat ik tegen een gunstig tarief een van zijn werken kon kopen. Ik herinner me die ontmoeting nog goed.
Rickey woonde ergens in de buurt van Boston. Het was in maart, de lucht was strakblauw, en er was een enorme wind – want het was een vrij vlak landschap. Ik stapte voor zijn huis uit de auto en zag honderden bewegende beelden. Ik waande me Alice in Wonderland. Zijn atelier was een hele grote schuur met allemaal lasapparatuur, een soort smidse. Opeens ging de deur open en kwam er iemand binnen in een blauwe overall. George Rickey. Hij liep gebogen; het enige wat ik zag, was een grote bos grijs haar. Toen keek hij op. Ik had nog nooit iemand gezien met zulke prachtige ogen. En al was hij toen al in de negentig – alle leeftijd viel weg. Die middag heeft hij mij zijn werk laten zien en ik kocht een van zijn beelden. Het was zo gezellig dat hij op een gegeven moment zelfs vroeg of ik zin had om te blijven logeren. Ik had nog een ander programma, maar achteraf denk ik: waarom heb ik dat niet gedaan? Ik had eigenlijk alles moeten cancelen. Ik heb jaren van dat beeld genoten. Maar toen ik ging verhuizen naar een huis zonder tuin, moest ik het weggeven. Je kunt het moeilijk op je balkonnetje zetten. Dan word je krankzinnig. Daarom zei mijn zoon: als je echt van me houdt, dan geef je het nu aan mij. En nu is het beeld dus weer onderweg terug naar Amerika.”

Het gehele interview met Neelie Kroes leest u op Blendle.

Advertenties