Minister Ingrid van Engelshoven: ‘Je merkt op dat ik alleen mannen noem als favoriete auteurs, dat klopt’

Ingrid van Engelshoven (54), minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, stuurt met haar beleid aan op meer diversiteit en inclusiviteit in de culturele sector. Maar hoe divers is haar eigen culturele smaak?

Lees verder Minister Ingrid van Engelshoven: ‘Je merkt op dat ik alleen mannen noem als favoriete auteurs, dat klopt’

Sylvana Simons: ‘Ik kan me zelden herkennen in een kunstwerk’

Sylvana Simons (48) is de oprichter van de politieke partij BIJ1 en gemeenteraadslid in Amsterdam. Wat leest, luistert en ziet ze in haar vrije tijd?

Vier pagina tellend interview uit het dubbeldikke zomernummer van HP/De Tijd, juli 2019. Lees het gehele interview hier.

BOEKEN
“Een van de boeken die de laatste tijd veel indruk op me heeft gemaakt, is The Hate U Give van Angie Thomas. Het is een waargebeurd verhaal over een zestienjarig meisje dat in een zwarte wijk woont maar naar een witte school gaat. In haar buurt wil ze niet te wit overkomen, op haar school juist niet te zwart. Die spagaat, waarin veel jonge zwarte meisjes verkeren, wordt heel inzichtelijk gemaakt. Het boek maakte zoveel indruk omdat het perspectief waaruit het is geschreven voor mij zo herkenbaar is; er zijn namelijk weinig boeken die geschreven zijn vanuit het perspectief van een zwarte vrouw. Het boek heeft ook een universeel thema, waarmee ik niet wil zeggen dat wij hier dezelfde problematiek hebben als in Amerika, maar etnisch profileren staat ook hier op de agenda. Vorig jaar heb ik de film ook gezien. Ik begon na twee minuten te huilen en dat is niet meer gestopt. De reacties die ik achteraf hoorde, van zowel zwarte mensen als niet-zwarte mensen, is dat het verhaal een perspectief biedt dat ze totaal niet kennen en duidelijk maakt waar je tegenaan loopt growing up black. Ik denk dat literatuur, en kunst in het algemeen, een onmisbaar middel is om de wereld om ons heen te begrijpen. Kunst is in die zin van onschatbare waarde voor een gezonde samenleving.”

THEATER
“Ik hou van dans, ik hou van stand-up comedy en ik hou van toneel. Als het om dans gaat vind ik alles geweldig. Ik ben zelf natuurlijk danseres geweest en ga daarom zo vaak als het uitkomt naar het Nationaal Ballet. Niet zo lang geleden was ik met een vriendin naar een uitvoering van Cinderella. Wat ik heel mooi vond, is dat ze heel innovatief waren geweest met het decor en de effecten. Het stuk kwam daardoor echt tot leven. Aan het eind van het jaar ga ik naar Alvin Ailey American Dance Theater in Rotterdam. Dat is echt een jeugddroom die uitkomt om hen een keer te zien. Alvin Ailey is zo ongeveer de standaard voor elke zwarte danser. Ze brengen klassiek, modern en jazz en hebben een kwaliteitslevel dat echt ongekend is. Daarbij is het een all black gezelschap wat een hele bijzondere dimensie toevoegt aan de voorstellingen die ze maken. We zijn het niet gewend om all black klassieke dans te zien, we zijn het niet gewend om die – ik ga het toch maar zeggen – fysieke zwartheid te zien. Ik kijk hier dus echt al een jaar naar uit. Ik hou ook erg van black stand up comedy: ik ben een enorme fan van Chris Rock en ik moet altijd lachen om Trevor Noah. Amy Schumer vind ik soms leuk, maar ik kan me niet altijd met haar identificeren. Wat ik niet leuk vind daar kijk ik ook niet naar. Het is voor mij sowieso lastig om iets negatiefs te zeggen, want alles wat ik zeg is uitlokking, dus als ik nu ga zeggen wie ik niet leuk vind dan weet ik zeker dat er een backlash komt. Dat gezegd hebbende: ik heb nog nooit moeten lachen om de oudejaarsconferences van Guido Weijers. Ik zou het heel gaaf vinden als een keer een zwarte cabaretier de oudejaars doet. Mo Hirsi, een vriend van me, heeft het afgelopen jaar in de theaters als eerste allochtoon een oudejaarsconference gedaan. Ik hoop dat hij landelijk ook een kans krijgt. Ik ga ten slotte ook graag naar toneel. Vanavond ga ik naar de voorstelling Black Memories van Danstheater AYA, een voorstelling over ons koloniaal verleden. Ik merk wel dat ik vaak stukken op zoek waar ik mezelf in kan herkennen. Dat betekent in de praktijk dat ik naar kleinere theaters moet en stukken zie die korter lopen dan bijvoorbeeld de stukken van Internationaal Theater Amsterdam, waar ik me als zwarte vrouw niet zo vaak in kan herkennen. Dat had ik met kunst ook lange tijd, totdat ik de tentoonstelling Black is Beautiful zag in de Nieuwe Kerk. Voor het eerst werd de focus gelegd op de zwarte mens in de Nederlandse schilderkunst. Ik ga graag naar musea, maar ik kan me zelden herkennen in een kunstwerk. Bij deze tentoonstelling was het voor het eerst dat ik dat wel kon.”

MUZIEK
“Er zijn misschien wel twintig artiesten waar ik al meer dan dertig jaar naar luister, maar er is niemand in het bijzonder waar ik fan van ben. Prince is wel een favoriet. Die heb ik leren kennen toen ik twaalf was en die luister ik nog steeds. Hij was niet alleen muzikaal innovatief, maar ook iemand die het belang van vrije geesten propageerde. Michael Jackson was ook een favoriet, maar daar luister ik niet meer actief naar sinds ik die documentaire heb gezien waarin hij wordt beschuldigd van kindermisbruik. Laatst liep ik in de supermarkt en toen hoorde ik op de achtergrond zijn nummer Pretty Young Thing. Daar luister je dan toch met andere oren naar. Aan de andere kant hoorde ik laatst ook een nummer van hem van toen hij een jaar of acht was, maar daar had ik minder moeite mee. Ik dacht: hier mag ik nog van genieten, want hier was hij nog onschuldig. R. Kelly is een heel ander verhaal. Dat was ook een favoriet van mij, maar daar ben ik helemaal klaar mee. Ook hij raakte in opspraak omdat hij seks zou hebben gehad met minderjarigen. In beide gevallen ben ik ervan overtuigd dat er grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Dat doet in zekere zin niets af aan de kwaliteit van hun muziek, maar ik vind het moeilijk om met die kennis van die muziek te genieten.”

Hedy d’Ancona: ‘Architectuur is de moeder aller kunsten’

Sociologe, feministe en voormalig politica Hedy d’Ancona (81) is gastcurator van de tentoonstelling Vrouwen van Museum Gouda. Wat leest, kijkt en luistert zij in haar vrije tijd?

Verschenen in het dubbeldikke winternummer van HP/De Tijd. (2018) Het interview was al gedrukt toen haar levensgezel, kunstenaar Aat Veldhoen, die bij het gesprek aanwezig was en er ook veelvuldig in voorkomt, onverwacht overleed op 9 december 2018. Het gehele interview is hier te lezen.

BOEKEN
“Ik ben net jarig geweest en heb een onthutsende hoeveelheid heel dikke boeken gekregen. Ik ben nu een beetje aan het snuffelen waar ik eens in zal gaan beginnen. Ik denk dat het De eeuw van Gisèle wordt van Annet Mooij – de biografie van Gisèle van Waterschoot van der Gracht. Ik ben vooral benieuwd naar het verhaal van die twee kunstenaars die in de oorlog bij haar ondergedoken zaten: Wolfgang Frommel en Percy Gothein. Die mannen blijken minder onschuldig dan gedacht. Ze gebruikten hun onderduikadres onder meer om jonge knapen te misbruiken die zich wilden aansluiten bij hun ‘mannengemeenschap’. Gisèle stond dat allemaal toe, hoewel ook zij door hen werd uitgebuit. Ik kan ook niet wachten om te beginnen in de biografie van Remco Campert. Dat is bijna voor de lekker. Mirjam van Hengel heeft eerder een prachtig boek geschreven over Leo en Tineke Vroman. Ik moest daarbij heel erg denken aan het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck. Leo vlucht in de oorlog naar Indië om niet opgepakt, afgevoerd en weggerukt te worden, maar belandt dan dáár in verschillende kampen. Aan de dood valt niet te ontkomen. Des te mooier is het als ze elkaar na de oorlog weer vinden en uiteindelijk nog bijna zeventig jaar van elkaar mogen genieten.”

BEELDENDE KUNST
“Kijken vereist enige oefening. Kleine kinderen kunnen heel goed kijken. Die kunnen soms uren naar iets onbenulligs als een lege fles kijken. Een beeldend kunstenaar kan dat ook. Aatje zit soms uren te kijken naar de mensen en de machines die hier nu op straat aan het werk zijn en maakt daar dan tekeningen van in zijn schetsboekje. Hij heeft me dat echt geleerd. Je leert de schoonheid van die dingen zien. In de trein kijk ik veel vaker uit het raam dan vroeger. In de avond zijn er vaak prachtige zonsondergangen te zien, maar niemand die het ziet, iedereen kijkt op zijn telefoon of ligt te soezen. Dan roept de conducteur om welk station we binnenrijden en denk ik: waarom zegt die man ook niet even dat we naar buiten moeten kijken? Want de lucht is wonderschoon. “Architectuur is de moeder aller kunsten. Ik heb sociale geografie gestudeerd en heb me daarna gespecialiseerd in zowel stadsgeografie als de sociologie van het wonen. Daar is mijn belangstelling voor architectuur ontstaan. Als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vond ik het een kunstuiting die we moesten stimuleren. Een gebouw is niet alleen voor degenen die het gebruiken, maar ook voor degenen die erlangs lopen, fietsen en rijden. Het is van ons allemaal. Na mijn ministerschap zat ik in het College Bouw Zorginstellingen. Daarin richtte men zich heel erg op de functionaliteit van die gebouwen. Dat is natuurlijk ook het belangrijkste, maar daardoor hoeft het nog geen saai en onaantrekkelijk gebouw te zijn. Streel de ogen en laat mensen zich er behaaglijk voelen. Ze zitten er al niet voor hun plezier. Een mooi gebouw kan troost bieden. Om dat te bevorderen hebben ze vier keer de Hedy d’Ancona-prijs voor excellente zorgarchitectuur uitgereikt. De eerste winnaar was revalidatiecentrum Groot Klimmendaal in Arnhem. Dat gebouw is van een grote schoonheid. Het is functioneel, maar het is ook mooi en innemend, een gebouw dat je omarmt.”

FILM
“Ik vind het laf van mezelf dat ik liever geen oorlogsfilms wil zien, dus af en toe dwing ik mezelf om dat toch te doen. Ik wil geen wegkijker zijn. In de negen uur durende documentaire Shoah van Claude Lanzmann komen mensen aan het woord die rondom de concentratiekampen woonden en niets hebben gezegd. Ze wisten wat er gebeurde, maar hielden zich gedeisd. Ik kan me dat niet voorstellen. Als je vindt dat iets niet deugt, dan zég je er wat van. “Neem het niet!” Die lijfspreuk heb ik overgenomen van Stéphane Hessel, verzetsstrijder en Holocaustoverlevende, die een geweldig essay over verzet heeft geschreven. Alles begint volgens hem met verontwaardiging. Je kunt nooit zeggen: daar kan ik niets aan doen. Dat kun je namelijk wél. Hij roept de jongere generaties op om in opstand te komen tegen de toenemende ongelijkheid in de wereld. Indignez-vous! Hij eindigt het pamflet met zijn woede over wat de Israëlische regering doet met de Palestijnen. En dan te bedenken dat hij in de negentig was toen hij dit schreef. Ik ben iets jonger, maar ik ben ook nog steeds verontwaardigd over dingen. En zo hoort dat ook. Als dat ooit stopt, dan kunnen ze me net zo goed inkuilen.”

 

Kajsa Ollongren: ‘Als André Hazes door het stadion schalt, krijg ik kippenvel’

Kajsa Ollongren (51) is minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hiervoor was ze namens D66 wethouder en locoburgemeester in Amsterdam. Wat leest, kijkt en luistert ze in haar vrije tijd?

Verschenen in het decembernummer van HP/De Stijl. (2018)

(Selectie)

BOEKEN
“Ik heb de gewoonte om meerdere boeken tegelijk te lezen. Op mijn nachtkastje ligt op dit moment 1793 van de Zweedse schrijver Niklas Natt och Dag. Een prachtige achternaam trouwens, Natt och Dag. Het betekent letterlijk ‘nacht en dag’. Het boek is een kruising tussen een historische roman en een thriller. Het speelt zich af in 1793 in Stockholm. Er wordt een verminkt lijk opgevist, een romp en een hoofd zonder ogen, en een man krijgt de onmogelijke taak om uit te zoeken wie het slachtoffer en zijn moordenaar zijn. Verder zal ik niet te veel verklappen. Het is niet alleen een heel spannend en gruwelijk boek, het geeft ook een mooi tijdsbeeld, bijvoorbeeld van de extreme armoede die er toen heerste. En het is ook nog eens prachtig opgeschreven, in een rijke taal. Verder lees ik op dit moment in de onlangs verschenen biografie van Thorbecke, Thorbecke wil het van Remieg Aerts. Er staan veel dingen in die voor mij nieuw zijn. Over de relatie met zijn vader bijvoorbeeld. Zijn vader had grootse plannen met zijn zoon, maar mislukte zelf in alles. De jonge Thorbecke was uiteindelijk tot ver in zijn volwassenheid bezig om de problemen van zijn vader op te lossen.”

BEELDENDE KUNST
“Mijn ouders zijn enorme kunstliefhebbers. Hun hele huis hangt vol met kunst die ze in de loop der jaren verzameld hebben. Dat zijn niet per se werken van bekende kunstenaars die veel geld waard zijn, maar ze kopen iets omdat ze het mooi vinden. Ze hebben bijvoorbeeld een hele wand met prachtige etsen van José Calsina. Hij is niet beroemd, maar mijn ouders zijn bevriend met hem, we kwamen ook wel bij hem thuis, en hij maakte echt prachtig verfijnde werken. Zo hebben zij hun kunstcollectie opgebouwd en zo kijk ik ook naar kunst. Een kunstwerk hoeft niet per se van een grote kunstenaar te zijn om iets op te roepen. Een mooi voorbeeld: kort na het overlijden van Johan Cruijff liep ik over een van de grachten en zag in een etalage een prachtig waterverfportret van hem. Iedereen die langsliep bleef even kijken. Dat is toch hartstikke mooi? In mijn werkkamer hangt nu een schilderij uit de kunstcollectie van het Rijk – een schilderij van Steven Aalders uit Amsterdam. Het toeval wil dat in mijn vorige werkkamer ook een werk van hem hing, maar dat kwam uit het depot van het Stedelijk. Ik ben er dol op. Zijn werk lijkt wel een beetje op dat van Malevitsj en Mondriaan. Met een paar simpele lijnen en een beperkt aantal kleuren weten zijn schilderijen een enorme indruk te maken op de toeschouwer.”

FILM

“Ik ben muzikaal heel breed georiënteerd. Ik heb piano en saxofoon gespeeld. Ik speelde klassieke stukken, maar ik heb ook in bandjes gezeten en zelfs in een bigband. Als ik ooit weer meer tijd heb, lijkt het me leuk om zelf weer meer muziek te maken. Je verleert het namelijk niet. Als ik muziek luister, switch ik makkelijk van Bach naar Foo Fighters naar Anouk. Anouk vind ik geweldig. Ik heb net haar nieuwe album gehoord: Jij. Niet elk nummer spreekt me aan, maar het is wel echt een fantastische plaat. Het maakt niet uit wat ze maakt; als ze iets nieuws heeft, dan luister ik het.
Als ik hardloop, dan luister ik het liefst naar een beetje opzwepende muziek. Op een paar lekkere gitaarsolo’s schijn je beter te lopen. Spotify is wat dat betreft echt een uitkomst: je zet een hardrock-playlist aan en je gaat naar buiten. Soms hoor je een nummer waarvan je denkt: hé, dat ken ik, maar vaak hoor je het voor het eerst. Naar concerten ga ik heel weinig, moet ik eerlijk zeggen. Mijn vrouw is van oudsher Madonna-fan, dus ik ben weleens mee geweest naar een concert van haar, maar dan denk ik na een paar nummers toch: ik vind het leuker om dit thuis op te zetten. Daar hoef ik niet een hele avond voor naar Ziggo Dome. Ik ga wel iedere twee weken naar de thuiswedstrijden van Ajax. Ik krijg dan toch altijd kippenvel als Bloed, zweet en tranen van André Hazes door het stadion schalt. Het is ook mooi om te zien dat Dré junior nu bijna dezelfde status als zijn vader heeft bereikt.”

Het gehele interview leest u hier.

 

Theo Hiddema: ‘We leven in het decennium van de schijterigheid’

De markante strafrechtadvocaat Theo Hiddema (73) is sinds dit jaar ook Tweede Kamerlid. Welke boeken, films en andere kunstwerken hebben hem zoal beïnvloed?

Interview voor het kerstnummer van HP/De Tijd, 2017.

BOEKEN
“Ik kom van het platteland. Dat aardrijkskundige isolement leidt altijd een beetje tot beslotenheid van karakter. En als je dan ook nog een nakomertje bent, en je hebt alleen maar grote weiden en horizon om je heen, dan zoek je vertroosting. Dus ik begon pillen te lezen. De avonturen van Huckleberry Finn van Mark Twain vond ik schitterend. En Pieter Marits – Lotgevallen van een Transvaalschen boerenjongen van August Niemann, over een heldhaftige Zuid- Afrikaanse boer die tegen de Engelsen vocht. En P.G. Wodehouse. Als je die niet kent, dan moet je daar maar snel aan beginnen, want je leven is waardeloos als je die niet gelezen hebt. P.G. Wodehouse beschreef de Engelse hogere klasse. Vrijgezelle kasteelheren met immense vermogens die zich bij wijze van levensbesteding bezighielden met het fokken van kampioensvarkens – ik zeg maar wat. Maar zo verschrikkelijk humoristisch… Als ik mijzelf zou kunnen betrappen op enig gevoel voor humor, dan is het me door deze boeken aan komen waaien.”

MUZIEK
“Ik ben een allemansvriend. Ik sta open voor alle muzieksoorten. Van klassiek tot rock tot dance. Ik vind het zo jammer dat de gemeente in deze zone van Amsterdam een geluidsnorm heeft gesteld voor dancemuziek op rondvarende boten. Ja, je moet natuurlijk niet iedere dag van die muziek hebben, maar als er bijvoorbeeld Gay Pride was, vond ik het enig dat je in de verte dat gebonk hoorde aankomen. Dat gedreun resoneerde zo mooi tegen de gevels in de verte. De decibellen bouwden zich langzaam op – met de climax pal voor je deur. Een orgie van lawaai. Heerlijk. Maar dat mag niet meer van de ouwewijvenheren. (…) Duitse schlagers vind ik ook schitterend. Helene Fischer is een van mijn favorieten. De manier waarop ze met de Duitse taal omgaat, is buitenaards. Haar teksten zijn ware poëzie. En dan dat parelend stemgeluid. Ongekend prachtig. En ze mag er ook wezen. Het is een pretje om naar te kijken. Mijn favoriete nummer van haar is Wär’ heut’ mein letzter Tag. Ze bezingt hierin de immense liefde voor haar partner en die is allesomvattend. Als pardoes haar laatste dag zou aanbreken, dan zou dat geen probleem zijn, zingt ze, als hij maar bij haar is.”

FILM
“We leven in het decennium van de schijterigheid. Dat brengt met zich mee dat een heleboel kunstuitingen zich vrijwillig in dezelfde richting bewegen als de aanschouwers, en dan weet ik al dat ik daar niet door word geprikkeld. Vandaar ook dat ik die oude films kijk. Die zijn libertijns, onbekommerd. De films van komedielegendes W.C. Fields en Mae West zijn bijvoorbeeld totaal politiek incorrect. Heerlijk!
En wat kijk ik verder dan zoal? Te veel om op te noemen. Ik heb genoten van dat epos van Rainer Werner Fassbinder, Berlin Alexanderplatz. Les Choses de la vie van Claude Sautet vond ik een prachtige film, La terrazza met Vittorio Gassman ook. (…) Ik noem nog even Garrison Keillor, want je wilt de mensen toch ook vooruithelpen. Keillor heeft een vast theater in Saint Paul (Minnesota) waar wekelijks een show wordt opgevoerd met countryliedjes, hoorspelen, een detectiveserie à la Philip Marlowe van Raymond Chandler. Hij praat de boel aan elkaar en vertelt tussendoor achteloos wat verhaaltjes waarin hij het leven van de eenvoudige Midwest-bewoner beschrijft. Hij is een soort mengeling tussen Toon Hermans en Herman Finkers. De shows worden opgenomen en op meer dan vijfhonderd radiozenders uitgezonden. Ik luister er al meer dan dertig jaar naar. Robert Altman heeft, vlak voor hij stierf, nog een film over hem gemaakt: A Prairie Home Companion. Hij dacht: voor ik er niet meer ben, moet dit vastgelegd worden. Dit is uniek. Garrison Keillor speelt zichzelf. De countrysterren worden gespeeld door Meryl Streep, die prachtig kan zingen, Kevin Kline en Tommy Lee Jones. Gedurende de film ontwikkelen zich allerlei liefdesscènes en zie je wat er in zo’n theaterwereld gebeurt. Het is een prachtige film. Ik heb hem vier keer gezien. Een van de leukste verhalen die ik ooit heb gehoord is ‘The Wonder of Spring’. Het staat op Youtube. Keillor beschrijft daarin zijn eerste fysieke contact met een meisje. Hoe hij zich in een schoolbus tegen een meisje aandrukt omdat niemand naast hem wil zitten. Schitterend.”

Het gehele interview met Theo Hiddema is hier te lezen.

 

Erica Terpstra: ‘Kleintje Pils is mijn guilty pleasure’

In november zijn de voorlopig laatste afleveringen te zien van Erica op reis, het reisprogramma vanvoormalig VVD-politica Erica Terpstra (74). Wat leest, kijkt en luistert zij zoal in haar vrije tijd?

Interview voor HP/De Stijl, november 2017.

Boeken
“Ik ben ontzettend nieuwsgierig en wil altijd alles weten. Daarom lees ik ook zo graag. Dat begon als kind met boeken als De kinderkaravaan van An Rutgers van der Loeff. Op zaterdagavond zat ik dan naast de kachel op de grond te lezen. Naast mij stond een schoteltje met pelpinda’s, want dat was het enige wat je had. Het boek gaat over zeven kinderen die een gevaarlijke tocht ondernemen door het ruige landschap van Noord-Amerika. Daar kon je zo heerlijk bij wegdromen. Bijna zeventig jaar later doe ik dat nog steeds. Ik lees bijvoorbeeld heel graag de boeken van Redmond O’Hanlon. Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco en Amazone zijn mijn favorieten. Als ik dat lees, word ik helemaal gelukkig. In zijn boeken schrijft hij over zijn reizen, over de hitte en het ongemak en het ongedierte, maar ook over de prachtige ontmoetingen die hij heeft. Hij heeft ook een serie gemaakt voor de VPRO: O’Hanlons helden, waarin hij in de voetsporen van negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers treedt. Ik ben nooit zo dweperig met andere mensen, maar hem bewonder ik geweldig. (…)”

Beeldende kunst
“Ik raak elke keer weer ontroerd door De Denker van Rodin. Dat was al zo toen ik het beeld meer dan vijftig jaar geleden voor het eerst zag. Ik was voor mijn allereerste internationale zwemwedstrijd in Parijs. Normaal zie je, als je met een sportploeg ergens heen gaat, alleen de binnenkant van je vervoermiddel, je hotel en je sporthal. En dat is het dan wel. Ik had het geluk dat ik een samenstel vormde met Ada Kok, Ria van Velsen en Klenie Bimolt. We waren niet alleen de wereldtop, dat was al mazzel tot en met, maar hadden ook allemaal interesse in cultuur. Dat is ontzettend leuk. Dan ben je niet de enige die zegt: kom, we gaan vanmiddag tussen de trainingen door eens een museum in. En toen zag ik in het Musée Rodin De Denker dus voor het eerst. Het kwam meteen binnen. Ik weet niet precies waarom – misschien omdat er iets van dat contemplatieve in zit. Ik moest hem ook meteen even aanraken. Dat heb ik altijd gehad met beelden. Even contact maken. Een beeld heeft ook een ziel.”

Muziek
“Veel muziek hoor ik via de televisie. Als ik aan het werk ben, zet ik Stingray Brava op, waar vaak orkesten op te horen en te zien zijn. Waar ik wel echt voor ga zitten is Podium Witteman. Prachtig en heel toegankelijk. En ik kijk elke zondagochtend naar Vrije Geluiden op NPO 1. Ze hebben altijd goede muzikanten en nu ook een heel leuke presentatrice: Giovanca. Waar ik ook erg van hou, en dat mag je gerust een guilty pleasure noemen, is Kleintje Pils. Ik moet meteen denken aan Thialf en aan al die Olympische Spelen, waaronder die in Vancouver, waar ze geweldig sfeer hebben gemaakt. Ze zeggen dat ik hun grootste fan ben. Het kleine café aan de haven roept bij mij de meeste herinneringen op. Ik kan de tekst woordelijk meezingen. Toen ik zeventig werd, zijn ze als verrassing op mijn verjaardagsfeest komen spelen. En dat was zó leuk… Dat is ook een van die dingen die ik nooit zal vergeten.”

Het gehele interview is hier te lezen op Blendle.

Hoe cultureel is Neelie Kroes?

Neelie Kroes (1941) is net van Wassenaar naar Amsterdam verhuisd. Na een ‘krankzinnig leven’ komt de voormalige eurocommissaris nu in wat rustiger vaarwater. Eindelijk is er wat meer tijd voor de kunsten – wat leest, luistert en ziet zij als niet aan het werk is?

(Interview voor HP/De Stijl, juli 2017)

LEZEN
“U vroeg welk boek ik als laatste gelezen had, maar ik moet even een kleine aanloop nemen om die vraag te beantwoorden. Ik ben de afgelopen dagen verhuisd van een groot huis in Wassenaar naar een appartement in Amsterdam. Ik had een prachtig huis met een grote tuin, maar het was er ook heel eenzaam. Nadat ik afgelopen zomer gestalkt was, zei mijn zoon, die in Amerika woont: ‘Als je nu geen actie onderneemt en een appartement zoekt, dan laat ik je opsluiten.’ En toen vond ik via een vrind een appartement met een afgesloten oprit en een doorman, vlak bij het Museumplein.
Eerst sloeg ik overigens niet zoveel acht op die stalker. Natuurlijk is het vervelend als een of andere dwaas op onmogelijke tijden bij je langs komt, en het was ook heel indringend, maar dat komt wel vaker voor als je een publieke figuur bent. Zo’n man doet niets, zei ik. Tot mijn zoon daarop reageerde met: ‘Dat zei Els Borst ook.’
Dat vond ik een goed argument. Je hoeft maar net de verkeerde te treffen. Daarom heb ik de afgelopen dagen tig dozen met boeken uitgepakt. Maar het boek waar ik in bezig was, over Travis Kalanick, de oprichter van Uber, kon ik niet meer vinden. Dus ik moet u de titel schuldig blijven. Ik ben het boek aan het lezen omdat ik zelf betrokken ben bij Uber en hem dus persoonlijk ken. Veel dingen die ik in het boek las, zijn een bevestiging van wat ik al wist: hij is een geniale jongen, buitengewoon strategisch en iedereen mijlenver vooruit, maar zijn emotionele intelligentie is wat minder ontwikkeld.
“Ik heb de volgens sommigen verschrikkelijke gewoonte om een boek, als het te dik is, met een broodmes doormidden te snijden. Dan is het makkelijker te lezen. Anders is zo’n boek zo zwaar. Als ik aan boord van een vliegtuig om een broodmes vraag, zeggen ze vaak: ‘Ik kan uw brood ook wel snijden?’ Als ik dan uitleg wat ik ermee wil doen, kijken ze me even raar aan en pakken dan een mes. Eenmaal thuis zet ik de twee helften keurig naast elkaar in de kast. De boeken van Elena Ferrante staan bijvoorbeeld zo in de kast. Wat is zij goed. Elke keer als ik hoorde dat er een volgend deel van haar Napolitaanse romans uitkwam, ijlde ik naar de boekwinkel en kocht het. Inmiddels zijn er vier delen. Het gaat over de levenslange vriendschap tussen twee vriendinnen die beiden zijn geboren en getogen in Napels. De families, de intriges, de Italiaanse gemeenschap… Het is Bertolucci op schrift. Ik vind dat heel erg mooi, maar mijn zusje, dat ook graag leest, vindt het helemaal niets. Smaken verschillen. Connie Palmen vind ik ook een aanrader. In haar laatste boek, Jij zegt het, neemt ze het voor de man op, de dichter Ted Hughes. Dat vind ik fascinerend. Het is natuurlijk heel voor de hand liggend om het als vrouw voor een vrouw op te nemen, in dit geval Sylvia Plath, maar dat doet ze niet. (…)”

FILM
“(…) De laatste film die ik heb gezien is Hidden Figures. Ik kende het verhaal al door het gelijknamige boek, dat ik in één adem heb uitgelezen. Het vertelt het verhaal van drie zwarte vrouwen die in de jaren zestig voor de NASA werkten. Het was de tijd van de rassenstrijd. Het was ook de tijd dat het nog helemaal niet vanzelfsprekend was dat vrouwen, laat staan Afro-Amerikaanse vrouwen, een carrière hadden. Dankzij hen lukte het John Glenn in 1962 om als eerste Amerikaan in een baan om de aarde te vliegen. Hij zei later in interviews dat als die drie vrouwen er niet waren geweest met hun berekeningen, hij nooit de ruimte in had durven gaan. Het is goed dat dit soort verhalen verteld worden. Dat ook eens wordt belicht hoe bepalend vrouwen zijn geweest bij belangrijke momenten in de geschiedenis.
Amour vond ik een heel ontroerende film. Het gaat over een bejaard stel, een man en een vrouw, twee gepensioneerde muziekdocenten. Ze wonen in een oud appartement in Parijs. Op een gegeven moment krijgt de vrouw een hersenbloeding. Haar man gaat voor haar zorgen, maar als ze gaandeweg de film steeds verder aftakelt, wordt dat een steeds moeilijkere taak. Hij besluit het heft in eigen handen te nemen: hij smoort haar met een kussen en pleegt zelfmoord. En hoe afschuwelijk die daad op het eerste gezicht ook lijkt, je begrijpt hem. Ook hier wordt iets abstracts als euthanasie door kunst heel invoelbaar gemaakt. Je blik op het onderwerp wordt verbreed en verdiept. Still Alice is ook zo’n film. Julianne Moore speelt een hoogleraar die op jonge leeftijd gediagnosticeerd wordt met alzheimer. Van een vrouw die midden in het leven staat en overal en nergens lezingen geeft, verandert ze in een vrouw die niets meer kan. Eén beeld uit de film zal ik nooit vergeten: ze staat voor de commode waarin de pillen liggen waarmee ze een eind aan haar leven kan maken. En net als ze op het punt staat om die pillen in te nemen, belt er iemand aan en vallen de pillen op de grond. Ze gaat naar beneden om te kijken wie er aan de deur staat, maar raakt de draad dan kwijt en weet niet meer dat ze die pillen in wilde nemen. Ook dat is weer voer voor discussie: je kunt zeggen: ik neem het heft in eigen hand, ik wil mijn familie daar niet mee opzadelen, maar wanneer doe je het dan? Pas als het zo erg is dat je niet meer weet waar de pillen liggen? Dan is het al te laat.”

BEELDENDE KUNST
“Ik heb zelf ook wel wat kunst, maar niet veel. Ik had een kunstwerk waar ik heel erg trots op was, maar dat heb ik net weggegeven aan mijn zoon, omdat ik er geen plaats meer voor had. Toen ik klein was, ging ik met mijn ouders, zusje en broertje naar het Kröller-Müller Museum. Daar stond een creatie van licht materiaal dat bewoog in de wind die ik zo mooi vond, dat ik dacht: als ik later groot ben en ik heb geld, dan wil ik zoiets kopen. Enfin. Ik werd groot, maar inmiddels was de kunstenaar, George Rickey, zo bekend geworden dat zijn werk onbetaalbaar was geworden. Toevalligerwijs was mijn oud-hoogleraar Piet Sanders, die tevens een beroemd kunstverzamelaar was, bevriend met hem. Hij regelde een ontmoeting, zodat ik tegen een gunstig tarief een van zijn werken kon kopen. Ik herinner me die ontmoeting nog goed.
Rickey woonde ergens in de buurt van Boston. Het was in maart, de lucht was strakblauw, en er was een enorme wind – want het was een vrij vlak landschap. Ik stapte voor zijn huis uit de auto en zag honderden bewegende beelden. Ik waande me Alice in Wonderland. Zijn atelier was een hele grote schuur met allemaal lasapparatuur, een soort smidse. Opeens ging de deur open en kwam er iemand binnen in een blauwe overall. George Rickey. Hij liep gebogen; het enige wat ik zag, was een grote bos grijs haar. Toen keek hij op. Ik had nog nooit iemand gezien met zulke prachtige ogen. En al was hij toen al in de negentig – alle leeftijd viel weg. Die middag heeft hij mij zijn werk laten zien en ik kocht een van zijn beelden. Het was zo gezellig dat hij op een gegeven moment zelfs vroeg of ik zin had om te blijven logeren. Ik had nog een ander programma, maar achteraf denk ik: waarom heb ik dat niet gedaan? Ik had eigenlijk alles moeten cancelen. Ik heb jaren van dat beeld genoten. Maar toen ik ging verhuizen naar een huis zonder tuin, moest ik het weggeven. Je kunt het moeilijk op je balkonnetje zetten. Dan word je krankzinnig. Daarom zei mijn zoon: als je echt van me houdt, dan geef je het nu aan mij. En nu is het beeld dus weer onderweg terug naar Amerika.”

Het gehele interview met Neelie Kroes leest u op Blendle.

Alexander Pechtold: ‘Dit kabinet kan iedere dag vallen’

Voor het decembernummer van HP/De Tijd (2015) hield ik een groot interview met Alexander Pechtold.

D66-leider Alexander Pechtold blikt, aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag, terug op tien roerige jaren in de landelijke politiek. Over dat omstreden interview in Opzij, zijn rivaliteit met Geert Wilders en de stand van ons land en de Europese Unie. ‘Europa heeft de apk nog niet gehaald.’

Uit het interview:

U wordt op 16 december vijftig.
“Ja. Spread the word.”

Ziet u daartegenop?
“Ik realiseer me heel goed dat ik zwaar over de helft ben. Maar veertig worden vond ik moeilijker. Tot je veertigste kun je nog fouten maken, moet het allemaal nog komen. Dat is – als je er heel hard aan trekt – nog een soort verlengde van de studententijd. Als je veertig wordt is dat over.”

Er zijn mannen die op de helft van hun leven een totaal nieuwe weg inslaan. Heeft u de afgelopen tien jaar weleens op het punt gestaan om de politiek de rug toe te keren?
Grapt: “Iedere week. Vooral op vrijdag.”

Dan: “Nee, gekheid. Het is heel gezond om je niet helemaal in dit wereldje mee te laten zuigen. Een carrière in de politiek is niet het grootste doel, het belangrijkste in je bestaan. We hadden destijds als gezin van Wageningen naar Den Haag kunnen verhuizen, maar ik ben blij dat ik dat niet heb gedaan. Ik moet er niet aan denken om bij de Albert Heijn collega’s tegen te komen.”

Een woordvoerder, die iets verderop aandachtig meeluistert met het gesprek, valt hem in de rede en mompelt geamuseerd: “Dijsselbloem.”

Pechtold: “O ja, Dijsselbloem kom ik inderdaad weleens tegen in de Albert Heijn.” Hij leunt voorover uit zijn stoel, richt zich tot het opnameapparaat en zegt op overdreven harde toon: “Maar het is een genot om jou daar tegen te komen, Jeroen!”

Het gehele interview – onder meer over Europa, D66 en Geert Wilders – is hier te lezen op Blendle.

ANP-1400_31877883

Minister Ard van der Steur over De Asielzoeker, De Kast & Hendrick Goltzius

In de HP/De Tijd van deze maand geeft Ard van der Steur, minister van Veiligheid en Justitie, zijn culturele smaak prijs.

Over De Asielzoeker van Arnon Grunberg:
“Wie naar mijn smaak de beste schrijver is van Nederland? Arnon Grunberg. Zijn mooiste boek, en dat is misschien kwetsbaar om te zeggen omdat mijn departement verantwoordelijk is voor het vluchtelingenbeleid, vind ik De Asielzoeker. Het boek gaat over een volkomen onwerkelijke situatie waarin een man zich tot de gang laat verbannen, letterlijk onder de kapstok slaapt, omdat zijn vrouw een asielzoeker in huis – en bed! – heeft genomen. De manier waarop hij dat vertelt, en de manier waarop hij de sympathie die je voelt voor de hoofdpersonen in het boek gaandeweg laat veranderen, vind ik magistraal.”

Over De Kast:
“Als ik muziek luister, is dat meestal klassieke muziek. Dat begint ’s morgens al met de wekkerradio: die staat op Radio4. De radio in de keuken ook. En ’s avonds, als ik dan na een lange dag werken thuis kom, zet ik graag een cd op. Mijn laatst gekochte cd is het album 7 Layers van Dotan. Ik zag hem op de uitreiking van de Edison Awards, en dacht: die jongen is fantastisch, daar wil ik meer van weten. Ik luister dus niet alleen klassieke muziek, maar ook best veel naar popmuziek. Het album van Kovacs moet ik nog kopen. Dat meisje heeft een indrukwekkende stem. En waar ik vroeger heel erg fan van was, en nog steeds wel: De Kast. Zij zongen deels in het Fries, deels in het Nederlands en hebben waanzinnig mooie nummers gemaakt. In nije dei vind ik nog steeds een van de mooiste nummers die ik ken.”

Over Hendrick Goltzius
“Ik ben kleurenblind, dus ik ervaar kunst anders dan de meeste mensen. Hoe anders weet ik niet, want ik weet niet wat andere mensen zien en zij weten niet wat ik zie, maar het is daardoor denk ik dat abstracte kunst niet noodzakelijkerwijs mijn meest preferente aandachtsgebied is. Ik hou van realistische kunst, en dan met name de olieverfschilderijen van de oude meesters uit de Gouden Eeuw. Zelf verzamel ik die kunst niet omdat ik dat niet kan betalen, dus als u bij mij thuis kijkt ziet u vooral zestiende-, zeventiende- en achttiende-eeuwse grafiek en negentiende-eeuwse schilderkunst. Hendrick Goltzius is mijn favoriete kunstenaar. Dat komt voor een deel door mijn vader, die verzamelaar was van de portretprenten van Goltzius. Na zijn dood heb ik de verzameling van hem overgenomen. Niet veel mensen zullen weten wie Hendrick Goltzius is, maar naar mijn smaak is hij – na Rembrandt van Rijn – de beste kunstenaar die Nederland ooit heeft gehad.”

Het gehele interview van Nick Muller met Ard van der Steur leest u hier op Blendle. U kunt hier het hele tijdschrift inzien, of hier een voordelig (proef)abonnement afsluiten.

Mannen die huilen om poëzie: Dries van Agt

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: oud-premier Dries van Agt (1931) over Nestoriaanse kwatrijnen I van Hugo Pos.

“Toen ik werd verzocht bij te dragen aan de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken, schoten onmiddellijk twee korte teksten te binnen. Het zijn twee gedichten van elk nauwelijks vier regels lang, en ze hebben allebei te maken met afscheid bij overlijden.

“Het eerste is een tekst van Adriaan Roland Holst die heb ik aangetroffen op de overlijdensannonce van Manusama, president van de Republiek der Zuid-Molukken, wiens leven in Nederlandse ballingschap ten einde kwam. De tragiek van diens leven blijft hieruit spreken:

‘Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien…’

Het gedicht dat ik graag voor deze bundel aan zou willen dragen, komt uit de ‘nestoriaanse kwatrijnen’ van de Surinaamse dichter Hugo Pos. Wel curieus dat ik u dit schrijf op de dag dat ik 84 jaar word, besef ik nu. Dit is namelijk de tekst die straks op mijn eigen overlijdensannonce zal worden gezet.”

Nestoriaanse kwatrijnen I
Hugo Pos (1913 – 2000)

Beloof me, kind, als ik van hier verdwijn
treur niet om mij, straks bloeit weer de jasmijn
en geurt de kamperfoelie. Erger zou het wezen
als zij verdwenen waren, — ik er nog zou zijn.

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

 

Dries van Agt
Dries van Agt