De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2018)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan een twintigtal literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

Willem Mertens’ levensspiegel (1914)
J. van Oudshoorn (1876 – 1951)

Jeroen Brouwers: Het is er moeilijk één boek te kiezen uit het onvoorwaardelijk bewonderde oeuvre van een schrijver. Ik bedoel J. van Oudshoorn, pseudoniem van Jan Koos Feylbrief, geboren en overleden in Den Haag (1876-1951). Zijn oeuvre, niet omvangrijk en al decennia niet herdrukt, is beklemmend somber en toch toegankelijk door toon en stijl en hier en daar zelfs sprankjes geestigheid.
Nu en dan herlees ik het, nu eens Willem Mertens’ levensspiegel, dan Tobias en de dood of Achter groene horren. Het infecteert me niet met het triestige bestaansbesef van Van Oudshoorns romanpersonages, al kan ik me dikwijls met hen vereenzelvigen. Lezing van deze en nog andere titels veroorzaakt integendeel vreugde zoals die zich voordoet bij het ervaren van alle grote kunst. Van Oudshoorn was een groot schrijver, verwaarloosd en zeer ten onrechte vergeten.
Ik kies voor Willem Mertens’ levensspiegel, de roman waarmee hij in 1914 debuteerde. Van een verhaal of een ontwikkeling is nauwelijks sprake. Willem Mertens werkt op een kantoor waar hij geld ontvreemdt uit de onder zijn beheer gestelde kas. Om dit aan te zuiveren gaat hij leningen aan, die hij verbrast in de kroeg. Zijn leven is in verveling doodgelopen, leeg en eenzaam. In de spiegel ziet hij zijn leven gepersonifieerd in een ongure schim van een mislukkeling en beseft hij zijn verwordenheid en schuldgevoelens daarover.
Een aan-uitrelatie met een meisje uit de kroeg houdt evenmin stand als wat dan ook in zijn ten slotte hopeloos verloederde aanwezigheid in de wereld. Al op de eerste bladzijde is duidelijk dat op de laatste Willem Mertens zich ‘doelbewust’ zal verdoen: hij werpt zich uit het raam.
Ik doe Van Oudshoorn onrecht aan door zijn aangrijpende roman zo bijna harteloos summier weer te geven. Dit eminente proza van inmiddels meer dan een eeuw geleden verdient nieuwe lezers en nieuw enthousiasme.

Onzichtbare boeken (2014)
Thomas Heerma van Voss (1990)

Alma Mathijsen: De schrijver van het boek is allerminst vergeten, maar dit boek zelf wellicht toch wel. Het is het dunste boek van zijn hand, waarin hij vertelt over het tomeloze doorzettingsvermogen van de uitgever van Babel & Voss. Het non-fictie boek is tragisch en liefdevol tegelijk. De uitgeverij lijkt op een zinkend schip, er is geen geld, noch auteurs, toch blijven ze vechten.
Onzichtbare boeken is een werk dat de tijd waarin steeds minder mensen lezen typeert. De ontoombare liefde voor het vak en de afnemende waardering daarvoor maakt het boek zo wrang. Doorgaan terwijl er nog meer een paar mensen luisteren, en dat dan doen vol enthousiasme. Na het lezen van dit boek bleef ik nog dagen melancholisch.

De knetterende schedels (1969)
Roger van de Velde (1925 – 1970)

Dimitri Verhulst: Sommige dingen moet je blijven herhalen, in alle wanhoop, tegen beter weten in, en daarom hoort u misschien niet voor het eerst uit mijn mond dat De knetterende schedels van Roger van de Velde een boek is dat ruim te goed is om vergeten te worden. Er zijn pogingen ondernomen om het werk opnieuw onder de aandacht te krijgen, want ja: er is nog een klein kransje van stille bewonderaars, maar moedige herdrukken van zijn boeken vlogen onbegrijpelijk linea recta naar de ramsj. Geen idee hoe het komt. Van de Velde schrijft zeer fris, puntig. ‘Knetterende schedels’ is opgebouwd uit kortverhalen, hetgeen handig is voor een moderne lezer met een belabberd uithoudingsvermogen. En bovendien grijpt hij, met humor, naar de keel. In zijn kortverhalen zowel als in zijn romans en essays.
Van de Velde was maagpatiënt en kreeg een medicijn voorgeschreven dat halverwege de jaren zestig plotsklaps een verboden product werd. Abusievelijk en onbewust verslaafd, zoals bleek toen hij het medicijn niet meer kreeg, begon voor Roger van de Velde een lijdensweg die voer langsheen afkickcentra, gevangenissen en gekkenhuizen. In De knetterende schedels zien we hem temidden van de gekken met wie hij opeens zijn dagen doorbrengt. De mindere goden, waartoe ook hij is gaan behoren, maar waarmee hij werkelijk niets gemeen heeft.
Met de jaren werd de schrijver ook woedender. Hij zag nationale hymnes gespeeld worden voor gedopeerde renners, Eddy Merckx die uit de Giro was gezet wegens het gebruik van verboden spul mocht op visite bij paus en koning, maar hijzelf vloog achter tralies, werd gezien als een gevaar voor de maatschappij. Gekerkerd, gebrandmerkt. De auteur mocht enkel onder politiebegeleiding signeren op de boekenbeurs van Antwerpen, groter kon de vernedering niet zijn.
Zelfmoord is geen garantie voor succes, en Van de Velde heeft zich ook niet van het leven beroofd om zijn naam nog even in de kolommen van een krant te weten verschijnen. Maar het lijkt er alleszins wel op dat zijn oeuvre samen met hem de kist in is gegaan. Zonde.

Scheuren in het canvas (2017)
Gerjon Gijsbers (1983)

Jonah Falke: Luctor de Lamlendige, het hoofdpersonage in Scheuren in het canvas, doet zijn naam eer aan. Zijn leven ontvouwt zich zonder dat hij daar enige grip op lijkt te hebben. Is het in die zin een realistische roman? Want, hoeveel valt er uiteindelijk te willen of te veranderen?
Bij Luctor resulteert dit doorgaans in doelloosheid, maar zonder dat het verveelt. En die schijnbare ‘kleurloosheid’ deed me denken aan De Avonden van Gerard Reve.
Het ontbreken van seksuele escapades in De Avonden is opvallend. Later zouden we weten waarom Reve niet over meisjes schreef. Gijsbers schrijft wel over meisjes, maar waar hij nog niet over schrijft, is nog niet duidelijk. Het zal te lezen zijn in de boeken die volgen. En dat lijkt me iets om naar uit te zien. Want, wat mensen je niet direct vertellen, zegt, denk ik, meer over hun fantasieën dan wat je van ze leest.

BoekDe kleine Rudolf (1930)
Aart van der Leeuw (1876 – 1931)

Maxim Februari: De kleine Rudolf is een geschiedenis van zelfhaat en zelfoverwinning. Auteur Van der Leeuw gaat niet zachtzinnig met zijn hoofdpersoon om: die is uitzonderlijk klein van gestalte en je krijgt hem steeds op zijn alleronvoordeligst te zien. Ondanks zijn gevoelens van minderwaardigheid wordt Rudolf verliefd op de beeldschone Martha. ‘Ik, van gedaante een meikever, die voor een rozestruik de hoed afneem.’
Zij is welwillend en even krijgt hij visioenen van een vervuld leven met haar. ‘Zo’n volkomen vervulling, waarvan je soms in je jeugdtijd gedroomd hebt, toen je nog onbewust was van het pak honden, dat je in je binnenste herbergde, en dat later alle lieve gasten van je drempel zou blaffen.’
Dan neemt de zelfhaat – het pak honden – het van hem over. Overtuigd van zijn nietswaardigheid doet hij zich zo monsterlijk mogelijk aan Martha voor. ‘Ik! roep ik, krom de benen, buk me ineen, schrompel samen, kuch, struikel, hink naast haar mee, of ik mezelf in een komische rol speelde.’
Uit pure levensangst trouwt hij zelfs nog even met een vrouw die qua schoonheid meer bij hem past dan zijn geliefde. Totdat hij volwassen wordt. En natuurlijk eindigt hij gelukkig getrouwd met Martha, maar voordat het zover is heeft de schrijver hem voor straf alle hoeken van de kamer laten zien. Een indrukwekkend hardhandig boek.

Torrentius – Het feest en de storm (1998)
Theun de Vries (1907-2005)

Bert Natter: Constantijn Huygens noemde Torrentius (Johannes Symoonisz. van der Beeck, 1588-1644) de beste schilder van stillevens in de Republiek. Het complete oeuvre van Torrentius werd echter na een proces wegens ketterij door de beul vernietigd. Pas begin twintigste eeuw dook één enkel meesterwerk van de schilder op, dat tegenwoordig te zien is in het Rijksmuseum. Gelukkig schreef Theun de Vries (1907-2005) op negentigjarige (!) leeftijd Torrentius, het feest en de stormDat is een met zeldzame liefde en toewijding geschreven fictief portret waarin de goddeloze schilder wordt opgevoerd als een briljant kunstenaar, een ironisch causeur, een gevoelig vrijdenker. De Vries troont je, aan de hand van de ondergang van zijn kleurrijke hoofdpersoon, mee naar schildersateliers, kroegen, bordelen, boudoirs en ten slotte het cachot.
Deze korte, maar niet kleine roman overstijgt de literatuur van alledag dankzij grote gebaren in fijnzinnige taal en machtige beschrijvingen die eenvoudige Hollandse landschappen een magische kracht geven. De Vries heeft een ongekende grip op de geschiedenis en durft er tegelijkertijd mee aan de haal te gaan. Dat je toch bijna honderd mag worden en zo’n boek zal schrijven. Torrentius verscheen dit jaar twintig jaar geleden, tijd voor een heruitgave, zou ik zeggen, maar tot die tijd is het in ieder geval antiquarisch te vinden en als e-book verkrijgbaar.

Aan het eind van de dag (2016)
Nelleke Noordervliet (1945)

Jet Steinz: Het boek is nog geen anderhalf jaar oud, maar na verschijnen vrij snel vergeten. Het heeft geen shortlisten van literaire prijzen gehaald, zelfs niet op longlisten gestaan. Onbegrijpelijk. Want Aan het eind van de dag van Nelleke Noordervliet is een geweldig geschreven, slimme en interessante roman. Met in de hoofdrol Kat(harina Mercedes Donker) — een bijna bitchy ex-minister, schrijver en feministe — die weigert mee te werken aan de biografie die een jonge academica over haar wil schrijven.
Want: ‘Elke poging samenhang te zien in al die losse feiten is giswerk op zijn best, geen reconstructie maar verhaal, meestal op de rand van leugen.’ En: ‘Een biografie is het verwrongen zelfportret van de auteur, een parasiet die leeft van een meestal nogal dode gastheer, een aaseter verlekkerd wroetend in een karkas.’ Er gaat inderdaad nogal wat gewroet worden, maar wel door Kat zelf; en dat levert een spannend, tragisch en ontroerend verhaal op.

De boer die sterft (1918)
Karel van de Woestijne (1878 – 1929)

Atte Jongstra: Het is een verhaal, maar een lang en schitterend verhaal: De boer die sterft van Karel van de Woestijne. Boer Nand ligt moederziel in een staat van halfdroom te wachten op zijn laatste adem. Aan zijn bed ziet hij vijf vrouwengestalten verschijnen (de zintuigen) die elk naar hun specialisme zijn leven aan hem doen voorbijgaan. Ongelofelijk hoe – inderdaad – zintuiglijk dit wonderschone, Vlaamse proza. Het zal altijd bij mij blijven. Ik las het als jonge man, mijn dood was nog ver weg. Maar als die komt, dacht ik, dan liefst zo, op die manier.
Nu ik dit schrijf is mijn vader naar de dood op weg. Ik bezocht hem vorige week, hij lag op de bank, zon op de ramen. Hij dommelde, mompelde nu en dan een woord of wat. Wie zou hij naast zich zien? De reuk? Gehoor? Gaan als boer Nand: als hem en mij dat toch eens overkomen mocht… Dan heb je – zo schrijft Van de Woestijne dat – ‘je wèl gevonden’.

Negen levens (2005)
Robert Anker (1946 – 2017)

K. Schippers: Negen levens (2005) hoort om de overvloed bij Het Evangelie van O. Dapper Dapper (1973) en Het Boek Ik (1952). Hermans’ evangelie is een surrealistische tekenfilm, Schierbeeks ik-taal overstroomt het land, de levens van Robert Anker blazen een onderwerp buiten zijn omheining.
Hij speelt als Dexter Gordon, Wardell Gray, zo’n naar alle kanten uitwaaierende tenor-saxofonist, voor wie de melodie er allang niet meer toe doet. Rob Anker zat bij de fanfare.
In het voorwoord heeft Anker het over de fles van zijn jeugd waarin alle kleuren, smaken, kleuren, geluiden, moet je ‘m schudden en dan krijg je dit in het Westfriese Oostwoud, twaalf kilometer van Hoorn. Wat?
De zintuigindruk die maar kort geloof hecht aan zijn eigen vondsten, ongeveer wat je vergeet, omdat het er toch niet doet. Hier blijft het bewaard. Sla het maar open, hindert niet waar, je ruikt het, blz. 32, nootmuskaat en peper, kaneel wekt een soort heimwee, kruidnagel wild, ‘het beeldloos visioen van een verte.’

Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928)
Felix Timmermans (1886 – 1947)

Boudewijn van Houten: Zeg in literair gezelschap in Vlaanderen nooit dat u waardering voor Felix Timmermans hebt: u wordt in de Schelde gegooid. Zeg liever dat u een hoge dunk hebt van Louis Paul Boon en u wordt op handen gedragen. Toch kon Timmermans schrijven. En tekenen. Net als Jan Wolkers begon hij als beeldend kunstenaar.
Na een depressie en een gevaarlijke operatie kiest hij voor levensvreugde, wat het unieke Pallieter oplevert, dat een wereldsucces wordt.
Daarna schrijft hij veel, mogelijk te veel. Er is genoeg flauws bij om Timmermans af te kraken. Dan wordt hij na afloop van de Tweede Wereldoorlog ook nog van ‘culturele collaboratie’ beschuldigd en flink vernederd, doordat hij in Duitsland, waar hij graag vertoefde en voordrachten hield, ook nog een prijs in ontvangst had genomen (een maand nadat deze zaak geseponeerd is, zal hij sterven).
Tot overmaat van ramp raakt hij bovendien bevriend met Anton Pieck die hij nota bene zijn werk laat illustreren. Ja, ik geef het u te doen Timmermans te verdedigen. Maar hij tekende even poëtisch als Pieck het kitscherig deed.
En daarom kies ik graag zijn roman Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken gerooken als een ten onrechte vergeten boek. Het gaat over een schilder en bovendien illustreerde Timmermans het met een massa plaatjes die een Vallotton-achtige eenvoud en charme hebben. ‘Het sneeuwde nog altijd dun en fijn, alsof de grijzen hemel wierd afgevijld.’ Zulke taal. Tragisch is dan weer dat de Nederlandse uitgever Van Kampen veel van Timmermans prachtige Vlaamse idioom onderdrukte en dat de oorspronkelijke manuscripten verloren gingen.

Zonder trommels en trompetten (1973)
Jeroen Brouwers (1940)

Auke Hulst: Jeroen Brouwers zelf is verre van vergeten – sterker, hij publiceert nog met veel succes en ouder werk verschijnt nog steeds in nieuwe jasjes – maar over deze novelle wordt te weinig gesproken. Terwijl deze ‘markante anekdote uit het leven van Jeroen Brouwers, door hemzelf verteld’, zoals de ondertitel luidt, de samengebalde essentie van Brouwers’ werk bevat: herinnering, de dood, een fascinatie voor zelfmoord en voor de literatuur, die voor Brouwers onlosmakelijk met het leven verweven is. Natuurlijk verteld door een man alleen die in deerniswekkende omstandigheden jenevertranen plengt, het nodige te (wee)klagen heeft, maar dat doet in een flonkerende stijl, die tegelijk barok is en geen woord vermorst, en ook – niet onbelangrijk! – de nodige lucht en humor bevat. In dit geval treffen we Brouwers aan in een krakend en lekkend boshuisje. We nemen kennis van de dood van zijn kat Carrabas, een verlies dat de deur opent naar herinneringen aan de zelfmoord van een goede vriend, en naar een verlangen naar een meisje ‘dat zo mooi is als de dood’. En dat alles gebracht vanuit een geestgesteldheid die de grens tussen hallucinatie en werkelijkheid poreus maakt. Een foutloos, tijdloos en onmisbaar boekje.

Rood paleis (1936)
F. Bordewijk (1884 – 1965)

L.H. Wiener: De angst voor chaos en verval en de daarmee samenhangende noodzaak tucht en orde na te streven, vormt de complementaire tweedeling in de persoonlijkheid van de auteur F. Bordewijk, die deze gesteldheid voor het eerst vorm gaf in de levensvisie van schoolhoofd Bint uit de gelijknamige korte roman, waarvan de eerste druk verscheen in 1934, met de dreiging van het naziregime en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in het verschiet. Een dreiging overigens die een onterechte verdenking op het gedachtengoed van Bordewijk heeft geworpen.
Zeventien jaar later, in 1951, verhief Bordewijk dit thema opnieuw tot grote hoogte in Rood paleis, een bordeel aan de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar de habitué Henri Leroy zijn nachtelijk heil zoekt. Leroy is de belichaming van de zichzelf complementerende persoonlijkheid, enerzijds de naar buiten tredende door en door fatsoenlijke en stijlvolle gentleman, cultureel geschoold en met een verfijnde smaak en anderzijds de romantisch-decadente hedonist voor wie het onbelemmerd bevredigen van ieder lustgevoel lokt als een levensvervulling. Hij doet in deze hoedanigheid denken aan Lord Henry uit Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray en zijn naam zou weleens geen toevalligheid kunnen zijn.
De handeling in Rood paleis voltrekt zich aan het begin van de vorige eeuw met als filosofisch perspectief het verstikkende fin de siècle-gevoel: het geloof in een toekomst die door de ontwikkeling van wetenschap en techniek alleen maar beter worden kon en anderzijds de fascinatie voor verval, decadentie en dood. Een geestelijke gesteldheid waaraan Bordewijk zelf in hoge mate onderhevig was. In deze meesterlijke roman verschuiven metamorfosen voortdurend in groteske vormen over en door elkaar heen en maken zo de werkelijkheid onkenbaar. Het ‘rode paleis’ blijkt niet levensvatbaar en gaat uiteindelijk in vlammen op, waarbij het transformeert tot een dier ‘met rode ribben en een skelet’, terwijl Henri Leroy versteend achterblijft als een gebouw ‘met twee rode markiezen’.
In de vlammenzee die het gedoemde gebouw in de as legt, ‘een fuga van vuur’ in de woorden van Bordewijk, kondigt zich de wereldbrand van de Eerste Wereldoorlog aan, waarin het fin de siècle-gevoel haar definitieve voleinding vindt.
Rood paleis vormt naar mijn stellige overtuiging het literaire hoogtepunt in het oeuvre van F. Bordewijk.

Kind in de buurt (1972)
Willem Brakman (1922 – 2008)

Vincent Schmitz: Het is alweer tien jaar geleden dat Willem Brakman stierf, de tot zijn dood uiterst productieve schrijver van een uniek oeuvre, waarin hij zowel volstrekt eigen variaties op beroemde romans van Kafka en Flaubert presenteerde als tot mythische proporties opgeblazen jeugdherinneringen.
Zijn werk is een genot voor literaire puzzelaars, liefhebbers van ondoorgrondelijke en alle kanten uit meanderende dialogen en studenten Nederlandse letterkunde op zoek naar een scriptieonderwerp. Zelf studeerde ik in 1999 af op Brakmans door de Jack the Ripper-moorden geïnspireerde novelle Heer op kamer (1988), nadat ik in colleges over postmoderne literatuur had kennisgemaakt met zijn werk. Zonder die studie was ik daar vermoedelijk nooit mee in aanraking gekomen, en tegenwoordig wordt hij ongetwijfeld nóg minder gelezen dan twintig jaar geleden.
Een roman van Brakman kan een frustrerende leeservaring zijn: terwijl je geniet van zijn taalvondsten en wonderlijke gedachtesprongen, vraag je jezelf voortdurend af of je een paar bladzijden eerder iets over het hoofd hebt gezien.
Een van zijn vroegere boeken, Kind in de buurt (1972), gaat over de Haagse kunstenaar Jan Oud. Het verval is ingezet, zijn roem is tanende, hij wordt zwaarder en trager, en hij zit vast in een liefdeloos huwelijk. Hij lijkt pas weer op te leven als hij leest dat in de buurt een jong meisje is verdwenen.
De man bijt zich zodanig vast in de zaak – zo daagt hij de vader van het meisje uit voor een spelletje schaak en hangt hij rond op haar schoolplein – dat hij zichzelf langzaam maar zeker verdacht maakt. Zelfs de lezer begint zich af te vragen in hoeverre Oud te vertrouwen valt, en hoe het nu zit met de slordig dichtgegooide kuil in zijn tuin: ‘Hij keek ernaar maar geloofde het niet, steeds opnieuw dacht hij debielig: verdomd die is dicht, die is vol, die hebben ze volgegooid, nu en dan schichtig in het rond glurend alsof hij iemand hoopte te betrappen die op een afstandje de buik vasthield van het lachen.’

Het reizen vereist sterke zenuwen (2004)
Bob den Uyl (1930 – 1992)

Mensje van Keulen: Ik sla een verhalenbundelvan Bob den Uyl (1930-1992) open en lees een eerste zin: ‘In het begin van dit jaar werd ik telefonisch door een meneer van de Belgische radio uitgenodigd in Brussel iets positiefs over zijn land te komen zeggen.’ Vooruit, nog een: ‘Een kennis van me, Alex Vreugdenberg geheten, had een nieuwe motorboot gekocht.’
In 2004 werd de Bob den Uylprijs in het leven geroepen, en sinds 2011 verscheen jaarlijks (tot 2015) in een kleine oplage het Bobschrift. Maar wie leest nog Bobs geestige, melancholieke, zwart-humoristische, hilarische verhalen over reizen, drank, zinloosheid, België, angst, Rotterdam, ergernissen, ja, wat niet al?
Zijn boeken zijn nog antiquarisch te verkrijgen. Wie nooit iets van hem heeft gelezen, kan rustig elk van zijn boeken aanschaffen. De titels spreken voor zich: Het menselijk kunnen staat voor niets, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam, Opkomst en ondergang van de zwarte trui. Lees Bob!

Advertenties