Paul Witteman over Simon Vestdijk, Erwin Olaf en J.S. Bach

Paul Witteman (72) presenteert een nieuw seizoen van Podium Witteman. Wat leest, luistert en ziet hij in zijn vrije tijd?

Verschenen in het oktobernummer van HP/De Tijd. (2019) Lees het gehele interview hier.

BOEKEN
“Ik ben dweperig van aard. Als ik een boek goed vind dan ga ik meteen alles van die schrijver kopen, ook als ik zeker weet dat ik dat boek nooit ga lezen, want ik vind dat je het op zijn minst allemaal moet hébben. Simon Vestdijk is een schrijver van wie ik bijna alles heb gelezen. Misschien heeft het met zijn muzikaliteit te maken dat ik van zijn werk houd. Vestdijk was namelijk een heel muzikale man; hij heeft veel geschreven over Bach. Er zijn mensen die zeggen dat hij saai is, maar ik vind hem juist heel erg geestig. Het kind tussen vier vrouwen is misschien wel zijn beste boek, al zijn De kelner en de levenden en Op afbetaling ook erg mooi. Zo’n schrijversobsessie duurt vaak een paar jaar en dan is het helemaal over. Dan raak ik weer verknocht aan een andere schrijver. Wie dat op dit moment is? Tommy Wieringa, al heeft die nog niet eens zo heel veel geschreven. Dit zijn de namen maakte veel indruk. Het gaat over vluchtelingen die van alle kanten bij elkaar komen en proberen te overleven. Wie gaat het redden? Dat is de vraag. Zijn stijl is trouwens ook schitterend. Je hebt bij hem nooit het idee dat je huiswerk moet doen.”
“Laatst las ik in De revisor een stuk van Thomas Heerma van Voss over W.F. Hermans waarin hij gehakt maakt van Au pair. Ik was het wel met hem eens, ik vond het ook een verschrikkelijk slecht boek, maar je moet het als jonge schrijver maar durven om de meest bewonderde schrijver van het land op zo’n manier aan te vallen. Dat bracht mij tot de vraag: wat als je op deze manier eens meer bewierookte schrijvers van toen opnieuw zou beschouwen en daar een serie van maakt? Misschien is dat wel iets voor HP/De Tijd. Laat een jonge schrijver die gevestigde namen eens op een kritische manier beschouwen en kijk of je genoeg argumenten bij elkaar kunt krijgen om postume karaktermoord – al is dat misschien een iets te zwaar woord – te plegen. Dat lijkt me heel interessant. Gerard Reve? Blijft die overeind? Zijn eerste drie boeken in ieder geval, maar zodra de jongensbilletjes erbij komen wordt het er niet beter op. Godfried Bomans? Ik weet het niet. Jeroen Brouwers? Die zeker wel.”

BEELDENDE KUNST
“Bijna iedereen – uitzonderingen daargelaten natuurlijk – heeft zijn culturele smaak aan zijn ouders te danken. Mijn ouders hebben mij ooit als vijf- of zesjarige meegenomen naar een Rembrandt-tentoonstelling in het Rijksmuseum. In die tijd was het katholieke geloof in ons gezin nog net op het randje van leidend. Ook in de culturele sfeer. Ik herinner me dat ik erg ontroerd raakte door de religieuze voorstellingen die daar hingen, zoals De heilige familie bij avond. Rembrandt ontroert op dezelfde manier als Bach: er gaat zo’n enorme warmte uit van zijn kunstwerken, zoveel mededogen met de mens, dat je je haast niet kan voorstellen dat hij die schilderijen alleen maar maakte om er geld mee te verdienen. Dat is waarschijnlijk ook niet zo, maar zeker weten zullen we dat nooit. Ik herinner me dat mijn ouders ook een tekening van Rembrandt boven de eetkamertafel hadden hangen. Het was een kopie van De drie kruisen. Ik ben ze nog steeds zeer dankbaar dat ze me daar allemaal mee in aanraking hebben gebracht. Ik heb in menig opzicht een verwaarloosde jeugd gehad, maar in cultureel opzicht niet.”
“De beste tentoonstelling van het jaar vond ik die van Erwin Olaf in het Gemeentemuseum in Den Haag. Ik heb eerlijk gezegd een beetje een getroebleerde relatie met Erwin Olaf. Een jaar of twintig geleden maakte hij voor de voorpagina van de VARA-gids een portret van mij en Marcel van Dam – de presentatoren van Het Lagerhuis. Hij wilde laten zien dat hij niet zomaar een fotograaf was, dus hij had onze gezichten verschrikkelijk overbelicht. We zagen eruit alsof we de volgende dag dood zouden neervallen. Ik heb toen gezegd dat ik het een weinig flatterende foto vond en hij werd me toch een partij kwaad… Hij was de kunstenaar en ik moest me nergens mee bemoeien. Hij heeft toen ook tegen mijn vaste grimeuze gezegd dat ze me voortaan extra bleek moest schminken. (Lacht) Een paar weken geleden heb ik hem gebeld om hem te feliciteren met die tentoonstelling. De meeste foto’s kende ik al, maar ik vond de collectie werkelijk bijzonder. Ik heb toen ook mijn nederige excuses aangeboden voor dat voorval en die heeft hij ook warm aanvaard.”

MUZIEK
“Zonder klassieke muziek zou ik een totaal ander leven lijden. Ik zou andere vrienden hebben gekozen, andere werkzaamheden hebben gedaan… Alles in mijn leven komt terug bij de liefde voor die muziek. Ook daar ben ik mijn ouders weer dankbaar voor. Zolang ik me kan herinneren ben ik namelijk met klassieke muziek in aanraking geweest. Zelfs toen ik bij mijn moeder in de buik zat moet ik al dagelijks muziek om me heen hebben gehad. Bij ons thuis werd heel veel gespeeld, wat weer een andere ervaring is dan muziek uit de radio horen. Mijn moeder en bijna al mijn broers speelden piano. Mijn hele jeugd werd daardoor door klassieke muziek beïnvloed. Ik heb mezelf weleens afgevraagd hoe ik zou zijn geworden als ik in een ander gezin was opgegroeid. Ik denk dat ik dan misschien helemaal niet van klassieke muziek had gehouden, maar dat is zo onvoorstelbaar dat ik dat niet kan geloven.”
“Bach staat bij mij op nummer een. De Matthäus-Passion heeft op mij als kind al een verpletterende indruk gemaakt. Er bestaat niets mooiers dan dat openingschoraal. Nog steeds ga ik elk jaar naar twee uitvoeringen. Zelfs als ik zou denken: nu weet ik het wel, wat onmogelijk is natuurlijk, zou ik die concerten nog bezoeken. Uit eerbied voor Bach, omdat je natuurlijk nooit zeker weet of je hem later nog eens tegen zal komen. Welke vraag ik hem dan zou stellen? Of hij bij zijn composities gebruik maakte van wiskunde. Daar is een discussie over in muziekland. Mijn broer Wim Witteman, die harmonie en solfège gaf op het conservatorium, doet analytisch onderzoek naar de wiskunde achter Bach. Ik kan het ook allemaal niet begrijpen, maar hij gelooft heilig in de mathematische symboliek die in zijn stukken verscholen zou liggen. Je moet het maar eens nazoeken. Hij heeft de Matthäus-Passion al geanalyseerd en is nu de Hohe Messe op dezelfde wijze aan het analyseren.”

 

 

Advertenties