Zo zaten we er het afgelopen jaar vaak bij: om de week op het terras van de tennisclub aan de Kattenlaan, als het mooi weer was, of bij jou thuis, als het regende of jij je niet goed voelde. Eindeloze middagen en avonden met de beste verhalenverteller die ik ken. Ondertussen bespraken we je nieuwe column over je tijd in het ziekenhuis, waar je blaas en prostaat vorig jaar werden verwijderd, en waarvan je er in krap een half jaar dertig hebt geschreven. Een recordtempo, voor jouw doen. Vorige week bleek dat het goed mis was. ‘Misschien heb ik onbewust aangevoeld dat ik haast moest maken’, zei je. Tuinders noemen dat noodbloei: de boom voelt dat hij sterft, en bloeit nog één keer harder dan ooit. De laatste dagen was je zo dapper. Aan de telefoon was je allesbehalve zwaarmoedig. We bespraken nog het idee om de columns te bundelen in een boekje: ‘Uitgeluld’. ‘Maarten’, zei ik, ‘zorg dan wel dat je nog een tijdje leeft, in ieder geval tot het boek er is, want terminale mensen doen het goed in talkshows. Beloof je dat je dan bij Jinek gaat zitten?’ ‘Ja, onder tafel’, antwoordde je, gevolgd door je kwajongenslach.
Maarten, het was een feest, ik had het voor geen goud willen missen.