Paul de Munnik: ‘Ik moet het publiek bijna vanaf nul heroveren’

Paul de Munnik (47), voorheen de helft van Acda en De Munnik, staat vanaf 21 maart in het theater. Wat kijkt en luistert hij in zijn vrije tijd?

Uit HP/De Tijd, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

BOEKEN
“Mijn all-time favorite boek is A Prayer for Owen Meany van John Irving. Ik hou van zijn manier van vertellen. Hij gebruikt altijd verschillende verhaallijnen die uiteindelijk, zonder dat je het van tevoren ziet aankomen, heel ingenieus bij elkaar komen. Wat ik interessant vind aan dit boek is dat de ik-persoon (John Wheelwright) niet de hoofdpersoon is. Dat is Owen Meany, een Jezus-achtige figuur, die ervan overtuigd is dat hij een van Gods gezondenen is en een heldendaad zal verrichten. Zo eens in de twee jaar herlees ik het boek en nog altijd vraag ik me af: wat is dat voor een figuur? Alleen al de manier waarop hij praat: hij heeft zo’n gekke stem dat de schrijver alles wat hij zegt in kapitalen heeft opgeschreven. Daardoor hóór je hem krassen. Jonathan Safran Foer is een andere favoriet. Here I Am heeft diepe indruk gemaakt. Het gaat over een Joods gezin in de Verenigde Staten dat door allerlei omstandigheden in moeilijkheden geraakt – veel bondiger kan ik het niet samenvatten. Het gaat heel erg over identiteit: wie ben ik en waar kom ik vandaan? Het Jodendom speelt daarbij een grote rol. Dat vond ik ook verfrissend aan dit boek, dat je eens vanuit een Joodse beleving naar de wereld van nu kijkt.”

MUZIEK
“Ik luister altijd veel naar Tom Waits. Swordfishtrombones is mijn favoriete plaat. Nighthawks at the Diner is ook zo goed. Dat is bijna een muzikale cabaretvoorstelling. Hij vertelt te gekke verhalen, is poëtisch en geestig en het geheel is ook nog eens fucking muzikaal. Je hebt echt het idee dat je in zo’n oude jazzclub aan een tafel zit, met je neus erbovenop. Zijn latere werk vind ik wat ingewikkelder. Daarbij duurt het wat langer voor je doorhebt wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Daniël Lohues luister ik ook geregeld. Dat is een van de grootste liedjesschrijvers van ons land. Begin maart komt zijn nieuwe album uit: Vlier. Zijn liedjes zijn heel minimalistisch. Zonder opsmuk. Hij kan heel goed tot de kern van een lied komen. Heeft een tekst alleen pianobegeleiding nodig? Dan neemt hij alleen een piano. Het schrijven is voor hem ook echt een ambacht. Zoals het hoort. Ik heb de neiging om te wachten op inspiratie, maar dat bestaat niet, inspiratie. Je moet gewoon gaan zitten en gaan schrijven. Hij werkt ook veel harder dan ik. Ik heb toevallig deze week een liedje geschreven en dan ben ik de rest van de week wel weer tevreden, en volgende week ook nog wel, maar Daniël schrijft de volgende dag gewoon weer een liedje, en de dag daarop ook. Daar heb ik heel veel bewondering voor.”

THEATER
“De laatste voorstelling die ik zag was die van de jongens van Rundfunk: Wachstumsschmerzen. Het zat theatraal heel goed in elkaar: ze spelen weleens een scène met de vierde wand, zoals ze ook op televisie doen, maar het is wel altijd gerelateerd aan de publieksreactie. Hoe zou je kunnen omschrijven wat ze doen? Ze maken absurd toneelcabaret. Het is niet absurd in zijn scènes, maar wel absurd in zijn humor. Je ziet iets wat je herkent, maar wat er vervolgens gebeurt, is absurdistisch en ontregelend. Ze zijn ook niet bang om met grove grappen het publiek te choqueren, maar bij hen pakt dat goed uit. Ze schrikken het publiek daar niet mee af. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zich dat ook permitteren. Voor mij zijn dat de twee groten van onze generatie. Hans is iemand die heel duidelijk verlangt naar wat liefde en genegenheid. En dat zie je. Zijn eerste optredens waren echt overdonderend. Niet omdat hij zo grof was, maar omdat je een klein jongetje zag staan dat heel graag aardig gevonden wilde worden. Dat ontroert. Theo Maassen heeft dat ook. Hij is een jongen die zich oprecht afvraagt hoe de wereld in elkaar steekt. Natuurlijk mept hij af en toe flink om zich heen, maar ook bij hem ontdek je die diepere laag.
“Vroeger zaten de theaters altijd vol. Ook de mindere goden hadden altijd volle zalen. Nu staan er nog maar een paar boven aan de berg met volle zalen en de rest moet vechten om het publiek naar binnen te krijgen. Mensen geven hun geld namelijk maar één keer uit. En dat is ook logisch, maar dan gaan ze toch liever naar Jochem Myjer of Theo Maassen, omdat ze weten: daar krijg ik sowieso waar voor mijn geld. Sinds ik na Acda en De Munnik voor mezelf ben begonnen, merk ik dat ik het publiek weer bijna vanaf nul moet veroveren. Dat had ik ook wel verwacht, maar het is moeilijker dan ik had gedacht. Ik zal niet meer voor de echte topzalen spelen, in ieder geval de komende jaren niet. Carré zit er voor mij niet meer in. Dat hoort ook bij waar ik nu sta als maker en – heel eerlijk – ook aan het publiek dat ik op dit moment aan mij kan binden. En dat is ook niet erg. Dat komt wel weer. Ik speel nu liever voor wat minder mensen die speciaal voor de muziek komen dan voor wat meer mensen die alleen maar komen omdat ik het ben. Het is net als met een tuin: soms moet je eerst snoeien voor je iets weer kunt laten groeien. Dan is het eerst even kaal, maar uiteindelijk knapt de boom ervan op.”

Advertenties