Schrijvers Tommy Wieringa en Jaap Scholten delen veel: hun wortels in het Twentse landschap, hun liefde voor de literatuur, en een onstuitbare drang naar vrijheid. Toen ze samen konvooien naar Oekraïne gingen brengen, leerden ze elkaar nog beter kennen.
Verschenen in het dubbeledikke zomernummer van HP/De Tijd, 2026. Fotografie door George Maas.
Tommy Wieringa (Goor, 1967) is schrijver van onder meer Joe Speedboot en Dit zijn de namen. Jaap Scholten (Enschede, 1963) is schrijver van onder meer Kameraad Baron en oprichter van Protect Ukraine, de stichting waarmee de twee hulpkonvooien naar het front brengen en de Oekraïense strijdkrachten ondersteunen. Ze leerden elkaar in de jaren negentig kennen.
Tommy: “Het is wonderlijk hoe al die lijnen tussen ons al heel lichtjes met elkaar verbonden waren voordat we elkaar echt leerden kennen. Een van de belangrijkste was A.L. Snijders, die in zekere zin onze literaire vader is geweest. Mijn leraar Nederlands, toen ik op de havo-mavo zat in Diever, reed elke zaterdag naar Drachten, kocht daar Het Parool, en las op maandag in de klas, terwijl wij naar de voorbijrijdende gierkarren keken, een uitgeknipte column voor van zijn vriend Snijders. Zo leerde ik hem kennen. Jij leerde hem kennen toen je iets met een van zijn dochters kreeg.”
Jaap: “Ik was zestien toen ik iets kreeg met Pille. Het allereerste zinnetje dat ik ooit tegen Snijders heb gesproken, was een opmerkelijk zinnetje. Ik kwam ’s nachts naar dat huis gefietst en doolde rond in die boerderij, en kwam hem in het donker tegen in de gang. ‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij. ‘Ik slaap met uw dochter,’ antwoordde ik.”
Tommy: “Hoe ik bij Snijders terechtkwam, is een verhaal apart. Mijn pleegmoeder, bij wie ik toen woonde, vertrok naar Curaçao, en ik bleef achter om haar huis leeg te ruimen: zo’n vijfduizend boeken, veertig katten en twee honden. De boeken heb ik verdeeld, de katten naar het bos gebracht, en de honden moesten ook nieuw onderdak vinden. Een van die honden heette Tommy, naar mij genoemd, en die ging naar mijn leraar Nederlands, Jon Verhave. Toen die na een motorongeluk met een dwarslaesie in een rolstoel belandde, ging de hond naar zijn vriend Snijders, die op een grote boerderij in de Achterhoek woonde. Zo was ik al de hond van A.L. Snijders lang voordat ik hem in levenden lijve had ontmoet.”
Jaap: “Jij bent dus van een afstand gevormd, door hem te lezen, en ik aan zijn keukentafel. Ik kom zelf niet uit een literaire familie; er werd wel veel gelezen, maar niet heel literair. De enige invloed kwam van de derde man van mijn moeder, Hendrik Boom; hij las alles van W.F. Hermans en Gerard Reve. En verder van mijn vader en zijn echtgenote. Mijn vader was hertrouwd met de dochter van Leonard Huizinga, dus we kregen Adriaan en Olivier om de oren geslagen, en Herfsttij der Middeleeuwen van haar grootvader, de historicus Johan Huizinga. Peter, zoals Snijders eigenlijk heette, was heel uitgesproken in zijn literaire voorkeuren, hij was een echte schoolmeester en hij had een uitstekende smaak: Reve, en dan vooral Karel, Babel, Cheever, Carver, Elsschot. Mulisch werd intens gehaat. Ik werkte toen elke zaterdag op de markt bij notenkraam Tovano, en van dat geld ging ik bij De Slegte in Enschede de boeken kopen die Peter me aanraadde. Zo ben ik schrijver geworden.”
‘De literatuur is een ecosysteem, en wij zaten allebei in dat van Snijders.’
Tommy Wieringa
Tommy: “Je vergeet de belangrijkste: Nescio, voor hem het centrum van alles. En dat werd hij voor mij ook. De literatuur is een ecosysteem, en wij zaten allebei in dat van Snijders.”
Jaap: “Voor mij hebben zijn laatste levensjaren hem wel van zijn troon gestoten. Een demasqué, eigenlijk. Het is altijd moeilijk, het verschil tussen de mens en de schrijver, maar als mens vind ik dat hij stupide dingen heeft gedaan, vooral ten opzichte van zijn kinderen. Ik ben daarin heel onvergeeflijk, en daardoor lees ik hem eigenlijk niet meer. Maar de boerderij daar in Klein-Dochteren waar Pille, haar broers en zusje, A.L. Snijders en Y woonden hebben mij in hoge mate gevormd. Ik kom uit een familie van doeners, daar betrad ik een heel ander universum.”
Tommy: “Je moet de genade hebben om iemand niet op die beroerde laatste jaren af te rekenen. Ik vind het een beetje zoals die Roma- en Sintigraven: daar staan gravures op van gestorvenen, meest oude mensen – zo worden ze herinnerd, terwijl er natuurlijk een heel leven aan voorafging. Je moet eigenlijk een foto afbeelden van hoe iemand in zijn glorie was. Snijders wilde ik destijds zo graag leren kennen omdat alles wat ik van hem las zo geestrijk en geestig en praktisch anarchistisch was. Hij had een verhaal gepubliceerd waarin hij met een varken achter in een caravan naar Frankrijk rijdt, en onderweg een jongen oppikt die Bas Dormantique heet, de hoofdpersoon uit mijn debuutroman, die hem onder ogen gekomen moet zijn. Toen heb ik hem een brief geschreven: ‘Dank voor die lift, want anders stond hij daar nu nog.’ Hij was een zelfschepping, en ik vond zijn bestaan volstrekt artistiek en schitterend om naar te kijken. Ik realiseerde me laatst dat ik zijn stem in de wereld echt mis.”