‘Ze vonden mij allemaal schattig’

Familieverhoudingen worden op vakantie vaak uitvergroot of komen onder druk te staan. Deel 1 van een zomerserie: Gerri Eickhof herinnert zich die oom die in Duitsland altijd heel langzaam reed.

Verschenen in de VARAgids, 30 juni 2026.

Gerri Eickhof groeide op in Tuindorp Oostzaan, in Amsterdam-Noord, met zijn moeder en grootouders. Het huis had een geel peertje van 25 watt in de keuken en een oud zeil op de vloer. Er was geen koelkast, geen douche, en de was deed zijn moeder met een wringer, in een zinken teil. In diezelfde teil werd Gerri op zaterdag gewassen, als laatste, nadat opa, oma en zijn moeder er al in hadden gezeten. Warm stromend water was in oma’s ogen een overbodige luxe. Oma deed de boodschappen uitsluitend bij katholieke winkeliers: de slager was goed, de bakker was een ramp, maar hij was katholiek, dus haalde het gezin zijn brood met aangebrande korsten bij hem. Een televisie werd pas aangeschaft toen oma ontdekte dat ze zo de dagsluiting met pater Leopold Verhagen kon zien. Over oma werd weleens gezegd dat ze met de paus zou willen trouwen als hij niet celibatair was. Zijn vader heeft hij nooit gekend, al weet hij sinds een paar jaar wel wie dat was.

Zijn vroegste vakantie dateert uit het jaar dat hij drie werd, maar herinneringen heeft hij er zelf niet aan. Wat hij ervan weet is hem later verteld.

“Ik was drie jaar oud toen we voor het eerst op vakantie gingen. We gingen met de touringcar naar de Harz, in Nedersaksen, met mijn moeder, mijn opa, mijn oma, een oudoom en een oudtante. De oudtante was een zus van mijn opa en de oudoom een broer van mijn oma, en ze waren met elkaar getrouwd, dus er was een dubbele familieconnectie. De reisorganisatie nam eigenlijk geen kinderen van mijn leeftijd mee, maar ze maakten een uitzondering, en omdat het goed beviel, mocht ik het jaar daarna gewoon weer mee.”

Na de Harz gingen ze twee zomers op rij naar Oostenrijk en naar het Bodenmeer. Het gezelschap in de bus bestond volledig uit gepensioneerden, op zijn moeder, de chauffeur en de reisleider na. Gerri was het enige kind.

“Door al die oudjes werd ik ook heel erg verwend, zo erg dat mijn moeder er tegen op moest treden. Hij heeft er vandaag al zes gehad, zei ze dan, als weer iemand me een chocoladereep toestak. Dan werden die repen apart gelegd voor de volgende dag, en dan smolten ze in de zon.”

Op een van die tussenstops sliepen zijn moeder en hij samen op een hotelkamer in Duitsland.

“Ze had diarree gekregen en raakte in paniek. Ze dacht dat het aan het water lag. Het Amsterdamse water is heel erg goed, vond ze, maar water uit de Rijn, of waar het kraanwater ook vandaan kwam, dat deugde niet. Het was voor het eerst in mijn leven dat ik mijn moeder in paniek zag. Verantwoordelijk voelde ik me niet, daarvoor was ik echt nog te jong. Ik dacht wel dat ik een beetje aardig moest zijn, want ze was ziek. Na wat norit-pilletjes ging het weer met haar.”

Op vakantie waren zijn moeder en grootmoeder niet meer directief.

“Ze vertelden mij niet meer wat ik moest doen en laten, dat deden de reisleider en al die mensen die zich op dat kleine kereltje stortten. Thuis letten ze altijd op wat er mis kon gaan, pas op voor dit, pas op voor dat. De mensen in de bus deden dat niet of nauwelijks. Die vonden mij allemaal schattig.”

Anderen hadden een vader, hij had een opa, en dat was prima.

“Die was gek op mij en ik op hem. Hij was zijn hele leven beroepschauffeur geweest en gek op auto’s. Dat ben ik ook. Toen ik klein was, tekende ik voor het eerst een auto, zoals alle kinderen dat doen, van opzij, met twee wielen. Dat zou ik anders doen, zei opa, en hij tekende een schematische auto met een aanzicht vanaf de onderkant, met de assen erbij. De man is overleden toen ik net zeven was.”

Met zijn grootmoeder lag het ingewikkelder.

“Ze was een dominante vrouw, en op een gegeven moment word je je dat bewust, en dat was niet altijd even prettig. We leden er allebei onder, mijn moeder en ik. Ik leed er ook onder dat mijn moeder eronder leed. Als er iets met geweld op televisie was, vond mijn moeder dat vervelend en wilde ze eigenlijk wat anders opzetten, maar oma tolereerde dat niet. Haar wil was wet.”

Zijn oma was ziekelijk. Tussen zijn negende en twaalfde gingen ze daarom een aantal jaren helemaal niet meer met vakantie. In die zomers nam Gerri met een paar strippenkaarten op zak de bus naar het Centraal Station en dan de tram naar de eindhalte. Daar bleef hij zitten en reed terug. Als het nog niet laat was, pakte hij een andere lijn. Lijn 25 ging het verst, met als eindhalte de President Kennedylaan in Amsterdam-Zuid. Hij wachtte altijd op een lege tram, zodat hij vooraan kon zitten, met het gezicht in de rijrichting.

In die tijd gingen ze ook dagjes weg, zijn moeder en hij, in een goedkope auto zonder radio. Ze legden een transistorradiootje achter de voorruit. Als ze richting de kust reden, kwam Radio Veronica mooi door. Ze gingen naar het Amsterdamse Bos, de Scheveningse pier, de Martinitoren in Groningen, Madurodam.

“Als ik veel geluk had, gingen we in die veertien vakantiedagen wel twee keer naar de Efteling. Want dat vond ik toch wel het leukste.”

Zijn oma bleef thuis. Oom en tante woonden dichtbij en namen het soms over, maar meestal kookte zijn moeder ’s avonds gewoon voor haar, een apart potje met wat minder zout.

“Op die tochtjes hadden we even geen zorgen, want mijn moeder hoefde niet in de nabijheid van die oude vrouw te zijn waarvoor ze zorgde. Dat luchtte op. Dan reden we bijvoorbeeld naar de Veluwe, stapten uit, wandelden een uur of twee, en reden via een blokje om weer terug. Kookten we niet thuis, dan gingen we naar een vaste snackbar in Apeldoorn, waar de frikandel speciaal heel lekker was. Daar heeft mijn moeder een keer net iets te laat geremd, en toen botsten we op zo’n varkensrug op het plein.”

Later, toen hij in de tweede klas van de middelbare school zat, gingen ze naar het buitenland, zijn moeder en hij, naar Frankrijk en Spanje.

“We stopten onderweg en toen bleek dat mijn moeder geen vuur bij zich had. Ze kon niet roken, en dat was een groot probleem. Ik liep het plaatselijke benzinestation binnen en sprak voor het eerst van mijn leven Frans tegen mensen die niets anders verstonden. Verkoopt u lucifers, vroeg ik, en ze pakte een doosje. Verrek, dacht ik, het werkt. Ze verstaan me. We sliepen in een hotel, en ’s nachts liep er een muis door de kamer. Mijn moeder zat zowat tegen het plafond. Ik ben naar de receptie gegaan en heb ook in het Frans gemeld dat er een muis op onze kamer zat. We kregen een andere kamer. Alleen nam die muis ook een andere kamer. Of het was een andere muis, dat kan ook.”

Het rijden was voor hem net zo belangrijk als de vakantie zelf.

“Autorijden en onderweg zijn, dat is wat ik nu ik met pensioen ben het meeste mis. Je gaat in je eigen huisje op wielen van A naar B, en je bent overal en nergens thuis. Zelfs als we ergens een week zouden blijven, gingen we toch elke dag in de auto zitten en reden we urenlang de omgeving rond. Gewoon rijden maar, kijken wat je tegenkwam. Vroeger vond ik het altijd heerlijk om in Duitsland plankgas te rijden op stukken snelweg zonder maximum snelheid. De laatste jaren doe ik dat niet meer en ga ik nooit harder dan 140.”

De vakantie die hem het meest is bijgebleven, maakten ze met zijn favoriete oom en tante. Ze reden in twee auto’s: de oom en tante in een Austin, zijn moeder en hij in een Skoda.

“Mijn oom sprak goed Duits en had al vaker in het buitenland gereden, dus hij reed voorop. Gewoon tachtig, negentig kilometer per uur, zoals dat destijds ging. Tot we de grens over waren. Toen ging hij ineens heel, heel langzaam rijden, en de dagen daarna weer, en we snapten dat niet.”

Later begrepen ze waarom.

“Die oom was tijdens de oorlog gearresteerd en afgevoerd naar Duitsland, waar hij in de Arbeitseinsatz was ingezet. Dat was nogal rottig verlopen. Hij was er ook heel ziek geworden en is er op een gegeven moment ontsnapt. Daar heeft hij iets van meegekregen, dat zich soms in de huiselijke kring uitte. Wij wisten dat niet. Hij was eigenlijk gewoon bang om in Duitsland te zijn, en ging daardoor heel langzaam rijden.”

In Zuid-Duitsland besloten ze dat zijn moeder maar eens voorop moest gaan, en binnen de kortste keren waren ze de oom en tante kwijt.

“Er was geen mobiele telefoon. Je denkt toch: als er maar niets verschrikkelijks is gebeurd. We reden de route die we gepland hadden, kwamen ze nergens tegen, en na een paar dagen zijn we teruggegaan naar ons hotel in Reichenbach. Daar zaten ze. Nadat ze ons kwijt waren geraakt, waren ze gewoon teruggekeerd naar dat hotel, naar die aardige mensen, en hadden ze de hele tijd gewacht. We zijn gezamenlijk verdergegaan, en het was verder allemaal heel genoeglijk, maar dat langzame rijden over de Duitse weg is me altijd bijgebleven.”