Nu het legendarische interviewprogramma stopt, ontrafelen we de Methode Zomergasten met oud-presentatoren Peter van Ingen, Margriet van der Linden en Adriaan van Dis.
Verschenen in de VARAgids, 15 juli 2026.
Een schilderij, bordeauxrood, vol gebogen, groen geschilderde figuren, starend naar een felle beeldbuis. Twee blauwe fauteuils ervoor met een lage tafel ertussen, twee glazen water, en aan de weerszijden een televisietoestel. In dat decor namen op zondagavond 3 juli 1988 twee mannen plaats voor de allereerste uitzending van Zomergasten. In de ene stoel zat een bloednerveuze Peter van Ingen, journalist, 37 jaar en voor het eerst live op de buis. In de andere zat zijn gast Pierre Janssen, de magere kunstkenner van 61 die in de jaren zestig en zeventig met het AVRO-programma Kunstgrepen wekelijks twee miljoen Nederlanders kennis liet maken met beeldende kunst, en met zijn trillende handen en aanstekelijke geestdrift een begrip was geworden. Met een sigaret tussen de vingers zei hij die eerste avond de zin die achteraf het credo van het programma bleek: “Ik vind televisie roerend als het snaren raakt.”
Een toevallige gast was Janssen niet, en zelfs geen onomstreden keuze: de hardcore VPRO’ers schoven doorwrochte namen naar voren voor het nieuwe zomerprogramma, zoals Rudi Fuchs, de latere directeur van het Stedelijk Museum, maar Van Ingen wilde per se de AVRO-man uit zijn eigen jeugd. In de maanden ervoor reed hij telkens naar diens keukentafel in de Betuwe om de opzet uit te denken. Het was Janssen, oude televisieman met een fenomenaal beeldgeheugen, die hem de kernvraag aanreikte die het programma bijna veertig jaar zou dragen: welk beeld staat je zo ongelooflijk bij dat je het nog weet, en waarom? “Simpeler kan het niet”, zegt Van Ingen. Zijn openingsvraag die avond was hoe Janssen ooit op de televisie was beland. Bijna veertig jaar later, nu Zomergasten na de zomer van 2026 verdwijnt, kaatst die vraag terug naar de man die haar stelde. Hoe was Van Ingen zelf ooit in die stoel beland?
Het antwoord begint bij de televisie van de jaren tachtig, waarin de Ster alleen mocht uitzenden tussen de programma’s en rond het Journaal. Programma’s onderbreken, zoals later bij de commerciële televisie de gewoonte werd, was verboden. “Doordeweeks was er reclame op het publieke net, maar de zondag was heilig”, zegt Van Ingen, destijds net overgekomen van stadszender Stad Radio Amsterdam. Aan die heiligheid kwam een einde: de zondag zou voor reclame opengaan, wat zelfs het CDA niet tegenhield. Voor de VPRO kwam dat hard aan, want de zondagavond was vanouds hun avond. Televisiedirecteur Roelof Kiers zag het aankomen en formuleerde een sluwe opdracht: bedenk een totaalprogramma dat je niet kunt onderbreken. Wie de hele avond vulde met één onafgebroken uitzending, hield de zondag ook reclamevrij toen de blokken er in 1991 alsnog kwamen. “Zo is het ontstaan. Als een list, dus”, zegt Van Ingen. De eerste jaargangen duurden vier uur en soms langer; een vaste eindtijd was er niet.
Het idee van een marathoninterview kwam van regisseur Krijn ter Braak. Op de VPRO-radio bestond zo’n urenlang gesprek al sinds 1986, al ontkende hij later dat hij het daarvandaan had. Van Ingen voegde daar de vondst aan toe die het marathonidee tot Zomergasten maakte: hij liet de gast uit televisiefragmenten een eigen droomavond samenstellen, om hem of haar daar vervolgens de hele avond over te ondervragen. De bedoeling was dat de kijker door de ogen van de gast naar die beelden ging kijken; Zomergasten, zegt Van Ingen, als een hommage aan het beeld. Het hardnekkige verhaal dat het een goedkoop vulprogramma voor de komkommertijd was, wijst hij van de hand. “Er was ruim budget. Geld speelde in het begin eigenlijk geen rol.” Studio en decor kregen de omroepen er gewoon bij, zonder dat iemand die kosten doorberekende. Fragmenten mochten van over de hele wereld komen; de duurste aankoop die hij zich herinnert was de originele filmopname van de moord op Kennedy in Dallas, 5000 dollar per minuut. “Dus nee, de fragmenten hoefden niet per se goedkope VPRO-opnamen te zijn. Alles kon.”
Wat zo’n avond van vier uur moest opleveren, vat Margriet van der Linden, presentatrice in 2009, het bondigst samen. “De gasten die daar zitten bieden hun vensters op de wereld, die van andere tijden en van nu en de toekomst.”
Rond de formule ontstonden twee scholen van presenteren. Die van Van Ingen begint lang voor de uitzending. Gasten ontmoette hij vooraf het liefst in Barretje Hilton, een Amsterdamse kroeg waar volgens hem vroeger de onderwereld kwam en nooit een journalist. “Als de uitzending begint, ben je al met elkaar bekend. Dat scheelt bijna een uur zendtijd, want je hoeft elkaar niet meer af te tasten.” Als eindredacteur, vanaf 2003, maakte hij van die gewoonte één vast etentje vooraf, met gast, presentator en twee redacteuren. Gasten en presentatoren zocht hij met de redactie, maar er meldden zich ook geregeld ongevraagde kandidaten: de een beloofde Johan Cruijff mee te brengen als hij mocht presenteren, en zelfs uit de kring rond het Koninklijk Huis, “niet de koningin, maar de cirkel daaromheen”, kwam ooit een gastaanbod. Zulke aanbieders weigerde hij pertinent, want dan zit een oprecht gesprek er bij voorbaat niet in. “Zo iemand heeft een dubbele agenda.”
De school van Adriaan van Dis, presentator van 1999 tot 2002, is de omgekeerde. “Ik ben geen voorstander van voorgesprekken, want dan is het verhaal al verteld voordat de uitzending begint. Ik ben op mijn best wanneer ik spontaan kan reageren. Dan kan ik soms zelfs onverwacht grappig zijn.” Met zelfspot voegt hij eraan toe: “Nee, ik wist ook niet dat ik dat in me had.” Onvoorbereid was hij allesbehalve: hij wilde alles weten, alles gelezen hebben en elk fragment vooraf gezien hebben. De zenuwen koesterde hij. “Als je niet zenuwachtig bent, moet je er onmiddellijk mee ophouden, want dan wordt het een gewoonte. Je moet altijd gespannen zijn; dat is de bloedstroom naar het brein.” Het verplichte etentje in de studio onderging hij op zijn eigen manier. “We spraken af het nergens over te hebben, alleen koetjes en kalfjes en onnozelheden; we gingen ons kruit niet verschieten. Toch vond ik het nerveuze momenten, dat je daar met zo’n oranje toet, want je bent al opgemaakt, in zo’n raar decor zit te wachten. Dan denk ik: laten we zo spoedig mogelijk beginnen.”
In één overtuiging vinden de scholen elkaar: een gastheer dwingt niet. “Je bent zo goed als je gast. Het gaat om een mate van bescheidenheid; je mag het ijdele bescheidenheid noemen, want anders ga je niet op televisie zitten, maar je moet die ander laten schitteren. Geen vragen van een kwartier, maar gewoon: waarom, sinds wanneer, hoezo? Je moet iemand niet dwingen iets te vertellen wat hij niet wil, want dan wordt het stroef. Je blijft gastheer”, zegt Van Dis. Van Ingen gaf zijn presentatoren altijd dezelfde raad: laat je leiden door de gast, voer een gesprek zoals thuis aan tafel, niet in talkshowtempo, en laat het getoonde fragment ook echt onderwerp van gesprek zijn in plaats van meteen door te gaan naar het volgende. Voor Van der Linden zit het geheim in de stilte. “Je moet nooit bang zijn voor de stilte die valt.” Haar grote voorbeeld komt uit Shoah, Claude Lanzmanns Holocaust-documentaire: een kapper die Treblinka overleefde vertelt over het haar dat hij vrouwen moest afscheren voor zij de gaskamer in gingen, en stokt, waarop Lanzmann aandringt met “Please, we must go on”. “Die aansporing is mijn gulden snede geworden”, zegt Van der Linden, “de liefdevolle maar zeer besliste stem die de hand en de veiligheid bood om dit moeilijke pad samen af te lopen.”
Uit zijn eigen presentatorjaren, 1988 tot 1995, licht Van Ingen de avond uit die voor hem laat zien wat die lange uren mogelijk maakten. Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering vroeg er in 1993 zelf om: bij het tweede voorgesprek, bij hem thuis, zei hij dat hij het in de uitzending over zijn ouders wilde hebben. Voor het eerst vertelde hij die avond dat hij de zoon van een NSB-vader was, op Dolle Dinsdag met zijn Duitse moeder naar Hamburg gevlucht, en zich zijn leven lang voor hem had geschaamd; zorgvuldig gekozen fragmenten hielpen hem het verhaal te dragen. Zoiets kan alleen in een programma met een lange adem, zegt Van Ingen: pas na uren praten leer je een gast van een andere kant kennen, en vaker liet iemand via zijn beelden iets zien wat hij nooit eerder had getoond.
Hoogte- en dieptepunt liggen voor Van Dis vlak bij elkaar. Het hoogtepunt heette historicus Cees Fasseur, in zijn woorden een Leidse man met leuke terzijdes. “Ik zal nooit een zinnetje vergeten dat hij over de jaren dertig zei: de enige werkloze in Duitsland hing in de broek van Hitler. Dat soort zinnetjes is aan mij besteed. Ik praat het liefst met schrijvers, die hebben een orale grammatica die me aanstaat.” Het dieptepunt heette Mies Bouwman, de vrouw die aan de wieg stond van de Nederlandse televisie, en juist daarom een teleurstelling was: zij hield het bewust luchtig en prees vooral vrienden en kennissen. “Er waren in haar begintijd boekjes over hoe je naar televisie moest kijken: moest je de gordijnen dichtdoen, moest er een lamp bij aan. Die tijd wilde ik terugroepen, maar daar had ze geen zin in.” Een goed gesprek werd het daarom niet. “Ik kan dat nu wel zeggen, omdat ze overleden is.”
Van 1988 tot 1995 was Van Ingen de presentator van het programma. Later, van 2003 tot 2015, was hij de eindredacteur. Wie presenteerde, kon de ochtend erna in de krant lezen wat hij waard was. Toch zocht Van Ingen met de redactie de presentatoren bewust niet in wat hij ‘de grote vijver op het Mediapark’ noemt, waar al die eendjes, al die tv-persoonlijkheden, in dobberen: buitenstaanders als Wim T. Schippers, Connie Palmen, Joris Luyendijk, Joost Zwagerman en Bas Heijne. “Je neemt een risico door onervaren mensen te vragen, maar tegelijk kwam je ook tot grote verrassingen, daar is de VPRO nu juist voor, zeker in die periode.”
De stoel kon zomaar een schavot worden. Hoe hard het oordeel kon uitvallen, merkte Van der Linden, in 2009 overgekomen van maandblad Opzij en nieuw op televisie. Na haar aflevering met Carice van Houten schreef Hanneke Groenteman, zelf presentator in 1998, midden in de nacht op haar weblog dat de avond was doodgeslagen “als een slecht getapt glas bier”, volgens haar volledig door Van der Lindens humorloze en onbekwame presentatie. De Volkskrant nam de uithaal over en wekenlang was ze landelijk nieuws. Dat recensenten mopperden, vindt ze niet gek. “Ze kijken net als ieder ander: boeit het, loopt het goed, zit de schwung erin? Ik snap het, ik zit zelf ook zo voor de tv.” Iets anders was de hetze, ontstaan “omdat iemand dacht: kom, ik zet alles wat ik heb zitten vinden en vooral voelen online”. Kort is ze erover. “Ja, natuurlijk raakte dit me.” Oud-presentatoren als Zwagerman en Heijne sprongen voor haar in de bres, en zelfs premier Balkenende constateerde ooit in de Tweede Kamer dat er in Nederland altijd kritiek is: op de bondscoach van het Nederlands elftal, op de presentator van Zomergasten en op de minister-president. Groenteman kreeg er jaren later spijt van, zei ze nota bene in de VARAgids: ze had in het donker achter haar computer gezeten, “zonder eindredacteur die zei: zou je dat nou wel doen?”. Van der Linden heeft het haar vergeven. Op de vraag wie haar favoriete presentator van Zomergasten is, antwoordt ze resoluut: “Hanneke Groenteman.”
In Van Ingens eindredacteursjaren stond Van Dis klaar als vaste invaller, voor het geval een presentator onverwacht zou uitvallen. “Je staat paraat, net als de dierenambulance: er wordt gebeld, er ligt een duif met een gebroken vleugel, en je spoedt je erheen. Zo’n noodgeval leek me het allerleukste, dat je op een zondagavond zonder voorbereiding tegenover iemand kunt zitten en zeggen: wie bent u eigenlijk?”, zegt hij. De namen van de gasten wilde hij wel vooraf weten, maar daar begon Van Ingen niet aan: Van Dis vond het volgens hem te leuk om her en der te kunnen laten vallen dat hij ze al kende. Pas vlak voordat de namen bekend werden gemaakt, kreeg Van Dis ze te horen; dan was hij toch een van de eersten die het wist. Gebeld werd er nooit, tot in 2024 alles omdraaide: Adriaan van Dis zou dat jaar Zomergasten presenteren, maar moest wegens extreme duizelingen op doktersadvies afzeggen. Zes oudgedienden namen elk een aflevering over, onder wie Van der Linden en, 36 jaar na de allereerste uitzending, Van Ingen zelf, die het seizoen opende. De ironie ontging hem niet: voor de eeuwige invaller moest nu worden ingevallen.
Op 2 december 2025 maakte de VPRO bekend dat Zomergasten na 37 jaar stopt, wegbezuinigd door de NPO. Het slotseizoen presenteert Janine Abbring, die de stoel van 2017 tot 2022 bezette. Een van de redenen is dat de kijkcijfers terugliepen: van de 1,3 miljoen die in 2001 thuisbleven voor Youp van ’t Hek, nota bene gepresenteerd door Van Dis, naar een gemiddelde van zo’n 290.000. Recordhouder Van Dis moet niets hebben van wat hij “die vreselijke kijkcijferkwelling” noemt. “Wat mensen vergeten is dat zo’n avond wordt doorverteld en later in herhaling wordt bekeken. Het is de fluistering die het effect kan hebben van een megafoon. Dus ja, weg met de kijkcijfers.” Van Ingen speelde het spel als eindredacteur zelf mee: de prikkelendste fragmenten plande hij precies tijdens de reclameblokken van de concurrent. “Op dat moment kreeg de presentator één signaal: nu.” Het dieptepunt viel in 2024: naar de aflevering waarin Joris Luyendijk documentairemaker Sakir Khader ontving, keken 122 duizend mensen. Van Ingen vindt zo’n dieptepunt geen schande. “Dat moet kunnen. Daar is de VPRO voor. Je moet mensen kennis laten maken met nieuwe ideeën, met bijzondere mensen.”
In een tijd van nepnieuws, kunstmatige intelligentie en propaganda ziet Van der Linden de noodzaak van zo’n programma alleen maar groeien. “Dit programma gaat over beelden, over kijken, over wat je wel en niet ziet.” Terug naar de essentie, zegt ze: wat zie ik? Misschien is dat waarom geen van de drie gelooft dat het echt voorbij is. “Ik kan me niet voorstellen dat er binnen of buiten de VPRO niet naar een opvolger wordt gekeken”, zegt Van Ingen. Van Dis: “Het is een gouden formule. Als je die afschaft, gaat een ander het overnemen.” Wat Pierre Janssen op de allereerste avond zei, bleek de werkelijke opdracht waaraan het programma bijna veertig jaar vasthield: televisie is pas de moeite waard als ze snaren raakt. Mocht het ooit terugkeren, dan staat de invaller van weleer klaar. “Ze kunnen me altijd bellen”, zegt Adriaan van Dis, bijna tachtig.