Weerbericht (1951-heden)

Bijna 75 jaar is het weerbericht op tv. Wat begon met een hand op een landkaart groeide uit tot tien weermodellen die continu worden bijgewerkt en door een meteoroloog in beeld worden geduid.

De eerste weerman van Nederland had geen gezicht. Toen het weerbericht op 7 oktober 1951 voor het eerst in beeld kwam, in de tweede uitzending van de Nederlandse televisie, zag de kijker een arm, een hand en een landkaart, en verder niets. De hand was van Cor van der Ham, weerdienst-leider bij het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, het KNMI, dat vanuit De Bilt het Nederlandse weer volgt. Het weerbericht verscheen al op televisie voordat het NTS-Journaal op 5 januari 1956 van start ging.

Op de kaart tekende die hand de depressies, de windpijltjes en de wolkenbanken, met schuine streepjes opgevuld zodra er regen aankwam. Eerst ging dat met een krijtje, maar dat piepte zo hinderlijk over het karton dat de KNMI-hoofddirecteur van kennissen hoorde dat ze er kippenvel van kregen. Er werd volgens de overlevering van alles geprobeerd: conté, brekend pastel, krijt met steentjes, stiften waarvan het papier moest worden afgepeuterd en zelfs Siberische houtskool. De oplossing kwam uit Vlaanderen, waar Armand Pien sinds 1953 het weer presenteerde: toen zijn potlood het bij de allereerste uitzending liet afweten, redde de grimeur hem met een lippenstift, Rouge Baiser. Voortaan tekende Pien er elke dag mee. Hij grapte later dat mannen hem erom benijdden: kwam hij ’s avonds onder de lippenstift thuis, dan was de verklaring volkomen onschuldig. De Bilt nam het idee over en koos één vast staafje, Boldootgranaat nummer 36, dat geluidloos was en ook van onderaf tekende, al deed de kleur er niet toe, want de televisie was zwart-wit. Omdat lippenstift zich niet laat wegvegen, tekende de weerman de kaart vooraf onzichtbaar voor de camera. Tijdens de uitzending trok hij de lijnen alleen nog over, zodat een vergissing niet kon blijven staan.

In 1953 kwam er een tweede hand bij, die van Joop den Tonkelaar, de bekendste van de twee, al bleef ook van hem hooguit een stukje zwarte baard in beeld. Waarom die gezichten verborgen bleven, legde hij in 1962 uit in de Friese Koerier: ‘Het is de bedoeling dat het weerbericht wordt getekend door de onpersoonlijke hand van De Bilt: niemand van ons wil er de schuld van krijgen als het regent.’ Den Tonkelaar reed een uur voor de uitzending van De Bilt naar de studio in Bussum, en bij gladheid of dichte mist haalde hij die soms niet: dan was er die avond geen weerbericht. Hij werkte buiten beeld met een spiekbriefje op de grond, en bracht op Sinterklaasavond zijn praatje op rijm.

‘Niemand van ons wil er de schuld van krijgen als het regent’

In 1968 verdween de weerman weer; de nieuwslezer las voortaan het bericht voor. In 1983 keerde de presentator terug, voor het eerst met gezicht en al, toen Han Mellink en Harry Otten tussen manshoge kaarten met magneetsymbolen gingen lopen. Op 8 april 1986 debuteerde de man die het gezicht van het NOS-weer zou worden, Erwin Kroll, die zo met zijn handen praatte dat hij er zelfs uit de dovenwereld complimenten voor kreeg. Kroll bleef tot 2012 en werd in 2006 door de kijkers gekozen tot favoriete weerman aller tijden. Voor dit verhaal was hij onbereikbaar: sinds zijn afscheid weet zelfs de NOS niet waar hij te vinden is.

Al die presentatoren waren geen televisiemakers maar KNMI-meteorologen, die naast hun gewone werk in De Bilt het weerbericht kwamen brengen. Dat veranderde in 1990, toen de NOS het weer als eigen, journalistiek onderdeel wilde presenteren, met een weerman op eigen loonlijst. Dat werd Kroll, net terug van een mislukt avontuur bij vliegtuigbouwer Fokker; hij ging het leeuwendeel van de uitzendingen doen. Voor de overgebleven dagen schoof het KNMI per 1 oktober 1990 een nieuwe man naar voren: Peter Timofeeff, nu 76, die via een verzekeringskantoor, een lijmfabriek en de avond-HTS in de weerkamer van De Bilt was beland

Zijn eerste optreden viel ergens in december 1990. ‘Wat ik daar nog van weet, is dat ik het zo ongelooflijk spannend vond,’ zegt Timofeeff. Hij deelde de studio met nieuwslezer Harmen Siezen, die hem gerust wilde stellen. ‘Hij zei: “Maak je niet druk. Als zo meteen dat lampje op de camera gaat branden, zitten er een miljoen mensen te kijken.” Nou, dat hielp goed tegen de zenuwen. Op dat moment wilde ik het liefst door een luik in de grond verdwijnen.’ Het praatje duurde een halve minuut. ‘Voor mijn gevoel ging het helemaal ruk,’ herinnert hij zich. In werkelijkheid ging het helemaal niet slecht: collega’s verzekerden hem dat het er in beeld goed uitzag, en na enkele maanden kwam het zelfvertrouwen.

Er waren twee weerberichten per dag, om zes en om acht uur, en omdat het weer de sluitpost was, moest de weerman in zijn tekst snijden als het nieuws uitliep, of juist oprekken als er tijd overbleef. Het eigenlijke werk begon uren van tevoren, en niet met tekenen maar met begrijpen. Rond half één nam Timofeeff in De Bilt de jongste waarnemingen door en reed daarna naar de Weerkamer op het Media Park in Hilversum, waar hij zijn teksten schreef. ‘Je begon te analyseren waarom het weer eruitziet zoals het eruitziet,’ vertelt hij, ‘want als je dat niet weet, kun je onmogelijk iets over de toekomst vertellen.’ Veel om op te bouwen had hij daarbij niet. ‘Je kreeg elke dag een pak faxen van het KNMI, en verder moest je op je eigen kennis vertrouwen.’ Uit die stapel tekende hij een schets, waarvan de grafische afdeling beelden maakte. Een afstandsbediening bestond nog niet, dus riep hij zijn aanwijzingen naar de regie, en een autocue gebruikte hij nooit.

Eén avond was van een heel andere orde. Op 21 december 1992 stortte een DC-10 van Martinair tijdens een onweersbui neer op de luchthaven van het Portugese Faro; aan boord zaten vooral Nederlandse vakantiegangers, van wie er 56 omkwamen. Het Journaal bracht het nieuws terwijl het toestel amper op de grond lag, en ging van die beelden rechtstreeks over op het weer. ‘Dat was mijn moeilijkste weerpraatje ooit,’ zegt Timofeeff. Vijftien jaar eerder was zijn zus omgekomen bij de vliegramp op Tenerife, met 583 doden nog altijd de zwaarste uit de luchtvaartgeschiedenis. In de eerste berichten ging het al over verzekeringen en schadegeld; hij wist hoe ver dat naast de werkelijkheid van nabestaanden lag. ‘Als zoiets gebeurt, denk je niet aan geld,’ zegt hij. Even later wees hij, alsof er niets was voorgevallen, de zon en de buien voor de volgende dag aan; makkelijk was dat niet.

Toen Piet Paulusma in 1996 bij SBS 6 het weer ging presenteren vanaf steeds een andere buiten-locatie, waarbij het half weerbericht en half entertainment was, viel dat in Hilversum niet goed. ‘We keken er een beetje twijfelachtig tegenaan,’ zegt Timofeeff, ‘al vonden heel veel mensen dat boerse juist prachtig.’ Zelf was hij niet onder de indruk. ‘Piet was geen meteoroloog. En wat hij deed, was nooit live.’ Bij de NOS ging alles rechtstreeks de lucht in: kwam er onweer opzetten, dan bleef Timofeeff voor een extra update in de studio, wat met een opgenomen praatje niet kon.

In 1996 vertrok Timofeeff zelf naar Londen, waar hij een halfjaar bouwde aan een weerkanaal naar Amerikaans voorbeeld; het kwam er niet, en op de terugweg belde RTL of hij daar wilde werken. Somber over het weerbericht van nu is Peter Timofeeff niet. ‘De computerverwachtingen zijn veel beter en uitgebreider geworden dan in die tijd,’ zegt hij. ‘Je had toen wel modellen, maar die waren niet geweldig.’ Eén ding ging volgens hem wel verloren: het handwerk waarin hij is opgeleid. ‘Ik ben van de oude stempel. Vroeger had je twintigduizend waarnemingen van over de hele wereld; daar maakte je een selectie uit voor West-Europa en Nederland, en die ging je dan zitten bekijken. Dat was puur werk van meteorologen.’ De verwachting ontstond in het hoofd van de meteoroloog, die uit al die metingen zelf afleidde wat er komen ging; juist dat eigen oordeel ziet hij bij de jonge generatie verslappen. ‘Vraag je hoe ze erbij komen dat er regen aankomt, dan zeggen ze: het model zegt dat. Een model is een stuk gereedschap, maar je blijft als meteoroloog verantwoordelijk voor wat je laat zien.’

Bij Roosmarijn Knol, 28, sinds eind 2023 een van de vier vaste NOS-weerpresentatoren, komen die twee werelden samen. Toen de VARAgids vorig jaar met haar meeliep, waren de faxen allang vervangen door computers, en de modellen die in Timofeeffs tijd niet geweldig waren, vormden nu haar gereedschap. ‘Ieder model heeft zijn sterke en zwakke punten, en als meteoroloog weet je welke dat zijn,’ zei ze. ‘Ik gebruik zelf ongeveer tien weermodellen, die ik naast elkaar leg en waar ik mijn verwachting op baseer.’ Elke meteoroloog maakt daarin eigen keuzes; hét weerbericht bestaat niet. ‘Waar ik 25 graden in de kaart zet, kiest iemand anders misschien net wel voor 26, omdat hij minder bewolking en minder wind inschat.’ Ze werkt, net als Timofeeff dertig jaar eerder, zonder autocue, en haar seconden bewaakt ze even streng: toen haar weerbericht op een zondagavond een halve minuut uitliep, zat haar dat dwars. ‘Ik wil niet dat ze door mij in de problemen komen.’

Cor van der Ham hield in 1951 zijn gezicht buiten beeld, omdat niemand in De Bilt de schuld wilde krijgen als het regende. Zijn opvolgers doen juist het omgekeerde: na het achtuurjournaal lopen weerpresentator en nieuwslezer voor het oog van heel Nederland naar elkaar toe, voor een napraatje dat spontaan moet ogen. Op de avond dat de VARAgids meeliep, wandelde Knol na het Journaal op nieuwslezer Winfried Baijens af. Waar zo’ n gesprekje eigenlijk over gaat, vroegen we haar. ‘Meestal zeg je iets als: zo, dat ging goed, hè,’ zei ze. ‘Maar vandaag zei ik iets tegen Winfried over de gekke namen van de zeeën rondom Australië, de Koraalzee bijvoorbeeld, of de Arafurazee.’ De volgende dag was ze vrij, en dan probeert ze het weer los te laten. Helemaal lukt dat nooit: ’s ochtends kijkt ze even uit het raam om te zien of haar verwachting is uitgekomen. ‘Als ik de zon zie, denk ik toch: ha, dat had ik gisteren goed gezien.’

Dit artikel komt uit de VARAgids 31-32, 2026