Altijd voorbereid

Hoe ging het er vroeger aan toe op familievakantie? Deze week: Catherine Keyl (79), die als kind met haar vader mee op zakenreis ging en onderweg leerde kamperen alsof de volgende oorlog elk moment kon uitbreken.

Verschenen in de VARAgids, 11 augustus 2026.

Catherine Keyl groeide op in naoorlogs Den Haag als oudste van drie dochters. Haar vader, importeur van dons voor dekbedden, overleefde concentratiekamp Sachsenhausen. Op gezinsvakantie ging het gezin nooit.

‘Daar was thuis geen geld voor. Niemand in onze omgeving deed dat trouwens. Alleen kinderen met behoorlijk rijke ouders gingen weg, naar het Gardameer bijvoorbeeld, maar dat was zo ver dat het niet eens bij ons opkwam dat je daarnaartoe kon. Wij deden hooguit een dagje weg. Naar Avifauna zijn we weleens geweest, en naar Madurodam, maar dat lag op drie kilometer van ons huis.’

Wel reisde Catherine van jongs af aan mee wanneer haar vader voor zijn dons de grens over moest. In België en Frankrijk zaten de grote jongens die het spul verkochten.

‘Die importeerden het uit Polen, dat destijds nog achter het IJzeren Gordijn lag. Frankrijk had daar betere relaties dan wij, dus mijn vader had de import via die Fransen voor elkaar gekregen. Toen ik een jaar of tien, elf was, sprak ik door al die zakenreisjes al aardig Frans, want als kind pik je zo’n taal snel op. Zelf sprak hij het niet zo goed, dus had hij mij er graag bij om te vertalen. Mijn moeder bleef thuis met mijn jongere zusjes. Zij was ook niet zo’n reiziger, die had echt iets van: laat mij maar lekker thuis. Dat gedoe, je koffer pakken, zenuwen hebben, o nee, laat me met rust.’

Ze sliepen tijdens die reizen nooit in hotels, dat vond haar vader veel te duur. Er werd gekampeerd. En er speelde meer mee, zo vertelde Keyl vorig jaar bij een herdenking in Kamp Vught, waar haar vader gevangenzat: ‘Hij liet ons dan leven alsof we in een kamp zaten, om ons hard te maken.’ In de praktijk trof dat vooral Catherine, die als enige van de zussen meestal meeging.

‘Hij vond het heel belangrijk dat wij leerden kamperen, want als het ooit weer oorlog werd, konden wij ons behelpen. Iedereen noemt tegenwoordig alles een trauma, maar ik denk toch dat ik toen een trauma voor campings heb opgelopen. Tegenwoordig staat niemand meer met zijn wc-rol onder de arm in de rij voor het toiletgebouw, maar ik heb daar wel degelijk gestaan. Er waren altijd wel luidruchtige buren die ons uit de slaap hielden, en anders brak ik mijn nek wel over een tenttouw. Ik vond het werkelijk verschrikkelijk. Het opzetten en afbreken van de tent moest snel en goed gebeuren, want mijn vader maakte er een soort militaire oefening van. Nee, zo moet je dat niet doen, zei hij dan, en deed voor hoe het wel moest. Een natte tent liet zich niet opvouwen, dus soms bleven we een halve dag staan omdat het ding in de zon moest drogen. Ik had daar echt een hekel aan. Zonde van de tijd, vond ik het.’

Een camping was het lang niet altijd, vaak stonden vader en dochter op een landje: in de buurt van Lille, bij Béthune, later ook ten noorden van Parijs. In België trokken ze naar de Ardennen, want haar vader vond het belangrijk dat ze besefte dat Nederland plat was en dat daar bergen lagen.

‘Nou ja, bergen: heuvels. We reden met het busje van de zaak, een privéauto hadden we niet. Negen van de tien keer moest ik dat busje eerst aanduwen. Gekookt werd er op een primus, zo’n sissend petroleumbrandertje. Mijn vader had een lullig pannetje met een afneembare steel, waar dan een blikje in ging: bonen of erwten. Als ik iets erg vind, is het blikvoer. Onze plastic borden wasten we dan af in een sloot, en als die er niet was, moest het met zand. Papa, zei ik dan, dat is toch vies, dan krijgen we dat morgen allemaal in onze mond. Ja, zei hij, maar als je in het kamp zit, heb je ook geen spullen om schoon te maken.’

Het kamp was nooit ver weg. Haar vader, van Joodse komaf, werd dankzij een vals persoonsbewijs nooit als Jood opgepakt, maar belandde voor zijn verzetswerk via Kamp Vught in Sachsenhausen, zo reconstrueerde ze in Oorlogsvader (2021), het boek dat ze over hem schreef. Toen hij in 1945 terugkeerde, bleek zijn hele familie vermoord.

‘Zijn vader, moeder, broer en schoonzus. Door het Namenmonument in Amsterdam ontdekte ik pas dat die broer en schoonzus ook nog kinderen hadden, van een jaar of zeven en vijf. Ik probeer me weleens voor te stellen hoe dat voor hem moet zijn geweest, maar het lukt me niet: mijn voorstellingsvermogen trekt het eenvoudigweg niet. Dat zo’n man na de oorlog weer een zaak opbouwt, trouwt, kinderen krijgt: ongelooflijk.’

Zwijgen deed haar vader niet, praten evenmin. In het boek beschrijft ze hoe hij op verjaardagen, met de kamer vol visite, ineens kampverhalen kon afsteken: over gevangenen die voor het eten baden en van wie het eten verdwenen was zodra ze hun ogen weer opendeden. Over wat het met hem had gedaan, sprak hij vrijwel nooit.

‘Op een gegeven moment was professor Bastiaans veel op televisie, de beroemde behandelaar van kampsyndromen. Ik woonde toen al niet meer thuis en opperde dat een gesprek met zo’n professor hem misschien goed zou doen. Mijn vader zei: die man heeft toch nooit in een kamp gezeten? Wat kan hij daar nou van weten? Houd toch op met die flauwekul.’

Ook financieel begon het gezin na de oorlog met niets. De matrassenmakerij van haar grootvader in Den Haag was door de Duitsers geconfisqueerd.

‘Daar heeft mijn vader nooit één cent van teruggezien. Je komt terug uit zo’n kamp en je hebt niemand meer, maar ook niets meer. In het begin was het echt armoede. Hij deed veel zaken met Korea, maar toen daar oorlog uitbrak, liep alles vast en ging hij failliet. Wij aten in die tijd één keer in de week vlees, en dan moesten we met z’n vijven een biefstuk van vier ons delen. Pas later, toen er weer geld binnenkwam, gingen we op reis af en toe in een restaurantje eten.’

Juist onderweg, zonder het gezin eromheen, gaf haar vader haar zijn levenslessen mee.

‘Thuis, met drie kinderen, praatte iedereen door elkaar. Onderweg waren we samen, en dan zei hij dingen als: Catherine, je moet van mij aannemen dat mannen en vrouwen totaal gelijk zijn. Daar kwam altijd wel een verhaal uit het kamp bij, over hoe dapper vrouwen waren en hoeveel meer ze durfden dan mannen. Hij leerde me ook hoe je zaken doet. Je moet je altijd in de ander verplaatsen, zei hij, want een goede deal is een deal waar beide partijen tevreden over zijn. Dat is zo’n goede les. Als je denkt van ikke, ikke, ikke, wordt het niks.’

Eén les van haar vader nam ze op al haar latere reizen mee.

‘Als Nederlandse meisjes waren wij eraan gewend om altijd een beetje te glimlachen, ook naar mannen. In Frankrijk moest je dat niet doen, want daar gold het als een uitnodiging tot seks, en in Spanje en al die zuidelijke landen net zo goed. Lachte je daar naar een man, dan dacht hij: die wil wel.’

Kamperen deed ze nooit meer. Eén keer waagde ze zich met haar toenmalige man nog aan een camper, in Amerika.

‘Met een camper door Amerika trekken was in die tijd de grote droom. Bernard Hammelburg, toen correspondent voor onder meer de NOS en het Algemeen Dagblad, kende ik goed, dus ik vroeg hem: denk jij dat ik dat leuk vind, zo’n camper? Hij zei: als je met je kop in een aanrechtkastje wilt slapen, moet je het doen. Ik dacht: ik laat me niet kennen, Bernard kan de raarste dingen tegen me zeggen, ik wil het zelf meemaken. We reden met die camper naar verlaten plekken, waar ik vervolgens niet durfde te slapen. Als we ’s avonds worden overvallen, zei ik, hoort niemand ons. Mobiele telefoons bestonden nog niet. Na vier dagen zei ik tegen mijn man: luister, ik wil weer in een gewoon bed, en het kan me niet schelen wat jij vindt. We reden de parkeerplaats van een motel op en meldden ons bij de receptie. De receptionist keek naar buiten en zei: ja, we hebben een kamer, maar u heeft toch een camper?’

Terugkijkend mist ze één ding aan de vakanties van vroeger: het weg zijn zelf.

‘Vroeger was je echt weg als je Nederland verliet. Bij terugkomst vroeg je: wat is er intussen allemaal gebeurd? Dan kwamen de verhalen, uit de straat, uit het nieuws, uit de politiek. Toen er alleen nog een gewone telefoon bestond, belde ook niemand, want dat was veel te duur. Een ansichtkaart met een vreemde postzegel in de bus, dat was een evenement. Nu sta je met die vreselijke telefoon de hele tijd in verbinding met thuis. Je weet precies wat er gebeurt, je bent nooit meer verbaasd bij thuiskomst. Eigenlijk ben je nooit meer echt weg.’

De oorlog waarop haar vader haar wilde voorbereiden, is intussen terug in het nieuws.

‘Er wordt nu weer zoveel gewaarschuwd voor oorlog. Ik denk dat mijn generatie daar niet zo’n moeite mee heeft. Wij denken: nou jongens, we zien wel wat er gebeurt, want wij weten dat we bestand zijn tegen veel minder luxe. Ik zie zoveel jonge mensen die vier keer per jaar op vakantie gaan, dure schoenen en kleren kopen en dat allemaal maar gewoon vinden. Die zullen het lastig krijgen als het oorlog wordt.’