Medebedenker Agna Rudolph (84) blikt terug op het eerste feministische praatprogramma van Nederland.
Verschenen in de VARAgids, 11 augustus 2026.
Over menstruatie sprak in de jaren zeventig niemand, op televisie al helemaal niet, tot het NOS-vrouwenprogramma Ot… en hoe zit het nou met Sien? er een uitzending aan wijdde. Op de voorste rij zat een vrouw met een tampon op haar blouse geprikt, met een speldje. “Schande vond men dat”, herinnert Agna Rudolph zich.
In de studio zaten drie generaties tegenover elkaar: grootmoeders, moeders en dochters, pratend over ongesteldheid. “Die vrouwen gingen allemaal verhalen vertellen, omdat ze van elkaar nooit hadden gehoord hoe hun eerste keer was gegaan. Dat gaf grote hilariteit.” Het Leidsch Dagblad kondigde de uitzending van 15 oktober 1978 aan als seizoensopening van “het enige vrouwenprogramma dat onze televisie rijk is”. In die uitzending vertelde een vrouw dat haar zus haar maandverband liet inpakken alsof het babyslofjes waren, zodat niemand op straat kon zien wat ze bij zich droeg. Wie pijn had, meldde zich op haar werk niet ziek, want dan had ze de reden moeten noemen. En wie doorlekte, ging door de grond, omdat iedereen dan zag wat verzwegen moest worden. De paradox was pijnlijk. Een vrouw mocht er niets van laten merken, maar zonder menstruatie gold ze evenmin als volwaardig. Van die dubbelheid wilden de maaksters af. Zulke televisie bestond niet, tot een groepje vrouwen in Hilversum vond dat het tijd werd.
Vaak wordt gedacht dat het idee voortkwam uit de kring rond Joke Smit, de publiciste die in 1967 met Het onbehagen bij de vrouw de tweede feministische golf aanwakkerde, of uit haar actiegroep Man Vrouw Maatschappij. Rudolph spreekt dat tegen. “Man Vrouw Maatschappij was een club waarmee we sympathiseerden, maar daar kwam het idee niet vandaan”, zegt ze vanaf Texel, waar ze sinds een jaar of twintig woont. “Wij vrouwen waren bij de televisie in de minderheid, en zelf maakte ik documentaires. Op een gegeven moment zeiden we tegen elkaar: wij moeten een eigen programma maken. We hebben een heel plan opgesteld en zijn daarmee naar onze baas gestapt, die niet wist wat hem boven het hoofd hing, denk ik.” Die baas, Henk Suèr, hoofd van de documentaireafdeling, zou het programma jarenlang verdedigen.
De vrouwen begonnen met zijn vijven, allen journaliste of programmamaakster, en gaandeweg groeide de redactie uit tot acht. Feministisch mocht het programma niet heten, want dat woord was zwaar beladen. Officieel ging het om een politiek vrouwenprogramma. “Wie zich feminist noemde, was heel streng in de leer. Geëmancipeerd zijn kon nog, maar een feminist gold echt als een soort kenau.”
Voor de titel hadden de vrouwen, o ironie, een man nodig. “We hadden bij de NOS een producer, een ontzettend leuke vent: George van Bremen. Hij kwam met die titel.” Zijn vondst was een knipoog naar de leesboekjes over Ot en Sien van de pedagogen Jan Ligthart en Hindericus Scheepstra, waarmee generaties Nederlanders leerden lezen. In die verhaaltjes was de rolverdeling tussen jongen en meisje nog een natuurwet. “Iedereen kortte de titel natuurlijk af en zei: we gaan naar Ot en Sien kijken. Toch was die lange titel een eyeopener, want hoe zat het nou eigenlijk met Sien?”
Dat de eerste uitzending in 1975 viel, het Internationale Jaar van de Vrouw, was geen toeval. “We waren al heel lang met de plannen bezig, dus we zeiden: kijk, dat is nou een mooi jaar om te beginnen.” De eerste jaren bestond het programma vooral uit korte films, en Rudolph maakte er een over de huisvrouw. “Voor die film portretteerde ik huisvrouwen en vroeg ik bijvoorbeeld: krijgt u ook waardering van uw man? Als ik lekker gekookt heb wel, antwoordde er dan een.” De film legde de hypocrisie bloot. De huisvrouw lapte de ramen voor niets, waarna een glazenwasser verscheen met het pinggeluid van een kassa: hetzelfde werk, maar dan betaald. Aan het slot kwamen vrouwen die al een stapje verder waren. “Zij zeiden: als mijn man vraagt of ik even een biertje kan brengen, dan antwoord ik: mankeert er wat aan je handen?”
Gaandeweg verschoof niet alleen de vorm, maar ook de toon. “In het begin zeiden we alleen maar dat het niet deugde en moest veranderen. Later hebben we dat omgebogen naar de vraag wat er wél goed ging.” Tegelijk maakten de films plaats voor de studio. “Die films gingen steeds over individuele vrouwen en dat bleef wat afstandelijk. Wij wilden echte vrouwen bij elkaar in de studio zetten, zodat ze op elkaar konden reageren en elkaar aanvullen.” Zo ontstond jaren vóór Rondom tien een halve kring vrouwen in een eigen decor, al wilde niet iedereen daar filmen. “Er waren cameramannen die niet ingeschaald wilden worden bij Ot en Sien, want zij vonden het een verschrikkelijk programma.”
De redactie werkte als collectief, zoals dat in die jaren hoorde, en namen op de aftiteling waren taboe. “We titelden alles af onder de gezamenlijke naam, zonder te vermelden wie het meeste had gedaan. Je kunt niet zeggen dat de een iets moois heeft gemaakt en de ander niet: wij waren een collectief.” Elke maand kozen ze bij een van hen thuis de onderwerpen, en daar monteerden ze ook met een VHS-band. “Het was een waanzinnig karwei. Al die onderwerpen kwamen uit onszelf en uit onze contacten met andere vrouwen. Voordat iemand in de uitzending kwam, gingen we langs.”
Voor de camera stonden drie vrouwen: Ageeth Scherphuis, Trix Betlem en Rudolph zelf, die toen nog Agna Arens heette. Op de agenda stonden onderwerpen die op televisie tot dan onbespreekbaar waren, van abortus en gelijk loon tot parttime werken, samenlevingsvormen, seksueel geweld en de moedermavo. De generatie-uitzendingen waren de vrolijkste van de reeks, maar op Rudolph maakten de afleveringen over seksueel geweld de meeste indruk. “Ik had zelf nooit zulke dingen meegemaakt, maar die verhalen vond ik heel indrukwekkend. Ik woonde toen buiten Amsterdam en had een buurman die mijn buurmeisje had misbruikt. Toen dat uitkwam, gaf het enorme ophef en werd die man uit huis geplaatst. Dat heeft op mij veel indruk gemaakt.”
Taboes kende de redactie verder niet. “We hebben volgens mij alles gedurfd. Er is geen onderwerp geweest waarvan we dachten: laten we dat maar niet doen.”
Die durf kwam de makers op hoon te staan, om te beginnen in eigen huis. “We werden door veel mannelijke collega’s tamelijk met de nek aangekeken. Dan kregen we te horen: hebben jullie weer iets leuks gedaan, hoe gaat het, meisjes? Dat soort lullige opmerkingen.” Ze trokken zich er weinig van aan. “We dachten: je zult het nog zien.”
Buiten Hilversum sloeg niemand harder om zich heen dan Leo Derksen, columnist van De Telegraaf. “Derksen haatte ons gewoon”, zegt Rudolph, die zijn stukken in een plakboek bewaarde. Uit haar hoofd citeert ze een kop over feministen die niet hoger dachten dan het kruis. In een column schreef hij dat de meisjes van Ot en Sien alle mannen als “hitsige hanen” afschilderden, en waarom deden die feministen geen kuisheidsgordel aan om de sleutel bij Ageeth Scherphuis in te leveren? Hij dreigde zelfs hun telefoonnummers te publiceren. Ook verweet hij de makers dat ze net zo lang zochten tot ze vrouwen vonden die iets was overkomen. “Moest ik dan zeggen dat mij nooit iets overkomt, en dat het bij andere vrouwen dus ook wel meevalt?” Bij de NOS klaagden ouders dat de uitzending later op de avond moest. “Als er toen al sociale media hadden bestaan, hadden we er echt van langs gekregen. Wij gaven zelf nooit antwoord, want dat deed de NOS met een keurige brief in de trant van: alle meningen gelden en de televisie weerspiegelt de werkelijkheid alleen maar. Ze kwamen altijd voor ons op.”
Achter de schermen morde de directie wel. Of het iets minder kon, of er aan hoor en wederhoor was gedacht, en of er geen minder radicale vrouwen konden komen. Wie dat waren? “Joke Smit was in hun ogen zo’n radicale vrouw, en Hedy d’Ancona ook.” Het waren uitgerekend de oprichtsters van Man Vrouw Maatschappij, en d’Ancona werd in 1981 staatssecretaris Emancipatie. De redactie sprak nooit zelf met de directie. “We hadden onze baas als bemiddelaar. Zelf wilden we best met de directie praten, maar hij zei: doe dat maar niet.”
Tegenover de hoon stond een stroom dankbaarheid. “We hebben enorm veel brieven van vrouwen gekregen en uitnodigingen om te komen praten. Er gingen heel veel ogen open. Vrouwen die in de overgang zaten, hadden er nog nooit met hun man over durven beginnen, want die snapte er geen bal van. Door de uitzendingen bleek dat veel meer vrouwen hetzelfde meemaakten, en dat gaf herkenning. Soms toonden we een van onze films in een bioscoop vol vrouwen, en dan was het juichen en jubelen, want zij hadden het allemaal meegemaakt.” Door het hele land ontstonden praatgroepen waarin vrouwen ervaringen uitwisselden.
Na zeven jaar hield het in 1982 op. “Het verwaterde, en misschien was de koek ook gewoon op. Het programma is een zachte dood gestorven. Je zou bijna kunnen zeggen dat het een beetje voltooid was.” Aan de makers bleef het etiket kleven, ook toen het programma van de buis was. “Ik heb daarna nog heel lang bij de televisie gewerkt, en dan hoorde je collega’s zeggen, mannen natuurlijk: o, die heeft bij Ot en Sien gewerkt, die moet je niet hebben.”
Wat heeft het programma nagelaten? Rudolph is nuchter. “De erfenis valt me tegen. Ik dacht destijds: dit is het begin, en daarna gaan andere vrouwen verder. Er kwam later wel een grote groep jonge vrouwen, maar die hield zich met heel andere dingen bezig en heeft onze onderwerpen niet opgepakt.” Op tentoonstellingen ziet ze hun discussies weleens terug zonder bronvermelding. Dat vrouwen in sommige beroepen nog altijd minder verdienen dan mannen en niet kunnen werken doordat de kinderopvang te duur is, vindt ze belachelijk. “Daar hebben wij destijds al een punt van gemaakt, en nog steeds is het een probleem.” Wat haar het meest tegenvalt, is dat de rollen binnen- en buitenshuis nog altijd niet gelijk verdeeld zijn. “Vrouwen voelen zich overbelast, want zij runnen het huishouden zonder veel medewerking van hun man. Dat vind ik pas echt teleurstellend.” Zinloos was het werk niettemin allerminst. “Het heeft zoveel opschudding veroorzaakt. In de tijd dat wij het maakten was het zeker niet tevergeefs.”