Hoe ging het er vroeger aan toe op familievakantie? Deze week: Cynthia Abma (57), vanaf 9 september te zien in het nieuwe seizoen van de serie Zussen.
Cynthia Abma groeide op in Rotterdam als enig kind van jonge ouders. Met z’n drieën vormden ze een hechte drie-eenheid, en op vakantie veranderde daar niets aan. Haar vader werkte jarenlang in het onderwijs, dus de zomers waren lang. Elke zomer hing de caravan achter de auto en reed het gezin meestal naar de Costa Brava om er zo’n vijf weken te blijven.
‘Aan die zomers kwam gewoon geen eind: het was nooit twee of drie weken, wij waren altijd weken achtereen op stap. Als klein meisje had ik geen benul van tijd, dus vroeg ik weleens wanneer we nou weer naar huis gingen. Niet volgend weekend, zeiden mijn ouders dan, ook niet het weekend erop, maar pas het weekend daarna, en dan dacht ik: o ja, dus nog drie weken.’
Op de campings aan de Costa Brava stond het gezin vooral tussen de Spanjaarden.
‘Mijn ouders wilden dat zo, en als kind vond ik het prachtig, want met handen en voeten kun je alles duidelijk maken. Onze vrienden uit Rotterdam, mijn beste vriendinnetje Ramona met haar ouders, kwamen ook altijd een paar weken. Er ontstonden ook vriendschappen: op onze ‘vaste’ camping kwamen kennissen uit Groningen, die we alleen daar zagen, en een Belgisch gezin, en verder stonden er veel gezinnen uit Barcelona. Met hen schoven mijn ouders ’s avonds aan bij de barbecue naast onze caravan. Mijn moeder haalde daarvoor met vrienden van de camping kilo’s sardines bij de visafslag.’
De dagen begonnen bij de Wereldomroep, de Nederlandse radiozender voor landgenoten in het buitenland, en eindigden op het strand met Ramona.
‘Wij luisterden vooral voor weerman Jan Pelleboer, omdat we wilden weten wat voor dag het in Spanje zou worden. Regende het in Nederland, dan zaten wij er in de zon nog wat tevredener bij. Daarna volgden de oproepen van de ANWB-alarmcentrale, die namen en kentekens omriep van vakantiegangers die dringend contact met thuis moesten opnemen. Elke uitzending eindigde met het Wilhelmus, het vaste slotakkoord van de zender voor Nederlanders in den vreemde, dat dan de hele dag in je hoofd bleef zitten.’
‘Daarna gingen we naar het strand, waar ieder zijn eigen ding had. Mijn moeder vond op het strand liggen het allerlekkerste wat er is, terwijl mijn vader juist hield van lange wandelingen langs al die baaitjes, en vaak liep ik met hem mee. Hij had ook een paar jaar een klein zeilbootje bij zich dat op het autodak meereisde, nadat een opblaascatamaran, twee bananen met een tussenstuk, te veel gedoe was gebleken. Het stelde geen bal voor, maar hij voer er dolgelukkig mee heen en weer langs de kust, en wanneer hij bij ons strandje aanlegde, ging ik met een vriendje of vriendinnetje mee. Met Ramona ving ik intussen dagenlang garnaaltjes met een schepnetje, soms zat er een krabbetje tussen, en op de rotsen zaten we zonnebloempitten te knabbelen en te kletsen, heel veel te kletsen. Elk jaar kreeg ik een nieuwe duikbril, waarmee ik van alles opdook. De hele vangst ging in een emmertje zeewater mee naar de camping, onder de parasol. Aan het eind van de dag was dat water natuurlijk hartstikke warm, die arme beestjes.’
Halverwege die jaren kwam er een gezinslid bij: Duke, een golden retriever.
‘Duke was helemaal gek van zee en strand. Vanuit Begur reden we naar Pals, waar honden op het strand wél welkom waren, en hij wist precies achter welke bocht we er waren: dan ging het raampje open, rook hij de zee en raakte hij buiten zinnen. Omdat hij letterlijk de hele dag in het water lag, losten we elkaar af bij het ballengooien. Duke kwam afgetraind thuis. Op het laatst zeiden mensen op het strand niet meer: daar heb je die mensen met die hond, maar: daar heb je die hond met die mensen.’
De rit naar Spanje duurde drie dagen, en daarover dachten haar ouders heel verschillend.
‘Mijn vader reed altijd, en omdat hij het rijden zelf heerlijk vond, wilde hij er het liefst een roadtrip van maken en overal stoppen. Mijn moeder had daar niets mee: rij nou maar door, dan zijn we tenminste in Spanje. Zelfs op de terugweg wilde hij bij Breda nog één keer stoppen bij het tankstation voor een gebakken eitje, terwijl mijn moeder helemaal gek werd: echt niet, we zijn bijna thuis. Volgens mij deed hij het erom, puur om haar te plagen.’
‘Zelf zeurde ik weleens hoe lang het nog duurde, en dan beloofden ze mij bij de volgende pauze een ijsje. Voor mij was achterin een bedje gemaakt. Viel ik daar in slaap, in latere jaren naast een hijgende Duke, dan reden ze stiekem door, want ik sliep toch zo lekker, en tegen de tijd dat ik wakker werd en mijn ijsje opeiste, was er nergens meer iets te krijgen. “We hebben lekker druiven”, was dan het antwoord, ja, ja, haha. Verder merkte ik van die rit weinig, want naast me lag mijn stapel leesvoer, eerst stripboekjes van Donald Duck en later de Tina en boeken, en we waren de straat nog niet uit of ik zat al te lezen. “Kijk nou eens om je heen”, zei mijn vader dan, “want als je thuiskomt en mensen vragen waar je geweest bent, weet je niks: je hebt alleen met je neus in de boekjes gezeten.” Diezelfde preek houd ik nu tegen mijn eigen zoons, alleen zitten die niet in de boekjes maar op hun telefoon.’
Hoe jong haar ouders waren, besefte ze pas later.
‘Mijn vader was in de vakantie jarig, op 28 juli. Uiteraard werd dat gevierd, en toen iemand een keer vroeg hoe oud hij nu was geworden, zei hij: treinta y uno, eenendertig! Ik was negen dus herinner me dat moment nog heel goed. Pas toen ik zelf eenendertig werd, drong het tot me door hoe jong dat eigenlijk is: ik had toen nog niet eens kinderen. Bij die leeftijd hoorde ook uitgaan. Mijn oom en tante waren met mijn nichtje en neef ook vaak op vakantie in de buurt, en omdat de mobiele telefoon nog niet bestond – ja, opoe vertelt – sprak je bij je laatste ontmoeting gewoon iets af: die en die dag, daar en daar, om zo laat. Iedereen kwam gewoon opdagen, en hoe dat altijd goed kon gaan, daarover verbazen mijn moeder en ik ons nog weleens. Dan gingen we met z’n allen naar een leuke club, waar kinderen mee naar binnen mochten en ik in een hoekje in slaap viel.’
Haar vader bepaalde het meest, thuis en op vakantie.
‘Mijn moeder vond meestal allang best wat mijn vader bedacht: ze waren goed op elkaar ingespeeld en het was eigenlijk altijd harmonie tussen die twee. Hij had een enorme joie de vivre: thuis rookte hij pijp, maar op vakantie had hij soms zo’n klein sigaartje. Er kwam eens een Spanjaard een praatje maken terwijl mijn vader zijn handen vol had, volgens mij met een jerrycan water, waardoor hij dat sigaartje niet uit zijn mond kon halen en hij maar wat onverstaanbaars terug brabbelde. Naderhand zei hij dat die man hem zo beter leek te verstaan dan zonder sigaartje. We hebben er zo om gelachen.’
Twee keer keerde ze terug naar de Costa Brava: eerst met haar man Tom en hun destijds nog jonge zoons Vic en Joe, vorig jaar met vijf vriendinnen.
‘Met de jongens wilde ik vooral naar de sardana, omdat ik daar zulke mooie herinneringen aan heb: de muziek die daar op elk dorpsplein wordt gespeeld door zo’n orkestje van oude mannetjes, waarop het hele dorp in kringen danst, jong en oud door elkaar. Van het Spanje van toen vond ik verder weinig terug: veel bleek volgebouwd, en waar wij altijd op het strand tussen de Spanjaarden zaten, hoorde ik nu overal Nederlands. Vorig jaar, met mijn vriendinnen, dacht ik steeds: hier heb ik dus mijn jeugd doorgebracht. Alleen leken de rotsen waar Ramona en ik altijd zaten ineens veel kleiner dan vroeger. Ik heb haar meteen gebeld: je raadt nooit waar ik ben. In je herinnering zijn alle plekken uit je jeugd veel groter dan in werkelijkheid.’
Een eigen caravan is er nooit gekomen. Met haar man kocht ze jaren geleden een vervallen boerderij op het Franse platteland, die ze verbouwden tot vakantiehuis.
‘Met onze jongens hebben wij nooit gekampeerd, op één keer met een camper na, toen we in Australië de hele zuidkust afreden. Dat was fantastisch, maar een camper is natuurlijk iets anders dan een caravan. In mijn jeugd vond ik kamperen heerlijk vanwege dat vrije gevoel, maar op een gegeven moment wil je toch wat meer comfort en privacy. Tom heeft in Frankrijk wel een huisje op palen in de tuin gebouwd, een soort boomhut waar we weleens in sliepen toen onze zoons nog klein waren. Hebben we toch een beetje gekampeerd.’
Op die vakanties uit haar jeugd terugkijken doet ze met dankbaarheid.
‘Wat mij het meest bijblijft, is hoe zorgeloos die vakanties waren. Ik hoefde niets en mocht (bijna) alles. Mijn ouders bleven soms dagenlang op de camping, een boek lezend in een stoel, en ik vermaakte me wel. Ik mocht met mijn vriendjes en vriendinnetjes overal naartoe, want ze vertrouwden erop dat ik wel weer terug zou komen als ik honger kreeg. Als kind vind je dat vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Ik ben hen ontzettend dankbaar voor al die heerlijke zomers.’