Twintig jaar zit hij in therapie: cabaretier Ronald Goedemondt (51) is niet bang om naar binnen te kijken. ‘Ik geloof niet in de getormenteerde kunstenaar. Je moet gewoon aan jezelf werken en zorgen dat je een fijn mens bent. Zelf ben ik daar na al die jaren nog niet.’
In het café-restaurant waar we hebben afgesproken heb ik water besteld, omdat ik tijdelijk geen koffie drink. Het eerste wat Ronald Goedemondt van mij wil weten, is hoe ik in godsnaam de dag doorkom. Hij neemt een cappuccino, ‘extra warm’; koffie is zijn drugs. Andere heeft hij nooit genomen, op één keer spacecake na, en dat was eigenlijk best leuk. Zijn hoofd vliegt zonder hulp al alle kanten op, en hij is bang voor wat een pilletje daarmee doet. Theo Maassen, vriend en collega, vindt dat hij zich aanstelt. Ronald is op het podium te veel met controle bezig, zei Theo eens, en daar bestaat iets tegen. “Misschien een beetje paddo’s. Paddothee kan ook, Ronald. Het is helemaal niet zo ingewikkeld. Doe dat nou gewoon, dat is goed voor jou.” Hij doet Theo’s stem, en daarna doet hij Ronald Goedemondt die daarop antwoordt: “Wat? Ja, nee.” Zo reageert hij altijd, en daarom is het er nooit van gekomen. Maar aan dit tafeltje windt hij zich er, met het strakke gezicht dat hij ook op het podium heeft, gespeeld over op: dat hij een volwassen vent is die zich door niemand meer iets laat zeggen, ook niet door zichzelf. “Ik ga het gewoon een keer proberen. MDMA of zoiets. Wie houdt me tegen?”
Heeft Theo een punt? Ben je op het podium te veel bezig met controle?
“Ik vond het wel interessant als kritiek. Ik ben gewoon heel gevoelig voor prikkels, altijd al geweest, en het podium is de enige plek waar ík bepaal wat er gebeurt: als een zaal stil moet zijn, wordt het stil, en als ik wil dat ze lachen, maken ze geluid. Ontzettend prettig, ordelijk, overzichtelijk. Maar Theo heeft een punt, want ik ben gefascineerd door komieken die precies het tegenovergestelde doen. Laatst was ik op YouTube weer in een rabbit hole verdwenen, en dan kijk ik naar Rory Scovel, een Amerikaanse komiek die ik heel erg bewonder. Hij improviseert hele shows, elke avond een andere, zonder vaste tekst, en ik zit ernaar te kijken en denk: ik weet helemaal niet hoe hij dat doet. Dit vak heeft na al die jaren nog zoveel mysterie voor mij, zoveel geheimen. Er zijn zoveel mensen die dingen kunnen die ik helemaal niet kan.”
Jij zou zoiets nooit doen, een hele avond improviseren?
“Weet ik niet. Misschien kun je het trainen, en dat is een spannende gedachte, want het betekent dat ik met de billen bloot moet. Dat ik de naam die ik in al die jaren heb opgebouwd weer te grabbel gooi en hele lelijke dingen durf te maken om een stap verder te komen. Niet in een uitverkochte schouwburg, maar in de club, bij Comedytrain, het stand-upcollectief waar ik begonnen ben, waar mensen dan zeggen: helemaal kut, wat doet die nou? Dan heb je tenminste weer iets om in te groeien.”
Bij Sluipschutters doe je het wel. In het nieuwe seizoen van het sketchprogramma dat jullie sinds 2013 met z’n vieren maken, is veel geïmproviseerd, hoor ik.
“Ik denk sowieso dat dit het beste seizoen van Sluipschutters ooit is. Dan denk jij: dit lult hij gewoon. Maar het is echt zo, omdat we losser zijn geweest dan ooit tevoren. In het eerste seizoen moest je de hele tijd door, door, door. Nu kwamen we met een uitgeschreven script naar de set, maar met regisseur Tim Kamps hadden we zo’n klik dat we ter plekke ruimte lieten voor ideeën en sketches begonnen te improviseren. Als je die scènes dan ’s nachts op een laptopje in de montage terugziet, iedereen in het gezin al in bed, zit je op de bank te huilen van het lachen. Iedereen kijkt ernaar, van een jongetje van elf op straat tot de pakketbezorger aan de deur. Ik weet niet of het nog lang doorgaat met Sluipschutters, maar wat we hebben neergezet is wel iets heel vets.”
Jullie hebben dit seizoen in een pretpark gedraaid, acht keer met de hele crew in zo’n ronde boot op de wildwaterbaan. Hoe komt iemand met een hekel aan pretparken op zo’n idee?
“Het pretpark hebben we met z’n vieren bedacht als setting, en toen bleek dat we daar echt mochten draaien, dachten we: oké, fuck it, dan bedenken we alles rond dat pretpark. Zo’n Piranha vind ik niet eng. Hoogtevrees heb ik wel, en toch ga ik ook in de achtbaan, doodsbang, omdat ik het wil. Garry Shandling, een Amerikaanse komiek, schreef in zijn autobiografie dat hij zich na de dood van zijn broer had voorgenomen precies te doen waar hij bang voor was. Zijn angst was zijn kompas, maar hij liet zich er niet door tegenhouden. Dat maakte zo’n indruk op mij omdat ik zelf ook een ontzettend angstig persoon ben, en vaak heel bang als het om optreden gaat. In de tijd van mijn burn-out heb ik vlak voor een show in de kleedkamer staan janken, en ik heb paniekaanvallen gehad op het podium, midden in een voorstelling.”
Waar ben je nog meer bang voor, buiten het podium?
“Ik was laatst met mijn vriendin en mijn zoon in Parijs, op de Eiffeltoren, en de tweede verdieping was voor mij de max; hoger durfde ik niet. Als er dan mensen bij de reling staan die met hun telefoon over de rand hangen om een foto te maken, spreek ik ze aan. Excuse me, could you take back the telephone? Dan word ik superzenuwachtig, en mijn gezin weet dat ik dan verschrikkelijk word, dat ik er niet tegen kan en er iets van ga zeggen. Wat ik dan helemaal niet uitsta, zijn relaxte ouders, van die types die met zo’n klein kutkind naar Thailand gaan en alles maar laten gebeuren. Man, doe normaal. Sorry, your kid is too close to the fucking fence. There’s a waterfall down there. Jesus Christ.“
Fragment. Lees het acht pagina tellende interview in het novembernummer van Playboy. (2026)