De 21 beste boeken die u nooit heeft gelezen

Wat is het beste boek uit het Nederlands taalgebied dat niemand heeft gelezen? HP/De Tijd vraagt, net als vorig jaar, ruim twintig lieden uit het boekenvak naar het boek waarvan zij vinden dat het onterecht weinig is gelezen of in de vergetelheid is geraakt.

(Voor de website van HP/De Tijd, juni 2017.)

Maanheuvel (1993)
Kees Quirijns (1935)

Jan Cremer: Zelden heb ik over de grond liggen rollen van het lachen door een Nederlands literair werk. Maanheuvel van Kees Quirijns is een fantastisch boek, vergelijkbaar met W. F. Hermans’ Landingspoging op Newfoundland. Het is een scherp en soms vilein geschreven meesterwerk, een absolute afrekening met de schimmige wereld van snelle makelaartjes en rücksichtlose huisjesmelkers. Het boek is actueler dan ooit nu die de onroerendgoedwereld compleet beheersen. Ik heb indertijd twaalf exemplaren gekocht voor vrienden, daarna was het niet meer aan te slepen. Ik vind dat het absoluut herdrukt moet worden.

De vaders van de gedachte (1998)
Nanne Tepper (1962 – 2012) 

Marijn Sikken: Deze lijst gaf me een goed excuus om mijn exemplaar van de prachtige novelle De vaders van de gedachte van Nanne Tepper er weer bij te pakken. Tijdens het lezen stuitte ik op vouwtjes en hoekjes, wat niet alleen een herlezing betekent van het betreffende boek, maar ook van mijzelf: wat vond ik de vorige keer dat ik dit las (en vijftien was of zestien) zo goed? Wie was ik toen en waar vind ik dat op deze pagina’s terug?
Terug naar Tepper. De vaders van de gedachte gaat over de liefde van een vader voor zijn zieke dochter (en andersom) en over wat kunst vermag. Het is een liefdevol en lyrisch geschreven verhaal in een haast ademloze stijl waarin desalniettemin ruimte is voor observaties over moeders en tantes die ‘klitten om hun verdriet’, de dubbele hartslag van de treinen, een dochter die opmerkt hoe triest hotelkamers met televisie eigenlijk zijn.
De tragische machteloosheid van de vader wordt afgewisseld met een uitstekend vervelend puberperspectief, hier en daar een (flauw) grapje houdt het luchtig. Dat is goed, want het is wel degelijk een droevig verhaal. Je kunt De vaders van de gedachte een road novel te polder noemen, lekker Hollands, maar het is zoveel meer. Een aanrader voor iedereen die wel van een literair achtbaanritje houdt – o god, zei ik dat echt?

De beroepsherinneraar en andere verhalen (1996)
Anil Ramdas (1958 – 2012)

Vamba Sherif: Anil Ramdas is de James Baldwin van Nederland. Voordat thema’s als culturele toe-eigening, de multiculturele samenleving en de discussies over Zwarte Piet onderwerpen van gesprek werden, had hij deze thema’s al uitvoerig geanalyseerd en verwoord. Het maakt zijn werk nog steeds urgent en relevant, een weerspiegeling van wat we waren, van waar we zijn en kunnen zijn. Nergens is dat duidelijk dan in De beroepsherinneraar en andere verhalen, waarin de essays, verhalen en journalistieke stukken over deze thema’s nog steeds ontroeren, verbazen en verwonderen. Het is een boek van onze tijd.

Een huwelijk in het jaar 2020 (1923)
Maurits Wagenvoort (1859 – 1944)

A.H.J. Dautzenberg: Een kleine eeuw geleden verscheen bij Meulenhoff de toekomstroman Een huwelijk in het jaar 2020 van Maurits Wagenvoort, een schrijver uit de vriendenkring van Louis Couperus. Het boek was niet dystopisch van karakter, zoals de meeste romans die een verre toekomst proberen te schetsen, maar opvallend optimistisch getoonzet. Uit de asresten van het verderfelijke kapitalisme is een nieuwe samenleving geboren waarin de mensen vreedzaam met elkaar kunnen leven. Er is geen rassentegenstelling meer, de Joden hebben zich verzoend ‘met den Islam’, en ook mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig. Kinderen worden opgevoed in een Kindertuin, op afstand van de ouders, opdat ze gelijke kansen krijgen. Het celibaat is afgeschaft, net als het koningshuis, en schrijvers worden niet langer ‘in hun fantasie gekortwiekt door materieele levenszorgen’ – vooral dat laatste is behoorlijk utopisch.
Communicatie verloopt via de fotofoon, een soort internet avant la lettre. ‘In de fotofoonlokalen zag men de bezoekers in afgesloten ruimten, ieder van een toestel voorzien, dat zij aan een oor hielden, terwijl hun oogen gericht waren op een projectie op witte wand, waardoor zij de vooraf aangekondigde gebeurtenissen konden bijwonen overal ter wereld, ieder naar eigen belangstelling.’
De Thermen nemen een centrale rol in binnen de door Wagenvoort geschetste toekomst. Elke dag komen de mensen hier samen om lichamelijk én geestelijk aan te sterken. De mensen lopen rond in witte gewaden en in de badruimten is nagenoeg iedereen ongekleed. ‘Ofschoon al deze mannen en vrouwen van allerlei volwassenheid volkomen naakt waren, werd het oog door geen wanstaltigheid of overmatige vetvorming beleedigd en, wijl van der jeugd in de Kindertuinen aan deze krachtspelen gewend, leek het bewustzijn der geslachtelijke verschillen niet in hun denken te leven.’ De roman weerspiegelt overduidelijk de opkomst van het socialisme aan het begin van de twintigste eeuw, het maakbare leven, het maakbare geluk.

Als jij kon kruipen in mijn huid (2006)
Stipo Jeleč (1976)

Jelte Nieuwenhuis: 2007. Ik wilde redacteur worden, bouwde aan een netwerk in de literaire wereld en kende precies één schrijver: Janneke Jonkman. Janneke kende een andere schrijver. Stipo Jeleč was een paar maanden eerder gedebuteerd met de roman Als jij kon kruipen in mijn huid, maar zijn uitgeverij Vassalucci was in diezelfde periode failliet gegaan, waardoor zijn debuut een beetje ‘verweesd’ was geraakt en amper was opgemerkt door de literaire pers.
Ik las het boek en viel van mijn stoel. Een zeer zintuiglijke, muzikale en intense Bildungsroman over ontluikende (homo)seksualiteit, beschreven tegen de achtergrond van de Balkanoorlog. Ik kon niet geloven dat de roman van deze in 1992 naar Nederland gevluchte Bosnische Kroaat nauwelijks was bejubeld. En hoewel ik inmiddels beter snap dat literair succes vaak van toevalligheden aan elkaar hangt, kan ik het eigenlijk nog steeds niet geloven.

Bougainville (1981)
F. Springer (1932 – 2011)

Joost de Vries: De romans van F. Springer zijn allemaal klein, elegant, weemoedig en onweerstaanbaar. Ze lijken in zoverre op elkaar dat ze bijna allemaal over oud-diplomaten gaan die terugkijken op een leven dat ze leefden ver weg op een buitenlandse post, waar ze een nieuwe vriendschap sloten en een exotische liefde vonden. Mijn favoriet is het melancholische Bougainville, net weer opnieuw in druk verschenen. Natuurlijk zijn die verliefdheden tragisch stand, natuurlijk worden de mooie vrouwen verslonden door de politieke ontwikkelingen in de landen waar de hoofdpersonen slechts passanten zijn. Ze keren naderhand terug naar hun grijze ambtelijke bestaan en denken: heb ik dat echt allemaal meegemaakt daar?

Leila (1993)
Huub Beurskens (1950)

Maarten Asscher: Eigentijdse schrijvers als Kees ’t Hart en Wessel te Gussinklo laten zien dat je in een roman ook met vertelplezier wezenlijke onderwerpen aan de orde kunt stellen. Lichtheid en ernst kunnen heel goed samengaan. Een helaas totaal vergeten roman getiteld Leila van de nog altijd zeer actieve schrijver Huub Beurskens valt ook in die categorie. Het boek verscheen oorspronkelijk in 1993. Leila is een van oorsprong Egyptische prostituee, die bij toeval de obsessie wordt van de jonge systeemanalist Boy Bouvé. Dat is het uitgangspunt voor een virtuoos en bij vlagen hilarisch verhaal, waarin Caïro en Amsterdam-Oost samenvloeien in een hallucinerende desoriëntatie. De roman maakt enerzijds maximaal gebruik van het thema multiculturaliteit en van de bedrieglijke wereld van het oriëntalisme, anderzijds barst het boek als een typisch hedendaagse Europese roman van de literaire en kunstzinnige spelletjes. Het resultaat is een met plezier en vaart geschreven verhaal, dat als nieuw romandebuut van een onbekende schrijver anno 2017 direct een enthousiast onthaal zou krijgen, compleet met nominaties en prijzen. Dat zal niet meer gebeuren, maar u kunt Leila antiquarisch gewoon zelf ontdekken. Doen!

Het veer (1959)
Simon Vestdijk (1898 – 1971)
Samen met vijf andere novellen eerder gepubliceerd in: De bruine vriend (1935)

Alfred Birney: Ik bezit de voorbeeldige novelle Het veer in een oude, beduimelde pocketuitgave. Het Literatuurmuseum bezit het handschrift. Op de lijntjes van het cahier ligt in de woorden een leger boogschutters verborgen, die woedend hun pijlen op de hemel richten. Over hun ruggen stapt een verschoppeling, zwervend in de middeleeuwen, getekend met schrikaanjagende uiterlijke kenmerken.
Zijn verschijning is groot en stoer, roept overal verzet op, hij gelooft in god noch gebod, maar durft nauwelijks te reppen over een voorval tijdens zijn geboorte, wellicht een terloopse verwijzing naar de afkomst van zijn schepper: kleinzoon van een in Haarlem gevonden vondeling, gevonden op de hoek van de Dijkstraat en de Oostvest en aldus vernoemd naar een halfslachtig huwelijk van deze straatnamen: Vest + Dijk. Simon Vestdijk schreef schijnbaar achteloos in enkele dagen zijn meesterlijke, op wereldniveau geschreven novelle Het veer, waarin de ongeliefde held in het najaar van 1348 voor de zwarte dood uit reist, of hem op de hielen volgt.
Op een kaart van een Dominicaner ziet hij zijn zwerftochten in bird’s eye view terug. Hij kiest steden die met ziekten zijn bedreigd, laakt het egoïsme, de roofzucht en de wreedheid van de mens en ziet tovenaars schatrijk en heksen verbrand worden. Al die zooi duivelbanners, kannibalen en ouders die hun kinderen verlaten zijn hem vijandig. Wanneer hij tussen vluchtelingen bij een rivier op de veerman wacht, ziet hij aan de overkant een rij dorpen liggen waar de pest nog niet is geweest. Hij stapt als eerste in de boot en zal die als laatste verlaten. Hij heeft zich dan volledig bekeert tot handlanger van de pest en de novelle echoot uiteindelijk de satirische toon van Erasmus, die in zijn Lof der zotheid vromen en kooplieden in al hun kleinheid te kijk zet. Als de pest een godsgericht is, dan vormt zijn handlanger een aanklacht op het liederlijke leven dat de mensheid leidt.
Simon Vestdijk schrijft deze novelle zoals Jeroen Bosch schilderde: hallucinerend, weerzinwekkend en technisch volmaakt. Het veer verscheen in 1935 en is misschien wel zijn laatste volledig handgeschreven werk, voordat hij zich bekeerde tot de typemachine. De doorhalingen in de tekst zitten vol gitzwarte inktvlekken, alsof de schrijver het papier met de pest wilde besmetten. Het wordt eens tijd voor een nieuwe, slijtvaste uitgave, gratis verspreid in de Boekenweek.

De keisnijder van Fichtenwald (1976)
Louis Ferron (1942 – 2005)

Marita Mathijsen: Twaalf jaar is Louis Ferron dood, en hij telt niet meer mee. Aan erkenning bij leven heeft het hem niet ontbroken, prijzen genoeg. Maar wie leest hem nu nog, wie citeert hem, wie heeft hem in zijn geheugen zitten? Ik was indertijd verpletterd door zijn combinatie van barok taalgebruik, zijn lichtvoetige verwijzingen naar wereldschrijvers en -denkers, en zijn tomeloze hyperbolen van de werkelijkheid. Het was de tijd waarin Revisor-proza overheerste, dat geciviliseerde bijgeschaafde kunstproza, ook mooi, maar niet zo krachtig als de stijl van Ferron. Ik kreeg er een keer ruzie om met Nicolaas Matsier, die vond dat ik niet én van Ferron kon houden én in de Revisor kon publiceren.
De keisnijder van Fichtenwald maakte het meeste indruk op me. Ik zie dat ik de eerste druk uit 1976 in mijn kast heb staan, kromgelezen, met wijn- en koffievlekken. Het zou Ferron en zijn gebochelde hoofdfiguur, Friedolin, plezier doen als ik ook nog op andersoortige vochtvlekken kon wijzen. Alles in dit boek zet de wereld op zijn kop. Wat begint als een prachtige natuurbeschrijving, blijkt de omgeving van een concentratiekamp te zijn. Liefde vergroeit tot ranzige seks.
De bochel van Friedolin is geen lichaamsgebrek maar een vracht aantekenboekjes die hij continu op zijn rug draagt. Wie Ferron leest, moet zorgen zelf stevig in het leven te staan, anders vergaat je de lust erin. Wat hem onvergetelijk maakt voor mij, zijn die gecompliceerde spinsels, die verder gaan dan je voor mogelijk houdt. En dan de zinnen waarin hij zijn morbide spinsels neerzet. Weinig schrijvers is het gegeven alle vermogens van het Nederlands zo uit te buiten als hij doet.

Wachten en andere heldendaden (2015) 
Freek Mariën (1988)

Philip Huff: Ik las Wachten en andere heldendaden van Freek Mariën afgelopen voorjaar in een kamer op een heuvel aan de rivier de Hudson in New York. Het was een van de weinige Nederlandstalige boeken in de bibliotheek van het huis waar ik verbleef. Wachten… is een toneeltekst met de regie-aanwijzingen geschreven in de verleden tijd: ‘Ze liepen rond’, ‘Ze bleven staan’ (ik parafraseer, het kan ook zijn geweest: ‘Ze hebben rondgelopen’, etc.), en aan het begin is op papier niet duidelijk wie deze ‘ze’ zijn, en wie van hen aan het woord is, maar in je hoofd wel.
Het stuk — over vijf, nee, vier grenswachten (dat is de hele spil van het verhaal: een van hen is ineens vertrokken) — komt in je hoofd tot leven. Langzaam krijgen de karakters reliëf, een gezicht, een verhaal. Het is een theaterstuk dat zichzelf in je hoofd opvoert terwijl je het leest – een verkenning van vertrouwen en wantrouwen en zin en onzin met prachtige zinnen als: ‘Dat is een feitelijkheid’ en: ‘Wij gaan uw nagels in onze mond steken… en er op kauwen’.

Stadsgerechten (1977)
A. Moonen (1937 – 2007)

Stella Bergsma: Spreek uit: A punt Moonen. (‘Waar de A voor staat? Voor de punt’). Een onterecht vergeten unieke stem in de Nederlandse literatuur. Onderschat, wat mij betreft, maar dat overkomt de meesten die over seks schrijven. En A punt schrijft over seks. Seks en andere lichamelijke ongemakken. En hoe. Reddeloos, radeloos, remmingloos. Geen decorum, bescherming, versiering. Alleen de rauwe realiteit die je in je bek swaffelt. Hij wordt vaak vergeleken met Reve vanwege zijn humor en archaïsche taalgebruik, maar heeft wat mij betreft een stijl die op zichzelf kan staan. Genreloos, gêneloos en argeloos. Hij schrijft niet zonder condoom, zoals ik dat graag noem, maar zonder huid. Egoliteratuur zonder ego. Dat wat men liever verborgen houdt, laat hij zien. Daar waar men zich schaamt, daar begint Moonen juist met schrijven. Waar het interessant wordt dus.
Als je een boek zou laten strippen, dan zou je Stadsgerechten overhouden. Het bestaat uit dagboekflarden, fragmenten vol verveling en ellende. Geen zingeving, escapisme, personages en plot. Een boek zonder verhaal. Ik houd er van. Een boek zonder broek. Moonen draait zich om en laat ons zijn kont zien. Zelden zag ik iemand zo meedogenloos eerlijk. Zo schrijft alleen een gek, een excentriekeling. Daar hebben we er maar weinig van in dit doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg brave tuttelandje. Die moet je koesteren.

De grote zaal (1953)
Jacoba van Velde (1903 – 1985)

Eppo van Nispen: Een fantastisch romandebuut over een oude dame die vanwege haar broze gezondheid ongewild haar laatste dagen moet slijten in een verzorgingshuis. Het is een adembenemend eigentijds verhaal, en dat terwijl de roman uit 1953 stamt.
De treurigheid van het overgeleverd zijn aan zorg gaat letterlijk door merg en been. Geen gezellig boek voor op het strand maar juist daarom moet je het daar lezen. Het raakt. Van Velde schreef acht jaar later nog een tweede roman: Een blad in de wind, die minder goed werd ontvangen. Ze begon aan een derde, De verliezers, maar heeft die nooit voltooid. Uiteindelijk stierf ze zelf in een verpleeghuis.

Pijpelijntjes (1904)
Jacob Israël de Haan (1881 – 1924)

Gerbrand Bakker: Jacob Israël de Haan hanteert in Pijpelijntjes een bedwelmend taalgebruik dat gemaakt lijkt te zijn voor dit boek (na vijf zulke boeken zul je er wellicht een beetje misselijk van worden) en hij deed zijn best het boek plotloos te laten zijn. Naturalisme op zijn best. Hij was 22 jaar oud toen hij het schreef en het boek kwam uit in 1904, 67 jaar voordat Maurice van de laffe E.M. Forster gepubliceerd werd. (Ter verdediging van Forster: in Groot-Brittannië werd homoseksualiteit pas in 1967 legaal, terwijl de strafbaarheid in Nederland al begin 19e eeuw opgeheven werd).
Veruit de grootste kracht van Pijpelijntjes is de verpletterende vanzelfsprekendheid van de liefde tussen Sam en Joop. Die wordt nergens geproblematiseerd, het is dus geen thema, zoals je ook van Der Tod in Venedig van Thomas Mann zou kunnen zeggen dat homoseksualiteit geen thema is. Dat is goed. Zo moet het. Het is. Ik zou het boek vooral mensen willen aanraden die normaal gesproken ergens in augustus ‘voor de lol’ de Canal Parade in Amsterdam gaan bekijken.

Er moet iets gebeuren (2015)
Maartje Wortel (1982)

Jan van Mersbergen: Een sterke passende vertelstem, dat heeft ieder verhaal nodig. Soms gebeurt het dat je een schrijver die dominant en heel sterk een verhaal vertelt hoort voorlezen en dat alles klopt. Dat overkwam me toen Maartje Wortel in een bar bij het Leidseplein haar verhaal Daar is de hond voorlas. Haar bijzondere stem en de manier waarop het droogtragische verhaal verteld werd vielen perfect samen. Een man en een vrouw begraven hun hond en missen het dier. De vrouw vraagt de man of hij de hond wil nadoen, dan is hij er voor eventjes weer. Hij sputtert tegen maar blaft dan toch en raakt enthousiast.
Ik luisterde naar Maartje en raakte ook enthousiast. Ik wilde meeblaffen. Toen het verhaal uit was vroeg ik haar of het al ergens gepubliceerd was en zo nee, dat ik het in het komende nummer van de Revisor op zou nemen. Dat lukte. Later is het verhaal ook opgenomen in Maartjes bundel Er moet iets gebeuren. Maar het was al gebeurd.

Weekendpelgrimage (1957)
Tip Marugg (1923 – 2006)

Maartje Wortel: Tip Marugg is misschien niet ontzettend vergeten, maar verdient toch meer aandacht. Het is een van de beste schrijvers die ik ooit las.
Ik vind het moeilijk om uit te leggen wat er zo bijzonder is aan zijn werk. Al zijn werk voelt heel verdrietig. Maar omdat hij zo nabij is in de taal, voelt het toch ook alsof je dat verdriet samen doormaakt, waardoor het zowel zwaar als licht is. In Weekendpelgrimage, het boek dat ik kies, schrijft hij heel tastbaar en heel gevoelig over het eiland en eenzaamheid en dronkenschap.

Jagers zijn wij, en ook prooi (1987)
René Stoute (1950 – 2000)

Erik Jan Harmens: René Stoute registreert de zelfkant, of zoals hij zelf noemt: de afgrondmens, op indrukwekkende wijze. Het stelen om aan geld te komen voor drugs, wordt op dostojevskiaanse wijze verwoord: ‘De positie van het niet hebben is nergens mee te vergelijken, behalve met het hebben.’ Hoe ruw de enscenering ook, Stoute formuleert zorgvuldig en beschouwend. Na een arrestatie achterin een politiebusje wil de verteller op dat moment nog niet denken aan de ‘vernedering en daarna de folteringen’ die hem schijnbaar even later te wachten zullen staan. Hij wil daar ‘nu geen woorden aan geven, om het proces niet te versnellen’. Waarna hij verzucht: ‘Ik heb geen schakelaar waarmee ik alles uit kan zetten. Ik heb mijn tijd niet goed benut.’
Dit boek, slechts 64 pagina’s dik, zit vol met details doorspekte streetwise levensverhalen, die allemaal gaan over het ‘have or have not’, opgetekend in slechts enkele halen tekst. Een anekdote laat me nooit meer los: een man komt thuis, vindt zijn vrouw hangend in het trapgat, haalt haar naar beneden en volgt, gebruikmakend van hetzelfde touw, haar voorbeeld. Dramatisch, ja, akkoord, maar het is ook teder, lieflijk, en zelfs romantisch.

Lang weekend (1969)
Walter van den Broeck (1941)

Herman Brusselmans:  Van den Broeck is een grote naam, vooral in de Vlaamse Letteren, maar wordt al jaren niet meer op waarde geschat, hoewel ook z’n recente romans bijzonder goed zijn. Lang Weekend is echter een roman uit 1969, z’n tweede, en het is een klassieker simpelweg omdat het een van de grappigste, meest absurdistische romans uit de Vlaamse literaire historiek is. Mij heeft het boek als schrijver ten zeerste beïnvloed.

Eva (1927)
Carry van Bruggen (1881 – 1932)

Paul Abels: In 1927 verscheen Eva, de eerste Nederlandse stream-of-consciousness-roman, een boek boordevol gedachtepuntjes, over het bewustwordingsproces van een uiterst sensitieve vrouw. Dit boek is als het ademen van een mens. Carry van Bruggen werkt in de roman op een verpletterende manier haar filosofisch standaardwerk Prometheus uit door Eva na te laten denken en voelen over wat liefde en lijfsverlangen is.
Aanvankelijk geeft zij Frederik van Eeden gelijk: de liefde maakt het lijfsverlangen goed. Later draait zij het om: neen, het lijfsverlangen maakt de liefde goed. Haar nerveuze nadenken over haar plaats in de wereld, haar heen en weer geslingerd worden tussen de drang om in de massa op te gaan en de drang om je als individu te onderscheiden, haar afkeer van ‘de kraal van het platte geluk, de omheining van de lage rust’, haar scherpe ideeën over de rol van het joodse geloof, de burgerlijke moraal en vooral ook de rol die haar opgelegd wordt als vrouw – dat alles maakt Eva tot een heel moderne roman. Die je nog steeds aan de botten komt.
Carry van Bruggen eindigt haar boek zo: ‘En het is wel niet heelemaal waar, zooals Montaigne het zegt, en eigenlijk…. is er heelemaal niets van waar…. maar het is aardig om in jezelf te zeggen, om tegen jezelf te zeggen in de stilte van den laten winteravond, met de maan tusschen de populiertjes, boven het dak, boven de slapende kinderen, en het licht dat uit het open huis in het tuintje vloeit…. en een deur slaat toe, en een grendel knerst…. en het einddoel van alle wijsheid is het rustig tegemoet zien van den dood.’
Vijf jaar na de publicatie maakte de schrijfster een eind aan haar leven.

Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg (1821 / 1822)
Jacob Vosmaer (1753 – 1824)

Yvonne Keuls: Schetsen uit het leven van een dorpsbarbier/chirurgijn, die ’s morgens als barbier de kinnen van de boeren scheert en zich ’s avonds als chirurgijn moet bekommeren om de ongemakken van deze boeren. Op weg naar deze ‘lijders’ moet hij vele kilometers wandelen en hij gebruikt deze tijd met overpeinzingen betreffende deze mensen, ‘hetwelk mijn standvastige gewoonte was’, maar ook over ‘de geest des tijds’, terwijl hij tegelijkertijd op onderhoudende wijze de wanpraktijken en misvattingen op het gebied van de geneeskunde te lijf gaat.
Het taalgebruik van Jacob Vosmaer is kostelijk. Zelden heb ik me met een boekje (slechts 126 pagina’s) zo geamuseerd. Ik durf te zeggen dat het mijn lijfboek is geworden. Ik laat twee willekeurige zinnen volgen als voorproefje. De zin waarmee het verhaal begint: “Dat Ds P. bezweken is, neem ik niet op mijn rekening; ik wil ook niet zeggen, dat dokter B. het kan helpen; en ik zou voor het naast denken, dat het zo heeft moeten wezen.
Een andere zin: “Ik ben machtig ingenomen met mijn kennis van ’s mensen lichaam, en de hemel weet, hoeveel hoofdbrekens en nachtbrakens het mij gekost heeft, om het onderscheid te vatten tussen een ader en een slagader, een pees en een zenuw, om te onthouden, waar de longen en de lever zitten, en vooral, dat de mens, behalve zijn ziel en zijn lichaam, nog een levensbeginsel heeft, waardoor hij leven kan, zonder een ziel nodig te hebben.’
Kortom, Jacob Vosmaer verdient het om uit zijn literaire graf te herrijzen.

Veertien vrouwen (1974)
Bibeb (pseudoniem van Elisabeth Maria Lampe – Soutberg, 1924 – 1992)

Jente Posthuma: Een jaar of tien geleden lag ik ‘s nachts wakker en besloot ik de beste interviewer van Nederland te worden. Daarna viel ik in slaap. En dat was dat. Maar ik heb altijd een grote interesse in het geschreven interview gehouden.
Ik las de interviews van Ischa Meijer, de gebundelde Parool-interviews van Willem Wittkampf en de interviews van Bibeb uit Vrij Nederland. Ischa Meijer zei aan een gesprek van drie kwartier genoeg te hebben, Willem Wittkampf trok er vijf of zes uur voor uit en het is bekend dat Bibeb interviewsessies hield die dagenlang duurden.
Ze was dwingend, Ischa Meijer brutaal en Willem Wittkampf had een extreem goed geheugen. Hun interviews hadden niet de voorspelbaarheid en de kijk-mij-eens-diepgravend-interviewen-dit-wordt-vast-legendarisch-stijl van veel persoonlijke portretten in de krantenbijlagen tegenwoordig. Het was natuurlijk nog niet de tijd waarin iederéén interviewde. En misschien hielp het ook dat geïnterviewden destijds nog wat minder zelfbewust waren, nog niet zo gebrand op het tonen van hun kwetsbaarheid en de ongetwijfeld mooie reacties die ze daarop zouden krijgen.
Renate Rubinstein nam Bibeb eens kwalijk dat ze niet genoeg doorvroeg en confronteerde, waarop Bibeb zei dat dat een karakterkwestie is. Ze zei: ‘Ik ben er erg voor dat je moet zijn zoals je bent.’ Bibeb maakte ruzie met Germaine Greer, schreeuwde dat Greer niet zo moest schreeuwen en schreef dat op. Het is een van de interviews in de bundel Veertien vrouwen uit 1974: interviews met vrouwen die ieder op hun eigen manier onaangepast waren, sommigen uitgesproken feminist, anderen niet zo uitgesproken feminist en weer anderen – naar eigen zeggen – anti-feminist.
Wat ze gemeen hebben is dat ze zonder verontschuldiging uitkomen voor wie ze zijn (na een verhoor van een paar dagen kunnen ze misschien niet anders). Bibeb zelf ook. Ze vraagt Adèle Bloemendaal hoe wreed ze is, Andreas Burnier wat ze doet als iemand iets gemeens tegen haar zegt en Gloria Steinem of ze energie heeft voor meerdere minnaars tegelijk, omdat ze dat nu eenmaal wil weten.

De ontboezemingsbundel van Jopie Breemer (1913)
Jopie Breemer (1875 – 1957)

Christiaan Weijts: Wie bijna totaal vergeten is in onze letteren: Jopie Breemer, met zijn Ontboezemingsbundel uit 1913. Deze melkslijter annex bohémien zou helemáál vergeten zijn als Gerrit Komrij dat bundeltje niet eens in de jaren zeventig op een zolder in Laren per toeval vond. Meteen was hij getroffen en schreef, in Vrij Nederland, een ode aan Jopie. ‘Sublieme nonsens’ noemt Komrij Jopie’s gedichten: ‘Je ziet de eenvoud die alle anderen over het hoofd zien. Je maakt het ingewikkelde opnieuw eenvoudig. (…) Omdat je het zotte op ernstige toon bracht moest je het ernstige op een zotte toon brengen.’
Jopie was de gastheer van allerlei bohémiens, die bijeenkwamen in het ‘Jopie-hol’, een vroege voorloper van wat later sociëteit De Kring werd. Schilders, dichters, beeldhouwers, architecten en andere halve garen, klaplopers en uitvreters kwamen er samen. De gedichten van Jopie zijn hier en daar erg Komrij-esk, met het soort speelse pretentieloosheid waar het onze gewichtige literatuur nog wel eens aan wil ontbreken.
In 1998 schreef Komrij het voorwoord bij de eerste heruitgave, en alleen om dat voorwoord plus de  ‘ode aan jopie’ is die bundel al de moeite waard: ‘Je was een zonderling, zonder school, zonder na-apers, zonder sjacheraars in je kielzog.’

 

Advertenties