Een borreltje met… Jacques Klöters

Kleinkunstkenner Jacques Klöters (76) over de oudejaarsconference. ‘André van Duin moet hem volgend jaar gaan doen.’ 

Verschenen in het dubbeldikke winternummer van HP/De Tijd. Lees het gehele interview hier.

Is het een goede ontwikkeling dat er tegenwoordig meerdere oudejaarsconferences zijn of haalt dat de magie weg van de echte oudejaarsconference?

Klöters, nippend aan een Oude Rutte in Café Welling in Amsterdam: “Ik kan niks opleggen, wat gebeurt dat gebeurt, maar de oudejaarsconference is door die wildgroei zeker van gewicht veranderd. Als ik terugdenk aan de jaren vijftig, toen ik als kind met mijn oor bij de radio lag, dan was de oudejaarsconference een soort jaarlijks hoogtepunt. Het land was verdeeld in zuilen, die hadden allemaal hun eigen community, maar op oudejaarsavond werd het land een. Wim Kan sprak de natie als een soort Vader des Vaderlands toe. Hij behandelde de politiek, geen oudejaarsconference zonder politiek, maar iedereen kreeg een schopje, niemand uitgezonderd. Kan had ook een verzoenende rol. Hij troostte ons, sloeg een arm om ons heen. Hij zei op die bijzondere, laatste avond van het jaar, waarop iedereen bij elkaar was gekropen, dat het allemaal zo erg nog niet was en dat het allemaal veel erger had kunnen zijn. Die imagined community was heel sterk. Het is hem later ook gelukt om dat op televisie voor elkaar te krijgen.”

Een cabaretier moet dus verzoenen in plaats van polariseren op oudejaarsavond. Wat hoort volgens u nog meer bij een geslaagde oudejaarsconference?

“Als ik terugkijk op alle conferences die ik heb meegemaakt, dan ben ik toch het meest geraakt door cabaretiers die serieus nagedacht hebben over de vraag: wat heb ik de mensen te vertellen op oudejaarsavond? Ik vind het fijn als mensen een filosofie hebben, dat ze ergens voor staan. Dat ze een idee hebben waar het naartoe zou moeten met het land. Dat kan de een beter verwoorden dan de ander.”