Marjan Minnesma: ‘Kunstenaars zijn mainstream, niet de avant-garde’

Marjan Minnesma (56) is oprichter en directeur van Stichting Urgenda, een organisatie voor innovatie en duurzaamheid, die onder meer een succesvolle rechtszaak voerde tegen de Nederlandse staat. Afgelopen jaar won ze de prestigieuze Goldman Environmental Prize. Wat leest, luistert en ziet ze in haar vrije tijd?

Verschenen in het dubbeldikke winternummer van HP/De Tijd. Lees het gehele interview hier.

Boeken

“Leven in een democratie betekent niet alleen eens in de vier jaar op iemand stemmen. Een democratie functioneert pas goed als je je als burger actief bemoeit met de politiek. Je moet de straat op gaan als je het ergens oneens mee bent en je moet in de pen klimmen om je mening te laten horen over zaken die je zelf graag anders zou willen zien. Zodra je doorhebt dat dat zin heeft, kun je met een relatief kleine groep al het verschil maken. Ernst Hirsch Ballin schrijft daarover in zijn nieuwe boek Waakzaam burgerschap. Hij dwingt de lezer om na te denken over wat het betekent om burger te zijn en wat je rol is in de samenleving. Hij gebruikt onze Klimaatzaak (Urgenda won een proces tegen de Neder-landse staat, waardoor de overheid gedwongen werd de uitstoot van broeikasgassen sneller terug te dringen – red.) als voorbeeld om te laten zien wat burgers kunnen bereiken als ze zich verenigen. Hirsch Ballin onderschrijft het idee dat de rechtsstaat veel meer is dan het klassieke idee van de trias politica, dat de rechtsstaat continu verandert en dat burgers – bijvoorbeeld door een proces aan te spannen tegen de staat – een actieve rol kunnen spelen in het verfijnen van die rechtsstaat. We mogen ons best wat vaker uitspreken tegen zaken die volgens ons niet thuishoren in een rechtsstaat. Als je bijvoorbeeld de uitlatingen van sommige volksvertegenwoordigers in het openbaar niet kies vindt, dan moet je dat zeggen. Woorden hebben namelijk enorm veel impact. Als je een woord als ‘kopvoddentaks’ gebruikt, of je noemt journalisten ‘rioolratten’, dan wordt dat op een gegeven moment normaal, ook op straat. Ik vind dus dat politici een extra verantwoordelijkheid hebben om op een respectvolle manier te spreken. Wat mij betreft spreken we met z’n allen af dat er in de Tweede Kamer geen scheldwoorden meer worden gebruikt, dat we netjes en respectvol met elkaar spreken en dat de Kamervoorzitter sneller mag ingrijpen als deze fatsoensregels worden overtreden.”

Muziek

“Hobospelen is het enige wat ik tegen de klippen op heb volgehouden sinds ik kinderen heb gekregen en tachtig uur in de week werk. Ik oefen elke week, omdat je anders je embouchure verliest. Als kind ben ik begonnen in een harmonieorkest. Mijn vader, mijn oom en later ook mijn twee zusjes speelden in dat orkest. Zo’n harmonie is echt een familiegebeuren. Als er iemand overleed, dan speelde je met de harmonie op iemands begrafenis. Ik speel inmiddels al dertig jaar in een symfonieorkest, maar als er iemand overlijdt van het oude harmonieorkest, dan word ik weer opgeroepen om mee te spelen. Dat is wel bijzonder. Misschien komt het door mijn jeugd, maar de muziek van een harmonieorkest vind ik veel emotionerender dan de muziek van een symfonieorkest. Een orkest met dertig violen raakt me toch minder dan een orkest waarin de violen worden vervangen door klarinetten.

“Met mijn symfonieorkest hebben we al een aantal keer mogen optreden in het Concertgebouw. De eerste keer dat ik daar met het orkest de Tweede symfonie van Mahler mocht spelen, is by far de bijzonderste keer van allemaal. Ik was toen ook orkestchef en moest dus alles regelen. We hadden 100 man koor en 120 man orkest, dus het was een enorme productie. Alison Pearce, de sopraan, had ik bij mij in huis te logeren. Ik dacht: nu gaan we het krijgen, iemand die de hele week aria’s door het huis galmt, maar ik heb helemaal niets gehoord. Het enige wat ze deed was neuriën. Ik weet niet of je het stuk kent, maar het bouwt heel langzaam op naar het einde, waar het orkest op een gegeven moment driedubbel forte, met 100 man koor en 120 man orkest, door de grote zaal schalt, en daar moet zij dan nog in haar eentje met haar stem overheen. Ik dacht: dat wordt niets, maar de dirigent had haar op de trap gezet, zodat ze over ons heen kon zingen. Op het moment dat zij begon te zingen, gingen mijn haren recht overeind staan. Ik ben zelfs even gestopt met spelen. Ze kwam er echt dwars overheen. Op de terugweg in de auto vroeg ik haar hoe ze dat deed, zo over alles en iedereen heen zingen. ‘I have a very loud voice,’ antwoordde ze.”