Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik ben gezegend met twee geheugens’

Eddy Posthuma de Boer (1931) is al meer dan zestig jaar fotograaf. Hij bezocht meer dan tachtig landen en fotografeerde voor verschillende kranten en tijdschriften – onder meer voor de Haagsche PostAvenue en Time-Life. Hij publiceerde een groot aantal fotoboeken en had diverse tentoonstellingen. 

(Gepubliceerd op de website van HP/De Tijd – 14 december 2017.)

Tot en met eind december zijn op De Kring in Amsterdam foto’s te zien die hij in de jaren zestig op de kunstenaarssociëteit maakte. Reden voor HP/De Tijd om hem te onderwerpen aan een ‘zelfportret’: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Die is redelijk optimistisch. Ik ben wel beducht voor de dingen die kunnen gebeuren, maar ik laat me er niet door van de wijs brengen.

Wie zijn uw helden?
Dat zijn een paar fotografen. In de eerste plaats is dat André Kertész die samen met een groep andere fotografen in het interbellum vanuit hun geboorteland Hongarije naar Duitsland zijn gevlucht, en vanuit daar weer zijn doorgetrokken naar steden als Parijs en New York. Zij zijn de oerbron van de journalistieke fotografie. En daarnaast Henri Cartier-Bresson en de gebroeders Friedmann, beter bekend als Robert en Cornell Capa. Zij hebben mij geïnspireerd in wat ik wilde doen als fotograaf.

‘Als ik naar mijn ringvinger kijk, denk ik: dat is de vinger van mijn moeder.’

Aan wie ergert u zich?
Ik erger me nog steeds aan een onderwijzer op de lagere school. Dat was een vreselijke man. Op zaterdag stond hij in zijn WA-uniform voor de klas omdat hij ’s middags moest marcheren. En die man had een vreselijk gedrag. Als je te hard praatte met je buurman dan moest je op het podium komen en dan sloeg-ie ons met de koppen tegen elkaar. In de laatste oorlogsdagen heeft hij zich op een motorfiets tegen een betonnen wand gereden. Toen ik dat hoorde, dacht ik: zo, die is er niet meer.

Lijkt u op uw vader?
Zoals ze weleens zeggen: van boven lijk ik op mijn moeder en van onder op mijn vader. Nee, ik draag de familienaam, maar verder lijk ik in weinig op hem. Het was een goudeerlijke man, maar fanatisch links. En dat ben ik niet.

Lijkt u op uw moeder?
Als ik naar mijn ringvinger kijk, denk ik: dat is de vinger van mijn moeder. Mijn nagels zijn de nagels die mijn moeder had. Ik heb ook het karakter van mijn moeder. Zij was altijd optimistisch en zeer creatief. Als ik zie hoe zij altijd aan het borduren was en aan het knippen en plakken en wat dan ook. Dat heb ik van haar. Altijd iets bedenken en altijd iets maken.

‘Mijn grootste angst? Dat iemand een atoombom gooit.’

Wat zijn uw dagdromen?
Ik ben zeer tevreden met wat ik heb en wie ik ben. Als je op mijn leeftijd bent dan kijk je meer op het leven terug dan vooruit. Ik heb die dagdromerij dus niet meer nodig.

Wat is uw grootste angst?
Dat iemand een atoombom gooit.

Bidt u weleens?
Nee, nooit. Ik ben opgegroeid met de De amusante Bijbel van Léo Taxil, waarin God op een wolk werd afgebeeld en belachelijk werd gemaakt. Mijn vader en mijn moeder waren allebei niet gelovig.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Nee. Ik heb in Lourdes en Banneux gefotografeerd, en in wel meer van die bedevaartsoorden, en daar kom je mensen tegen die iedere dág een mystieke ervaring hebben. Mij is dat nooit overkomen. Daar ben ik teveel realist voor.

‘Geluk is een kort moment.’

Bent u aantrekkelijk?
Nee. Mijn broer was een leuke en mooie jongen, daar zaten de meiden achteraan, die kon overal terecht. Ik was een verlegen en bescheiden jongen met rood haar en sproeten – nou, dan weet je het wel. Een mooie jongen heeft niemand mij ooit gevonden.

Wat is uw definitie van geluk?
Geluk is een kort moment. Je kunt niet de hele dag gelukkig zijn. Laat staan een hele week of een heel jaar. Mijn laatste moment van geluk was afgelopen zondagmiddag bij de presentatie van het boek van mijn jongste dochter Eva: Voer voor vrienden. Ik was zo trots en er waren zoveel leuke mensen en de hele familie was bij elkaar – ja, dat was een geluksmoment.

Waar schaamt u zich voor?
Voor het gedrag van andere mensen. Ik ben eens in Zaïre op reportage geweest en toen ben ik op straat vijf keer gearresteerd. Dat kwam door de corruptie. Dan schaam ik me dat zo’n land zo slecht bestuurd wordt en daardoor zo’n slechte mentaliteit heeft.

Bent u monogaam?
Ja. Ik ben meer dan 55 jaar getrouwd met Henriette. Voor ons beiden is dat huwelijk fantastisch. We hebben geen behoefte aan iets of iemand anders.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Ik heb dit najaar vier vrienden begraven. Bij drie moest ik huilen. Op onze leeftijd gebeurt het nog weleens dat je naar een begrafenis moet. Het is niet alleen de begrafenis die de emoties aanwakkeren, maar vooral het idee dat je voorgoed afscheid van iemand moet nemen. Iemand die ongeveer even oud is als jij en die je al je hele leven kent. Dan denk je onwillekeurig weleens: ik behoor ook tot de doelgroep.

‘Mannen hebben de eigenschap zorgzaamheid niet.’

Hoe moedig bent u?
Laat ik het zo zeggen: ik ben nogal wilskrachtig en daadkrachtig. Ik wil heel veel en om dat te kunnen doen moet je daadkracht tonen. Dat heb ik in mijn journalistieke leven altijd wel gehad. Misschien kun je dat onder het noemertje ‘moedig’ zetten. Maar ik ben niet iemand die in de gracht springt om een ander te redden. Dat moeten andere mensen maar doen.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Ik denk van mijn vrouw. Mijn ouders waren eenvoudige mensen en door mijn vak kom je soms in situaties terecht waarin je je netjes moet gedragen en aan ongeschreven regels moet houden. Ik heb dat allemaal van mijn vrouw moeten leren.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Zorgzaamheid vind ik iets fantastisch aan vrouwen. Die eigenschap hebben mannen niet. Dat heeft waarschijnlijk toch te maken met dat oerinstinct: de mannen gaan op jacht terwijl de vrouwen voor de kinderen zorgen. Ik merk die zorg in alles. Dan ziet mijn vrouw bijvoorbeeld weer een vlek in mijn trui die ik zelf helemaal niet had gezien en dan gaat ze dat schoonmaken.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Dat ik fysiek weer zo zou zijn als dertig jaar geleden. Op mijn leeftijd heb je een beetje van dit en een beetje van dat en dat vind ik zo stom… Het mag niet ophouden bij mij. Ik heb zo’n leuk beroep en er is zoveel te zien en te doen in de wereld en dat blijft ook zo – dat geef je dan weer door aan andere generaties. Ik ben zo nieuwsgierig hoe de wereld er over twintig jaar uit zal zien en ik kan het bijna niet verkroppen dat ik er dan waarschijnlijk niet meer ben.

Hoe ontspant u zich?
Ik heb geen reden om te ontspannen, want ik doe alles wel ontspannen. Maar ik vind het wel prettig als ik ’s avonds om elf uur alles uit heb gedaan nog even wat te lezen in bed. Dat is voor mij bijna een soort meditatief moment. Ik bedenk of ik een nuttige dag heb gehad en zo nee, dan denk ik: morgen verder, hè, en vergeet het niet. En dan laat ik de dag los en val ik rustig in slaap.

Van wie houdt u het meest?
Van mijn vrouw en mijn twee dochters. Dat is lijfelijk en dat is verstandelijk en dat is meelevend en als er wat nieuws is dan bellen we gauw. Zij staan het dichtste bij.

Gelooft u in God?
Nee.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Aan m’n dagelijks leven. Het bezig zijn in mijn studio met name. Ik werk eigenlijk nog steeds zeven dagen per week. Soms ben ik afgeleid of moet ik ergens naartoe, maar meestal ben ik hier bezig. Ik werk hard, maar besteed ook veel aandacht aan familie en vrienden. Je kunt ook niet zonder ze.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Ik geloof niet dat ik een schoon geweten heb, maar ik ben me ook niet bewust van het leed dat ik anderen berokkend heb. Ik heb weleens ‘klootzak’ tegen iemand geroepen, dat hebben we allemaal weleens, maar ik heb geen leed veroorzaakt door bijvoorbeeld met mijn auto een kind dood te rijden. Er zijn mensen die dat is overkomen, die ongewild veel leed hebben veroorzaakt, maar mij is dat godzijdank bespaard gebleven.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Ik heb weleens dingen gemist in de journalistiek. Ik was in 1962 in Moskou voor een reportage. Toen ik terug op de redactie was, zei mijn chef: ‘Je hebt de begrafenis van Pasternak toch wel meegepakt?’ Dat had ik dus helemaal gemist. Jammer, want hij werd begraven in een open kist, dat deden ze in die tijd in de Sovjet-Unie. Dat vind ik dan een miskleun. Dat is later nog een paar keer gebeurd.

‘Het noodlot kun je niet bestellen of afwijzen – het overkomt je’

Wanneer was u het gelukkigst?
Bij de geboortes van mijn dochters. Dat vond ik fantastisch. En ik heb ook nog eens een onbestemd geluksgevoel gehad… Ik liep in het Alameda Park in Santa Barbara, ik ging op een bankje zitten en toen overviel me een onbestemd geluksgevoel dat ik nog nooit eerder had gevoeld. Het was een soort tevredenheid: ik zat daar aan de andere kant van de wereld in zo’n lief en aardig park en alles was goed. Een soort muzisch gevoel. Ik ben gelukkig gezegend met twee geheugens: mijn eigen geheugen is nog aardig in orde, alhoewel ik af en toe een beetje slijtage wel merk, maar mijn andere geheugen is mijn archief. En die twee geheugens triggerenelkaar. Het een herinnert me aan dit, het ander aan dat. Dat moment in het park zal ik nooit vergeten, maar als ik wil weten hoe het daar ook alweer was, hoef ik maar een doos open te trekken en de foto’s tevoorschijn te halen.

Wat is de beste plek om te wonen?
Amsterdam. We hebben een huisje in Frankrijk, en ik waardeer de stilte daar en de schone lucht, maar ik ben echt een jongen van de stad. Ik wil rumoer om mij heen hebben.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Het noodlot kun je niet bestellen of afwijzen – het overkomt je. Het enige wat je kunt doen is alert blijven. Iedere dag alert blijven. Ik ben in Bogotá een keer in elkaar geslagen door twee jongens die m’n camera wilden hebben. Dat was mijn eigen schuld. Ik was niet alert genoeg. Ik had beter niet met hen op kunnen lopen, maar de nieuwsgierigheid overheerst dan toch altijd.

Wat is uw devies?
Carpe diem.

De expositie is nog tot en met eind december te zien op sociëtiet De Kring in Amsterdam. Meer informatie vindt u hier.

Advertenties