Hans Dorrestijn over Lars Jonsson, Stella Bergsma en Bartók

Op dit moment werkt hij aan een nieuwe theatervoorstelling en zit hij midden in de opnames voor een nieuw seizoen van het humoristische natuurprogramma Baardmannetjes. Op 19 juni eert het Amsterdam Kleinkunst Festival hem met een speciale avond in het Delamar Theater. Wat leest, luistert en ziet Hans Dorrestijn (76) als hij niet met cabaret of ornithologie bezig is? Een voorproefje.

BOEKEN
(…)
“Vroeger vond ik boeken over de natuur geen literatuur, maar daar ben ik van teruggekomen. De vlucht van de hommel van Dave Goulson vind ik bijvoorbeeld een meesterwerk. Goulson is een wetenschapper die zich met bijen bezighoudt en daar heel aanstekelijk over kan schrijven: hij weet beschrijvingen uit zijn jeugd te verweven met een informatief relaas over de bij. Je moet het maar kunnen. Ik ben op dit moment bezig in Schol in de Noordzee – Een biografie van de platvis en de Nederlandse visserij van Roelke Posthumus en Adriaan Rijnsdorp. Het boek staat vol met wetenschappelijke feiten. Meestal wordt dat ontzettend saai, maar zij verstaan de kunst om relatief veel droge informatie over de schol op een aantrekkelijke manier te brengen. Ik las gisteren dat de schol tot de zeventiende eeuw ‘de pladijs’ werd genoemd. Dat vind ik dan toch leuk om te weten. Lars Jonsson kan dat ook heel goed: droge informatie niet droog opschrijven. Neem zijn Vogels van Europa. Daarin worden alle vogels die hier voorkomen op een heel exacte manier beschreven, terwijl er toch gevoel in die beschrijvingen wordt gelegd. Neem de beschrijving van de barmsijs: ‘Grijs en bruin met pluizig kleed en iets toegeknepen ogen. Heeft korte, spitse, strogele snavel. Kleine zwarte kinvlek en een rode voorhoofds- en kruinvlek. Kleed: variabel. Mannetjes vaak met roze zweem op borst en flanken. In zomer karmijnrode borst en voorhoofd.’ Dat is toch prachtig? Toevallig heb ik in deze beschrijving een taalkundige fout ontdekt. Je zegt namelijk niet: karmijnrode voorhoofd. Dat is een verkeerde samentrekking. Maar dit terzijde.”
“O, en ik moet je nog even iets vertellen. Op het Boekenbal heb ik Stella Bergsma ontmoet. Ken je haar? Ik was moe en vroeg of ik naast haar mocht komen zitten. Dat mocht. En ik zou bijna niet met haar durven praten, want ze zag eruit als een gravin, ze had iets statigs en iets koels, maar op een gegeven moment vroeg ik dan toch maar waarom ze daar was. Ze antwoordde: ik heb net een roman gepubliceerd. Dat bleek Pussy album te zijn. Ik ga echt niet alle debuten lezen, maar ik had een voorgevoel dat dit een heel goed boek moest zijn. Ik heb het de week daarna meteen gekocht, want ik wilde niet dat ze het me zou geven, en ben steil achterovergeslagen. Baf. Mijn voorgevoel was goed. Die meid heeft op Willem Frederik Hermans-achtige wijze een geweldige downperiode in haar leven beschreven na een mislukte liefde. Ik heb me kapotgelachen, maar ben ook ontroerd geweest. En nu propageer ik dit boek. Omdat ik vind dat iedereen het moet lezen.”

BEELDENDE KUNST
“Ik ga al net zo weinig naar het museum als naar het theater, hoewel ik er bijna altijd mee bezig ben. Ik heb stapels kunstboeken waar ik graag in blader. Ik heb ook alle boeken van Joost Zwagerman op dat gebied met veel plezier gelezen. Americana bijvoorbeeld, met stukken over Rothko, Warhol, Pollock… Neem nu eens Jackson Pollock. Zie jij meteen dat dat geweldig is? Ik niet, maar Zwagerman wel. Hij is zeer overtuigend als hij daarover schrijft. Ik geloof hem meteen. Daaraan kan ik zien dat ik op dat gebied niets ben. In het herkennen van goede poëzie ben ik beter. Van een gedicht van Lucebert, waarvan anderen zeggen: wat staat daar in hemelsnaam, kan ik meteen de grootsheid zien. Omdat ik mezelf daarin heb geoefend. Maar als ik niet schoolgegaan was en niet allerlei artikelen had gelezen over het surrealisme, het dadaïsme en de experimentelen, dan was ik niet op eigen houtje tot de conclusie gekomen dat Lucebert een grote jongen is. In de moderne kunst vertrouw ik mezelf dus nog niet. De tekeningen van Lucebert vind ik niet heel mooi. Karel Appel snap ik ook niet zo goed. Ik zie het niet. Rik Wouters vind ik dan wel weer echt heel goed. Maartse sneeuw vind ik een van de allergrootste meesterwerken uit de kunstgeschiedenis van de Lage Landen. In het Kröller-Müller Museum, waar ook beelden van Rik Wouters staan, ben ik misschien wel twintig keer geweest. Met die mooie beeldentuin en die natuur eromheen… Ik heb daar de grote lijster nog voor het eerst gezien.”

(…)

MUZIEK
“Ik luister graag naar klassieke muziek en dan met name naar Stravinsky, wat ik vrij lichte muziek vind, maar ik luister ook graag naar het enorm strenge werk van Bartók. Twee tegenpolen zijn het. Een keer heeft Stravinsky een uitstapje gemaakt naar wat zwaardere muziek, toen hij in zijn Movements for Piano and Orchestra het twaalftoonstelsel even heeft omhelsd. Ik ben blij dat hij dat niet vaker heeft gedaan. Ik luister ook geregeld naar barokcomponisten als Vivaldi, Corelli en de hele troep. Ik ben er zelfs een beetje op aan het studeren. Ik wil namelijk zo graag het onderscheid tussen die componisten kunnen horen. Ik droom weleens dat ik in een quiz zit, dat ik dan een geluidsfragment hoor en nonchalant roep: ‘Dit moet van Locatelli zijn.’ Dat is mijn geheime ideaal. Maar het lukt alleen nog niet echt. Ik heb daar een veel te slecht geheugen voor.
“Laatst schoot ik een keer vol bij een klassiek stuk. Merkwaardig genoeg was dat bij een heel amateuristische opname van een deel uit de Matthäus Passion. Een amateuristisch vrouwenkoor begon te zingen en baf, ik zeilde zo weg. Raar is dat: ik heb uitvoeringen die wel tien keer zo goed zijn en waar ik het droog bij houd. Dat is dan blijkbaar te perfect. Juist die imperfectie van deze uitvoering maakte het zo menselijk. Bach vind ik echt onbegrijpelijk goed – o, o, o. Ik ben nu weer de Partita’s aan het spelen en die vervelen nooit. Wat een grootsheid. Ik snap niet hoe hij dat allemaal heeft kunnen componeren. Toen hij een jaar of vijftig was – hij was dus al behoorlijk lang bezig – vroeg iemand aan hem: hoe kunt u dit allemaal gecomponeerd hebben? En toen zei hij: ‘Ich habe fl eißig seyn müssen.’ Ik heb hard moeten werken.”

(…)

Lees het gehele interview met Hans Dorrestijn in het juninummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Jörgen Raymann: ‘Nederland zou baat hebben bij een milde dictatuur’

Na jaren van succes belandde Jörgen Raymann (50) vorig jaar in een zwart gat. Hij kreeg tegenslag op tegenslag te verduren, maar krabbelde weer op en schreef er een boek over: Raymann zoekt raad. Twintig vragen aan de rasoptimist.

Het gehele interview met Jörgen Raymann leest u in Playboy #6, 2017 of op Blendle.

1. In je boek Raymann zoekt raad vertel je wat volgens jou de beste manier is om gelukkig te worden en positief in het leven te staan. Wat is de beste raad die jij zelf hebt gehad?
Zoals de Chinezen zeggen: ‘Als je haast hebt, ga dan even zitten.’ Toen mijn oudere zus Peggy in 1985 overleed, heb ik geen tijd genomen om haar dood te verwerken. Dat kwam later als een boemerang in mijn gezicht terug. Neem je tijd om een heftige gebeurtenis te verwerken, en ga dan pas verder.

5. In welke auto rijd je?
Ik rijd nu in een heel mooie tweedehands Volvo XC60. Hiervoor reed ik een Porsche Cayenne, maar die heb ik moeten verkopen.

7. Een paar jaar geleden stopte je met je typetje Tante Es. Stak het dat zij eigenlijk populairder was dan jijzelf?

Helemaal niet. Ik maak me geen illusies: Tante Es is altijd populairder geweest dan ik. De koek was gewoon op. In het begin, als ik dan de jurk aantrok, nam ze me helemaal over. Dan was ik Tante Es. Op een gegeven moment werd dat gevoel minder en daarom ben ik met haar gestopt. Maar ik ben haar dankbaar voor alle successen die ze me heeft gegeven. Die Porsche Cayenne had ik aan haar te danken.

8. Je noemde jezelf eens de excuusneger van de NPO. Had jij als je blank was geweest ook 16 jaar lang een latenightshow gehad bij de publieke omroep?
Ik ben ooit aangenomen bij de NPS omdat ze een donkere presentator zochten. Het was in de tijd dat diversiteit nodig werd op de televisie en ze moesten bij de publieke omroep een zwart programma maken. In die zin kun je zeggen dat ik een excuuszwarte was. Maar ik dacht ook: in het leven moet je soms opportuun zijn zonder je principes overboord te gooien. Ik ben toevallig om mijn huidskleur aangenomen, maar ik denk ook dat ik bewezen heb dat ik wat kan. Anders hadden ze me na een seizoen wel de laan uitgestuurd.

17. ‘Ik denk dat ik na mijn vijftigste wel de politiek in wil,’ zei je in een van je allereerste interviews. Je werd vorig jaar 50. Wat is er over van die ambitie?(Lachend) Als je jong bent zeg je wel vaker stomme dingen. Ik geloof dat de oplossing niet meer uit de politiek komt. Politici kunnen geen idealen meer hebben: als je met elkaar wilt regeren, moet je veel van je idealen opzij zetten. En dat werkt voor mij niet. (Spottend) Weet je wat Nederland nodig heeft? Een milde vorm van dictatuur. Een sterke leider die zegt: geen gelul, we gaan het zo doen. Iemand die niet links is en niet rechts en iedereen gelijk behandelt. Discrimineer je vrouwen, autochtonen of allochtonen? Dan moet je naar een heropvoedingskamp. Misschien moeten we dan ook een andere staatsinrichting overwegen, met een Ministerie van Geluk en een Ministerie van Wederzijds Begrip en een Ministerie van Bruggen Bouwen. Die ministerspost wil ik dan wel bekleden. Even zonder dollen: ik denk dat je op die manier een land heel aardig kunt leiden. Pas dan zou politiek voor mij werken.

 

De culturele agenda van… Sander van de Pavert (LuckyTV)

Sander van de Pavert (1976) is vooral bekend van Luckytv, zijn veertig seconden durende bijdrage aan De Wereld Draait Door waar hij dagelijks zo’n tien uur aan werkt. Vanaf april staat hij in het theater met Lucky Live. Wat leest, kijkt en luistert hij als hij niet bezig is met het maken van satirische filmpjes?

Lees verder De culturele agenda van… Sander van de Pavert (LuckyTV)

Drs. P: ‘Taal is een geschenk’

Taalvirtuoos Drs. P (92) is sceptisch over het taalgebruik van tegenwoordig. Zijn wens voor 2012: dat de Nederlandse taal de aandacht krijgt waar ze recht op heeft. Want: “Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”

Voor de ingang van Hotel Pulitzer in Amsterdam zit een oude man een sigaar te roken. ‘Oud Kampen – Wilde Natura’ staat er op het houten doosje te lezen. Het is de 92-jarige Heinz Polzer, in Nederland beter bekend onder zijn artiestennaam Drs. P, die met zijn spottende oogopslag en ironische glimlach de voorbijgangers gadeslaat. Hij is gekleed in een keurig grijs pak met stropdas, een kledingcombinatie die hij naar eigen zeggen al sinds zijn kleuterjaren draagt.

We nemen plaats in de binnentuin van het hotel. Op de vraag wat hij wil drinken, antwoordt hij: “Een thé citron graag. Ik mag geen alcohol meer drinken van mijn vrouw, daar krijg ik ’s nachts krampen van in mijn buik.” Even later knijpt hij drie schijfjes citroen uit in een kop heet water. “Oh, Jesus!” galmt er opeens door de tuin, en de doctorandus veegt wat citroensap uit zijn oog.

Ik zou het graag met u hebben over de Nederlandse taal. Wat vindt u van de taal van tegenwoordig?
“Ik heb de indruk dat het Nederlands al een tijd aan het degenereren is. En dat is waarschijnlijk door die strekking van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”

Ironisch: “Elitair in deze democratische tijd, dat is natuurlijk smakeloos. Maar ik vind: als je een bepaald vak lief hebt, dan móet je elitair zijn. Niet jezelf doelbewust gaan verheffen boven anderen, neen, ik bedoel daarmee te zeggen dat je de taal de aandacht moet geven waar ze recht op heeft.”

Wanneer is de verloedering van de door u zo geliefde taal begonnen, is daar een beginpunt voor aan te wijzen?
“Dan moet ik even nadenken. Ik denk dat het bij Willem Kloos en consorten is begonnen, eind negentiende eeuw al, de generatie van de Tachtigers. Die rommelden maar wat aan met de taal. Dat waren van die nieuwlichters, die zeiden dat er een frisse wind moest gaan waaien. Dat keurige, intelligente Nederlands van onze voorgangers heeft afgedaan, vonden ze. Persoonlijk vind ik dat een taal die volwassen is, die een hele geschiedenis achter zich heeft, altijd respect verdient. Helaas kan ik niet voorkomen dat de taal in Nederland nog verder degenereert; het gebeurt, en dat is jammer. Een oplossing voor dit probleem bestaat niet.”

“Ik zal een voorbeeld geven van de verloedering. Kloos schreef ooit in een gedicht:

(…) Zeg eens, lust je ‘em
Dees donderende vuist? Doe maar of j’ kust hem!

Lust je ‘m en kust ‘m. Dat is zó armzalig, hè.”

Is alle poëzie van de afgelopen jaren dan zo verschrikkelijk?
“Ik heb poëzie eigenlijk altijd gemeden, en dan met name de Vijftigers, de generatie van Lucebert en Campert. Dat waren zulke revolutionairen, daar had ik intense argwaan tegen. Ze wierpen zich op als ‘de nieuwe stijl’, ‘de nieuwe generatie’, kortom: de totale omwenteling van de literatuur. Dat is nogal ambitieus.”

U zegt dat u poëzie altijd hebt gemeden, maar bent u zelf geen dichter?
“Wel, technisch gesproken schrijf ik natuurlijk gedichten, maar als me gevraagd wordt naar mijn beroep zeg ik: schrijver, en ik breng nummers ten gehore. Cabaretier of dichter klinkt zo artistiek.”

De Nederlandse taal is volgens u al meer dan honderd jaar aan het verloederen. Dat keurige en intelligente Nederlands, waar u zojuist over heeft verteld, wordt dat –uzelf niet meegerekend– nog gesproken?
“Gelukkig wel. Ik vind het werkelijk verheugend dat in Vlaanderen een woord als ‘verwittigen’ nog zeer achteloos wordt gebruikt. Het is een mooi, begrijpelijk woord. Een woord dat er mag zijn! Om nog een voorbeeld te geven: kijk eens naar een woord als ‘nochtans.’ Het is een woord met een functie, maar je hoort het in Nederland nergens meer. Niemand zal het ooit zeggen, en daar is helaas weinig aan te doen. Dat is wat mij dan ook zo behaagt aan Vlaanderen, dat zulke voorvaderlijke woorden daar nog altijd leven en hun werk verrichten. Dat doet mij een intens plezier.”

Kunt u zich nog herinneren wanneer u voor het eerst bewust in aanraking kwam met de Nederlandse taal?
“Ik herinner me dat ik in mijn prille jeugd, begin jaren twintig moet dat zijn geweest, de Nederlandse vertalingen van Jules Verne herhaaldelijk heb gelezen. Ik verlustigde mij aan het verzorgde, rijke en levende taalgebruik. Mijn lievelingsboek uit de serie van Jules Verne, Twintigduizend mijlen onder zee, was uit het Frans in het Nederlands vertaald door een zeer begenadigd schrijver die met zijn moedertaal ware wonderen kon verrichten. Ik vond het prachtig.”

“Er stonden naast tekst ook meesterlijke gravures in, die onderschriften hadden. Een onderschrift is me vanaf mijn jeugd bijgebleven, namelijk: ‘Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig is gezonken.’ Het woord ‘ontredderd’ kende ik nog niet, maar ik kon de betekenis makkelijk aanvoelen. ‘Rechtstandig’ daarentegen was makkelijker te begrijpen. Deze plechtige taal inspireerde mij. Niet dat ik op deze manier ging schrijven, maar ik werd er wel door gevoed, door aangemoedigd. Taal is een geschenk dat je krijgt; als je goede taal leest of hoort word je verrijkt.”

Kortom: Taal is zuurstof.
“Ja, mooi! Heeft u dat zelf verzonnen?”

Nee.
“Nee?”

Dat heeft u zelf ooit eens geschreven.
“Ik? Goh, ik kijk ervan op! Maar om eerlijk te zijn: ik vind het práchtig! Taal ís zuurstof.”

Dit interview is eerder verschenen op de officieuze website van Drs. P.

Zie ook: Drs. P zingt Quartier Putain.

Drs. P over zijn tijd in de gevangenis van Scheveningen (Ben en Dolf)

Censuur is van alle tijden. Denk bijvoorbeeld aan landen als Libië en Syrië, waar je veroordeeld wordt als je negatieve of kwetsende berichten over de leider schrijft. Heinz Polzer, in Nederland beter bekend onder zijn artiestennaam doctorandus P, weet wat het is om in een land te leven zonder persvrijheid. In 1942 werd hij hier door de Duitse bezetters veroordeeld tot een gevangenisstraf van enkele maanden, wegens het schrijven van een verhaal over Dolf en Ben, een verwijzing naar Adolf Hitler en Benito Mussolini.

(Voor Campus Radio, Windesheim, 2011.)