Honderden studenten studeren deze zomer af aan een van de vele kunstopleidingen die Nederland telt, klaar om aan de slag te gaan als beroepskunstenaar. HP/De Tijd licht de komende maand elke week vier aanstaande alumni uit – vier jonge kunstenaars die vol trots hun eindexamenwerk aan de wereld willen laten zien. Vandaag: Anne Paternotte (Naarden, 1990) studeert met haar fotoproject Perception of the Weary Eye af als fotograaf aan AKV Sint Joost in Breda.
Over haar afstudeerproject “Slaaptekort heeft een flinke invloed op je geest, je perceptie en je staat van bewustzijn. Die verschillende invloeden probeer ik te verbeelden aan de hand van een door mij gecreëerde beeldtaal. Mijn afstudeerproject Perception of the Weary Eye (‘Perceptie van het vermoeide oog’) is een vervolg op de serie Streets of Insomnia, waarin ik eigen slapeloosheid verbeeldde en mijn nachtelijke wandelingen fotografeerde. De serie Perception of the Weary Eye doet je wanen in een droomwereld waarin rust en poëzie te vinden zijn, maar ook de onvermijdelijke verwarring, vermoeidheid en benauwenis. De serie is geïnspireerd op verhalen van de voor dit project geportretteerde mensen met slapeloosheid. Net als bij de serie Streets of Insomnia probeer ik de perceptie van het vermoeide oog in een poëtische vorm te gieten. Door het vervelende om te zetten naar iets moois, heb ik een manier gevonden om om te gaan met mijn slaapstoornis en kan ik mensen een inzicht geven in de wereld van iemand die aan zo’n stoornis lijdt.”
Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: ruimtevaarder André Kuipers (1958) over het gedicht Aan een ruimtevaarder van Marjolijn van Heemstra.
“Het gedicht Aan een ruimtevaarder van Marjolijn van Heemstra heb ik meegenomen op mijn ruimtereis naar het internationale ruimtestation iss, van 21 december 2011 tot 1 juli 2012. Veel informatie tussen de aarde en het ruimtestation wordt vanzelfsprekend digitaal uitgewisseld en ik had er derhalve voor kunnen kiezen om dit gedicht te laten uploaden. Ik besloot de tekst in fysieke vorm mee te nemen, gedrukt in kleine letters op een stukje papier, als onderdeel van de slechts anderhalve kilo die een astronaut als ‘persoonlijke bagage’ mag meenemen.”
“Aan een ruimtevaarder is voor mij de reflectie van het verlangen om naar de ruimte te willen reizen en los van de zwaartekracht te komen, een verlangen dat veel mensen koesteren. Een verlangen dat ik goed herken. Datzelfde verlangen was voor mij de drijfveer om ooit de keuze te maken om ruimtevaarder te willen worden. Een keuze die door veel mensen niet serieus genomen werd. Ik beet mij vast in mijn droom om ooit de aarde vanuit de ruimte te kunnen aanschouwen. Het verlangen was groot, de drijfveer om ‘te zwemmen in de afwezigheid van grond en getijden’ sterk. Het is gelukt.”
“Op Wereldpoëziedag besloot ik het gedicht in de ruimte voor te dragen. Zo werd deze ode ‘Aan een ruimtevaarder’ tevens een ode aan de dichteres, Marjolijn van Heemstra. ‘Wil je zeggen dat ik er ben?’ zo eindigt haar gedicht. Ik gunde Marjolijn deze reis naar de ruimte. Een stukje van haar was daar.”
Aan een ruimtevaarder (Voor André Kuipers) Marjolijn van Heemstra (1981)
Ik ben een cluster dode zonnen, hardgeworden overschot
vol weerstand, zelfs met maximale aanloop
kaatst de lucht mijn sprong nog voor kniehoogte terug
ik drijf alleen op water en zelfs dat maar tijdelijk
de ruimte tussen mijn gespreide armen
vangt geen wind.
Ik ga in zoogdiergang, van zand naar zand
kom niet boven het rumoer van vee
het geroezemoes van zee of ooghoogte
ik moet de satellieten maar geloven;
het kleurig stromend ozonvel
het fijne edelstenen ei.
Ik weet van vacuümgevaren
het netwerk van nevels en cellen
speldenknoppen poorten naar het licht
andersom heb ik de reis al vaak gemaakt
dit nietig sterrenstoffenlijf uitvergroot
tot lege zalen.
Maar jij hebt ontsnappingssnelheid
stapt straks met veren voeten de explosie in
telt jezelf tussen de sterren
zwemt in de afwezigheid van grond en getijden
ziet ons voor de vlekken die we zijn.
Als jij met niks dan lucht op je rug
in het schijnsel van het eerste moment —
wil je richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben?
De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.
Honderden studenten studeren deze zomer af aan een van de vele kunstopleidingen die Nederland telt, klaar om aan de slag te gaan als beroepskunstenaar. HP/De Tijd licht de komende maand elke week vier aanstaande alumni uit – vier jonge kunstenaars die vol trots hun eindexamenwerk aan de wereld willen laten zien. Vandaag: Laurie van Helden (Veldhoven, 1991) studeert met de fotoserie ‘Onvermijdelijkheid’ af aan ArtEZ Arnhem.
Over haar afstudeerwerk “Het associëren , het onbewust verbinden van de de ene gedachte met de andere, komt veel terug in mijn werk. Ik combineer vaak beelden met elkaar, en laat aan de kijker om te bedenken wat die beelden met elkaar te maken hebben. Een van mijn grote inspiratiebronnen daarbij is Wes Anderson, wat mij betreft een van de grootste filmmakers van dit moment. De sfeer die hij oproept in zijn films prober ik op te reopen met mijn foto’s.”
“De fotoserie ‘Onvermijdelijkheid’ belicht twee kanten van een situatie die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het beeld aan de ene kant heft namelijk altijd invloed op het beeld aan de andere kant. Enerzijds zijn er de heel persoonlijke foto’s die ik heb genomen met mijn telefoon, voor en achter de camera. Het zijn niet geplande momenten die in het moment toch geënsceneerd zijn. Ik werk dus met het moment en de ruimte die ik heb, maar kies bewust het kader, waardoor ik toch invloed heb op de foto. Anderszijds zijn er de foto’s met het model. Die foto’s zijn heel erg gestileerd en geënsceneerd. Hierbij heb ik juist ook de andere kant van het beeld betrokken – de kant die normaal niet in beeld komt, de lelijke kant.”
Honderden studenten studeren deze zomer af aan een van de vele kunstopleidingen die Nederland telt, klaar om aan de slag te gaan als beroepskunstenaar. HP/De Tijd licht de komende maand elke week vier aanstaande alumni uit – vier jonge kunstenaars die vol trots hun eindexamenwerk aan de wereld willen laten zien. Vandaag: Eelke Bekkenutte (Arnhem, 1993) studeert met haar fotoproject ‘Het universum van Josuah en de vastlegger van de werkelijkheid’ af als fotografe aan AKV St. Joost in Breda.
Over haar afstudeerproject
“Mijn afstudeerproject ‘Het universum van Josuah en de vastlegger van de werkelijkheid’ begon met vier zinnen die ik min of meer ‘zomaar’ opschreef:
‘Het universum van Josuah.
Hou niet vast aan 4.
Emmy wil volwassen worden.
Er is een conflict.’
Vervolgens ben ik gaan maken.”
“Al schrijvend, vervend, tekenend, bouwend, fotograferend ontstond ‘Het universum van Josuah’. Op de eindexpositie verbeeld ik mijn project in de vorm van een installatie die een soort zelf in elkaar getimmerd altaar aanneemt, met daarbij een groot boek – het eerste TEST(amen)t.”
In het universum van Josuah gaat het over een eeuwige, zinloze zoektocht en verlangen naar het onbekende. Tevens gaat het over de strijd tussen de orde en de chaos, de objectiviteit en de subjectiviteit én over de zinvolheid en de zinloosheid met daarin het zoeken naar waarheid in al zijn complexiteit.”
In de ZZP-special van HP/De Tijd, die vanaf vandaag in de winkels ligt, geeft oorlogsverslaggever Arnold Karskens zijn culturele smaak prijs. Hieronder vindt u enkele fragmenten uit het interview.
En het is er weer een om blij van te worden. Quote: “Het is niet alleen een mooie verzameling ontroerende gedichten, maar een intrigerende blik in zowel het hart als de tranen van bekend Nederland. Een aanwinst voor de poëzie én de boekenkast.”
Recensie ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ in door Ingmar Heytze, 30 mei 2015. Verschenen in onder meer het AD en De Gelderlander.
“De grote verdienste van dit boek is dat het laat zien hoe het lezen van poëzie ons kan helpen met léven. En Arie Boomsma? Die koos het mooiste gedicht in de bundel.”
Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: oud-PvdA-politicus Ed van Thijn (1934) over het gedicht Het lied der achttien dooden van Jan Campert.
“Nog elke dag — de eerste acht versregels hangen in mijn studeerkamer — gaat dit gedicht mij door merg en been. Ik was zes toen de oorlog begon, tien toen ik in Kamp Westerbork door de Canadezen werd bevrijd. In die tussenliggende tijd heb ik achttien adressen gehad, waarvan drie in gevangenschap. Tijdens de kerstdagen van 1944 zat ik bijvoorbeeld in een huis van bewaring met drie volwassen medegevangenen in een cel. Naast onze cel was de dodencel, waarvan de radeloze geluiden soms tot ons doordrongen.”
“Ik heb de oorlog kunnen overleven dankzij een jeugdige verzetsgroep die 220 kinderen aan in totaal 1000 adressen heeft kunnen helpen. De verzetsgroep bestond uit veertien mannen en vrouwen die elke dag opnieuw hun leven waagden. Vier van hen hebben de bevrijding niet gehaald. Remco Campert, de zoon van Jan Campert, dichtte later in het gedicht ‘Iemand stelt de vraag’:
‘Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
(-)
iemand stelt de vraag
iemand verzet zich
en dan nog iemand
en nog iemand
en nog’
De vraag die ik mij een leven lang heb gesteld, en nog: hoe is het mogelijk dat ik leef en zij niet meer?”
Het lied der achttien dooden Jan Campert 1902 – 1943)
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.
O lieflijkheid van licht en land,
van Holland’s vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.
Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar ’t hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.
Voordat die eeden breekt en bralt
het miss’lijk stuk bestond
en Holland’s landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.
De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, —
zoo waar als ik straks dood zal zijn,
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar —
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.
Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan ’t allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk —
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.
Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht
door ’t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht —
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als ’k voor de loopen sta.
De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.