De culturele agenda van… Adri Duivesteijn

Een voorproefje uit het interview met politicus Adri Duivesteijn in de nieuwe HP/De Tijd (nummer 5, 2015), die vanaf vandaag in de schappen ligt.

Literatuur
“(-) Kijken in de ziel: artsen en Kijken in de ziel: ondernemers van Coen Verbraak heb ik bijvoorbeeld met ontzettend veel genoegen gelezen. Het leuke van deze serie is dat je wordt meegenomen in de wereld en de denkpatronen van de ondervraagde beroepsgroep. Je ziet ook eens hoe zij de werkelijkheid zien. Schoonheid achter de schermen van Peter de Waard, over verzetsstrijdster Tiny Strobos, vond ik ook fascinerend omdat het de kracht van de eenling laat zien die in verzet komt. Een boek dat ik graag nog wil lezen is De Cirkel van Dave Eggers. Wat mij daar zo in aantrekt is dat het in de traditie van 1984 van George Orwell is geschreven. Eggers verklaart hoe je als het ware verstrikt raakt in het web van sociale media. Op een gegeven moment weten ze alles van je. Ik merk dat zelf ook. Om een heel cynisch voorbeeld te geven: sinds ik weet dat ik ongeneeslijk ziek ben zie ik op mijn webpagina’s advertenties voor uitvaartverzekeringen staan.”

Het land is moe van Tony Judt is een geweldige verhandeling over de ontevreden samenleving. Onze samenleving. Judt, die aan een spierziekte leed en dit boek vlak voor zijn dood heeft voltooid, geeft een verklaring voor het feit dat we alles hebben maar toch ontevreden zijn. Ook analyseert hij de positie van de sociaaldemocratie en brengt hij precies onder woorden wat ik voel. Hij schrijft hoe de sociaaldemocratie steeds verder verglijdt naar het neoliberalisme. Dat geldt ook voor de Partij van de Arbeid. De PvdA neemt haar partijbeginselen niet meer serieus. Judt zegt daarover: “Zonder idealisme wordt de politiek teruggebracht tot een soort boekhouden, resteert slechts het dagelijkse besturen van mensen en dingen. Een conservatief zal dat zo nodig overleven, maar voor links is het een catastrofe.” De PvdA, en in feite de hele progressieve beweging, raakt in toenemende mate zijn oorspronkelijke positie kwijt. Ik vind ook dat de voorhoede van de PvdA een geluid vertolkt dat te weinig het authentieke geluid van de PvdA is.”

Muziek
“Muziek is een belangrijk onderdeel van mijn leven. The Beatles vind ik fascinerend. (-) Als ik moet kiezen tussen Paul McCartney en John Lennon dan kies ik voor John Lennon. Paul McCartney is ook wel goed hoor, 7 juni ga ik samen met mijn dochters naar het concert dat hij geeft in het Ziggo Dome, maar John Lennon staat wat mij betreft meer in verbinding met mijn idealen. In zijn nummer GOD zingt hij bijvoorbeeld: ‘I don’t believe in Elvis / I don’t believe in Zimmerman / I don’t believe in Beatles / I just believe in me… and that reality.’ Kortom: ik geloof niet in een “concept by which we matter our pain” , zelfs niet in het door mij opgerichte instituut The Beatles, “the dream is over… but now I’m John. And so dear friends, You just have to carry on”.”

“Ik sla per definitie aan op muziek omdat iemand mij daarover tipt. De muziek van jazzpianist Keith Jarrett hoorde ik voor het eerst op een woonboot in Delft. Heel poëtische muziek vind ik het. Zoek The Köln Concert maar eens op: dat is hele romantische, dromerige improvisatie. Heerlijk om naar te luisteren. Het concert Live in Wien van tanguero Ástor Piazzolla werd mij ook getipt. De jazz van Brad Mehldau, dat is wel een bijzonder verhaal, werd mij getipt door collega-Kamerlid Willem Witteveen. In een gesprek over muziek vertelde hij mij dat de muziek van Brad Mehldau voor hem de allerbeste muziek was die er bestond. Een maand voordat hij overleed (Willem Witteveen zat in het neergestorte vliegtoestel MH17, red.) zijn we samen nog naar een concert van hem geweest in het Concertgebouw. Hoe Mehldau achter zijn piano de hele wereld laat zweven is ongelooflijk. Die muziek was zo mooi dat iedereen in een staat van geluk de zaal verliet.”

Duivesteijn in het kort
Adri Duivesteijn (Den Haag, 1950) is namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer. Duivesteijn begon zijn carrière als actievoerder in de Schilderswijk in Den Haag. Later was hij onder meer wethouder van ruimte ordening en stadsvernieuwing in Den Haag (1980 – 1989), directeur van het Architectuurinstituut (1989 – 1994) en lid van de Tweede Kamer (1994 – 2006). Na zeven jaar wethouder van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening te zijn geweest in Almere, ging hij in 2013 aan de slag als senator in de Eerste Kamer. In 2014 werd bekend dat Duivesteijn ongeneeslijk ziek is. De prostaatkanker waarvoor hij sinds 2006 werd behandeld bleek niet meer te opereren. Na de Eerste Kamer-verkiezingen, op 18 mei aanstaande, beëindigd Duivesteijn zijn politieke carrière om meer tijd voor zichzelf en zijn gezin vrij te maken.

Stephen Hawking

10364002_4192991080464_1596507084322499054_n
Stephen Hawking en Nick Muller. Utrecht, 23 mei 2014.

Op 23 mei 2014 was Stephen Hawking – volgens velen een van de briljantste natuurkundigen aller tijden –  in Utrecht om op de Natuurkunde Olympiade PLANCKS een lezing te geven. Ik was een van de vijfhonderd mazzelaars die bij de lezing aanwezig mochten zijn en kreeg aan het eind van de bijeenkomst zelfs de gelegenheid om deze bijzondere man te ontmoeten. Een vraag stellen lukte niet – Hawking praat via een spraakcomputer en een spontane vraag beantwoorden kost teveel inspanning. Toen ik als een ware groupie vroeg of ik met hem op de foto mocht, knipperde hij met zijn ogen. ‘Stephen says it is okay’, zei zijn verpleger. Ik was zo blij met de foto dat ik er pas thuis achterkwam dat ik mijn gulp open heb staan en mijn overhemd heel raar in mijn broek zit gepropt.

Bericht op nos.nl:

Stephen Hawking spreekt in Utrecht

De wereldberoemde wetenschapper Stephen Hawking houdt vandaag een lezing in Utrecht. Publieke optredens zijn door zijn ziekte schaars geworden. Hawking lijdt aan ALS.

Hawking ging in op een uitnodiging van Nederlandse studenten. Hij houdt de lezing in het kader van de Natuurkunde Olympiade PLANCKS, waaraan 34 teams uit 14 landen meedoen. Het symposium start vanmiddag in het Beatrix Theater in Utrecht. De 500 kaarten waren binnen één minuut uitverkocht.

Zwarte gaten

Hawking verwierf wetenschappelijke wereldroem in de jaren 60 en 70, door zijn nieuwe visie op zwarte gaten en de ontstaanswijze van het heelal. “Hij was de eerste die de twee pijlers van de moderne natuurkunde, relativiteit en kwantumtheorie, op een gedurfde manier combineerde”, zegt Sander Bais, emeritus hoogleraar Natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

“Veel mensen zullen wel eens gehoord hebben van zwarte gaten. Die ontstaan als een zware ster instort door zijn eigen zwaartekracht. Er vormt zich dan een horizon rond een punt waar alle massa zich samentrekt. De theorie zei dat er niets maar dan ook niets uit een zwart gat kon komen, geen deeltjes, geen licht, geen informatie, niets.” En hier zorgde Hawking voor een radicaal keerpunt, aldus Bais. “Hij liet zien dat zwarte gaten helemaal niet zwart zijn, maar straling uitzenden. Daardoor verliezen ze steeds meer energie tot dat ze volledig verdampen. Die inzichten zorgen wereldwijd voor diepzinnige wetenschappelijk discussie.”

Verlamd
Hawkings lezingen klinken wat monotoon omdat hij spreekt via een spraakcomputer. “Die spraakcomputer stuurt hij aan met zijn pupillen”, verduidelijkt Bais. Op zijn 17de stelden artsen bij Hawking de diagnose Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS). Een ziekte die de signaaloverdracht van zenuwcellen aantast, met spierverlamming als gevolg. De overlevingsprognose is gemiddeld drie tot vijf jaar.

Maar met de ziektevorm die Hawking trof, heeft hij inmiddels de leeftijd van 72 jaar bereikt. En nog steeds deelt hij zijn wetenschappelijke kennis graag met publiek, wanneer zijn gezondheidstoestand dat toelaat.

“Fysiek is Hawking totaal beperkt, zegt Bais. “Hij zit in een rolstoel en kan alleen zijn oog nog bewegen.” Het precieze thema van de lezing is zelfs voor de organisatie nog een verrassing, maar de overweldigende belangstelling verbaast Bais niets. “Hawking is de verpersoonlijking van denkkracht. Hij legt zo veel rust en efficiëntie in zijn taal en hij vertelt zo veel met zo weinig woorden. Ik bewonder hem om dat vermogen, om die kracht.”

Recensie: Jan Cremer is een schrijvende schilder, en niet andersom

Dit artikel is eerder verschenen op de website van HP/De Tijd.

“Jan Cremer is zonder twijfel een van de belangrijkste naoorlogse kunstschilders van Nederland”, zei directeur Ralph Keuning van Museum de Fundatie in Zwolle in de openingsrede voor de tentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014, “alleen heeft hij die plaats in onze kunstgeschiedenis nog niet verworven. Ik ben benieuwd of deze tentoonstelling daar verandering in brengt.”

Dat Jan Cremer (1940) als schilder miskend wordt, heeft hij grotendeels aan zichzelf te wijten. Zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer (1964) maakte hem in een klap een van de beroemdste schrijvers van ons land. Maar de schilderende schrijver is van nature een schrijvende schilder, zoals ook de titel van zijn in 2000 verschenen monografie verklapt: I paint, I write, I paint. Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 toont de hoogtepunten uit zijn rijke schildersoeuvre. Van zijn allereerste schilderij Oerwoud tot zijn monumentale vijfluik La guerre Japonaise en zijn soms nog natte zeegezichten – voor het eerst sinds dertig jaar zijn zijn schilderijen weer bij elkaar gebracht.

Wie de tentoonstelling bezoekt, maakt een reis door het schildersleven van Jan Cremer. Die reis begint letterlijk en figuurlijk bij het schilderij Oerwoud, dat hij als veertienjarige branieschopper met wat van huis meegenomen kwasten, tubes verf en een bij het afval gevonden paneel in Parijs heeft geschilderd. Dat schilderij is duidelijk geïnspireerd op het werk van de CoBrA-groep. Het doet denken aan de vroege werken van Theo Wolvecamp en Karel Appel. Het schilderij is zijn eerste schrede in het kunstenaarschap, en meteen al niet de minste. Het rood, dat in zestig jaar tijd niet aan felheid heeft ingeboet, zuigt je werkelijk naar het doek toe. Opmerkelijk is dat de kleuren rood en zwart – die in het oeuvre van Jan Cremer een zeer belangrijke rol spelen – al in dit eerste werk dominant zijn.

La guerre Japonaise
Elke zaal – het retrospectief is opgedeeld in zes clusters – beslaat een periode uit het werk van Cremer: van zijn ‘Peinture Barbarisme’, de expressieve tulpenvelden die hij schilderde in New York en zijn latere zeegezichten – het hangt er. Het is ondoenlijk om elk cluster kort uit te lichten, daar is de tentoonstelling met ruim tachtig schilderijen te omvangrijk voor. Maar een werk dat in ieder geval niet onbesproken mag blijven, is het monumentale vijfluik La guerre Japonaise. Museumdirecteur Keuning noemt het ‘de Nachtwacht van de twintigste eeuw’. Nu is dat wel een heel joviaal compliment aan de schilder en het doek, maar dat dit het pièce de résistence is uit zijn oeuvre is, staat vast. Het is een schilderij dat je bij de kladden grijpt. In de eerste plaats al door de grootte: het doek is bijna zes meter breed en ruim anderhalve meter hoog.

La-Guerre-Japonaise-vijfluik-gemengde-technieken-op-doek-160-x-560-cm-1960

Dat is ook meteen het grote probleem van La guerre Japonaise: want waar laat je zo’n werk? Toen Jan Cremer begin jaren zestig naar New York vertrok, kon hij het schilderij uiteraard niet meenemen. Hij had het al eens proberen te verkopen voor het astronomische bedrag van een miljoen gulden, maar niemand – behalve het nieuwsgierige journaille – hapte toe. Of ja, toch wel. Er meldde zich één belangstellende: een excentrieke miljonair uit Canada. Hij was bereid de vraagprijs voor het vijfluik te betalen, mits de schilder hem zou beloven de komende tien jaar geen kwast meer aan te raken. Cremer: “Ik was in die tijd straatarm en toch sloeg ik de deal af. Die viezerik wilde mijn leven kopen.” Toen besloot hij het werk aan toenmalig vorstin Juliana te schenken. Als tegenprestatie zou zij alleen de huur van het depot moeten betalen. Met dit aanbod haalde hij de wereldpers, maar de koningin liet niets van zich horen.

In La guerre Japonaise, een sleutelwerk in zijn oeuvre, zit het kunstenaarschap van Jan Cremer vervat. La guerre Japonaise is oorlog – net als Cremer zelf. Letterlijk omdat het doek een weerslag is van de vele verhalen die hij tijdens zijn verblijf in een tehuis voor Indische spijtoptanten in Scheveningen heeft gehoord. Over de kampongs, de jappenkampen, en alle ontberingen die men daar heeft moeten doorstaan. Figuurlijk omdat de schilder altijd in gevecht is met het doek; met branders, teer en verf ging hij het te lijf. In een interview met NRC Handelsblad zei Cremer vorige week over het vijfluik: “Dit schilderij heeft letterlijk in brand gestaan. Net als de wereld. (-) Schilderen is oorlogvoeren.”
Die gestolde woede, dat statische geweld, voel je nog steeds als je er naar kijkt. De dikke klodders teer en verf zijn een fysieke uiting van de innerlijke woede en onrust van de schilder – zoals al zijn werk een fysieke uiting is van woede. Ook in zijn meer recente werken – de onstuimige zeegezichten waarmee hij, de eeuwige kunstnozem, op zijn oude dag aanhaakt bij de grote meesters uit de Gouden Eeuw – zie je die innerlijke onrust terug.

De overzichtstentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014 bewijst dat Jan Cremer met recht een van de grootste naoorlogse kunstenaars van ons land is. De manier waarop hij zich de afgelopen zestig jaar ontwikkeld heeft als kunstenaar, altijd op het allerhoogste niveau heeft gewerkt, is fenomenaal.

Jan Cremer gaat de geschiedenisboeken in als een schrijvende schilder, en niet andersom.

Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 is nog tot en met 23 augustus 2015 te zien in Museum de Fundatie in Zwolle.

???????????????????????????????

Het meisje en de moordenaar: Laura Cnossen fotografeert Richard Klinkhamer

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Laura Cnossen uit Utrecht.

Laura Cnossen (Oosterwolde, 1993) is derdejaars student Fotografie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Op dit moment werkt ze, naast andere (school)opdrachten, aan het project over schrijver-moordenaar Richard Klinkhamer.

Over haar werk
“De eerste vraag die mensen aan mij stellen als ik zeg dat ik regelmatig bij Richard Klinkhamer op bezoek ga, is: ‘Ben je dan niet bang?’ Nee, ik ben niet bang. Ik ben ervan overtuigd dat de moord op zijn vrouw Hannie (Richard Klinkhamer vermoordde zijn vrouw Hannie in 1991, begroef haar in de tuin en schreef er het boek Woensdag gehaktdag over – NM) een incident is geweest. Er was ruzie, de emoties liepen hoog op en toen gebeurde het. Meer niet. Ik heb niets van hem te vrezen. Hij vindt het altijd een feestje als ik bij hem op bezoek ga. Laatst zei hij wel dat als ik een man was geweest hij me allang had weggestuurd. Nu heeft hij, zo zei hij het tenminste, ook nog iets leuks om naar te kijken. Dat is de reden dat hij me tolereert in zijn leven denk ik. Hij krijgt niet vaak bezoek, dus altijd als ik kom is het feest.”

“Ik ken Richard Klinkhamer via fotografe Ilvy Nijokiktjien. Ik heb meegewerkt aan haar fotoboek Slagroomtaart en slingers, waarin ze honderd verjaardagen portretteert. Ik ging uit nieuwsgierigheid mee. In eerste instantie was ik nogal overweldigd door zijn huis: overal hangen foto’s, het is als het ware een grote collage. Hij was wel ontzettend aardig tegen ons, hij was blij met ons bezoek. Dat is hij nog steeds, iedere keer dat ik hem bezoek. Sinds afgelopen zomer hebben we bijna iedere week contact. Soms ga ik bij hem langs om foto’s te maken, soms spontaan een paar uurtjes om wat met hem te praten. Richard Klinkhamer schrijft nog steeds. Het eerste wat hij doet als ik bij hem kon is zijn laatst geschreven korte verhaal aan mij voorlezen. Na eentje vraagt hij altijd: “Je hebt wel even tijd toch?”, en dan komt de volgende. Laatst zaten we in de trein naar Rotterdam – we gingen kijken naar de tentoonstelling van Ilvy’s verjaardagen – en heeft hij mij een verhaal voorgelezen over zijn jeugd. Hij had het over kokosmatten, zwijntjesjagers. Hij zag aan me dat ik bepaalde woorden niet begreep – ik wist bijvoorbeeld niet dat een zwijntjesjager een fietsendief is. Daar heeft hij later ook nog weer een verhaal over geschreven: hoe hij aan mij kon zien dat ik bepaalde woorden niet begreep, omdat ik dan mijn wenkbrauw optrok.”

“In eerste instantie ben ik hem fotograferen omdat ik hem interessant vind. Hij leeft als een soort kluizenaar, gaat geen banden meer aan met mensen zodat hij na zijn overlijden ook niemand achterlaat. Ik wilde weten hoe hij leeft, hoe hij boodschappen doet, hoe hij de was doet… Ik wilde hem kortom beter leren kennen. Ik heb hem ook geportretteerd met een grootformaatcamera uit de jaren dertig. Ik hoop dat deze portretten, in combinatie met de foto’s van Richard Klinkhamer in het vreemdelingenlegioen en de foto’s van zijn interieur, de kijker aanzetten om zelf in te vullen wie de man is naar wie je kijkt. Ik vind dat hij dat verdient. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat er is gebeurd, maar niet alle mensen zijn alleen maar goed of alleen maar slecht. Samen met Job van Rijn en Tom Jager heb ik een (nog niet gepubliceerd) boek gemaakt over hem gemaakt: De straat weet het wel, verwijzend naar een briefje dat hij kreeg toen hij in zijn huidige huis in de Jordaan kwam wonen. Daarop staat: ‘Wij zijn niet bang de straat weet het wel en zijn op onze hoede moet je nog een schep hebben voor het volgende slachtoffer we weten wie er woont en zijn er niet blij mee.’ Het boek is af, maar ik ben nog niet klaar. In principe ga ik door tot hij overlijdt; het lijkt me prachtig om zijn gezicht door de jaren heen te zien veranderen. Het zou mooi zijn als er aan het einde een verloop te zien is van zijn oude dagen. Tot die tijd blijf ik wekelijks contact met hem houden. En bang hoef ik niet te zijn, want: ‘De straat weet het wel.’”

Meer werk van Laura Cnossen vindt u hier.

HP1HP2HP3HP4HP5HP6HP8HP9HP10HP7

Fotoserie: doorlopend portret van een eetstoornis

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Barbara Michelle Edelman uit Utrecht.

Barbara Michelle Edelman (Woerden, 1988) zit in het tweede jaar van haar studie aan de Fotoacademie in Amsterdam, afstudeerrichting: autonome fotografie. Deze studie is in feite een vervolgopleiding: in 2013 studeerde ze af als all-round stylist aan de Akademie Vogue in Amsterdam.

Over haar werk
“In mijn werk onderzoek ik de relatie tussen het lichaam als object en de emotie die daarmee verbonden is. Wat zich van binnen afspeelt komt vaak pas tot uiting als een grens is overschreden. De sociale druk en de heersende norm van presteren in de huidige maatschappij is nauw verbonden met onze eigenwaarde. We passen ons constant aan, wat maakt dat we steeds meer onze grenzen naar perfectie verleggen. De onderliggende boodschap is verborgen achter esthetische beelden, de zachte tinten maskeren onze werkelijkheid.

“Ik heb gekozen om hieronder beelden te tonen uit twee verschillende fotoseries. De fotoserie ‘Hunger’ is een doorlopend zelfportret over mijn eigen naakte waarheid. In dit project laat ik zien wat het betekent om op te groeien met een eetstoornis. Ik herinner mij de eerste keer nog dat ik de innerlijke stem hoorde die me verleidde om over mijn grenzen heen te gaan. Geleidelijk aan ontstond er een vervormd lichaamsbeeld en ontwikkelde ik een angst voor eten. Door mijn gevoelens te verbeelden ontdek ik de patronen en handelingen waaraan ik me jaren krampachtig heb vastgehouden.

“De serie ‘For those who will never know’ gaat over het intense verlangen om jezelf te verbergen. Zeker wanneer je in een onzichtbare cirkel van ontkenning blijft hangen, wetende dat iets diep van binnen je aandacht verdient en moet worden geheeld. In dat geval moet je naar jezelf luisteren: niet luisteren naar je gevoel is de meest trieste manier om jezelf in de steek te laten.”

Meer werk van Barbara Michelle Edelman vindt u hier.

For those who will never know - I

For those who will never know - II

For those who will never know - III

For those who will never know - IV

For those who will never know - V

Hunger - I

Hunger - II

Hunger - III

Hunger - IV

Hunger - V

Rick Nieman over The Churchill Factor, Jeroen Krabbé en Joris Ivens

RTL-nieuwslezer Rick Nieman (1965) presenteert deze maand zijn romandebuut: Altijd Viareggio. Wat leest, luistert en ziet hij zoal?

BOEKEN
R1“Ik lees veel, ik denk zo’n dertig boeken per jaar. En dan met name Engelstalige non-fictie. Ik ben nu bezig in The Churchill Factor van Boris Johnson. Johnson, die naast burgemeester van Londen ook historicus en journalist is, vertelt hierin tal van smakelijke anekdotes over de door hem bewonderde Winston Churchill. Bijvoorbeeld over de laatste keer dat Churchill, die toen al achter in de tachtig was, van Amerika naar Engeland vloog. Ik weet het niet precies uit mijn hoofd, maar ze hadden ongeveer twee flessen cognac, zeven flessen witte wijn, een fles port en nog wat sterke drank aan boord gebracht voor het geval hij tijdens de vlucht dorst zou krijgen. Of hij alle flessen ook daadwerkelijk heeft aangeroerd weet ik niet, maar dat Churchill meerdere flessen drank per dag dronk staat vast. Right or Wrong van Tim Bell – of eigenlijk: Lord Bell – is ook een schitterend boek. Lord Bell is een van de oprichters van het wereldberoemde reclamebureau Saatchi & Saatchi en was jarenlang een van de belangrijkste reclameadviseurs van Margaret Thatcher. Hij is ook de bedenker van de kreet: ‘Labour Isn’t Working’, een kreet die ik overigens heel geestig vind maar waar The Iron Lady de humor niet van in kon zien. In dit boek kijkt hij terug op zijn tijd bij Thatcher. Heel interessant. En Augustus van John Williams moet ook iedereen lezen. Wat een fenomenaal boek is dát. Vanuit verschillende perspectieven – vrienden, familie, geliefden – wordt een beeld geschetst van het leven van de stichter van het Romeinse rijk. Het is allemaal verzonnen, want van Augustus is bijna niets bewaard gebleven, en toch komt die man tot leven. Heel knap gedaan.”

BEELDENDE KUNST
“Musea vind ik prachtig, ik kom er alleen te weinig. Neem bijvoorbeeld het Guggenheim Museum in New York. Alle dat prachtige ronde gebouw al, bijna zestig jaar geleden ontworpen door Frank Lloyd Wright. Dat moet je gezien hebben. De koepel die ze onlangs op Museum de Fundatie in Zwolle hebben geplaatst vind ik ook schitterend. Sacha (de Boer, zijn vrouw, red.) en ik hebben een vakantiehuis in de buurt van Zwolle. De Fundatie is echt een prachtig museum. De overzichtstentoonstelling Cremer in verf, 1954 – 2014 van Jan Cremer opent op 19 april aanstaande en ga ik zeker bezoeken. De laatste tentoonstelling die ik in De Fundatie heb gezien is Dum Vivimus Vivamus van Jeroen Krabbé, een tentoonstelling van diens kindertekeningen. Ik vind Jeroen Krabbé een hele aardige vent, maar dit ging mij wat te ver. Ik dacht alleen maar: dit is toch gewoon een kindertekening? Jij tekende toch ook gewoon een arm als een hark, net als ik? Kunst moet niet pretentieus worden. Vooral kunstenaars onderling of van die grachtengordeltypes hebben er een handje van om heel interessant over kunst te praten. ‘Oh, begrijp je de kunst van Marlène Dumas niet?’ Ik wil dan schreeuwen: ‘Nee! Leg het me uit! En wat is er zo bijzonder aan die vette lelijke oude vrouwen die Francis Bacon schildert?’ Ik begrijp dat niet.”
“Kunst wordt mooi als het de essentie van iets vat. Het zelfportret van Rembrandt van Rijn dat in de Frick-collectie is opgenomen – een schilderij dat hij als 52-jarige heeft geschilderd – maakt op mij een verpletterende indruk. Hoe die oude, wijze, zelfverzekerde man, toen nog niet vermoeid, met licht opgekrulde mondhoeken, je aanstaart. Fenomenaal. Bernini kon ook heel goed de essentie van iets vatten in zijn beelden. Kijk

R2
Pluto en Proserpina, Bernini

bijvoorbeeld eens naar het beeld Pluto en Proserpina.  Je ziet de hand van Pluto in het dijenvlees van Proserpina verdwijnen. Je vergeet heel even dat het keihard marmer is waar je naar staat te kijken. Mondriaan en de zijnen konden de essentie ook heel goed vatten. Vlak na de meest vernietigende oorlog die de geschiedenis tot dan toe had gekend, zochten kunstenaars begin jaren twintig naar een universele taal waardoor de mensheid samen zou komen. Heel erg idealistisch. Primaire kleuren, rechte lijnen – dat begrijpt iedereen, en zo ontstond het werk van die groep moderne kunstenaars. Rietveld, Van Doesburgh, Mondriaan, Malevich en Rothko: ik mag er graag naar kijken. Jeroen Henneman vind ik op dit moment een van de grootste kunstenaars van ons land. De wijze waarop hij de essentie van iets of iemand vat is heel erg goed. Heb je dat portret gezien dat hij van Leo Vroman heeft gemaakt, en dat binnenkort op zijn honderdste geboortedag wordt onthuld? Daarin zie je hoe goed Henneman is.”

FILM
La grande bellezza van regisseur Paolo Sorrentino is de beste film die ik in jaren heb gezien. Het gaat over de 65-jarige journalist Jep Gambardella (gespeeld door acteur Toni Servillo, red.) die zijn leven overdenkt. Ik word dit jaar vijftig, dus dan ga je automatisch de balans opmaken: wat heb ik tot nu toe gedaan, en wat wil ik nog gaan doen? Daar ben ik nog niet helemaal uit. Wat ik mooi vind aan deze film? Jep Gambardella ziet, ondanks dat hij alles heeft wat zijn hart begeert, ‘de grote schoonheid’ in de kleine dingen: in een lachend nonnenmeisje, in een hondje bij de fontein, in een avondwandeling langs de Tiber. Daar kunnen veel mensen nog wat van leren. Il Divo en La conseguenze dell’amore, twee andere films van Paolo Sorrentino met in de hoofdrol Toni Servillo, raad ik ook van harte aan.”

R3
Joris Ivens aan het werk

Platoon, JFK en Natural Born Killer van regisseur Oliver Stone zijn fenomenale films. Er was een tijdje dat ik alles van hem volgde, maar na zijn verschrikkelijk slechte film over het leven van George W. Bush ben ik een beetje op hem afgekickt. De films van de Nederlandse documentairemaker Joris Ivens zouden wel wat meer aandacht verdienen. Ivens was een van ’s lands grootste filmmakers aller tijden – maar ook communist, en daarom verguisd. The Spanish earth, een film over de Spaanse Burgeroorlog waar nota bene Ernest Hemingway de voice-over nog voor heeft ingesproken, is een klein meesterwerk. Zijn belangrijkste werk is samengebracht in de dvd-box Joris Ivens – Wereldcineast. Gaat dat zien. En waar ik oprecht nieuwsgierig naar ben is de film Bloed, zweet & tranen van regisseur Diederik Koopal, over het leven van volkszanger André Hazes. Hij is ook de regisseur van De Marathon, een komedie over vier vrienden op leeftijd die de marathon van Rotterdam lopen. Ik heb wel eens gezegd: ‘Als Diederik Koopal mijn roman nu eens zou kunnen verfilmen…’ Dat zou echt prachtig zijn.”

Rick_Nieman_op_grijs_0
Rick Nieman

 

 

Flaporen als achtste schoonheid – een fotoserie van Caitlin Sas

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Caitlin Sas uit Beneden-Leeuwen.

Caitlin Sas (Dreumel, 1989) studeerde in 2014 af aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, afstudeerrichting: fotografie. In datzelfde jaar verscheen het fotoboek Anders kijken, met daarin portretten van jonge mensen met albinisme. De Volkskrant riep het boek uit tot een van de mooiste fotoboeken van 2014. Momenteel werkt Sas aan het fotoproject ‘De 8ste schoonheid’, een serie over jonge mensen met flaporen.

Over haar werk
“In de hedendaagse wereld lijkt het streven naar uiterlijke perfectie één van de belangrijkste dingen. Miljoenen mensen maken iedere dag selfies, in de hoop dat mensen hun waardering erover uitspreken in de vorm van likes, hearts of comments. Met mijn foto’s wil ik op een positieve manier een bepaalde, vaak negatief ervaren aandoening, onder de aandacht brengen. Ook wil ik de maatschappij een spiegel voorhouden, zodat mensen zien dat schoonheid vaak in onze ‘imperfectie’ zit. De foto’s die ik heb geselecteerd voor dezeExpo zijn afkomstig uit twee van mijn projecten: de eerste zeven zijn gemaakt voor het project ‘Anders kijken’, de laatste drie voor het project ‘De 8ste schoonheid’.”

Anders kijken
“Het pigment melanine zorgt voor de kleur van onze ogen, onze huid en ons haar. Mensen met albinisme hebben dat pigment van nature niet. Een albino is iemand met te weinig pigment en heeft daarom vaak een lichte huid, oog- en haarkleur. Hun ogen zijn vaak overgevoelig voor licht en hun zicht is zeer beperkt. De huid verbrandt sneller en soms maken hun lichtschuwe ogen onwillekeurige bewegingen. Mijn fascinatie voor de elegantie van een albino heb ik vastgelegd in dit werk.”

De 8ste schoonheid
“Een bleke huid, een moedervlek boven je lip, kuiltjes in je wangen, sproeten… Deze uiterlijke kenmerken behoren tot de zeven schoonheden. Omdat deze schoonheden door de drager vaak ervaren worden als een ‘imperfectie’ werden deze in de zestiende eeuw daarom als iets moois of speciaals bestempeld, om de persoon die zo’n imperfectie heeft een beter zelfbeeld te geven. Daarom werd elk van deze ‘imperfecties’ gerekend tot een van de zeven schoonheden. Om deze reden zouden flaporen daar ook toe moeten behoren, als een achtste schoonheid.”

Meer werk van Caitlin Sas vindt u hier.


ANDERS KIJKEN
ccm-20131117-1734ANDERS KIJKENANDERS KIJKEN
ANDERS KIJKENPortretANDERS KIJKENPortret

 

ANDERS KIJKEN8steschoonheid-9471

Zelfportret: Maarten Heijmans

Dit artikel is eerder verschenen op de website van HP/De Tijd, 8 maart 2015.

Voor zijn vertolking van Ramses Shaffy in de televisieserie Ramses ontving acteur Maarten Heijmans (Amsterdam, 1983) vorig jaar een Gouden Kalf. Afgelopen maandag won de serie drie TV-beelden, waaronder een voor ‘beste hoofdrol.’

Naast zijn werk als acteur in het theater (Vaslav,Soldaat van Oranje en Maria Stuart) en op televisie (SpangaS, Het Klokhuis, de telefilm Het mooiste wat er is) is hij sinds vorige week ook officieel muzikant. In een uitverkocht TivoliVredenburg gaf hij met de première van Maarten Heijmans zingt Ramses Shaffy zijn allereerste concert ooit. Reden genoeg om hem eens te onderwerpen aan een ‘zelfportret’: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Fijn vermoeid. De concerten die ik nu geef kosten veel energie, maar die energie wordt wel op een fijne manier besteed.

Wie zijn uw helden?
Jeff Buckley, Nina Simone, Rufus Wainwright, Pierre Bokma, Louis CK, Wim T. Schippers, Michael Jackson… Eigenlijk teveel om op te noemen.

Aan wie ergert u zich?
Aan mensen die niet eerlijk zijn. De reden dat ik mij daaraan erger is omdat ik dat zelf ook niet altijd eerlijk ben. Bijvoorbeeld: als ik moe ben en geen zin heb om met een vriend of een collega af te spreken, dan ga ik allerlei excuusjes verzinnen om niet te hoeven gaan. Ik kan natuurlijk ook gewoon zeggen: ‘Sorry, ik ben moe, ik heb geen zin.’ Maar dat doe ik dan niet. Dat vind ik niet eerlijk tegenover de ander.

Lijkt u op uw vader?
Ja. Mijn vader en ik leven allebei in ons hoofd. We zijn allebei best wel naar binnen gekeerd. Ik kan bijvoorbeeld allerlei scenario’s bedenken hoe iets zal gaan verlopen, in plaats van eerst maar eens af te wachten hoe iets zal zijn. Daardoor kan ik op voorhand verkeerde conclusies trekken – puur uit onzekerheid. Ook wel eens omdat ik bepaalde sociale interacties verkeerd interpreteer. ‘Die zegt dit dus dan zal-ie me wel oninteressant vinden’, terwijl dat dan helemaal niet zo is. Maar altijd in gedachten zijn heeft ook wel voordelen: je kunt je fantasie de vrije loop laten gaan.

Lijkt u op uw moeder?
Ik denk het wel. Mijn moeder kan ontzettend van de hak op de tak springen, is heel erg onafhankelijk en heeft altijd mensen om zich heen nodig. Ik ook. Al vind ik het wel moeilijk om ‘sociaal’ te zijn. Ik ben niet echt een goede vriend denk ik, iemand die veel belangstelling naar anderen toont. Ik heb niet zo’n gevoelige sociale radar. Dat heeft mijn moeder ook niet, maar dat wordt haar altijd vergeven omdat ze een heel goede inborst heeft. Dat hoop ik dan ook maar te hebben.

Wat zijn uw dagdromen?
Ik dagdroom constant over de meest onbenullige dingen. Over hoe het is om op een hoog gebouw te staan en daar dan vanaf te springen. Niet dat ik suïcidaal ben hoor, maar ik denk altijd: wat zou er allemaal kúnnen gebeuren? En ik heb altijd wel zelfverzonnen liedjes of melodietjes in mijn hoofd.

Wat is uw grootste angst?
Niet geaccepteerd te worden. Dat kan zijn op het werk: dat je bang bent dat je collega’s je slecht vinden. Die angst is er bij mij altijd en zal er ook altijd zijn. En in de privésfeer: dat je met iemand met wie je een connectie wil voelen, geen connectie voelt. Dat is ook een soort afwijzing.

Bidt u weleens?
Nee. Ik ben wel christelijk opgevoed, maar ik had al snel door: dat bidden is van oorsprong totaal iets anders geweest dan het nu is. Bidden is van oudsher meer iets van dankbaarheid tonen, stilstaan bij de dingen die je hebt. Bidden voor het eten vind ik om die reden dan ook heel mooi: even stilstaan bij het feit dat je eten hebt. Maar bidden in religieuze zin is juist ontzettend areligieus: je haalt jezelf naar voren, en vraagt een of andere kosmische kracht iets voor jou te doen. ‘Maak me beter’, of: ‘Geef mij die baan.’ Heel arrogant eigenlijk.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Ik denk dat je de hele dag door mystieke ervaringen beleeft. Het is maar net hoe je naar de dingen kijkt. Als ik op straat een eend zie lopen kan dat een hele mystieke ervaring zijn. Dat van alle dieren die er ooit zijn geweest uitgerekend díe eend daar loopt, dat vind ik een wondertje.

Bent u aantrekkelijk?
Ik merk dat ik, nu ik af en toe op televisie kom en wat prijzen heb gewonnen, aantrekkelijker word gevonden dan toen dat nog niet het geval was. Heel vreemd vind ik dat: zet iets op een podium, schijn er een lichtje op en het wordt vanzelf interessant. Ik merkte dat al op de middelbare school. Ik was altijd een beetje in mezelf gekeerd, ik was niet zo’n populaire jongen. Toen deed ik in de aula een keer mee aan een talentenjacht, ik ging breakdancen, en ineens vonden mijn klasgenoten me cool. Ik dacht: wat stom eigenlijk. Moet ik op een podium staan om cool gevonden te worden? Ben ik zonder dat podium niet leuk genoeg?

Wat is uw definitie van geluk?
Zonder enige vooroordelen en vooropgezette ideeën mezelf aan iets of iemand kunnen geven.

Waar schaamt u zich voor?
Onecht gedrag. Soms denk ik tijdens een optreden: is het eigenlijk wel echt wat ik doe? Speel ik wel goed, leef ik me wel goed genoeg in? Elke voorstelling schiet die gedachte wel een keer door mijn hoofd.

Bent u monogaam?
In principe wel.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Vorige week, toen ik de openingsscène van het computerspel The Last of Us weer eens keek, waarin een vader zijn dochtertje van tien verliest. Ik heb het spel al twee keer uitgespeeld op de Playstation, maar toch raakte ik weer door die scène ontroerd.

Wat is uw grootste ondeugd?
Enorm veel tijd verspillen aan wezenloos internetten. De veiligheid opzoeken door niet te handelen, eigenlijk.

Hoe moedig bent u?
Dat weet ik niet, omdat ik gelukkig nog nooit in een situatie ben beland waarin dat werd getest. Ik denk wel dat je uiteindelijk minder moedig bent dan je aanvankelijk denkt.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Van mijn vrienden. Omdat ik vind dat zij mooie karaktertrekken hebben: speelsheid, aan niets gehecht zijn, bewust zijn van het hier en nu en daardoor kunnen genieten van de dingen.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Humor.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Openheid.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Niets. Niet dat ik mezelf perfect vind, maar ik denk dat je veel gelukkiger word als je jezelf kunt accepteren zoals je bent. Anders ben je maar een plant die de hele tijd baalt dat-ie een plant is, en niet een bloem. Dan heb je een heel vervelend leven als plant.

Hoe ontspant u zich?
Ik probeer alles ontspannen te doen. Dat lukt niet altijd, maar ik blijf het proberen. Alles ontspannen willen doen leidt paradoxaal genoeg ook wel eens tot spanning: het willen bereiken van iets zit je eigenlijk altijd in de weg óm iets te bereiken.

Van wie houdt u het meest?
Op dit moment van mijn neefje van zeven maanden. Altijd als ik naar hem kijk zie ik mijn opa, mijn ouders, mijn zus en haar man in hem terug: mijn hele familie komt in hem samen. Dat er in zo’n heel nieuw blanco iemand al zo’n geschiedenis zit verpakt, dat ontroert me zeer.

Gelooft u in God?
Ik geloof niet in een God, maar wel in de reden waarom God ooit is bedacht. Namelijk: gestalte geven aan dat wat ons allemaal bindt, het mens-zijn. ‘Je staat niet alleen.’
Mensen zijn altijd op zoek naar houvast. In de sportschool krijg je een schema om je spieren te ontwikkelen, in de kerk krijg je een schema om het ‘wij-gevoel’ te kweken. Het probleem met religie alleen is dat het schema zelf het doel is geworden. Met het idee: ‘Mijn schema is beter dan dat van jou’ zet je mensen juist tegen elkaar op, in plaats van ze samen te brengen. 

Waaraan bent u het meest gehecht?
Aan niets. Hooguit aan mezelf en aan het leven zoals ik dat leef. Ik vind ‘hechten’ eigenlijk ook een negatief woord. Gehecht zijn aan iets remt je. Ouders zeggen bijvoorbeeld weleens: ‘Ik ben zo gehecht aan mijn kinderen.’ Ik vind dat een nare bijklank hebben: alsof je je kinderen niet los kunt laten, dat je er letterlijk een ‘gehecht’ bent. Een kind moet zijn eigen leven hebben. Je kunt gehecht zijn aan je kind en een slechte ouder zijn, maar je kunt ook onthecht van je kind zijn en er juist heel goed voor zorgen. Een goede ouder is niet gehecht aan een kind.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Liefdesverdriet, een onbetrouwbare vriend of collega zijn… Genoeg leed in ieder geval. Fysiek leed heb ik iemand nooit bezorgd. Oja, wel: ik heb een keer per ongeluk iemand zijn enkel gebroken. Dat vond ik verschrikkelijk.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Ik geloof niet in mislukkingen. Je hebt mislukkingen juist nodig om als mens te groeien. Alles wat je hebt meegemaakt zorgt er voor dat je bent wie je nu bent.

Wanneer was u het gelukkigst?
Twee jaar geleden, toen ik in mijn eentje op een motor door Mongolië reed. Ik had net Ramses gedraaid, wat me heel gelukkig maakte, maar kwam ook net uit een lange en intensieve relatie, wat me weer heel verdrietig maakte. Tijdens die reis kwamen al die positieve en negatieve emoties samen. Ik kwam even heel dicht bij mezelf.

Wat is de beste plek om te wonen?
De plek waar je nu woont. Dat is altijd de beste plek om te wonen.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Er is niemand die ik nooit meer terug wil zien.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ongeluk is niet te vermijden. Dat is een wezenlijk onderdeel van het leven. Je kunt het hooguit omzeilen, door trouw te blijven aan jezelf.

Wat is uw devies?
Niet teveel zorgen maken.

Maarten Heijmans zingt Ramses Shaffy-speellijst:

08 maart 2015: Oosterpoort, Groningen.
12 maart 2015: Metropool, Hengelo.
15 maart 2015: Paradiso, Amsterdam.

Interview Maarten Heijmans Ramses Shaffy

Expo: de menselijke dieren van illustrator Ferdy Remijn

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Ferdy Remijn uit Rotterdam.

Ferdy Remijn (Kattendijke, 1986) studeerde in 2014 af aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, afstudeerrichting: Illustratie. Sindsdien werkt hij als freelance-illustrator.

Over zijn werk
“Ik teken en schilder hyperrealistische dieren die soms menselijke karakteristieken vertonen. Alles wat ik doe is met de hand getekend, ik hou van het tastbare en het priegelen met zwarte fineliners om de juiste texturen neer te zetten. Omdat mijn illustraties ontzettend gedetailleerd zijn maak ik gebruik van collages die bestaan uit verschillende foto’s. Vaak biedt het beeldmateriaal inspiratie voor een nieuw werk, soms zijn het ideeën die ineens te binnen schieten. Ik vind het belangrijk dat mijn dieren een bepaalde levendigheid bewaken, alsof ze ieder moment met hun ogen kunnen knipperen. Het moet lijken alsof ze elk moment uit het papier kunnen springen.”

Meer werk van Ferdy Remijn vindt u hier.

Animal_typeface_-_Ferdy_Remijn_2013

 

Asian_elephant_-_Ferdy_Remijn_2014

 

Gloom_-_Ferdy_Remijn_2014

 

Hyperrealism_ant_-_Ferdy_Remijn_2013

 

I_like_your_beard_-_Ferdy_Remijn_2014

 

Kubism_polar_bears_-_Ferdy_Remijn_2013

 

Lagune_nautilus_-_Ferdy_Remijn_2014

 

Night_meeting_-_Ferdy_Remijn_2014

 

The_arrival_-_Ferdy_Remijn_2014

 

Young_wolf_-_Ferdy_Remijn_2013

Hero Brinkman

Het artikel: ‘Hero Brinkman over klassieke muziek’, dat ik woensdagavond 04 maart 2015 op deze website postte, was bedoeld als ankeiler voor het interview dat die dag in het maartnummer van HP/De Tijd was verschenen. Een paar quotes uit het interview om potentiële lezers nieuwsgierig te maken naar mijn artikel – meer niet. Maar al snel bleek dat velen zich aangesproken voelden door de uitspraken van de oud-PVV-politicus. Brinkman stelde onder meer dat klassieke muziek slechts voor een kleine elite is weggelegd, Radio 4 door ‘geen hond’ wordt beluisterd en dirigenten en orkestleden geen flauw benul hebben wat ze spelen. Een kleine samenvatting van de uitspraken vindt u hier. 

Binnen 24 uur was het stuk op mijn website al meer dan 15.000 keer bekeken. Ook op de website van HP/De Tijd, waar we het de volgende ochtend ook meteen maar gebracht hebben, kreeg het stuk nog eens enkele tienduizenden views. Via twitter en facebook kwamen duizenden reacties op de uitlatingen van Brinkman. Maar de mooiste reactie kwam van mezzosopraan Tania Kross en pianist Alexander Buskermolen. Het interview bewoog hen ertoe om een opera te schrijven: Hero Brinkman, de opera. Waar een interview al niet toe kan leiden.

Een kleine greep uit de reacties op de gewraakte uitspraken van Hero Brinkman vindt u hieronder.

Links:
Hero Brinkman: ‘Klassieke muziek is voor een kleine elite. Radio 4 – daar luistert toch geen hond naar?’ (HP/De Tijd, 05 maart 2015.)
Zien: Tania Kross zingt ‘Hero Brinkman, de opera’ (HP/De Tijd, 06 maart 2015.)
GeenStijl Klassiek: Hero Brinkman – De Opera (Pritt op GeenStijl, 06 maart 2015.)
En dat hekel ik (€) (Column van Theo Hakkert in Tubantia, 06 maart 2015.)
Hero Brinkman: Feiten zijn voor de elite, het gaat om de toon (Henri Drost op Cultureel Persbureau, 06 maart 2015.)
Hero Brinkman: klassieke muziek te toegankelijk (Satire van Linda Stoel en Lineke Brink op Collegium Musicum,  07 maart 2015.)
Bij mijn schoonouders luistert er wél een hond naar Radio 4 (€) (Merlijn Kerkhof in NRC Handelsblad,  10 maart 2015.)
Hero Brinkman vloog weer eens uit de bocht  (Column van Özcan Akyol in Nieuwe Revu, 18 maart 2015.)