Mannen die huilen om poëzie: Robbert Dijkgraaf

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: wetenschapper Robbert Dijkgraaf over het gedicht Een psalm voor dit heelal van Leo Vroman.

“Leo Vroman weet als geen ander een brug te slaan tussen het onmetelijke heelal, met zijn perfecte atomen en kille systematiek, en het alledaagse bestaan, vol slordigheden en onbegrip. Zijn tovertruc is de liefde, voor zijn vrouw Tineke natuurlijk, maar ook voor de poëzie, het weten, de verwondering en de onvolmaaktheid van ons bestaan — alles gevangen in enkele regels. De natuur en de wetenschap vloeien als vanzelf in zijn gedichten, mengen zich met het menselijke tekort en komen tot leven. ‘Gewone wonderen’ noemde Vroman dat. ‘Scheppen gaat van AU,’ schreef hij ooit.”

Een psalm voor dit heelal
Leo Vroman (1915 – 2014)

Systeem! hoe graag met U alleen
verklein ik in mijn droom Uw blote
heelal tot knuffelbare grootte
en koester U door mij heen!

Hoe dolgraag schurkt mijn oude huid
flink langs Uw Tijdeloos Begin,
zaait er mijn dood verleden in
en zuigt er mijn toekomst uit!

Maar ach, ik zit hier met mijn wit
vel vol beeld- en tegenspraak
en weet niet wat het scheelt:
eerst stond hier niets, en nu weer dit,
ik weet het niet en schrijf maar raak
en toch is dit Uw Beeld

Gij doet mij schrijven want ik maak
per ongeluk Uw beeld

Gij schrijft mij nooit, ik schrijf

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

 

Robbert Dijkgraaf
Robbert Dijkgraaf

 

Mannen die huilen om poëzie: Typhoon

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: rapper Typhoon (artiestennaam van Glenn de Randamie, 1984) over het gedicht De herberg van Jalal ad-Din Rumi.

“Al meteen de eerste keer dat ik het gedicht ‘De herberg’ van Jalal ad-Din Rumi las, kwamen er tranen. Het gedicht nodigt je namelijk om vriendelijker te zijn voor jezelf, jezelf te accepteren vanuit zelfliefde en geen vooropgezette ideeën te hebben over hoe iets is of hoe iets hoort te zijn. Ik leef in een wereld waarin er van alles van me wordt verwacht: dat ik leidinggeef, dat ik verantwoordelijkheden draag. Daardoor vind ik het doorgaans moeilijk om vriendelijk voor mezelf te zijn, mezelf te accepteren zoals ik ben en geen vooropgezette ideeën te hebben. ‘De herberg’ daagt me uit om erop te vertrouwen dat ik compleet ben, dat alles dat zich in mij manifesteert er met een reden is en dat ik alles moet benaderen met een open blik.”

De herberg
Jalal ad-Din Rumi (1207 – 1273)
(Vertaling: Romeck van Zeyl)

Dit mens-zijn is een soort herberg:
elke ochtend weer bezoek.

Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.

Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij!
Zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.

Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…

De donkere gedachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.

Wees blij met iedereen die langskomt.
De hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

Mannen die huilen om poëzie: André Kuipers

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: ruimtevaarder André Kuipers (1958) over het gedicht Aan een ruimtevaarder van Marjolijn van Heemstra.

“Het gedicht Aan een ruimtevaarder van Marjolijn van Heemstra heb ik meegenomen op mijn ruimtereis naar het internationale ruimtestation iss, van 21 december 2011 tot 1 juli 2012. Veel informatie tussen de aarde en het ruimtestation wordt vanzelfsprekend digitaal uitgewisseld en ik had er derhalve voor kunnen kiezen om dit gedicht te laten uploaden. Ik besloot de tekst in fysieke vorm mee te nemen, gedrukt in kleine letters op een stukje papier, als onderdeel van de slechts anderhalve kilo die een astronaut als ‘persoonlijke bagage’ mag meenemen.”

“Aan een ruimtevaarder is voor mij de reflectie van het verlangen om naar de ruimte te willen reizen en los van de zwaartekracht te komen, een verlangen dat veel mensen koesteren. Een verlangen dat ik goed herken. Datzelfde verlangen was voor mij de drijfveer om ooit de keuze te maken om ruimtevaarder te willen worden. Een keuze die door veel mensen niet serieus genomen werd. Ik beet mij vast in mijn droom om ooit de aarde vanuit de ruimte te kunnen aanschouwen. Het verlangen was groot, de drijfveer om ‘te zwemmen in de afwezigheid van grond en getijden’ sterk. Het is gelukt.”

“Op Wereldpoëziedag besloot ik het gedicht in de ruimte voor te dragen. Zo werd deze ode ‘Aan een ruimtevaarder’ tevens een ode aan de dichteres, Marjolijn van Heemstra. ‘Wil je zeggen dat ik er ben?’ zo eindigt haar gedicht. Ik gunde Marjolijn deze reis naar de ruimte. Een stukje van haar was daar.”

Aan een ruimtevaarder
(Voor André Kuipers)
Marjolijn van Heemstra (1981)

Ik ben een cluster dode zonnen, hardgeworden overschot
vol weerstand, zelfs met maximale aanloop
kaatst de lucht mijn sprong nog voor kniehoogte terug
ik drijf alleen op water en zelfs dat maar tijdelijk
de ruimte tussen mijn gespreide armen
vangt geen wind.

Ik ga in zoogdiergang, van zand naar zand
kom niet boven het rumoer van vee
het geroezemoes van zee of ooghoogte
ik moet de satellieten maar geloven;
het kleurig stromend ozonvel
het fijne edelstenen ei.

Ik weet van vacuümgevaren
het netwerk van nevels en cellen
speldenknoppen poorten naar het licht
andersom heb ik de reis al vaak gemaakt
dit nietig sterrenstoffenlijf uitvergroot
tot lege zalen.

Maar jij hebt ontsnappingssnelheid
stapt straks met veren voeten de explosie in
telt jezelf tussen de sterren
zwemt in de afwezigheid van grond en getijden
ziet ons voor de vlekken die we zijn.

Als jij met niks dan lucht op je rug
in het schijnsel van het eerste moment —
wil je richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben?

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

 

André Kuipers
André Kuipers

 

Mannen die huilen om poëzie: Ed van Thijn

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: oud-PvdA-politicus Ed van Thijn (1934) over het gedicht Het lied der achttien dooden van Jan Campert. 

“Nog elke dag — de eerste acht versregels hangen in mijn studeerkamer — gaat dit gedicht mij door merg en been. Ik was zes toen de oorlog begon, tien toen ik in Kamp Westerbork door de Canadezen werd bevrijd. In die tussenliggende tijd heb ik achttien adressen gehad, waarvan drie in gevangenschap. Tijdens de kerstdagen van 1944 zat ik bijvoorbeeld in een huis van bewaring met drie volwassen medegevangenen in een cel. Naast onze cel was de dodencel, waarvan de radeloze geluiden soms tot ons doordrongen.”

“Ik heb de oorlog kunnen overleven dankzij een jeugdige verzetsgroep die 220 kinderen aan in totaal 1000 adressen heeft kunnen helpen. De verzetsgroep bestond uit veertien mannen en vrouwen die elke dag opnieuw hun leven waagden. Vier van hen hebben de bevrijding niet gehaald. Remco Campert, de zoon van Jan Campert, dichtte later in het gedicht ‘Iemand stelt de vraag’:

‘Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
(-)
iemand stelt de vraag
iemand verzet zich
en dan nog iemand
en nog iemand
en nog’

De vraag die ik mij een leven lang heb gesteld, en nog: hoe is het mogelijk dat ik leef en zij niet meer?”

Het lied der achttien dooden
Jan Campert 1902 – 1943)

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland’s vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar ’t hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss’lijk stuk bestond
en Holland’s landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, —
zoo waar als ik straks dood zal zijn,
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar —
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan ’t allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk —
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe ’t eerste morgenlicht
door ’t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht —
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als ’k voor de loopen sta.

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

 

Ed van Thijn
Ed van Thijn

 

Mannen die huilen om poëzie: Matthijs van Nieuwkerk

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: DWDD-presentator Matthijs van Nieuwkerk(1960) over het gedicht Zelden heeft de sprong van een panter van Hans Faverey.

“Ik heb de poëzie van Hans Faverey veel proberen te lezen, met de nadruk op proberen. Ik heb echt mijn best gedaan, maar hij schrijft vaak in raadselen. Hij is geen allemansvriend, bepaald niet behaagziek. Maar ik volgde hem. Iedere bundel, iedere bespreking in de krant. En soms loonde het, dan was daar een klein kiertje waardoor ik dacht te zien wat hij me misschien wilde zeggen. Maar ook als ik met lege handen achterbleef waren er nog die rare, fraaie zinnen. Jazzmuziek. Klanken ontdaan van betekenis, het kon me niet zoveel schelen.”

“Faverey schreef Zelden heeft de sprong van een panter aan het eind van zijn te korte leven, wetende dat hij het niet ging winnen van de kanker. Hoe schrijft de dichter over zijn beul? Als een centaur die eerst zijn hoeven schraapt voor hij naar je toekomt, en in je veilige huis alles kort en klein schopt en slaat. Deze strofe, maar ook die schitterende eerdere strofe over de dolfijn die voor het schip uit zwemt, heb ik inmiddels vaak herlezen. En altijd lees ik hoe de dichter, met Magere Hein reeds aan tafel, deze weergaloze woorden vindt voor het zoete leven en de ongenode dood. De grootste ontroering in dit gedicht zit in die halve zin: ‘En zo zal het gebeuren.’ Daarna volgt de meedogenloze finale.”

Zelden heeft de sprong van een panter
Hans Faverey (1933 – 1990)

Zelden heeft de sprong van een panter
ook maar iets van dezelfde sprong door
dezelfde panter, wanneer niet zoals
gewild door die panter zelf.

De dolfijn die voor het schip uit zwemt
zwemt net zo lang voor het schip uit,
tot er geen sprake meer is van een
dolfijn die voor een schip uit zwemt.

En zo zal het gebeuren, dat je nauwelijks

merkt hoe je okselzweet van geur verandert,
dat het je ontgaat hoe de centaur eerst
zijn hoeven schraapt voor hij naar je
toe komt, en in je veilige huis alles
kort en klein schopt en slaat.

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

Ma
Matthijs van Nieuwkerk