Olcay Gulsen: ‘Van types als Sylvana Simons gaan mijn haren rechtovereind staan’

In haar boek SuperOlcay doet Olcay Gulsen (38) uit de doeken hoe je met lef van niets naar de top komt. Ze kan het weten, als de vrouw die eigenhandig een mode-imperium uit de grond stampte. 20 vragen aan ‘de ultieme girlboss van Nederland.’

Uit Playboy, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

 

In je boek Superolcay vertel je over de grootste valkuil van mensen die van niets komen en opeens succes krijgen: overshinen. Hoe zag dat er bij jou uit?

Ik was al op jonge leeftijd redelijk snel succesvol en wilde dat heel erg laten zien aan iedereen. Ik vond mezelf wel wat. Ik kocht mooie klokken, dure auto’s, het was echt te cheesy voor woorden. Op een gegeven moment vierde ik zelfs mijn dertigste verjaardag op een afgehuurd jacht aan de Zuid-Franse kust met zogenaamd mijn beste vrienden, maar dat waren natuurlijk niet mijn vrienden. Als ik daar op terugkijk, vind ik dat echt een irritante houding van mezelf. Het is ook een beetje een dommige manier om indruk te maken. Zo’n feest op zo’n jacht heeft niets te maken met geluk of gezelligheid. Als ik nu op de bank zit met een paar echte vrienden dan is het pas écht gezellig. Daar hoef je geen dure champagne voor te drinken.

We lazen dat je in een huurhuis woont van €4.500 per maand. Waarom koop jij geen huis?

Omdat ik mijn hele leven al heel graag direct wil kunnen verhuizen. Dat is meer een psychisch dingetje. Ik heb een soort bindingsangst, met mensen en met plekken.

Wat is het duurste kledingstuk dat je bezit?

Ik denk dat het meeste geld in mijn tassencollectie is gaan zitten. Ik had er ontzettend veel, waar ik belachelijk veel geld aan had uitgegeven, maar toen er twee jaar geleden bij mij is ingebroken hebben ze alles meegenomen. Dat was echt heel zuur. Toen moest ik opnieuw beginnen. Ik nam me voor om er niet meer zoveel te kopen. Ik heb er nu een stuk of twintig, nog steeds veel te veel natuurlijk, die variëren tussen de €1.200 en €9.000.

6. Bij jou lijkt alles altijd zo vlekkeloos te verlopen. Gaat er ook weleens iets mis?
Natuurlijk. Ik heb een periode heel slecht in mijn vel gezeten. Tussen 2014 en 2016 had ik denk ik een burn-out, al zou ik dat nooit tegenover mezelf toe willen geven. Ik was helemaal klaar met de mode-industrie en de televisiewereld en heb toen echt twee jaar in de luwte geleefd. Och man, ik had het zo zwaar. Ik had mijn hele leven al mijn emoties uitgeschakeld. Ik had nooit gehuild, ik had me nooit kwetsbaar opgesteld, en toen gleed ik me toch uit en werd het twee jaar lang een groot jankfestijn. Ik voelde me zo slecht. Ik dacht ook echt dat ik er nooit uit zou komen. Achteraf gezien had ik hulp moeten zoeken, maar daar was ik toch te trots voor. Ik dacht dat ik het wel zelf kon en daarom heeft het ook zo lang geduurd.

In die periode was ik ook nog eens de gevierde vrouw. Dat matchte natuurlijk totaal niet met hoe ik me voelde. Ik dacht op een gegeven moment: ik boek gewoon een enkele reis naar een ver land en ik kom nooit meer terug. Al die ellende heeft me ook wel iets geleerd. Ik was altijd een schoft voor mensen die een burn-out hadden. Ik vond altijd dat ze zich niet zo aan moesten stellen. Ik kan natuurlijk nog steeds wel bedrijfseconomisch denken, ik bedoel: als jij een burn-out hebt en je contract loopt af, dan ga ik dat natuurlijk niet verlengen, maar ik ben niet meer de kille werkgever die ik ben geweest. Ik begrijp nu wat zoiets met je kan doen.

11 Je omschreef je vader in een oud interview eens als ‘een schizofreen, verslaafd aan heroïne en alcohol en gewelddadig tegen zijn hele gezin’. In het dankwoord van je nieuwe boek bedank je hem voor ‘zijn kleurrijke geest’. Wat is er de afgelopen jaren veranderd in jullie verhouding?

Ik ben ouder geworden. Dat is het denk ik. Ik was natuurlijk echt een rebel, ik schopte tegen alles en iedereen aan en daarbij het hardst tegen mezelf. Die drang heb ik nu minder. Ik zie nu heel goed in dat hij slachtoffer is van zijn ziekte en dat hij mijn jeugd niet bewust tot een hel heeft willen maken. Ik vind hem heel zielig en ik hou van hem – heel tegenstrijdig. Ik spreek hem nu een of twee keer per week en dat vind ik prettig.

12 Je moeder was ook niet de makkelijkste ouder, toch? Ze zegt onomwonden dat ze je eigenlijk had willen laten aborteren.

Ik weet niet meer hoe ze dat vertelde. Volgens mij heeft ze van kleins af aan al tegen mij gezegd dat ze liever had gewild dat ik doodgeboren was. Ik heb daar alleen nooit mee gezeten.

13 Heeft die moeilijke gezinssituatie jouw gedachten over het zelf stichten van een gezin beïnvloed?

Ik heb daar heel lang moeite mee gehad, maar meer door de ziekte van mijn vader. Schizofrenie is namelijk best wel een sterk genetisch bepaalde ziekte in onze familie. Mijn vader heeft het, zijn moeder had het, haar moeder had het ook… Ik dacht: misschien ben ik dan de lucky one die het niet krijgt, maar wat als mijn kind het wel krijgt? Omdat ik door mijn vader weet hoe erg het is om die ziekte te hebben. Nu sta ik daar anders in. Als ik de keuze had, dan zou ik wel een gezin willen stichten. Ook de angst dat ik daardoor misschien niet meer zoveel kan werken is nu weg. Ik was altijd zo gefixeerd op het zakelijk succes, maar nu denk ik: misschien is het krijgen van een kind wel het mooiste wat je kan overkomen.

14 Wat is op dit moment het grootste verdriet in je leven?

Mijn vader. Nog steeds. Als ik ergens wakker van word of ik heb een knoop in mijn maag, dan is dat altijd om die reden. Erg vind ik dat van mezelf. Ik kan er namelijk toch niets aan veranderen. Ik denk altijd wel dat ik alles kan veranderen, ik ben een supermens, dus ik kan toch ook wel mijn vader beter maken? Maar dat kan ik dus niet. En dan hoop ik altijd dat hij doodgaat. Dan heeft hij geen stemmen meer in zijn hoofd, hoeft hij geen drugs meer te scoren en is hij verlost van alle ellende. En dan voel ik me daar weer schuldig over.

15 Wat is het grootste misverstand dat over jou bestaat?

Dat ik arrogant ben. Ik ben zelfverzekerd, maar dat wordt vaak verward met arrogantie.

18 Je schrijft in je boek dat je een hekel hebt aan jonge allochtonen die blijven hangen in hun slachtofferrol. Wat bedoel je daar precies mee?

Nou ja, dat ze de buitenlandkaart spelen. Zo van: ‘Ja, ik word gediscrimineerd en daarom word ik niet aangenomen.’ Man, hou toch op. Je leeft in een land waarin alles kan en mag. Je kunt hier met veel inzet en hard werken iets bereiken, ook als je bent geboren in het verkeerde milieu. Ik ben wat dat betreft hartstikke trots op Nederland. Nederland staat voor mij gelijk aan vrijheid, maar die vrijheid wordt een beetje ingeperkt. We verdwalen ook echt in discussies.

Je mag niets meer zeggen, maar daar tegenover staan juist weer mensen die heel veel mogen zeggen en die daar ook gretig gebruik van maken. Van types als Sylvana Simons en die mannen van DENK gaan mijn haren recht overeind staan. Dat zijn zulke moemakers. Ik vind het walgelijk hoe ze een slachtofferrol op zich nemen met als enige doel om aandacht te krijgen. En die aandacht krijgen ze ook nog eens. Het is een soort vicieuze cirkel. Gelukkig zijn er ook nog steeds mensen die intelligente dingen zeggen, zoals golden boy Jesse Klaver, op wie ik vorig jaar ook gestemd heb. Dat is iemand in wie ik me politiek gezien wel kan vinden. Ook van vrouwen die zeggen dat ze minder kansen hebben dan mannen kan ik moedeloos worden. Vrouwen die er echt voor gaan, hebben ook veel kansen. Ik huiver dan ook altijd een beetje bij het woord feminist. Ik zou mezelf niet zo snel zo noemen – al ben ik het wel. Bij feministen denk ik toch altijd aan van die losgeslagen vrouwen met korte haren en tuinbroeken. Ik ben wat dat betreft meer een ‘vrouwelijke’ feminist.

19 Over de ontstaansgeschiedenis van Supertrash is altijd wat onduidelijkheid geweest. Quote plaatst bijvoorbeeld vraagtekens bij het feit dat het merk in Los Angeles zou zijn opgericht door een zekere Ava Riley en door jou zou zijn opgekocht. Zij stellen dat je het merk zelf hebt opgericht en dit verhaal alleen hebt verzonnen om het wat beter in de markt te zetten. Klopt dat?

Die verwarring is toch alleen maar leuk? Alles is een verhaal. En als er geen verhaal is dan moet je maar een verhaal maken. Ik heb veel gebluft, ik heb een beetje gelogen, ik heb interessant gedaan, ik heb mezelf beter voorgedaan dan ik was – het hoort er allemaal bij. En ik zou het morgen weer doen. Dat is onderdeel van de strategie. Je moet je best doen om een beetje op te vallen.

20 Waar hoop jij over tien jaar te staan?

Dan zit ik niet meer in de mode-industrie. Ik vind het een te gekke industrie, ik heb veel meegemaakt, veel geleerd, ik heb alles daarin wel bereikt, maar ik zou me ook wel weer eens op iets nieuws willen storten in een wereld waarin ik de regels nog niet ken. In Amerika noemen ze dat the third act of life. Het lijkt me heel leuk om misschien iets in de media te gaan doen, of de stoute schoenen aan te trekken en iets aan ontwikkelingshulp te gaan doen. Ik weet het nog niet. Ik ben alleen te jong om de rest van mijn leven te doen wat ik nu doe, maar eigenlijk ook te oud om met iets heel nieuws te beginnen – al wil ik dat wel heel graag.

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2018)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan een twintigtal literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

Willem Mertens’ levensspiegel (1914)
J. van Oudshoorn (1876 – 1951)

Jeroen Brouwers: Het is er moeilijk één boek te kiezen uit het onvoorwaardelijk bewonderde oeuvre van een schrijver. Ik bedoel J. van Oudshoorn, pseudoniem van Jan Koos Feylbrief, geboren en overleden in Den Haag (1876-1951). Zijn oeuvre, niet omvangrijk en al decennia niet herdrukt, is beklemmend somber en toch toegankelijk door toon en stijl en hier en daar zelfs sprankjes geestigheid.
Nu en dan herlees ik het, nu eens Willem Mertens’ levensspiegel, dan Tobias en de dood of Achter groene horren. Het infecteert me niet met het triestige bestaansbesef van Van Oudshoorns romanpersonages, al kan ik me dikwijls met hen vereenzelvigen. Lezing van deze en nog andere titels veroorzaakt integendeel vreugde zoals die zich voordoet bij het ervaren van alle grote kunst. Van Oudshoorn was een groot schrijver, verwaarloosd en zeer ten onrechte vergeten.
Ik kies voor Willem Mertens’ levensspiegel, de roman waarmee hij in 1914 debuteerde. Van een verhaal of een ontwikkeling is nauwelijks sprake. Willem Mertens werkt op een kantoor waar hij geld ontvreemdt uit de onder zijn beheer gestelde kas. Om dit aan te zuiveren gaat hij leningen aan, die hij verbrast in de kroeg. Zijn leven is in verveling doodgelopen, leeg en eenzaam. In de spiegel ziet hij zijn leven gepersonifieerd in een ongure schim van een mislukkeling en beseft hij zijn verwordenheid en schuldgevoelens daarover.
Een aan-uitrelatie met een meisje uit de kroeg houdt evenmin stand als wat dan ook in zijn ten slotte hopeloos verloederde aanwezigheid in de wereld. Al op de eerste bladzijde is duidelijk dat op de laatste Willem Mertens zich ‘doelbewust’ zal verdoen: hij werpt zich uit het raam.
Ik doe Van Oudshoorn onrecht aan door zijn aangrijpende roman zo bijna harteloos summier weer te geven. Dit eminente proza van inmiddels meer dan een eeuw geleden verdient nieuwe lezers en nieuw enthousiasme.

Onzichtbare boeken (2014)
Thomas Heerma van Voss (1990)

Alma Mathijsen: De schrijver van het boek is allerminst vergeten, maar dit boek zelf wellicht toch wel. Het is het dunste boek van zijn hand, waarin hij vertelt over het tomeloze doorzettingsvermogen van de uitgever van Babel & Voss. Het non-fictie boek is tragisch en liefdevol tegelijk. De uitgeverij lijkt op een zinkend schip, er is geen geld, noch auteurs, toch blijven ze vechten.
Onzichtbare boeken is een werk dat de tijd waarin steeds minder mensen lezen typeert. De ontoombare liefde voor het vak en de afnemende waardering daarvoor maakt het boek zo wrang. Doorgaan terwijl er nog meer een paar mensen luisteren, en dat dan doen vol enthousiasme. Na het lezen van dit boek bleef ik nog dagen melancholisch.

De knetterende schedels (1969)
Roger van de Velde (1925 – 1970)

Dimitri Verhulst: Sommige dingen moet je blijven herhalen, in alle wanhoop, tegen beter weten in, en daarom hoort u misschien niet voor het eerst uit mijn mond dat De knetterende schedels van Roger van de Velde een boek is dat ruim te goed is om vergeten te worden. Er zijn pogingen ondernomen om het werk opnieuw onder de aandacht te krijgen, want ja: er is nog een klein kransje van stille bewonderaars, maar moedige herdrukken van zijn boeken vlogen onbegrijpelijk linea recta naar de ramsj. Geen idee hoe het komt. Van de Velde schrijft zeer fris, puntig. ‘Knetterende schedels’ is opgebouwd uit kortverhalen, hetgeen handig is voor een moderne lezer met een belabberd uithoudingsvermogen. En bovendien grijpt hij, met humor, naar de keel. In zijn kortverhalen zowel als in zijn romans en essays.
Van de Velde was maagpatiënt en kreeg een medicijn voorgeschreven dat halverwege de jaren zestig plotsklaps een verboden product werd. Abusievelijk en onbewust verslaafd, zoals bleek toen hij het medicijn niet meer kreeg, begon voor Roger van de Velde een lijdensweg die voer langsheen afkickcentra, gevangenissen en gekkenhuizen. In De knetterende schedels zien we hem temidden van de gekken met wie hij opeens zijn dagen doorbrengt. De mindere goden, waartoe ook hij is gaan behoren, maar waarmee hij werkelijk niets gemeen heeft.
Met de jaren werd de schrijver ook woedender. Hij zag nationale hymnes gespeeld worden voor gedopeerde renners, Eddy Merckx die uit de Giro was gezet wegens het gebruik van verboden spul mocht op visite bij paus en koning, maar hijzelf vloog achter tralies, werd gezien als een gevaar voor de maatschappij. Gekerkerd, gebrandmerkt. De auteur mocht enkel onder politiebegeleiding signeren op de boekenbeurs van Antwerpen, groter kon de vernedering niet zijn.
Zelfmoord is geen garantie voor succes, en Van de Velde heeft zich ook niet van het leven beroofd om zijn naam nog even in de kolommen van een krant te weten verschijnen. Maar het lijkt er alleszins wel op dat zijn oeuvre samen met hem de kist in is gegaan. Zonde.

Scheuren in het canvas (2017)
Gerjon Gijsbers (1983)

Jonah Falke: Luctor de Lamlendige, het hoofdpersonage in Scheuren in het canvas, doet zijn naam eer aan. Zijn leven ontvouwt zich zonder dat hij daar enige grip op lijkt te hebben. Is het in die zin een realistische roman? Want, hoeveel valt er uiteindelijk te willen of te veranderen?
Bij Luctor resulteert dit doorgaans in doelloosheid, maar zonder dat het verveelt. En die schijnbare ‘kleurloosheid’ deed me denken aan De Avonden van Gerard Reve.
Het ontbreken van seksuele escapades in De Avonden is opvallend. Later zouden we weten waarom Reve niet over meisjes schreef. Gijsbers schrijft wel over meisjes, maar waar hij nog niet over schrijft, is nog niet duidelijk. Het zal te lezen zijn in de boeken die volgen. En dat lijkt me iets om naar uit te zien. Want, wat mensen je niet direct vertellen, zegt, denk ik, meer over hun fantasieën dan wat je van ze leest.

BoekDe kleine Rudolf (1930)
Aart van der Leeuw (1876 – 1931)

Maxim Februari: De kleine Rudolf is een geschiedenis van zelfhaat en zelfoverwinning. Auteur Van der Leeuw gaat niet zachtzinnig met zijn hoofdpersoon om: die is uitzonderlijk klein van gestalte en je krijgt hem steeds op zijn alleronvoordeligst te zien. Ondanks zijn gevoelens van minderwaardigheid wordt Rudolf verliefd op de beeldschone Martha. ‘Ik, van gedaante een meikever, die voor een rozestruik de hoed afneem.’
Zij is welwillend en even krijgt hij visioenen van een vervuld leven met haar. ‘Zo’n volkomen vervulling, waarvan je soms in je jeugdtijd gedroomd hebt, toen je nog onbewust was van het pak honden, dat je in je binnenste herbergde, en dat later alle lieve gasten van je drempel zou blaffen.’
Dan neemt de zelfhaat – het pak honden – het van hem over. Overtuigd van zijn nietswaardigheid doet hij zich zo monsterlijk mogelijk aan Martha voor. ‘Ik! roep ik, krom de benen, buk me ineen, schrompel samen, kuch, struikel, hink naast haar mee, of ik mezelf in een komische rol speelde.’
Uit pure levensangst trouwt hij zelfs nog even met een vrouw die qua schoonheid meer bij hem past dan zijn geliefde. Totdat hij volwassen wordt. En natuurlijk eindigt hij gelukkig getrouwd met Martha, maar voordat het zover is heeft de schrijver hem voor straf alle hoeken van de kamer laten zien. Een indrukwekkend hardhandig boek.

Torrentius – Het feest en de storm (1998)
Theun de Vries (1907-2005)

Bert Natter: Constantijn Huygens noemde Torrentius (Johannes Symoonisz. van der Beeck, 1588-1644) de beste schilder van stillevens in de Republiek. Het complete oeuvre van Torrentius werd echter na een proces wegens ketterij door de beul vernietigd. Pas begin twintigste eeuw dook één enkel meesterwerk van de schilder op, dat tegenwoordig te zien is in het Rijksmuseum. Gelukkig schreef Theun de Vries (1907-2005) op negentigjarige (!) leeftijd Torrentius, het feest en de stormDat is een met zeldzame liefde en toewijding geschreven fictief portret waarin de goddeloze schilder wordt opgevoerd als een briljant kunstenaar, een ironisch causeur, een gevoelig vrijdenker. De Vries troont je, aan de hand van de ondergang van zijn kleurrijke hoofdpersoon, mee naar schildersateliers, kroegen, bordelen, boudoirs en ten slotte het cachot.
Deze korte, maar niet kleine roman overstijgt de literatuur van alledag dankzij grote gebaren in fijnzinnige taal en machtige beschrijvingen die eenvoudige Hollandse landschappen een magische kracht geven. De Vries heeft een ongekende grip op de geschiedenis en durft er tegelijkertijd mee aan de haal te gaan. Dat je toch bijna honderd mag worden en zo’n boek zal schrijven. Torrentius verscheen dit jaar twintig jaar geleden, tijd voor een heruitgave, zou ik zeggen, maar tot die tijd is het in ieder geval antiquarisch te vinden en als e-book verkrijgbaar.

Aan het eind van de dag (2016)
Nelleke Noordervliet (1945)

Jet Steinz: Het boek is nog geen anderhalf jaar oud, maar na verschijnen vrij snel vergeten. Het heeft geen shortlisten van literaire prijzen gehaald, zelfs niet op longlisten gestaan. Onbegrijpelijk. Want Aan het eind van de dag van Nelleke Noordervliet is een geweldig geschreven, slimme en interessante roman. Met in de hoofdrol Kat(harina Mercedes Donker) — een bijna bitchy ex-minister, schrijver en feministe — die weigert mee te werken aan de biografie die een jonge academica over haar wil schrijven.
Want: ‘Elke poging samenhang te zien in al die losse feiten is giswerk op zijn best, geen reconstructie maar verhaal, meestal op de rand van leugen.’ En: ‘Een biografie is het verwrongen zelfportret van de auteur, een parasiet die leeft van een meestal nogal dode gastheer, een aaseter verlekkerd wroetend in een karkas.’ Er gaat inderdaad nogal wat gewroet worden, maar wel door Kat zelf; en dat levert een spannend, tragisch en ontroerend verhaal op.

De boer die sterft (1918)
Karel van de Woestijne (1878 – 1929)

Atte Jongstra: Het is een verhaal, maar een lang en schitterend verhaal: De boer die sterft van Karel van de Woestijne. Boer Nand ligt moederziel in een staat van halfdroom te wachten op zijn laatste adem. Aan zijn bed ziet hij vijf vrouwengestalten verschijnen (de zintuigen) die elk naar hun specialisme zijn leven aan hem doen voorbijgaan. Ongelofelijk hoe – inderdaad – zintuiglijk dit wonderschone, Vlaamse proza. Het zal altijd bij mij blijven. Ik las het als jonge man, mijn dood was nog ver weg. Maar als die komt, dacht ik, dan liefst zo, op die manier.
Nu ik dit schrijf is mijn vader naar de dood op weg. Ik bezocht hem vorige week, hij lag op de bank, zon op de ramen. Hij dommelde, mompelde nu en dan een woord of wat. Wie zou hij naast zich zien? De reuk? Gehoor? Gaan als boer Nand: als hem en mij dat toch eens overkomen mocht… Dan heb je – zo schrijft Van de Woestijne dat – ‘je wèl gevonden’.

Negen levens (2005)
Robert Anker (1946 – 2017)

K. Schippers: Negen levens (2005) hoort om de overvloed bij Het Evangelie van O. Dapper Dapper (1973) en Het Boek Ik (1952). Hermans’ evangelie is een surrealistische tekenfilm, Schierbeeks ik-taal overstroomt het land, de levens van Robert Anker blazen een onderwerp buiten zijn omheining.
Hij speelt als Dexter Gordon, Wardell Gray, zo’n naar alle kanten uitwaaierende tenor-saxofonist, voor wie de melodie er allang niet meer toe doet. Rob Anker zat bij de fanfare.
In het voorwoord heeft Anker het over de fles van zijn jeugd waarin alle kleuren, smaken, kleuren, geluiden, moet je ‘m schudden en dan krijg je dit in het Westfriese Oostwoud, twaalf kilometer van Hoorn. Wat?
De zintuigindruk die maar kort geloof hecht aan zijn eigen vondsten, ongeveer wat je vergeet, omdat het er toch niet doet. Hier blijft het bewaard. Sla het maar open, hindert niet waar, je ruikt het, blz. 32, nootmuskaat en peper, kaneel wekt een soort heimwee, kruidnagel wild, ‘het beeldloos visioen van een verte.’

Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928)
Felix Timmermans (1886 – 1947)

Boudewijn van Houten: Zeg in literair gezelschap in Vlaanderen nooit dat u waardering voor Felix Timmermans hebt: u wordt in de Schelde gegooid. Zeg liever dat u een hoge dunk hebt van Louis Paul Boon en u wordt op handen gedragen. Toch kon Timmermans schrijven. En tekenen. Net als Jan Wolkers begon hij als beeldend kunstenaar.
Na een depressie en een gevaarlijke operatie kiest hij voor levensvreugde, wat het unieke Pallieter oplevert, dat een wereldsucces wordt.
Daarna schrijft hij veel, mogelijk te veel. Er is genoeg flauws bij om Timmermans af te kraken. Dan wordt hij na afloop van de Tweede Wereldoorlog ook nog van ‘culturele collaboratie’ beschuldigd en flink vernederd, doordat hij in Duitsland, waar hij graag vertoefde en voordrachten hield, ook nog een prijs in ontvangst had genomen (een maand nadat deze zaak geseponeerd is, zal hij sterven).
Tot overmaat van ramp raakt hij bovendien bevriend met Anton Pieck die hij nota bene zijn werk laat illustreren. Ja, ik geef het u te doen Timmermans te verdedigen. Maar hij tekende even poëtisch als Pieck het kitscherig deed.
En daarom kies ik graag zijn roman Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken gerooken als een ten onrechte vergeten boek. Het gaat over een schilder en bovendien illustreerde Timmermans het met een massa plaatjes die een Vallotton-achtige eenvoud en charme hebben. ‘Het sneeuwde nog altijd dun en fijn, alsof de grijzen hemel wierd afgevijld.’ Zulke taal. Tragisch is dan weer dat de Nederlandse uitgever Van Kampen veel van Timmermans prachtige Vlaamse idioom onderdrukte en dat de oorspronkelijke manuscripten verloren gingen.

Zonder trommels en trompetten (1973)
Jeroen Brouwers (1940)

Auke Hulst: Jeroen Brouwers zelf is verre van vergeten – sterker, hij publiceert nog met veel succes en ouder werk verschijnt nog steeds in nieuwe jasjes – maar over deze novelle wordt te weinig gesproken. Terwijl deze ‘markante anekdote uit het leven van Jeroen Brouwers, door hemzelf verteld’, zoals de ondertitel luidt, de samengebalde essentie van Brouwers’ werk bevat: herinnering, de dood, een fascinatie voor zelfmoord en voor de literatuur, die voor Brouwers onlosmakelijk met het leven verweven is. Natuurlijk verteld door een man alleen die in deerniswekkende omstandigheden jenevertranen plengt, het nodige te (wee)klagen heeft, maar dat doet in een flonkerende stijl, die tegelijk barok is en geen woord vermorst, en ook – niet onbelangrijk! – de nodige lucht en humor bevat. In dit geval treffen we Brouwers aan in een krakend en lekkend boshuisje. We nemen kennis van de dood van zijn kat Carrabas, een verlies dat de deur opent naar herinneringen aan de zelfmoord van een goede vriend, en naar een verlangen naar een meisje ‘dat zo mooi is als de dood’. En dat alles gebracht vanuit een geestgesteldheid die de grens tussen hallucinatie en werkelijkheid poreus maakt. Een foutloos, tijdloos en onmisbaar boekje.

Rood paleis (1936)
F. Bordewijk (1884 – 1965)

L.H. Wiener: De angst voor chaos en verval en de daarmee samenhangende noodzaak tucht en orde na te streven, vormt de complementaire tweedeling in de persoonlijkheid van de auteur F. Bordewijk, die deze gesteldheid voor het eerst vorm gaf in de levensvisie van schoolhoofd Bint uit de gelijknamige korte roman, waarvan de eerste druk verscheen in 1934, met de dreiging van het naziregime en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in het verschiet. Een dreiging overigens die een onterechte verdenking op het gedachtengoed van Bordewijk heeft geworpen.
Zeventien jaar later, in 1951, verhief Bordewijk dit thema opnieuw tot grote hoogte in Rood paleis, een bordeel aan de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar de habitué Henri Leroy zijn nachtelijk heil zoekt. Leroy is de belichaming van de zichzelf complementerende persoonlijkheid, enerzijds de naar buiten tredende door en door fatsoenlijke en stijlvolle gentleman, cultureel geschoold en met een verfijnde smaak en anderzijds de romantisch-decadente hedonist voor wie het onbelemmerd bevredigen van ieder lustgevoel lokt als een levensvervulling. Hij doet in deze hoedanigheid denken aan Lord Henry uit Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray en zijn naam zou weleens geen toevalligheid kunnen zijn.
De handeling in Rood paleis voltrekt zich aan het begin van de vorige eeuw met als filosofisch perspectief het verstikkende fin de siècle-gevoel: het geloof in een toekomst die door de ontwikkeling van wetenschap en techniek alleen maar beter worden kon en anderzijds de fascinatie voor verval, decadentie en dood. Een geestelijke gesteldheid waaraan Bordewijk zelf in hoge mate onderhevig was. In deze meesterlijke roman verschuiven metamorfosen voortdurend in groteske vormen over en door elkaar heen en maken zo de werkelijkheid onkenbaar. Het ‘rode paleis’ blijkt niet levensvatbaar en gaat uiteindelijk in vlammen op, waarbij het transformeert tot een dier ‘met rode ribben en een skelet’, terwijl Henri Leroy versteend achterblijft als een gebouw ‘met twee rode markiezen’.
In de vlammenzee die het gedoemde gebouw in de as legt, ‘een fuga van vuur’ in de woorden van Bordewijk, kondigt zich de wereldbrand van de Eerste Wereldoorlog aan, waarin het fin de siècle-gevoel haar definitieve voleinding vindt.
Rood paleis vormt naar mijn stellige overtuiging het literaire hoogtepunt in het oeuvre van F. Bordewijk.

Kind in de buurt (1972)
Willem Brakman (1922 – 2008)

Vincent Schmitz: Het is alweer tien jaar geleden dat Willem Brakman stierf, de tot zijn dood uiterst productieve schrijver van een uniek oeuvre, waarin hij zowel volstrekt eigen variaties op beroemde romans van Kafka en Flaubert presenteerde als tot mythische proporties opgeblazen jeugdherinneringen.
Zijn werk is een genot voor literaire puzzelaars, liefhebbers van ondoorgrondelijke en alle kanten uit meanderende dialogen en studenten Nederlandse letterkunde op zoek naar een scriptieonderwerp. Zelf studeerde ik in 1999 af op Brakmans door de Jack the Ripper-moorden geïnspireerde novelle Heer op kamer (1988), nadat ik in colleges over postmoderne literatuur had kennisgemaakt met zijn werk. Zonder die studie was ik daar vermoedelijk nooit mee in aanraking gekomen, en tegenwoordig wordt hij ongetwijfeld nóg minder gelezen dan twintig jaar geleden.
Een roman van Brakman kan een frustrerende leeservaring zijn: terwijl je geniet van zijn taalvondsten en wonderlijke gedachtesprongen, vraag je jezelf voortdurend af of je een paar bladzijden eerder iets over het hoofd hebt gezien.
Een van zijn vroegere boeken, Kind in de buurt (1972), gaat over de Haagse kunstenaar Jan Oud. Het verval is ingezet, zijn roem is tanende, hij wordt zwaarder en trager, en hij zit vast in een liefdeloos huwelijk. Hij lijkt pas weer op te leven als hij leest dat in de buurt een jong meisje is verdwenen.
De man bijt zich zodanig vast in de zaak – zo daagt hij de vader van het meisje uit voor een spelletje schaak en hangt hij rond op haar schoolplein – dat hij zichzelf langzaam maar zeker verdacht maakt. Zelfs de lezer begint zich af te vragen in hoeverre Oud te vertrouwen valt, en hoe het nu zit met de slordig dichtgegooide kuil in zijn tuin: ‘Hij keek ernaar maar geloofde het niet, steeds opnieuw dacht hij debielig: verdomd die is dicht, die is vol, die hebben ze volgegooid, nu en dan schichtig in het rond glurend alsof hij iemand hoopte te betrappen die op een afstandje de buik vasthield van het lachen.’

Het reizen vereist sterke zenuwen (2004)
Bob den Uyl (1930 – 1992)

Mensje van Keulen: Ik sla een verhalenbundelvan Bob den Uyl (1930-1992) open en lees een eerste zin: ‘In het begin van dit jaar werd ik telefonisch door een meneer van de Belgische radio uitgenodigd in Brussel iets positiefs over zijn land te komen zeggen.’ Vooruit, nog een: ‘Een kennis van me, Alex Vreugdenberg geheten, had een nieuwe motorboot gekocht.’
In 2004 werd de Bob den Uylprijs in het leven geroepen, en sinds 2011 verscheen jaarlijks (tot 2015) in een kleine oplage het Bobschrift. Maar wie leest nog Bobs geestige, melancholieke, zwart-humoristische, hilarische verhalen over reizen, drank, zinloosheid, België, angst, Rotterdam, ergernissen, ja, wat niet al?
Zijn boeken zijn nog antiquarisch te verkrijgen. Wie nooit iets van hem heeft gelezen, kan rustig elk van zijn boeken aanschaffen. De titels spreken voor zich: Het menselijk kunnen staat voor niets, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam, Opkomst en ondergang van de zwarte trui. Lees Bob!

De versiertrucs van Victor Mids

Illusionist Victor Mids (30) haalt vanaf 17 maart weer de meest bizarre trucs uit in een nieuw seizoen van Mindf*ck en staat binnenkort in AFAS met een liveshow. Playboy vroeg hem naar trucs die we zelf kunnen toepassen.

Uit Playboy, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

Wat is je meest geslaagde truc van dit vierde seizoen van Mindf*ck?
Ik heb een heel groot experiment bedacht rondom subliminal messaging, het onbewust doorgeven van een boodschap in bijvoorbeeld een film. Ik heb filmkenner René Mioch in Tuschinski iets laten zien. Ik kan nog niet zeggen wat, alleen dat er meer tijd en werk en geld in is gestoken dan we ooit hebben gedaan. Mensen vragen mij weleens of het niet moeilijk is om elke keer weer nieuwe trucs te bedenken. Vergelijk het met het maken van een film: er verschijnen elke dag nieuwe films, terwijl je toch zou zeggen dat er maar een beperkt aantal verhaallijnen is te verzinnen. Zo werkt het ook bij illusies: het idee blijft vaak hetzelfde, maar in de manier waarop je dat idee presenteert kun je natuurlijk eindeloos variëren.

We hoorden dat je ook iets hebt uitgespookt met Rico Verhoeven?

Dat klopt. Met hem heb ik echt iets levensgevaarlijks gedaan – althans, voor mij dan. Ik kan verder nog niet veel over het experiment vertellen, behalve dat ik een soort roulette met hem heb gespeeld in een boksring. Het is oprecht het spannendste wat ik in mijn carrière tot nu toe gedaan heb. En wat ook heel tof is geworden is ons droomexperiment met Chantal Janzen. Ik ga haar op nationale televisie op magische wijze in slaap brengen.

Mislukt er eigenlijk weleens een truc?

Het gaat weleens niet zoals ik het had gewild, maar dat is vaak wel op een manier die ik later kan opvangen. Je kunt het vergelijken met een muzikant die een liedje op een gitaar speelt: soms speelt hij een verkeerd akkoord, maar dat betekent niet dat dan meteen het hele liedje is verpest. Heel soms gaat het zo erg mis dat ik het niet meer ongemerkt kan opvangen. In dit seizoen ga ik de straat op om al mind readend bij mensen hun bucketlist te achterhalen. Bij een man lukt me dat totaal niet. Ik had echt de indruk dat hij van vissen hield, maar hij haat vissen. Daarna ging ik het pad van het koken op, maar ook daar had hij niets mee. Op een gegeven moment maak ik er een lolletje van en ga ik allemaal dingen tegen hem roepen. Het lukte me in dit geval niet om zijn gedachten te doorgronden, maar ook dat zenden we gewoon uit.

In een interview zei je dat je vrij onzeker bent als je een mooie vrouw tegenkomt. Enerzijds ontfutsel je binnen no time het wachtwoord van een toevallige passant, maar anderzijds vind je het lastig om een vrouw om haar telefoonnummer te vragen. Hoe zit dat?

Ik denk dat iedere man zich onzeker kan voelen als hij een schone tegenkomt.

Heb jij voor jezelf – als iemand die de gedachtes van miljoenen mensen kan beïnvloeden – een manier gevonden om in zo’n geval je eigen gedachten te manipuleren?

Daar zijn heel veel trucs voor. Je tegen die onzekerheid verzetten is bijvoorbeeld het allerergste wat je kunt doen. Dan wordt het alleen maar erger. Als ik bijvoorbeeld voor een mooie vrouw sta en ik voel dat ik begin te stotteren, dan kan ik denken: ik begin te stotteren, dit hoort niet, ik moet hiermee ophouden. Daarmee verdwijnt die gedachte niet uit mijn hoofd. De kunst is dat je het stotteren opmerkt zonder daarover een oordeel te vellen: kijk mij hier nu stotteren tegenover haar. Als je dat doet, als je het stotteren gewoon erkent in plaats van het te ontkennen, merk je dat het meteen al een stuk minder wordt.

Heb je die kennis ook toegepast toen je je vriendin voor het eerst tegenkwam?

Lachend: Ja, ik heb haar wel geprobeerd te versieren met de kennis die ik in huis heb.

Wat is de beste truc om een vrouw te versieren?

Daar is natuurlijk nooit een techniek op te pinpointen: er bestaat niet zoiets als een magic button om een vrouw voor je te winnen. Er zijn wel wat technieken die je kunt gebruiken om het eerste contact voor jezelf iets makkelijker te maken. Wat bijvoorbeeld werkt in een eerste gesprek met een vrouw, is dat je interesse toont. Je vraagt, ik zeg maar wat, wat voor werk ze doet. Aan de bar kan het nogal een dooddoener zijn wanneer je vanuit het niets vraagt: ‘Wat doe je voor werk?’ Dat voelt zo plat. Terwijl als je zegt: ‘Hallo, ik ben Victor, en ik ben illusionist. Wat doe jij voor werk?’ Dan beginnen ze vanzelf wat te vertellen.

Met zo’n beroep is dat ook niet zo moeilijk.

Haha, dat is waar, maar het werkt echt. Het is wetenschappelijk aangetoond dat wanneer je eerst zelf antwoord geeft op de vraag die je gaat stellen, die persoon eerder geneigd is om iets over zichzelf te vertellen. Door het gebruik van dat soort kleine subtiliteiten lijkt het alsof zo’n conversatie op een natuurlijke manier verloopt. Het zijn de kleine inzichten die je helpen om goed over te komen op de ander.

Ben je eigenlijk al miljonair?

Natuurlijk niet. Maar over geld praat ik liever niet.

Je geeft het liever ook niet uit?

O jawel hoor, ik vind dat je jezelf af en toe best mag verwennen. Ik ga toevallig over een paar weken naar Bali en dan vlieg ik businessclass. Dat is iets wat ik nog niet eerder heb gedaan en wat ik in principe ook wel onbetaalbaar vind, maar ik geef mijn geld liever uit aan ervaringen dan aan spullen. Dat is ook wetenschappelijk aangetoond: je wordt gelukkiger van een ervaring dan van iets materieels. Denk maar eens aan de top tien van de gaafste dingen die je in je leven hebt gedaan, dan staat ‘het kopen van een duur horloge’ daar niet tussen. Terwijl je wel denkt: als ik geld heb dan koop ik een duur horloge. Dat is een veel kortstondiger geluk.

Tot slot: hoe zien jouw toekomstplannen eruit? Waar denk jij over tien jaar te staan?

Over tien jaar? Dan ben ik veertig. Ik hoop dat ik in ieder geval heel veel Mindf*ck-achtige programma’s heb mogen maken en daarmee wellicht de wereld over kan. En ik zou graag nog eens wetenschappelijk onderzoek willen doen naar hypnose. Dat vind ik nog steeds een fenomeen waar we veel te weinig over weten.

Paul de Munnik: ‘Ik moet het publiek bijna vanaf nul heroveren’

Paul de Munnik (47), voorheen de helft van Acda en De Munnik, staat vanaf 21 maart in het theater. Wat kijkt en luistert hij in zijn vrije tijd?

Uit HP/De Tijd, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

BOEKEN
“Mijn all-time favorite boek is A Prayer for Owen Meany van John Irving. Ik hou van zijn manier van vertellen. Hij gebruikt altijd verschillende verhaallijnen die uiteindelijk, zonder dat je het van tevoren ziet aankomen, heel ingenieus bij elkaar komen. Wat ik interessant vind aan dit boek is dat de ik-persoon (John Wheelwright) niet de hoofdpersoon is. Dat is Owen Meany, een Jezus-achtige figuur, die ervan overtuigd is dat hij een van Gods gezondenen is en een heldendaad zal verrichten. Zo eens in de twee jaar herlees ik het boek en nog altijd vraag ik me af: wat is dat voor een figuur? Alleen al de manier waarop hij praat: hij heeft zo’n gekke stem dat de schrijver alles wat hij zegt in kapitalen heeft opgeschreven. Daardoor hóór je hem krassen. Jonathan Safran Foer is een andere favoriet. Here I Am heeft diepe indruk gemaakt. Het gaat over een Joods gezin in de Verenigde Staten dat door allerlei omstandigheden in moeilijkheden geraakt – veel bondiger kan ik het niet samenvatten. Het gaat heel erg over identiteit: wie ben ik en waar kom ik vandaan? Het Jodendom speelt daarbij een grote rol. Dat vond ik ook verfrissend aan dit boek, dat je eens vanuit een Joodse beleving naar de wereld van nu kijkt.”

MUZIEK
“Ik luister altijd veel naar Tom Waits. Swordfishtrombones is mijn favoriete plaat. Nighthawks at the Diner is ook zo goed. Dat is bijna een muzikale cabaretvoorstelling. Hij vertelt te gekke verhalen, is poëtisch en geestig en het geheel is ook nog eens fucking muzikaal. Je hebt echt het idee dat je in zo’n oude jazzclub aan een tafel zit, met je neus erbovenop. Zijn latere werk vind ik wat ingewikkelder. Daarbij duurt het wat langer voor je doorhebt wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Daniël Lohues luister ik ook geregeld. Dat is een van de grootste liedjesschrijvers van ons land. Begin maart komt zijn nieuwe album uit: Vlier. Zijn liedjes zijn heel minimalistisch. Zonder opsmuk. Hij kan heel goed tot de kern van een lied komen. Heeft een tekst alleen pianobegeleiding nodig? Dan neemt hij alleen een piano. Het schrijven is voor hem ook echt een ambacht. Zoals het hoort. Ik heb de neiging om te wachten op inspiratie, maar dat bestaat niet, inspiratie. Je moet gewoon gaan zitten en gaan schrijven. Hij werkt ook veel harder dan ik. Ik heb toevallig deze week een liedje geschreven en dan ben ik de rest van de week wel weer tevreden, en volgende week ook nog wel, maar Daniël schrijft de volgende dag gewoon weer een liedje, en de dag daarop ook. Daar heb ik heel veel bewondering voor.”

THEATER
“De laatste voorstelling die ik zag was die van de jongens van Rundfunk: Wachstumsschmerzen. Het zat theatraal heel goed in elkaar: ze spelen weleens een scène met de vierde wand, zoals ze ook op televisie doen, maar het is wel altijd gerelateerd aan de publieksreactie. Hoe zou je kunnen omschrijven wat ze doen? Ze maken absurd toneelcabaret. Het is niet absurd in zijn scènes, maar wel absurd in zijn humor. Je ziet iets wat je herkent, maar wat er vervolgens gebeurt, is absurdistisch en ontregelend. Ze zijn ook niet bang om met grove grappen het publiek te choqueren, maar bij hen pakt dat goed uit. Ze schrikken het publiek daar niet mee af. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zich dat ook permitteren. Voor mij zijn dat de twee groten van onze generatie. Hans is iemand die heel duidelijk verlangt naar wat liefde en genegenheid. En dat zie je. Zijn eerste optredens waren echt overdonderend. Niet omdat hij zo grof was, maar omdat je een klein jongetje zag staan dat heel graag aardig gevonden wilde worden. Dat ontroert. Theo Maassen heeft dat ook. Hij is een jongen die zich oprecht afvraagt hoe de wereld in elkaar steekt. Natuurlijk mept hij af en toe flink om zich heen, maar ook bij hem ontdek je die diepere laag.
“Vroeger zaten de theaters altijd vol. Ook de mindere goden hadden altijd volle zalen. Nu staan er nog maar een paar boven aan de berg met volle zalen en de rest moet vechten om het publiek naar binnen te krijgen. Mensen geven hun geld namelijk maar één keer uit. En dat is ook logisch, maar dan gaan ze toch liever naar Jochem Myjer of Theo Maassen, omdat ze weten: daar krijg ik sowieso waar voor mijn geld. Sinds ik na Acda en De Munnik voor mezelf ben begonnen, merk ik dat ik het publiek weer bijna vanaf nul moet veroveren. Dat had ik ook wel verwacht, maar het is moeilijker dan ik had gedacht. Ik zal niet meer voor de echte topzalen spelen, in ieder geval de komende jaren niet. Carré zit er voor mij niet meer in. Dat hoort ook bij waar ik nu sta als maker en – heel eerlijk – ook aan het publiek dat ik op dit moment aan mij kan binden. En dat is ook niet erg. Dat komt wel weer. Ik speel nu liever voor wat minder mensen die speciaal voor de muziek komen dan voor wat meer mensen die alleen maar komen omdat ik het ben. Het is net als met een tuin: soms moet je eerst snoeien voor je iets weer kunt laten groeien. Dan is het eerst even kaal, maar uiteindelijk knapt de boom ervan op.”

Cécile Narinx: ‘Hemingway is een male chauvinist pig’

Journalist en modedeskundige Cécile Narinx (47) sprak een audiotour in voor High Society, een portrettententoonstelling in het Rijksmuseum. Wat leest, kijkt en luistert zij in haar vrije tijd?

Uit HP/De Stijl, maart 2018. Het gehele interview leest u hier.

BOEKEN
“Ik lees heel veel en wat ik lees gaat alle kanten op. Personal History van Katharine Graham vind ik een heel tof boek. Het is de veelbekroonde autobiografie van de eerste vrouwelijke krantenuitgever van de Verenigde Staten. Graham was ten tijde van het Watergateschandaal de uitgeefster van The Washington Post. Over die tijd gaat dat boek dan ook. Het is een heel persoonlijk verhaal dat tegelijkertijd ook heel journalistiek en politiek is ingestoken. Steven Spielberg verfilmde het onlangs als The Post, met Meryl Streep in de rol van Graham. Ik houd ook heel erg van de boeken van Ernest Hemingway. Hij is natuurlijk een enorme male chauvinist pig, hij gaat niet heel vriendelijk met vrouwen om, maar zijn vermogen om zich overal volledig in te gooien om alles tot in het diepst van zijn ziel te ervaren – oorlog, stierenvechten, liefde – vind ik fantastisch. A Moveable Feast, zijn memoires van zijn verblijf in Parijs, kan ik blijven lezen. Als ik daar ben, ga ik graag oesters eten bij La Closerie des Lilas met het idee: hier zat hij ook. De Napolitaanse romans van Elena Ferrante heb ik ook echt verslonden. Er wordt beweerd dat Domenico Starnone schuilgaat achter dit pseudoniem, maar ik geloof dat niet. Ik wil het ook niet geloven. De boeken van Ferrante zijn door een vrouw geschreven – dat kan niet anders. Ik heb laatst bijvoorbeeld Sweet Caress van William Boyd gelezen, dat ook vanuit een vrouwelijk perspectief wordt verteld, maar dat is niet zo overtuigend. Als mannen zich proberen te verplaatsen in een vrouw, dan lees je dat er altijd aan af.”

BEELDENDE KUNST
“In het Metropolitan in New York heb ik mij de benen uit het lijf gelopen voor Portrait of Madame X van John Singer Sargent, een portret van Virginie Amélie Avegno Gautreau, de Amerikaanse vrouw van de rijke Parijse bankier Pierre Gautreau. Ze had een vrij discutabele reputatie omdat ze er meerdere mannen op na zou houden en die mannen ook gebruikte om hogerop te komen. Op de tentoonstelling in het Rijksmuseum is trouwens een portret te zien van een van die vermeende minnaars, ook van Sargent: Dr. Pozzi at Home. De reden dat ik Madame X zo graag wilde zien is dat er ook een beetje modegeschiedenis aan vastzit. De jurk die ze op het schilderij draagt, is namelijk wereldberoemd. Het is een van de meest iconische zwarte jurken uit de geschiedenis, net als de little black dress van Chanel, de Givenchy van Audrey Hepburn uit Breakfast at Tiffany’s en die van Rita Hayworth uit Gilda. Saillant detail: de bandjes zijn er pas later bij geschilderd, omdat men de jurk zonder bandjes iets te wuft vond.”

MUZIEK
“Ik koop eigenlijk nooit albums, maar deze week heb ik er toevallig een gekregen. Het is het album van Hans Jürgen, een geitenbreier met een witte snor die een fietsenstalling runt op het station van Utrecht. We raakten ooit eens in gesprek toen ik hem complimenteerde met de muziek die hij daar ’s avonds altijd op heeft staan, meestal Engelbert Humperdinck. Hij vroeg verrast: ‘Ach, kennen Sie ihn?’ Hij vertelde me dat hij droomt van een eigen zangcarrière. Hij zingt ook graag in de fietsenstalling, want daar is zo’n fantastische galm. Laatst heeft hij al zijn spaargeld bij elkaar gelegd, wat nummers opgenomen in een studio en in eigen beheer een cd uitgebracht. Het heet ook My favorite songs. Alle banden die hij voor weinig geld kon krijgen heeft hij daarvoor gebruikt. Quando, quando, quando – dat soort repertoire. Het is zo schattig. Zijn vriendin Marina, die hij heeft leren kennen op de platenbeurs in de Jaarbeurs in Utrecht, voor de platenbak van Engelbert Humperdinck, heeft voor de covertjes portretfoto’s geprint en in de hoesjes gestoken. Als ik hem in de fietsenstalling hoor zingen, moet ik altijd denken aan een les die mijn vader me eens heeft geleerd: ‘Wo man singt, da laß’ dich ruhig nieder: böse Menschen haben keine Lieder.’”

Don Diablo over muziek, vrouwen en een gebrek aan erkenning

Don Diablo (38) heeft na tien jaar zijn tweede album uitgebracht: Future. Hij behoort tot de elf populairste deejays ter wereld, heeft overal uitverkochte zalen, maar erkenning voor zijn muziek krijgt hij nauwelijks in Nederland. ‘En dat is raar’, vindt hij zelf ook.

Verschenen in Playboy 04, 2018. Lees het gehele interview hier.

Q1. Waarom duurde het bijna tien jaar voor je met een tweede album kwam?
Dat had meerdere redenen. Een daarvan was dat ik op zoek was naar een nieuwe sound, die ik met future house uiteindelijk ook heb gevonden. Een andere was dat ik meer draagvlak wilde creëren voor mijn muziek. Mijn muziek wordt namelijk niet heel veel gedraaid op de radio. Ik moest dus voor een grotere fanbase zorgen. De remixes die ik heb gemaakt voor onder andere Madonna, Rihanna en Ed Sheeran zorgden voor mijn internationale doorbraak. Vijf jaar geleden had ik nog 20.000 fans op Facebook, nu heb ik er drie miljoen. Dat maakt het een stuk makkelijker om een album met zestien nummers aan de man te brengen.

Q2. Jij staat aan de basis van de future house. Kun je uitleggen wat dat precies is?

Eigenlijk is dat vijf jaar geleden begonnen, op het moment dat ik mijn vader verloor. Vlak daarvoor had ik een gesprek met hem. Het werd me opeens duidelijk hoe kostbaar tijd is, hoe bijzonder het is dat je überhaupt een toekomst hebt. Ik dacht: vanaf nu ga ik in de toekomst leven. Mocht ik het niet redden, dan heb ik de toekomst in ieder geval al gezien. Je ziet het terug in m’n socials, in m’n kledinglijn, in m’n radioshow die wordt gecohost door een robot – alles speelt zich af in de toekomst. Maar ik had natuurlijk nooit verwacht dat het een golfbeweging zou worden die de wereld over is gegaan.


Q3. Je hebt jezelf al vaker opnieuw uitgevonden. Je was als puber een nerd, compleet met paardenstaart, maffe kleren en licht autistische trekjes, om met je eigen woorden te spreken. Hoe erg was het?

Ik was altijd die jongen die geen vrienden had, die nooit een vriendinnetje kon krijgen, die altijd als laatste werd gekozen tijdens gym. Op mijn vijftiende dacht ik: fuck it, ik hoef die persoon niet te zijn. Ik ging mezelf Don Diablo noemen, waardoor Don Pepijn Schipper uit Coevorden eigenlijk een soort Clark Kent werd, die overdag naar school ging en ’s nachts in zijn laboratorium zat te brouwen op allerlei ideeën om te ontsnappen aan de dagelijkse realiteit. Dat voel ik nog steeds zo: voordat ik het podium op stap doe ik mijn superhero-outfit aan en word Don Diablo.

Q4. Bestaat Don Pepijn Schipper dan eigenlijk nog wel?

Op een gegeven moment werden Don Pepijn Schipper en Don Diablo een en dezelfde persoon. Ik kan je niet vertellen waar het verschil zit. Ik ben nog steeds dat onzekere jongetje dat zich afvraagt wat zijn rol is op deze aardbol. Het enige wat ik kan doen om die innerlijke stemmen te onderdrukken is zeventien uur per dag, zeven dagen per week te werken. En om te proberen om iets te creëren dat verder gaat dan mijzelf. Een soort movement. Ik wil met alles wat ik doe iets creëren waar de outcast zich thuis bij voelt. Because there is no such thing as an outsider.

Q8. Heb je op dit moment een relatie?
Nee. Natuurlijk zou ik wel een leuke vriendin willen hebben, maar het komt me nu ook wel goed uit dat ik vrijgezel ben. Sinds het is uitgegaan met mijn vriendin merk ik dat er iets van me is afgevallen. Ik kan nu full blazing iedere dag tot vier uur ’s nachts mijn eigen ding doen zonder dat ik daar verantwoording voor hoef af te leggen.

Q9. Heeft je werk een relatie weleens in de weg gestaan?
Ik ben natuurlijk heel vaak van huis. Mijn ex-vriendin zei dan ook: je bent nooit thuis, en als je thuis bent zie ik alleen maar je rug, want dan zat ik in de studio. Ze heeft dat heel lang geaccepteerd en mij daarin heel lang gesteund, totdat ze zich realiseerde dat dit nooit zou veranderen.

Q17. Vind je dat je genoeg erkenning krijgt in Nederland?
Ik word niet elke week overladen met prijzen in Nederland. En dat is raar, want ik sta toch in de top 300 van meest beluisterde artiesten wereldwijd op Spotify, wat niet veel Nederlandse artiesten me na kunnen zeggen. Ik weet niet hoe het komt dat ik hier blijkbaar niet zo opval. Volgens mij moet je zes miljoen streams hebben wil je een platina plaat krijgen. Ik heb op sommige platen vijftig miljoen streams, alleen hebben die streams niet allemaal plaatsgevonden in Nederland, waardoor ik hier geen gouden of platina plaat haal. Daardoor krijg je ook net niet die Popprijs, net niet die Edison, net niet de erkenning die andere artiesten hier wel krijgen. Maar ik ben voorbij het punt dat ik me daar druk om kan maken. Erkenning komt natuurlijk in vele vormen. Ik heb dan misschien geen volle prijzenkast, maar ik kan wel naar wereldsteden als Los Angeles en New York en daar grote concerten uitverkopen op mijn eigen naam.

 

Don Diablo (Interview in English)

Don Diablo (38) has released his second album after ten years: Future. He is one of the eleven most popular DJs in the world, has sold out venues everywhere, but he hardly gets any recognition for his music in the Netherlands. “And that’s weird,” he says.

Published in Playboy The Netherlands, april 2018. Automatically translated with Google Translate.

1. Why did it take almost ten years for you to release a second album?

That had several reasons. One was that I was looking for a new sound, which I eventually found with future house. Another was that I wanted to create more support for my music. My music is not played very much on the radio. So I had to provide a larger fan base. The remixes I made for Madonna, Rihanna and Ed Sheeran, among others, made my international breakthrough. Five years ago I still had 20,000 fans on Facebook, now I have three million. That makes it a lot easier to sell an album with sixteen songs.

2. You are at the basis of the future house. Can you explain what that is exactly?

That actually started five years ago, the moment I lost my father. Just before that I had a conversation with him. It suddenly became clear to me how precious time is, how special it is that you have a future at all. I thought: from now on I will live in the future. If I didn’t make it, then I have already seen the future. You see it reflected in my socials, in my clothing line, in my radio show that is being hosted by a robot – everything takes place in the future. But of course I never expected that it would become a wave movement that has traveled the world.

3. You have reinvented yourself before. As a teenager you were a nerd, complete with ponytail, silly clothes and slightly autistic traits, to speak with your own words. How bad was it?

I was always that boy who had no friends, who could never have a girlfriend, who was always chosen last in gym. At the age of 15 I thought: fuck it, I don’t have to be that person. I started calling myself Don Diablo, making Don Pepijn Schipper from Coevorden actually a kind of Clark Kent, who went to school during the day and spent the night brewing in his laboratory on all sorts of ideas to escape everyday reality. I still feel that way: before I step on stage I put on my superhero outfit and become Don Diablo.

4. Does Don Pepijn Schipper actually still exist?

At one point Don Pepijn Schipper and Don Diablo became one and the same person. I can’t tell you where the difference is. I am still that uncertain boy who wonders what his role is on this globe. The only thing I can do to suppress those inner voices is to work seventeen hours a day, seven days a week. And to try to create something that goes beyond myself. A kind of movement. With everything I do, I want to create something that the outcast feels comfortable with. Because there is no such thing as an outsider.

5. What are you most uncertain about at the moment?

Literally about everything. As soon as I leave the stage, after I have performed for 10,000 outrageous people, I immediately lock up and start doubting everything. After such a show, I should just go into a much too expensive hotel room with a bottle of champagne in the hot tub, but all I do is meditate and think: I should do this better next time. That uncertainty just remains.

6. Do you find yourself attractive?

Sometimes yes, sometimes no. I think that in essence everyone is attractive, provided you have the right light and the right angle. And being attractive is something other than being handsome. You have very superficial attractiveness, for example when you think that someone has a nice jaw line, but on the other hand it is also very attractive if someone is passionate about something. Appearance then has not much to do with it.

7. Does that also apply to women?

Yes! When I look at the women I have been in love with … Blond, red and black, big buttocks and thin buttocks, big and small breasts … I really am such a sucker who doesn’t fall for looks but for personality. I am always very attracted to women who have a dream and also do everything in their power to realize that dream. A relationship must be, above all, that you trust and love each other, that you stimulate each other in the pursuit of dreams. It can be very attractive if someone understands that.

8. Has your work ever stood in the way of a relationship?

Of course I am away from home a lot. My ex-girlfriend said: you are never at home, and when you are at home I only see your back, because then I was in the studio. She accepted that for a very long time and supported me in it for a long time, until she realized that this would never change.

9. Would you like to change that?

If you are so close to something big, as is now the case with me, then it is not the time to run slower. I have had so many people who have thwarted me, so many people who did not see anything in me and did not allow me success … Quitting was not an option. If I had done that I would have gone crazy for the rest of my life. I had to prove to myself that I was worth something. I used to look in the mirror and then I was just shocked. I was literally too uncertain to look at myself. Since I call myself Don Diablo that is over.

10. Are you currently in a relationship?

No. Of course I would like to have a nice girlfriend, but now it is also convenient that I am single. Since it went out with my girlfriend, I notice that something has fallen from me. I can now do my own thing full blazing up to four in the morning without having to account for it.

11. How much do you earn?

I swear on my mother: I have no idea how much is on my bill. And I don’t want to know either. Because so much goes out, there are so many costs. For example, I have just done a tour through America. All shows were sold out: 4,000 tickets here, 5,000 tickets there, and yet I hardly have anything left at the bottom. You travel with seventeen people, all of whom must have an airline ticket and a hotel room, equipment must be rented. That’s why I always tell my accountant: I don’t want to know how much I earn, I just want to know if I have enough money to pay my people. My goal is not to become the richest man in the cemetery, but to make beautiful things.

12. What do you spend a lot of money on?

I don’t think I’ve been on vacation for ten years, so that’s not it. In fact, I only spend a lot of money on my music. To equipment. I think on the computer next to you there is more than 100,000 euros in plug-ins. But I also spend a lot of money on the creativity around it. For example, I play a video clip for each single. That is actually too expensive, but I do it anyway.

13. You once wanted to go to the film academy. Would you like to make a movie in the future?

Yes. I have even set up a special film division within my company, for which four people have been working full-time for two years now on a futuristic epic that should become the most horrifying feature of all time. I don’t have a deadline for that, but suddenly it will be there once.

14. You have also been working on a documentary about yourself for seven years. Tell me?

Every deejay has its own documentary about itself, but as I watched more documentaries from colleagues, I started to realize how superfluous most documentaries are. I went back to the drawing table and am working on a film that should reflect my reality. It must be a combination between film and documentary. Donnie Darko meets Big Fish. It is not about my story, but about the things we all experience, and I want to show it as honestly as possible. My mother will soon be moving out of my parental home, so closing off your childhood will be an important theme. The deadline has been shifting for three years, but my goal is to finish it early next year.

15. When did you last cry?

That was in New York last week. It was after the last show of an incredibly heavy tour in which everything went wrong that could go wrong. At the end of that last show I played the song that I wrote for my father: The Artist Inside. I projected images of my father, of how he was, how I was, I saw myself as a boy and at the same time him as an old man and I didn’t like it anymore. Afterwards I sobbed into my manager Andrew’s arms. He said, “Your father saw it,” and then began to cry himself.

16. Your father was a big music fan. To what extent have you been influenced by music from your youth?

I think that is why I set the bar very high. I grew up with artists like Freddie Mercury, Prince and David Bowie. These are artists who can be far above my own, who are much more talented than me. I try to measure myself against that, but I shouldn’t do that, because that makes me think: who the fuck am I to make music? While what they do and what I do is of course totally incomparable.

17. Do you think you get enough recognition in the Netherlands?

I am not overloaded with prices in the Netherlands every week. And that is strange, because I am in the top 300 of most listened to artists worldwide on Spotify, which not many Dutch artists can say. I do not know why it is that I apparently do not stand out. I think you need six million streams to get a platinum record. I have fifty million streams on some plates, but not all of them have taken place in the Netherlands, which means I don’t get gold or platinum here. As a result, you just don’t get that Popprijs, just not that Edison, just not the recognition that other artists get here. But I am past the point that I can worry about that. Recognition naturally comes in many forms. I may not have a full prize cabinet, but I can go to world cities like Los Angeles and New York and sell out big concerts there in my own name.

18. Martin Garrix has been crowned the best DJ in the world for two years in a row. Rightly or not?

There is no one who is more popular than he is at the moment. You can tell that from everything: ticket sales, world hits… I could of course look at him with envy, were it not for me to see him as a friend and he is a boy with a golden heart. That makes it all a lot more bearable. And I now also have success. That also helps a lot. I know that many colleagues who did not have that feeling embittered. If you have big dreams and you get stuck in the middle bracket, then that can ultimately be a big nightmare.

19. What is the strangest request you have ever had from a woman?

A woman once asked me if I wanted to put a signature near her vagina. She then had them tattooed. Later she came to a show again, now with her boyfriend. I asked him, “Don’t you think that tattoo is weird on that place?” He answered: “No, I am also a big fan, so it is an honour to watch your autograph when I cum.” That was a rather strange incident.

20. Which song in the background would you like to die with?

Bluejeans & Moonbeams by Captain Beefheart – the stage name of Don Van Vliet, after whom I am named. That number immediately brings me back to my childhood, to my parents and brother. That is the beauty of music, that it goes so much further than just sound. It evokes memories that you will carry with you for the rest of your life. Fuck your money, fuck your fame, in the end you take nothing with you, except a few nice memories.

De leeshonger van Griet Op de Beeck

Dit jaar schrijft Griet Op de Beeck (44) het Boekenweekgeschenk. Wat leest, kijkt en luistert zij als ze niet zelf aan het schrijven is?

Interview uit het maartnummer van HP/De Tijd (2018)

BOEKEN
“Op dit moment lees ik bijna uitsluitend het werk van Frans Kellendonk, want ik ben zowaar gevraagd om dit jaar de Frans Kellendonk-lezing te houden. Ik had weleens wat van hem gelezen, maar niet heel veel, ook omdat hij in België een veel minder bekend figuur is dan in Nederland. Ik ben begonnen met zijn verzamelde brieven. Ook al ben je in brieven onvermijdelijk toch altijd een beetje de sociaal wenselijke versie van jezelf – hoewel hij soms behoorlijk tekeergaat tegen andere mensen –, toch schetst het een mooi beeld van wie hij was, hoe hij dacht en geëvolueerd is. Het andere boek dat ik nu lees is Of heb ik het verzonnen? van Herman Koch en Wanda Reisel. Het nam me meteen mee, ik vond het nog fascinerender dan ik had gedacht. Herman en Wanda kennen elkaar al vanaf hun jeugd. Heerlijk dat twee schrijvers zo’n lange geschiedenis delen, dat ze aftasten hoe betrouwbaar herinneringen zijn, en hoe anders percepties van dezelfde gebeurtenissen. Ze schrijven over hun levens, de boeken die ze hebben gelezen en aan het schrijven zijn en het biedt een boeiende, intieme inkijk in hun hoofden. Herman is een goede vriend van mij en ik heb hem door dit boek nog wat beter leren kennen, dat is toch een mooie bonus.
“Van Philippe Claudel had ik alles gelezen, behalve Het kleine meisje van meneer Linh. Er is een theaterbewerking van gemaakt door Toneelhuis Antwerpen en ik dacht: voordat ik naar het theaterstuk ga, moet ik eigenlijk wel eerst het boek hebben gelezen. En het heeft me echt tot tranen toe geroerd. Dat gebeurt me bijna nooit. Meneer Linhs familie is in zijn thuisland vermoord, en hij is met zijn kleindochter, een baby nog, naar Europa gevlucht. Hij gaat kapot van eenzaamheid in een asielzoekerscentrum, tot hij ergens buiten op een bankje een man ontmoet. Ook al spreken ze elkaars taal niet, toch vinden die twee elkaar. Ik ga niet verklappen wat de link precies is, maar het is een prachtig portret van mensen die tegen alle verwachtingen in het verschil weten te maken in het leven van de ander. In een wereld waar zoveel mensen lijnrecht tegenover elkaar staan, gaat dit verhaal recht naar het hart.
“Een ander boek waar ik onlangs erg van onder de indruk was – nu lijk ik behept te zijn met de vluchtelingenproblematiek, maar daar wordt natuurlijk veel over geschreven nu – is Waarvan wij droomden van Julie Otsuka. Het is zo’n boek waarvan je denkt: het uitgangspunt is leuk, maar niet doenbaar. Het verhaal heeft namelijk geen hoofdpersoon. Het is helemaal geschreven in de wij-vorm. Het gaat over een groep Japanse vrouwen die in 1920 naar San Francisco werden verscheept om daar hun Amerikaanse man te ontmoeten, die hen op basis van een foto had uitgekozen – met alle gevolgen en teleurstellingen van dien. Prachtig geschreven, indrukwekkend relaas van wat mensen overkomt die op een bepaald moment door de plaatselijke bevolking niet meer getolereerd worden. Schrijnend portret dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor alle jonge mensen, vind ik.”

Het gehele interview met Griet Op de Beeck – onder meer over Francis Bacon, Alain Plattel en de Coen Brothers – leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Frans Weisz over Siegfried, De Aanslag en Donald Trump

Lezen doe ik wel als ik oud ben, denkt filmmaker Frans Weisz (79) nog steeds. Wat leest, kijkt en luistert de regisseur van Het leven is vurrukkulluk (première 25 januari) als hij niet met film bezig is?

Interview in HP/De Tijd, januari 2018.

BOEKEN
“Op dit moment herlees ik Siegfried van Harry Mulisch, over de fictieve zoon van Adolf Hitler en Eva Braun, want ik hoop en bid dat dat mijn volgende film wordt. Het vreemde is dat ik het boek, toen het in 2001 verscheen, al na het eerste hoofdstuk heb weggelegd. Ik vond het allemaal ijdeltuiterij. Nu herlees ik het en vind ik het een prachtig boek. Harry Mulisch wordt beter naar mate hij langer dood is. Hij is als het ware vervaagd – en dat komt het boek in dit geval ten goede. De boeken die ik nu lees staan allemaal in dienst van deze film. Wat ik een heel fascinerend boek vind, is Hitler in Pasewalk – Die Hypnose und ihre Folgen van Bernhard Horstmann. Ken je het verhaal van Hitler die na de Eerste Wereldoorlog een shellshock had, waarvoor een psychiater hem met hypnose behandelde? Die arts beschrijft dat Adolf Hitler een stotterend en in zichzelf gekropen mannetje was, behalve als hij onder hypnose was. Dan viel de onzekerheid weg en praatte hij zonder haperingen. Op een dag bleef hij weg en kwam niet meer terug. Jaren later hoort die arts op de radio een stem en denkt: die stem herken ik!, maar slaat er verder geen acht op. Hitler was immers maar een paar keer geweest en had daarna niets meer van zich laten horen. Weer veel later ziet die arts in een nieuwsbulletin in de bioscoop van wie die stem is. Verrek, dat is hem, denkt hij, en hij is nog steeds onder hypnose! Vind je dat niet bizar?”

FILM
“Ik ben een werkezel die hoopt dat hij op een dag een wonder zal meemaken en een film aflevert waar hij helemaal tevreden over is – maar de kans daarop is uitermate klein. Ik bid ook, voor de katholieke god en de joodse god, dat me dat een keer in de schoot wordt geworpen. Dat is tot nu toe nog niet gelukt. Dat is misschien ook wel goed, omdat ik blijf vechten om het te bereiken. Orson Welles zei eens dat de Oscar die hij als 26-jarige kreeg voor Citizen Kane het ergste was wat hem ooit was overkomen. Zijn hele leven werd hij met zijn eerste film geconfronteerd. Mike van Diem kreeg aan het begin van zijn carrière een Oscar voor Karakter. Dat lijkt mij verschrikkelijk voor hem. Fons Rademakers kreeg zijn Oscar gelukkig pas aan het eind van zijn carrière. Ik had destijds de filmrechten voor De aanslag ook kunnen krijgen, maar ik zei tegen de producent: ‘Ik wil De aanslag dolgraag maken, maar ik zie net zo lief iemand anders erover uitglijden.’ Een boek waarvan het tweede hoofdstuk begint met: ‘De rest is naspel.’ Wat moet je daar nu mee? Rademakers won er een Oscar mee, maar toch heb ik gelijk gekregen. Als die Oscar er niet was geweest, was het namelijk een middelmatige film geweest.”

“De laatste film die ik heb gezien is The Square van Ruben Östlund. Ik vond het prachtig, met name die scène waarin een man als een losgeslagen gorilla door een chique eetzaal banjert. Daar kan ik zo fucking jaloers op worden… Bij die scène moest ik trouwens meteen denken aan Donald Trump. Ik hoop nog steeds dat hij op 20 januari zegt: ‘Jongens, luister eens, ik ben nu een jaar president geweest, maar het was één grote grap. Ik heb het bewijs willen leveren dat elke gek met een beetje geld president kan worden van dit land. En dat is me gelukt.’ En ik zweer het je: hij krijgt alle eer die geen koning ooit heeft gehad. En als het geen grap blijkt te zijn, dan vind ik het heel erg dat zo iemand het zo ver schopt. Het kan niet waar zijn dat ik op dit moment Benito Mussolini en met enige argwaan zelfs Adolf Hitler nog boven Donald Trump zet, omdat ik hem echt niet meer kan volgen. Adolf Hitler heeft, en ik zeg dit weer met enige argwaan, nog wel iets van menselijke trekken. Die eiste bijvoorbeeld dat het gordijn dicht bleef als hij langs gebombardeerde steden reed. Donald Trump heeft niets menselijks. Ik kan het althans niet in hem ontdekken. Ik sta bijna te popelen om een film te maken waarin ik hem psychisch uitkleed. Een soort Siegfried, maar dan over hem.”

Lees het gehele interview hier op Blendle.

Géza Weisz: ‘Ik wil zoveel mogelijk vrouwen veroveren’

Interview met Géza Weisz voor Playboy. (Januari 2017)

Deze maand schittert hij in de bioscoopfilm Het leven is verrukkulluk, geregisseerd door zijn vader. ‘Ik maak me geen illusies: ik had deze rol niet gekregen als hij niet de regisseur was geweest.’

1 Je speelt een van de hoofdrollen in Het leven is vurrukkulluk – de film naar het gelijknamige boek van Remco Campert. Hoe was het om zo intensief samen te werken met je vader (regisseur Frans Weisz, red.)?
Het is oprecht de beste ervaring uit mijn leven. Ik heb wel vaker meegespeeld in films van hem, maar dat waren altijd maar een paar draaidagen, nooit een hoofdrol. Deze keer was echt voor het eerst dat hij mijn regisseur was in plaats van mijn vader. En dat is even wennen. In general is het zo dat je als acteur naar de regisseur luistert en dat was in dit geval niet anders, al durf je misschien wel wat meer tegen hem te zeggen omdat het je vader is.

2 Zou je de rol ook hebben gekregen als je vader niet de regisseur was geweest?
Ik maak me geen illusies: ik had deze rol niet gekregen als de regisseur niet mijn vader was geweest. Ik ben niet de meest voor de hand liggende acteur om die rol te spelen. Daar kun je gewoon eerlijk over zijn. Als je naar m’n cv kijkt… Maar ik ben wel heel blij mee met deze rol. Ik heb ook niet het gevoel dat ik de keuze van mijn vader hoef te rechtvaardigen – al heeft hij dat zelf wel een beetje. Sommige mensen zullen er de poëzie van inzien, dat vader en zoon samen aan een film werken, en dat die zoon dan ook nog eens is vernoemd naar de vader van zijn vader, een acteur uit Berlijn die de oorlog niet heeft overleefd… En een ander zegt dat een andere acteur veel geschikter zou zijn voor de rol. Wat je als regisseur ook besluit, het heeft geen zin om dat met woorden te verdedigen. You can’t have them all. Je moet gewoon zorgen dat de film goed is. En ik vind hem erg goed geworden.

We vroegen chef-kok Ron Blaauw waarmee een middelmatig kokende man een vrouw kan verleiden
Lees ook:
We vroegen chef-kok Ron Blaauw waarmee een middelmatig kokende man een vrouw kan verleiden
Wanneer is de culinaire honger van Ron Blaauw eindelijk gestild? Het is een vraag waar hij zelf ook geen antwoord op heeft. Want voorlopig dijt het horeca-imperium van de hotste …
3 Het leven is vurrukkulluk gaat over twee jongens die verliefd worden op hetzelfde meisje. Is jou dat weleens overkomen?
Ja, best wel met enige regelmaat. Ik heb een soort Napoleoncomplex: ik wil zoveel mogelijk vrouwen veroveren. Als ik een vrouw zie van wie m’n vrienden ook ondersteboven zijn, dan voel ik toch een soort competitiegevoel. Ik gun mijn vrienden echt alles, maar als zij ook verliefd zijn op dat meisje, dan wil ik haar toch voor me winnen. Ik ben ook weleens verliefd geworden op een bezet meisje, maar dat vond ik helemaal niet prettig. Ik heb het zelf een keer meegemaakt om belazerd te worden en dat deed zo’n pijn dat ik zelf nooit die guy wil zijn.

4 Waar ben je het meest onzeker over?
(Na een lange stilte:) Moeilijk. Ik heb natuurlijk een soort bewijsdrang. Als je kijkt naar het werk wat ik doe, dan is het altijd: ‘Kijk mij eens.’ Ik heb een soort drive om gezien te worden. Maar waar dat vandaan komt weet ik niet. Ik ben nergens onzeker over. Mijn lengte werkt natuurlijk niet in mijn voordeel bij het veroveren van een vrouw, maar daar kan ik niets aan doen. Dat hoort bij mij. Misschien gaat die drive wel verder dan onzekerheid. Mijn opa is in de oorlog letterlijk onzichtbaar gemaakt door de Duitsers. Mijn vader heeft geen fysieke herinneringen aan hem. Misschien is de drive van mijn vader en mij wel om niet ook onzichtbaar te worden. Om ons bestaan te bevestigen, zo van: ‘Kijk, hier ben ik.’

5 Wat vind je aantrekkelijk aan een vrouw?
Heel cliché: de ogen. En ik ben ook wel een walgelijke, oppervlakkige loser die heel vatbaar is voor mooie vrouwen. Ik word vaak op slag verliefd en ga dan allemaal eigenschappen op haar projecteren die ze helemaal niet heeft. Het is vaak een blik waarna ik denk: jou wil ik.

15 Je hebt een jaar lang gewerkt bij Kemna Casting – het bureau dat in opspraak is geraakt omdat castingdirecteur Job Gosschalk werd beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens acteurs en dat ook bekende. Heb jij daar ooit iets van gemerkt?

Lees het antwoord op deze vraag en de rest van het interview in de Playboy die nu in de winkel ligt of op Blendle!