De culturele agenda van… Emile Roemer

Wat lees, kijkt en luistert Emile Roemer?

Boeken
“Als ik lees, lees ik graag over geschiedenis. Het boek Onze vaders in verzet – waarin mijn eigen vader een rol speelt – heb ik van begin tot eind gelezen. Het vertelt het verhaal van de verzetsgroep die betrokken was bij verzetskrant De Wacht, en daaraan gerelateerd een reddingsbrigade die aan het Sint Franciscus Gasthuis – de brigade waarvan mijn vader commandant was. Natuurlijk heb ik mij vader weleens gevraagd naar zijn rol in het verzet, maar dan zei hij nooit zoveel. Hij sprak er liever niet over. Door het boek van historici Pierre Pijpers en Aad Koster heb ik nu een veel beter beeld van die periode in zijn leven. Ik wist bijvoorbeeld wel dat hij indertijd door de bezetters ter dood veroordeeld is, maar niet dat hij pas daags voor zijn executie is bevrijd. Dat was wel even heftig toen ik dat las. Een ander mooi boek over de Tweede Wereldoorlog is De lach en de dood van Pieter Weebeling, over gevangenen die met humor in een concentratiekamp proberen te overleven. Dat boek raad ik iedereen aan om te lezen. Weebeling heeft een prachtige stijl en het verhaal blijft echt hangen.”

MUZIEK
“Als ik echt een zware dag heb gehad zet ik muziek op. Volume op tien en even m’n kop leegmaken. Wat ik dan luister? Eigenlijk altijd heavy metal. Metallica, Rammstein en Y & T – dat werk. Van Metallica ben ik al het langst fan. Ik zag ze voor het eerst in de IJsselhallen in Zwolle, in 1985. Dat was ook meteen de eerste keer dat ze in Nederland optraden. Ze waren niet eens de hoofdact op de Aardschokdag – ik kan er ook niets aan doen, maar zo heet dat nu eenmaal – maar iedereen kwam voor Metallica, en iedereen kende de nummers ook uit hun hoofd. En ik ga nog steeds graag naar heavy metal-concerten. Ik ben dit jaar weer met een stel vrienden naar Fortarock geweest, in het Goffertpark in Nijmegen. Dat is altijd heel leuk. Het begint al met de reis ernaartoe. Met de heavy metal-bus. Voor een tientje de man kun je mee. Compleet met zonnebril en pet – want ik zit er natuurlijk niet op te wachten dat mensen mij herkennen en er filmpjes op Youtube verschijnen – sta ik daar dan te genieten van de muziek. Ik was vroeger ook al nooit zo van het headbangen, maar ik pas nu wel extra op. In hou het ingetogen. En dan, als het festival afgelopen is, weer met de bus naar huis.”

“Als het enigszins kan ga ik ook elk jaar naar North Sea Jazz in Rotterdam. Daar zet ik drie kruizen voor in mijn agenda. Het hoogtepunt van dit jaar was voor mij de show van Gregory Porter. Die man heeft echt een gouden stem. En een drie uur durende soulshow met meerdere zangers en zangeressen staat me ook nog bij, al weet ik niet meer wie dat precies waren. Een van de zangeressen vertelde middenin de show dat ze net hersteld was van kanker, en bedankte haar fans voor alle steun ze tijdens haar ziekte had gekregen. Kippenvelmoment. En wat kon ze zingen ook… Tina Turner verbleekt daarbij op dat moment. Stevie Wonder was natuurlijk ook een van de hoogtepunten van dit jaar. En het Nationaal Jeugd Jazz Orkest, het orkest dat elk jaar op zo’n buitenpodium speelt, vind ik ook erg mooi. Je ziet die jonge gastjes zich de ogen uitkijken: ‘Komen die mensen allemaal voor ons?’”

“Nederlandstalige muziek vind ik ook heel prettig om naar te luisteren. The Scene bijvoorbeeld. Jammer dat ze er door de ziekte van frontman Thé Lau mee moesten stoppen. Tim Knol vind ik ook heel bijzonder. Die heeft zich binnen no time op de kaart weten te zetten met een heel eigen geluid. En ik heb ontzettend veel respect voor Frans Bauer. Dat is echt iemand die naar mijn idee ondergewaardeerd wordt in Nederland. Hij is een van de best verkopende zangers van Nederland en wordt zo ongeveer het minst op de radio gedraaid. Maar waar hij ook optreedt: het zit stampvol. Als het volk het leuk vindt wordt er gelijk denigrerend gedaan. Zeer onterecht.”

Gehele interview verschenen in het kerstnummer van HP/De Tijd, 2014. 

Remco Campert over Gedichten die mannen aan het huilen maken

Afgelopen zaterdag schreef Remco Campert in zijn column in de Volkskrant over de brief die ik hem eerder die week had gestuurd. Hieronder de eerste regels van de column. De column in zijn geheel lezen kan hier.

Allerhande (de Volkskrant, 22 november 2014)

Zomaar ergens beginnen en zien wat je tegenkomt, dat is mijn methode. Alles kan dienen. Grassprietjes tussen stoepstenen, de duif op de dakgoot, de herinnerde stem van een overleden vriend, de snerpend koude wind op het Museumplein of de brief die ik zojuist geopend heb.

Hierin wordt me gevraagd om een gedicht van een ander te leveren voor een bij uitgeverij Prometheus te verschijnen bloemlezing die Gedichten die mannen aan het huilen maken gaat heten. Ik schiet tekort, want ik heb nooit om een gedicht gehuild. Wel zijn er veel gedichten die ik bewonder, maar ik pleng er geen tranen bij. De titel van de bloemlezing suggereert dat men er een harde dobber aan heeft om een man aan het huilen te krijgen. Dat lijkt me een achterhaalde gedachte. Maar poëzie die ik bewonder, maakt me eerder opgewekt, hoe droevig ze ook mag zijn. /

Lotte Bronsgeest: een zwangerschap in rauwe beelden

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Lotte Bronsgeest uit Utrecht.

Lotte Bronsgeest (Leiden, 1982) studeerde in 2013 cum laude af aan de Fotoacademie in Amsterdam. Een selectie van haar werk is van 22 tot en met 31 november 2014 te zien in de jaarlijkse expositie van New Dutch Photography Talent in het Art’otel in Amsterdam.

Over haar werk
“Gedurende mijn laatste zwangerschap werd ik geconfronteerd met de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam. Anderen zeiden: ‘Wow, wat zie je er goed uit! En wat gaat het je allemaal makkelijk af!’ Mensen oordelen in het algemeen te snel, vind ik. Ze kijken niet verder dan je met kleren bedekte lichaam. De discrepantie tussen de meningen en de realiteit intrigeerde en irriteerde me. In de fotoserie Final Pregnancy ben ik dus op zoek gegaan naar de spanning tussen verhulling versus onthulling en laat een andere kant van de zwangerschap zien. Terugkerende thema’s in mijn werk als kwetsbaarheid, vergankelijkheid en sterfelijkheid vind je ook hier in terug.”

Meer werk van Lotte Bronsgeest vindt u hier.

12345689910

Schrijver Gustaaf Peek: ‘Dit blijkt wellicht mijn openhartigste interview ever’

Zijn vierde roman Godin, held kwam een maand geleden uit en wordt alom bejubeld. Het Parool gaf het boek vijf sterren, het NRC Handelsblad vier sterren en en passant werd het boek ook nog eens tot boek van de maand verkozen in De Wereld Draait Door.

Reden voor ons om schrijver Gustaaf Peek (1975) te onderwerpen aan een zelfportret – een maandelijkse serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust. Peek, na afloop van het interview: “Dit blijkt wellicht mijn openhartigste interview ever.”

(Eerder verschenen op de website van HP/De Tijd.)

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Contemplatief en wat onrustig.

Wie zijn uw helden?
Mijn vrouw, Maria Hermes. Dat is mijn allergrootste held. Ik vind haar heel moedig en heel geweldig en ik vind het ongelooflijk fijn dat ze bestaat.

Aan wie ergert u zich?
Kooplui en dominees.

Lijkt u op uw vader?
Hopelijk steeds minder. Ik denk dat het onvermijdelijk is om op je vader te lijken, maar ik heb hem er hopelijk toch flink uitgekregen. Niet omdat het een overdreven nare man was, maar ik wil veel liever mijn eigen persoon zijn.

Lijkt u op uw moeder?
Dat is eigenlijk een vraag waar ik pas de laatste jaren bewuster over nadenk. Ik ben altijd in een mentaal gevecht geweest met mijn vader, dus hij heeft onevenredig veel aandacht gehad in mijn persoonlijke groei. Natuurlijk zijn er zaken die ik van mijn moeder heb overgenomen. Het zorgzame, het flegmatische af en toe… Maar dat ben ik allemaal nog aan het ontdekken, daar ben ik nog niet helemaal uit. Eigenlijk pas sinds mijn vader is overleden, nu iets meer dan twee jaar geleden, is daar ruimte voor. Pas toen kon ik afstand nemen tot mijn geschiedenis. In zekere zin hadden we op een bepaalde manier jaren geleden al afscheid genomen van elkaar, maar toen-ie overleed was onze geschiedenis samen ook daadwerkelijk afgelopen. En dat gaf mij ruimte om over mezelf na te denken.

Wat zijn uw dagdromen?
Eindeloze dagen van lezen, eten en vrijen. Schrijven komt in mijn gewone dagdromen, die neigen naar hedonisme, niet voor. Een dagdroom zie ik meer als een escapisme – iets heel anders dan de serieuze, stuwende, opwekkende schrijversdromen die ik ook heb.

Wat is uw grootste angst?
Pijn en dood van mijn dierbaren, vooral van mijn vrouw en mijn dochter. Daar moet ik niet aan dénken. Dat is mijn allergrootste angst.

Bidt u weleens?
Nee, nooit.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Nee. Ik geloof ook niet in ‘mystiek’. Iets toeschrijven aan ‘mystiek’ kan sommige mensen misschien helpen om orde te scheppen in de werkelijkheid, die zeer chaotisch en angstaanjagend is, maar wie zich bewust is van die chaos wordt vanzelf al rustiger.

Bent u aantrekkelijk?
Ik ben oké.

Wat is uw definitie van geluk?
Een heerlijk nu.

Waar schaamt u zich voor?
Iets heel plats waar ik me altijd voor schaam is mijn Frans. Ik zou veel beter Frans willen spreken. Ik ben bijna elk jaar wel in Frankrijk te vinden en elk jaar hoor ik mezelf weer schutteren. En elk jaar neem ik me voor om er iets aan te doen, maar dat lukt me maar niet.

Bent u monogaam?
Ja, dat ben ik.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Echt hardop huilen doe ik niet vaak, maar het overkomt me wel met enige regelmaat dat ik tranen in mijn ogen krijg. De laatste keer dat dat gebeurde was deze zomer, toen mijn dochtertje van vier afscheid nam van de crèche. Dat werd ineens best emotioneel. Het was allemaal zo lief. Er werd gezoend en gezwaaid en gezongen… Ja, dat deed me wel wat.

Hoe moedig bent u?
Ik weet pas hoe moedig ik ben als ik word getest. En dat is nog niet voorgekomen. Ik hoop er het beste van, maar ik heb nog geen concreet bewijs van mijn moed.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Onvermijdelijk van mijn ouders, van verschillende docenten, van mijn vrouw, van mijn dochter, van mijn vrienden… Ik ben sowieso iemand die altijd zoveel mogelijk wil leren. Ik probeer altijd met een extra brok kennis weg te komen uit een sociale situatie, of een film, of een boek… Ik zie mijn tijd op aarde dan ook als één lange leergang: wat ik ook doe, op een bepaalde manier ga ik eigenlijk altijd naar school.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Creativiteit.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Empathie.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Ik zou wel wat minder ongeduldig willen zijn, wat meer kalmte willen hebben. Kalmte zorgt namelijk voor reflectie, en reflectie zorgt weer voor betere oplossingen. Van ongeduld gaan dingen alleen maar sneller stuk.

Hoe ontspant u zich?
Lezen, samen eten, drinken, kunst, vrijen, reizen.

Van wie houdt u het meest?
Van mijn vrouw en dochter.

Gelooft u in God?
Nee.

9789021456829_mi_tb_1Waaraan bent u het meest gehecht?
Weer mijn vrouw en dochter. Zonder hen gaat het leven niet.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Mijn vader dacht waarschijnlijk altijd dat ik hem zat te fucken, terwijl dat helemaal niet zo was. Kijk, mijn vader is altijd erg ongelukkig geweest met wat ik deed, het schrijven. Hij probeerde mij dan ook altijd wijs te maken dat het schrijven niet goed voor me was, dat het hem pijn deed, dat ik hem teleurstelde… Dat was heel vervelend. Maar ik ging door met wat ik deed, en uiteindelijk zijn we als half-vreemden uit elkaar gegaan. Dus mijn vader zal het gevoel hebben gehad dat ik hem enorm veel leed heb berokkend, terwijl ik hem nooit wilde kwetsen. Het is juist andersom: door zijn onfatsoenlijke houding heeft hij mij oneindige malen meer gekwetst dan ik hem.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Toen ik jong was, was ik ervan overtuigd dat ik een knappe ingenieur zou worden. Ik dacht dat ik een zeer technisch begaafd figuur was, maar toen ik in de brugklas kwam bleek wiskunde mij totaal niet te liggen.

Wanneer was u het gelukkigst?
In de winter van 2007, toen mijn vrouw en ik net wat hadden, en we over het bruggetje bij Hotel De l’Europe liepen. Het was koud, we keken uit over de Amstel. Ik tilde haar op en zwierde haar rond. Toen was ik echt heel gelukkig. Op dat moment is de zon echt in mij op gegaan.

Wat is de beste plek om te wonen?
Bij mijn vrouw en dochter, en als ik dan een plaats moet kiezen: Amsterdam. Ik voel me hier belachelijk thuis.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Oude incarnaties van mezelf. Ik moet er niet aan denken om mijn achttienjarige zelf tegen te komen, of mijn vijfentwintigjarige zelf tegen te komen. Niet dat ik de persoon die ik ooit was uit mijn geschiedenis wil snijden, maar die persoon is gewoon klaar. Wat ze goed deden wil ik nu ook nog steeds goed doen, maar wat ze fout deden wil ik achter me laten.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ik denk dat je het grote ongeluk niet kunt vermijden, je kunt alleen hopen dat overmacht je zo laat mogelijk bezoekt.

Wat is uw devies?
Laat zien wie je bent.

Gustaaf Peek. Foto: Maria Hermes.
Gustaaf Peek. Foto: Maria Hermes.

Zondagskinderen

Ze lijken alles mee te hebben zitten: ze zijn jong, ze zijn mooi en ze zijn ook nog eens ontzettend slim. Vijf studenten over hun jaloersmakende leven.

Van het predicaat ‘zondagskind’ moeten ze niets hebben. Sveva, Ruud, Sissy, Joran en Justine zien zichzelf liever als studenten die alles uit het leven halen wat er in zit – studenten van wie het leven ze goed gezind is, dat wel. Joran: “De term ‘zondagskind’ suggereert dat we alles op een presenteerblaadje krijgen aangereikt, maar dat is beslist niet zo. Het is vooral keihard werken om iets te bewerkstelligen.”
En toch, als je het begrip ‘zondagskind’ figuurlijk opvat, kun je niet anders dan deze vijf jonge mensen als zondagskinderen bestempelen. In alle gevallen stond hun wiegje in het juiste huis, werden ze gezegend met een goed stel hersens – misschien wel het beste startkapitaal wat er is – en hebben ze en passant ook nog eens een lijf waar menigeen van droomt. Niets lijkt een prachtige toekomst hen nog in de weg te staan.

Sveva Derksen werd twintig jaar geleden geboren in ’s-Hertogenbosch. Ze groeide zonder broertjes en zusjes op in een typisch Brabants middenklassengezin, omringd door een liefdevolle familie die houdt van lekker eten, een goed glas wijn en veel, heel veel gezelligheid. Denken aan haar jeugd: “Ik kan me niet herinneren dat we ooit echt ruzie hebben gehad. Thuis was het altijd fijn.”
Naast eten en drinken speelt ook kleding een belangrijk rol in huize Derksen. “Mijn beide oma’s zijn altijd erg bezig geweest met mode. Die droegen toen ze jong waren al een spijkerbroek, terwijl dat toen nog helemaal niet in de mode was.” Via haar grootouders en haar ouders is mode haar dan ook met de paplepel ingegoten: al in de wieg bleek ze geporteerd van mooie kledij. Lachend: “Als baby wilde ik alleen maar pampers aan met poppetjes erop, anders ging ik huilen.”
Ook als kleuter had Sveva al een heel eigen kledingstijl: droegen alle meisjes in haar klas in een jurkje, dan droeg zij een tuinbroek. Al vanaf haar eerste pasjes kiest ze zelf haar kleren uit. “Ik trek nu eenmaal niet zo snel iets aan wat iemand anders voor me heeft uitgezocht. Ik heb altijd al een uitgesproken smaak gehad. Ik wil het gewoon zelf uit kunnen zoeken.” Werd ze verwend? Nee, dat niet. Verwend met aandacht, dat zeker, maar ze heeft niet het idee dat ze meer in de watten werd gelegd dan haar klasgenootjes.

Ruud van Doorn (22) is geboren en getogen in dezelfde stad als Sveva. Ook hij beleefde er zijn jeugd, groeide op in een vrijstaand huis aan de rand van de stad. Zijn vader is een succesvol ondernemer, en dat zorgt soms wel eens voor vervelende vooroordelen. Ruud: “Omdat ik rijke ouders heb, denken mensen dat ik alles krijg wat mijn hartje begeert. Natuurlijk kom ik thuis niets te kort, maar het is niet zo dat ik mijn hand ophoud als ik iets wil hebben en het dan ook krijg. Ik werk al vanaf mijn veertiende keihard voor mijn eigen geld en heb nog nooit bij mijn vader aangeklopt voor een extra zakcentje.”
Het verhaal van Sveva komt hem bekend voor. Ook bij hem thuis wordt er op Bourgondische wijze genoten van de geneugten des levens en speelt uiterlijk vertoon een belangrijke rol.  “Ik kom wel uit een ijdele familie, ja. Mijn vader en moeder zien er graag goed uit, en ook ik vind het belangrijk om er goed verzorgd bij te lopen.” Zijn fascinatie voor mode en uiterlijke esthetiek – Ruud heeft een eigen bedrijfje in het retoucheren van foto’s – heeft hij dan ook indirect van huis uit meegekregen. Maar daarover later meer.

Een kleine honderd kilometer ten noorden van Den Bosch, in Amsterdam-West om precies te zijn, stond 21 jaar geleden het wiegje van Joran Iedema. In een knus huis nabij het Westerpark bracht hij zijn jeugdjaren door. Pa en ma werden beide geboren in het noorden van het land, in respectievelijk Friesland en Groningen, maar trokken na hun studententijd – gedreven door werk – gezamenlijk naar onze hoofdstad. “Daar ben ik natuurlijk heel blij mee”, zegt Joran. “Als ik voor familiedagen wel eens naar Groningen ga, ben ik blij dat ik daar niet woon. Ik zou me er dood vervelen.” Terugdenkend aan zijn jeugd denkt hij aan de strikte opvoeding die hij thuis kreeg – er werd veel aandacht besteed aan goede voeding en aan de gevaren van alcohol en drugs – maar dat was nooit vervelend. Aan de andere kant kreeg hij ook veel ruimte om zich te ontwikkelen. Om veel sporten te leren beoefenen, bijvoorbeeld.

In de psychologie geldt een zondagskind als iemand die met iedereen goed op kan schieten. Het lijkt alsof een zondagskind altijd gelukt heeft, maar in werkelijkheid dwingt het zondagskind dit zelf af omdat iedereen hem of haar veel gunt – juist omdat hij of zij zo aardig is. Herkennen onze fortunea filiï en –filiae zich daar in? “Ik had op de middelbare school eerlijk gezegd niet zoveel contact met mijn klasgenoten”, bekent Joran. “Ik had een select groepje vrienden en dat vond ik genoeg. Ik had geen zin om mijn tijd te steken in mensen die mij toch niet lagen. Daardoor werd ik wel eens als arrogant bestempeld.”
Joran legt uit dat hij, omdat hij goed was in sport, op het St. Nicolaas Lyceum in Amsterdam in de zogenoemde sportplusklas terechtkwam – een groepje van twintig uitblinkers van het vwo die naast de gewone lessen elke week een extra sportactiviteit kregen. Ook dat zorgde voor een kloof tussen hem en de andere leerlingen. Joran: “De sportplusklas was duidelijk het elitegroepje van de school. Niet dat wij ons zelf zo zagen, maar zo werd het door de leraren gezien. Als wij iets verkeerd deden, werden we harder aangepakt dan de rest. Wij moesten als voorbeeldleerlingen dienen.” Na zijn middelbare school kwam Joran opnieuw in een soort elitegroepje terecht. Eerst bij het honours-programma (een programma dat bestaat uit twee extra interdisciplinaire vakken die de studie aanvullen, enkel toegankelijk voor studenten waarvan het gemiddelde cijfer boven de 7.5 ligt, red.) van de studie Bedrijfskunde en Economie aan de Universiteit van Amsterdam. Toen dat niet genoeg uitdaging bleek te bieden vertrok hij naar het Amsterdam University College om de studie, die volgens hem daar net iets moeilijker en uitdagender is dan een gemiddelde universitaire studie, te vervolgen. En dat verloopt vooralsnog voorspoedig: Joran zit nu in het derde jaar en staat gemiddeld cum laude.

Sveva had op de middelbare school juist wel veel contact met haar klasgenoten. “Natuurlijk had ik mijn vaste vriendinnengroepje, maar eigenlijk trok ik met iedereen wel een beetje op.” Ze omschrijft haar middelbare school vrolijk spottend als een “kakschool”, een school waar alle jongens bruine schoenen met een spijkerbroek en een wit overhemd droegen, en alle meisjes een colbertje met een spijkerbroek. Niet echt haar soort mensen – zij hangt liever rond in een stad als Amsterdam, waar de kledingkeuze wat meer uitgesproken is. Dat ze het op die ‘kakschool’ nog zo slecht niet had, realiseerde ze zich pas later. Omdat ze was gezakt voor haar havo-examens (‘ik had gewoon niet genoeg geleerd’) kwam ze terecht op het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. Daar zat ze in de klas met tienermoeders en jeugddelinquenten. Een schok. “Toen ik zag dat je ook zo kunt eindigen gaf me dat wel een extra stimulans om mijn diploma te halen en door te studeren.”

En hoe zit dat buiten school om? Wat opvalt is dat ze allemaal een druk sociaal leven leiden, al verschilt de invulling daarvan per persoon. Joran bijvoorbeeld vindt het heerlijk om naar de sportschool te gaan: gemiddeld traint hij wel vier keer per week om in shape te blijven. Daarnaast heeft hij verschillende vriendengroepen waarmee hij in het weekend de nachtclubs van Amsterdam verkent. Sveva gaat, als ze op pad gaat, het liefst uit eten met haar vriendinnen. Gemiddeld een keer per week prikken ze een vorkje in de stad en bespreken ze de week. Soms, als de gezelligheid lonkt, drinken ze nog een wijntje of een cocktailtje in hun favoriete café Cordes – waar goede hiphop en R&B wordt gedraaid. Maar het liefst is ze bij haar vriend Rick, “de knapste man van de wereld.”

Sissy Westerhuis (23) uit Badhoevedorp onderhoudt haar contacten veelal via diensten als Facebook Messenger en Whatsapp. “Ik denk dat ik negentig procent van alle gesprekken online voer, en tien procent offline.” De anderen herkennen zich daarin: de meeste sociale interactie vindt plaats via mobiele apparaten. Is dat niet heel onpersoonlijk? Nee, zegt Sissy resoluut. Ze ziet haar vrienden nog net zo vaak als in de tijd dat ze geen smartphone had, gemiddeld een keer per week. Dan gaan ze wat drinken in de stad. Of naar een concert – bijvoorbeeld in het Concertgebouw, waar ze graag komt luisteren naar muziek van moderne componisten. “Het enige verschil met vroeger is dat ik mijn vrienden nu wat vaker spreek. Je pakt heel snel je telefoon om even wat tegen iemand te zeggen, vaak iets onzinnigs. Die drempel is gewoon veel lager geworden.”

Op de sociale media is Sissy geen onbekende. Op instagram heeft ze inmiddels ruim tweeduizend followers, op twitter (@szzrd) een kleine vierduizend. Favoriete onderwerp waarover ze bericht? Alles wat haar opvalt op het internet – het liefst niet al te serieus. Waar heeft ze die populariteit aan te danken? “Mensen vinden het blijkbaar leuk wat ik te melden heb. Ik zou het anders ook niet weten.” Werkt die constante aandacht verslavend? “Nee. Twitter en Instagram zijn voor mij een uitlaatklep, meer niet. Al had ik maar twintig volgers, dan nog zou ik dezelfde dingen plaatsen die ik nu plaats. Het is alleen wel zo dat je, wanneer je een foto plaatst op instagram die opeens fors minder likes krijgt dan andere foto’s, je jezelf af gaat vragen waar dat aan ligt. Maar dat is meer uit nieuwsgierigheid.”

Kansen hebben de vijf uitverkorenen genoeg gekregen. Of afgedwongen, het is maar hoe je het bekijkt. De 22-jarige Ruud kreeg bijvoorbeeld op zijn vijftiende al de opdracht om mee te werken aan reclamecampagne van Chanel. Niet omdat hij werd gevraagd, maar omdat hij zijn diensten aanbood. “Het lijkt mij, en ik denk dat het voor ons allemaal geldt, allemaal voor de wind te gaan, maar wat ze niet zien is dat we gewoon keihard werken om iets te bereiken. Ik maak soms weken van tachtig uur. Maar dat zien ze niet.” Vanaf zijn veertiende verdient hij geld met het retoucheren van veelal modefoto’s. Het is het gebruikelijke werk: dat been moet iets langer, die hals moet iets slanker en dat puistje moet even weggewerkt worden. Hij werkt inmiddels voor verschillende nationale en internationale merken en hoopt zijn bedrijf later zo uit te breiden dat hij er – net als nu – zijn brood mee kan verdienen.

De benjamin van het gezelschap is de 18-jarige Justine van de Beek uit Maastricht. Sinds september dit jaar studeert ze Sociologie aan de Universiteit in Amsterdam, alwaar ze nu ook woont. Deze studie ziet ze als een mooie voedingsbodem voor haar latere carrière. Ze wil iets in de politiek gaan doen, campagneleider worden voor D66 bijvoorbeeld. Of de eerste vrouwelijke premier van Nederland worden – als er iets is waarover ze dagdroomt is het dat misschien wel. Aan een gezin en kinderen moet ze voorlopig nog niet denken. “Dat is de feminist in mij. Als ik vriendinnen wel eens hoor, die na hun studie dus al een gezin willen stichten, ben ik soms echt geschokt. Ik wil éérst carrière maken, daarna zien we wel verder.”

Justine bracht het eerste deel van haar jeugd door in het Limburgse Meerssen, maar toen haar vader – die arts is – en moeder gingen scheiden vetrok ze met haar moeder en broer naar Maastricht. Daar ging ze ook naar school, naar het Sint Maartens College, waar ze haar niet licht zullen vergeten. Ze was “de rebel” onder de vwo’ers. Als de gelegenheid zich voordeed zocht ze de discussie op met haar docenten. Over een proefwerk dat volgens de richtlijnen te kort van te voren werd aangekondigd, bijvoorbeeld. Niet alle klasgenoten en docenten waren altijd blij met haar kritiek – volgens Justine zijn de mensen in Limburg namelijk niet zo mondig. Pas toen ze op haar school een staking organiseerde omdat enkele van haar docenten overtallig werden verklaard, werd haar grote mond door het lerarenapparaat gewaardeerd. Haar frisse verschijning en scherpe tong viel ook op bij Dagblad de Limburger. Sinds vorig jaar schrijft ze daarin elke maandag een column. Eerst alleen over het onderwijs in de provincie Limburg, later ook over haar eigen beslommeringen. Over die date die niet helemaal liep zoals-ie had moeten lopen, de ‘zuipvakantie’ naar Salou en hoe het is om vegetariër te worden. De dingen die er op dit moment in het leven werkelijk toe doen.

Toen Joran zijn vwo-diploma op zak had, besloot hij er een jaar tussenuit te knijpen. Eerst een halfjaar werken (bij twee uitzendbureaus en een restaurant) en daarna een half jaar op reis. Samen met een vriend vertrok hij naar Thailand. “De eerste twee maanden daar waren niet veel meer dan feesten en zuipen”, bekent Joran. “Heel oppervlakkig eigenlijk.” Maar dan slaat het noodlot toe: zijn reisgenoot crasht, zonder helm op, met zijn motor tegen een boom. Een hersenfractuur is het gevolg. Noodgedwongen wordt zijn vriend terug naar Nederland gevlogen. Joran neemt het besluit om zijn reis voort te zetten. “Want niemand had er wat aan dat ook ik naar Nederland terug zou keren.” Joran vertrok onder meer naar Nepal om daar het eerste gedeelte van Mount Everest te beklimmen, gaf in datzelfde land twee weken les op een basisschool en toog nog een maand naar Thailand om daar op een thaibokskamp te gaan. Maar misschien wel het mooiste wat hij aan deze coming of age-reis heeft overgehouden, is zijn modellencarrière. Toen hij kort na het ongeluk van zijn kompaan naar Australië vertrok om daar een maand te gaan werken op een biologische boerderij, kreeg hij een berichtje van zijn zwager. Zijn zwager doet, net als de zus van Joran, af en toe modellenwerk en was voor een klus in Australië. Op zijn vrije dag ging Joran met hem mee naar de fotoshoot. “Ik zat me daar een beetje te vervelen, maar toen werd opeens gevraagd of ik die shoot niet wilde doen. Dat wilde ik wel – dat is toch mooi  500 dollar voor een paar uur werk.” Sindsdien verdient hij af en toe geld met modellenwerk.
Ook Sveva heeft aan het modellenbestaan geproefd. Tot tweemaal toe kreeg ze een internationaal contract aangeboden, maar ze bedankte beide keren voor de eer. De eerste keer dat ze een modellencontract kreeg aangeboden, was ze als zestienjarige met haar tante op shopvakantie in Londen. Vanuit het niets kwam een vrouw op haar afgestapt die haar vanuit het niets vroeg of ze niet full-time aan de slag wilde gaan als model. Ze bood haar meteen al een tweejarig contract aan en vroeg haar eens langs te komen op haar kantoor, zodat ze er eens rustig over zouden kunnen praten. Sveva besloot toch voor de veilige weg te kiezen en haar havo af te maken. “Ik dacht: als een modellencarrière echt voor mij is weggelegd komt het vast nog wel een keer op mijn pad.”
En dat gebeurde. Ongeveer een jaar later kreeg ze van een modellenbureau in Amsterdam – waar ze zich uit nieuwsgierigheid had ingeschreven – te horen dat er wederom een contract voor haar klaar was. Ze kon direct naar Parijs vertrekken voor twee jaar en kreeg van alles aangeboden: overnachtingen in de duurste hotels, fotoshoots op de mooiste cruiseschepen ter wereld en vliegen in een privéjet. En weer zei ze nee, tot grote ontsteltenis van het bureau. “Ik heb een goed stel hersens en wil in mijn leven wel meer dan alleen maar mooi zijn.” Ze heeft er dan ook nog steeds geen spijt van dat ze International Lifestyle is gaan studeren aan de Fontys Hogeschool in Tilburg. In februari vertrekt ze voor haar studie naar Kopenhagen of Milaan, in de hoop daar haar netwerk wat uit te breiden en er een baan als trendwatcher in de modebranche aan over te houden. Tot die tijd mag ze, net als de vier andere zondagskinderen, eerst nog even dagdromen – net zoals u dat misschien wel doet over hun zorgeloze leven tot nu toe.

Kamp zonder schaduw

Schrijver Jaap Scholten (Enschede, 1963) schreef een boek over zijn familiegeschiedenis: Horizon City. Collega en vriend Jan Cremer (Enschede, 1940) las het en bleef verbaasd achter: waarom werd het in Enschede beruchte Kamp Scholten – het interneringskamp waarin Cremer als kind drie weken op beestachtige manier gevangen werd gehouden – niet genoemd?

Verschenen in HP/De Tijd nummer 8, 2014. PDF-bestand vindt u hier.

Het Wilmink Theater in Enschede, 16 november 2012. Schrijver Jaap Scholten is uitgenodigd om acte de présence te geven op het Crossing Border Festival – het intussen wereldvermaarde muziek- en literatuurfestival dat in dat jaar voor het eerst ook in Enschede werd gehouden. In afwachting van zijn optreden vleit hij zich neer in de plastic kuipstoel van zijn kleedkamer en kijkt wat om zich heen. Het artiestenvertrek is sober maar degelijk ingericht, zoals het hoort. Er staat een tafel, een stoel en er hangt een enorme, met lampen omlijste spiegel. Onder die spiegel hangt een langgerekte plank waar normaliter make-up op wordt gestald. Maar nu niet. Nu staat er een koffertje op. Een versleten, donkerblauw stewardessenkoffertje.

Scholten hoorde bij binnenkomst al dat er eerder die dag een koffer voor hem was afgegeven. Van wie het afkomstig is of wat er in zit had niemand een idee – ze wisten alleen dat het voor Jaap Scholten was bestemd. Na een minuut of wat fantaseren (Wat zou er in zitten? Geld? Reisspullen? Niets?) kan hij zijn nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken. Hij pakt het valies, dat veel zwaarder blijkt dan hij had gedacht, van de plank en legt het op tafel. Als hij zijn duimen zachtjes tegen de twee knipsloten drukt, schiet het deksel al open. De koffer blijkt tot de rand toe gevuld met papieren: foto’s, brieven, enveloppen met rode lakzegels. Voorzichtig spreidt hij de paperassen uit over tafel, schuift zijn stoel naar voren en gaat zitten. Een in slangenleer gebonden fotoalbum is het eerste wat zijn aandacht trekt. Op de voorkant staat in gouden letters: Schloss Goyen – de naam van het kasteel dat zijn overgrootvader bezat in Italië. In documenten herkent hij namen van familieleden, sommige personen op de foto’s herkent hij ook. Het koffertje blijkt boordevol materiaal van en over zijn familie.

De totstandkoming van Horizon City, het boek dat is gebaseerd op de familiearchivalia in deze koffer, is eigenlijk al te mooi om waar te zijn – maar dat geldt zeker ook voor het boek zelf. Want wie heeft er nu twee betovergrootouders die tijdens hun huwelijksreis schipbreuk leden en op een onbewoond eiland aanspoelden? Of een excentrieke oudoom – Chuck Stork genaamd – die in 1913 de eerste importeur van Harley Davidson in Europa werd, een vliegtuigwinkel bezat op Fifth Avenue, vijfmaal trouwde, tweemaal multimiljonair werd maar uiteindelijk zo arm als een kerkrat stierf in de woestijn van Texas? En dan hebben we de aangetrouwde tante Fanny nog, die ooit een paar ‘waardeloze’ doeken van de toen nog onbekende Vincent van Gogh verbrandde in haar achtertuin. Tante Anna, die besloot met haar dokter te trouwen zonder hem daarvan op de hoogte te stellen. En dan vergeten we het verhaal nog van het familiekasteel in het Italiaanse Merano, het kasteel van het slanglederen fotoboek, dat in de oorlog door nazi-architect Albert Speer werd gevorderd om er zijn vakantiehuis van te maken. Het donkerblauwe reiskoffertje blijkt niets minder dan een schatkist aan verhalen.

Het kamp dat niet heeft bestaan
Schrijver Jan Cremer, geboren in dezelfde stad als Jaap Scholten, las de familiekroniek met grote belangstelling. Hij was vooral benieuwd naar de passage over Kamp Scholten, het beruchte interneringskamp waar de Binnenlandse Strijdkrachten (de BS, ‘het naoorlogs verzet’) in de maanden na de oorlog tussen de 1300 en 1500 van landverraad verdachte personen gevangen hield. Het kamp, dat officieel Politieke Gevangenis Scholten heet maar volgens Cremer in de volksmond ‘Kamp Scholten’ wordt genoemd, was gevestigd op het terrein van textielfabrikant J. F. Scholten & Zonen aan de Haaksbergerstraat in Enschede – in het geconfisceerde pand van de grootouders van Jaap. De verwondering was dan ook groot toen bleek dat er in het boek geen enkel woord aan het kamp werd gewijd.

Cremer: “Kamp Scholten wordt al bijna zeventig jaar verzwegen. Het is een kamp dat nooit heeft bestaan. Een kamp zonder schaduw. In geen enkel archief is er ook maar iets over te vinden, behalve een paar ontwijkende regeltjes. De documenten die er waren, zijn kort na de oorlog op raadselachtige wijze verdwenen of letterlijk uit de dossiermappen gescheurd. De gemeente Enschede heeft het bestaan van het kamp zelfs jarenlang ontkend! Pas toen ik er in mijn boek De Hunnen over schreef, kwamen de verhalen los. Ik kreeg veel brieven en telefoontjes van mensen die er, net als ik, gevangen hebben gezeten en me vertelden dat ze het belangrijk vonden dat de waarheid eindelijk eens werd verteld. Dat had Jaap Scholten ook moeten doen, de waarheid vertellen. Of weet hij niets van de geschiedenis van Enschede? Blijkbaar ligt het kamp bij hem nog zo gevoelig, dat deze zwarte bladzijde uit zijn familiegeschiedenis wederom onder het vloerkleed wordt geschoven.” Meer lezen over Kamp zonder schaduw

Nieuwe herinneringen

Voor het schoolproject Oer bezochten fotograaf Rob Wissink en ik een repetitie van Herman van Veen in Carré. Rob maakte foto’s, ik schreef een tekst. Na afloop vroeg Van Veen, die toen al meer dan vierhonderd keer in Carré had gestaan en al bijna vijftig jaar lang optrad met zijn pianist Erik van der Wurff, of ik een blog wilde schrijven voor zijn website. Natuurlijk wilde ik dat wel! Ik – tweedejaars student journalistiek – was natuurlijk vervuld van trots. Nachten heb ik over de tekst wakker gelegen. Toen het eenmaal af was, heb ik de tekst naar het aan mij doorgegeven mailadres gestuurd. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Rob en ik kregen wel een eervolle vermelding in het dagboek dat Herman van Veen bijhield in het NRC Handelsblad – dat dan weer wel. Hieronder het nooit gepubliceerde blog.

PS: Ik vond het eigenlijk helemaal niet zo erg dat-ie niet werd geplaatst, want ik was er toch al niet zo tevreden over. Toevallig kom ik ‘m net weer tegen in een doos oude spullen.


Nieuwe herinneringen

zestig jaar geleden zingt een jongen op een biljart

hier is onze fiere pinksterblom

en ik zou hem zo graag eens wezen

met zijn mooie kransen op het hoofd

en met zijn rinkelende bellen

 

waar eens een bloemenkrans hing

hangt nu een krans van wit engelenhaar

zingen doet de jongen nog steeds

soms met een rinkelende bellenhoed op het hoofd

 

jonge violisten begeleiden hem

op het toneel van carré

nieuwe herinneringen vliegen als

papieren vliegtuigjes van hoop richting later

oude herinneringen varen als

papieren bootjes van verlangen richting jeugd

 

tijdens de repetitie kijkt de jongen naar

de koninklijke loge van het theater

denkt aan zijn trotse ouders

die daar veel te lang geleden voor het laatst zaten –

arm in arm

 

een jonge violiste

kijkt vol bewondering naar

de sentimentele oude zoon

die voor haar staat

ze kijken elkaar aan

de zoon slikt zijn heimwee weg en zegt

“laten we het laatste lied nog een keer oefenen”

 

“herman is het kind in mij

ik is de meneer die vanavond speelt”

verklaart hij na afloop van de repetitie

“ik zie geen ik; ik zie alleen herman”

zegt de violiste

 

hun blik dwaalt af naar de koninklijke loge

de jongen zwijgt en kijkt naar zijn verleden

de jonge violiste zwijgt en kijkt naar haar toekomst

denkt aan haar trotse ouders

die daar vanavond zullen zitten –

arm in arm

nieuwe en oude herinneringen komen samen

de fiere pinksterblom en het meisje

ze begrijpen elkaar

Nick Muller, 19 jaar

Foto: Rob Wissink
Foto: Rob Wissink, 2011

 

De culturele agenda van…

Voor het maandblad HP/De Tijd verzorg ik maandelijks de rubriek: De culturele agenda van. In deze rubriek geeft een prominente Nederlander te kennen wat hij of zij ziet, leest en hoort.

Onder andere geïnterviewd zijn:

Frank Boeijen
Joop Braakhekke
Hero Brinkman
Herman Brusselmans
Jet Bussemaker
Jan Cremer
Hans Croiset
Ellen ten Damme
Taco Dibbits
Hans Dorrestijn
Adri Duivesteijn
Arjan Ederveen
Ilja Gort
Angela Groothuizen
Youp van ’t Hek (pdf vindt u hier)
Iris van Herpen
Theo Hiddema
Onno Hoes
Marli Huijer
Arthur Japin
Arnold Karskens
Jasper Krabbé
Jeroen Krabbé
Neelie Kroes
Henk Krol
Yvonne Kroonenberg
Huub van der Lubbe
Loes Luca
Annet Malherbe
Hadewych Minis
Paul de Munnik
Cécile Narinx
Ivo Niehe
Rick Nieman
Griet Op de Beeck
Annemarie Oster
Sander van de Pavert (LuckyTV)
Wim Pijbes
Jett Rebel
Emile Roemer
Art Rooijakkers
Gijs Scholten van Aschat
Wende Snijders
Ard van der Steur
Jan Terlouw
Erica Terpstra
Kees Torn
Typhoon
Bart Van Loo
Pieter Verhoeff
Mart Visser
Frans Weisz
Joost Zwagerman

e.a.

De culturele voorkeuren van minister Jet Bussemaker

Onze minister van Cultuur (en Onderwijs en Wetenschap) houdt van alle musea evenveel, zegt ze. Eerlijk waar. Bovendien is ze dol op muziek en zit ze nooit zonder boek. Wat leest, kijkt en luistert Jet Bussemaker zoal, en wat laat ze liever links liggen? HP/De Tijd ondervroeg de minister over haar culturele voorkeuren.

Uit het novembernummer van HP/De Tijd. (2014)

THEATER
“Als ik aan cultuur denk, denk ik aan schoonheid. Aan mooie dingen. Zoals die voorstelling van het Nederlands Dans Theater en het Kronos Quartet die ik laatst zag in de Markthal in Amsterdam. Daar viel alles samen: de plek – een oud fabrieksgebouw bij mij om de hoek waar ik nog nooit was geweest – de dans, de muziek… Vooral die oude loods zorgde voor heel veel sfeer. Het dak lekte, al was het die avond redelijk droog, en het liet veel daglicht door. Omdat het donker moest worden voordat de voorstelling kon beginnen, begon deze pas toen het begon te schemeren, zodat je gedurende het stuk het zonlicht langzaam zag uitfaden. Dat is het bijzondere aan het Holland Festival, dat er nieuwe combinaties op nieuwe plekken ontdekt worden. Ik zou er zelf niet aan gedacht hebben naar toe te gaan, maar het was een hele mooie voorstelling, dus ben ik blij dat ik de uitnodiging hiervoor kreeg.”
“Ik ga graag naar het Nationaal Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Mooie voorstellingen maken die altijd. Maar ik ben laatst ook bij Anne geweest, de toneelbewerking van het beroemde dagboek van Anne Frank. Ik was verbaasd dat het NRC Handelsblad de volgende dag een ontzettend negatieve recensie over het stuk op de voorpagina plaatste. Ja, ook ik vond de voorstelling een lange zit. Met name het eerste deel duurde ontzettend lang. Maar ik had mijn dochter en haar vriendinnetje meegenomen, allebei dertien jaar oud en dus van dezelfde leeftijd als Anne toen ze aan haar dagboek begon, en die vonden het juist een waanzinnige voorstelling. Het verbaasde me dat deze twee meiden, die toch in een cultuur leven waarin alles snel moet, het helemáál niet te lang vonden duren. Ze zeiden: ‘Ja, maar het geeft daardoor juist goed aan hoe die mensen zich verveelden in dat Achterhuis.’ Dus je kunt er artistiek wel van alles van vinden, maar op die meiden heeft het een enorme impact gehad. En daar is het om te doen.”
“Met cabaret heb ik niet zoveel. Dat vind ik vaak te oppervlakkig. Ik zie op televisie wel eens wat voorbijkomen van Sanne Wallis de Vries of Brigitte Kaandorp, en dat vind ik dan wel leuk, maar ik zou er niet zo snel voor naar het theater gaan. Van Theo Maassen zag ik laatst een film waarin hij een hele foute man speelt die in het bos woont. Daarin vond ik hem meesterlijk. Als acteur maakt hij meer indruk op me dan als cabaretier.”

BEELDENDE KUNST
“Alle musea in Nederland zijn me even lief. Dat klinkt als een politiek antwoord, maar het is echt zo. En wat hebben we een mooie musea in Nederland. Het pas heropende Rijksmuseum en het pas heropende Mauritshuis bijvoorbeeld – daar ben ik als minister echt trots op. Maar we hebben ook zoveel kleine musea die de moeite van een bezoek waard zijn. Museum Belvédère in Heerenveen bijvoorbeeld. Niet alleen het gebouw is adembenemend mooi, ook de collectie van hedendaagse Friese kunst is heel bijzonder. Dat museum verdient wel wat meer waardering. Museum Boerhaave in Leiden is ook zo’n fijn museum. Wat ik zo leuk vind aan dat museum is dat ze heel veel doen om kinderen te interesseren voor natuur, techniek en wetenschap. En op de binnenplaats van het gebouw is een speelplaats gerealiseerd. Mooi vind ik dat. Vroeger was een museum een plek waar het stil moest zijn, waar gezag gold, maar gelukkig is dat tegenwoordig veel minder. En als ik nog een tip mag geven: vanaf begin september is er in Huis Doorn in Doorn een tentoonstelling te zien over Nederland in de Eerste Wereldoorlog. Toen ik aantrad als minister stond dit museum, met daarin de collectie van keizer Wilhelm II die in 1917 naar Nederland vluchtte, door de bezuinigingen in de culturele sector op het punt om haar deuren te sluiten. Ik heb toen tegen ze gezegd: zorg dat jullie een project maken over de Eerste Wereldoorlog, dan kan ik jullie daar wat geld voor geven. En dat hebben ze gedaan, in samenwerking met Paleis het Loo.”
“Zelf kom ik ook graag in het Rijksmuseum. Laatst liep ik in het Rijksmuseum door een zaal waar werken van de jonge Piet Mondriaan hingen. Zo ontzettend mooi, hè. Iedereen loopt altijd gelijk door naar die eregalerij, maar er is zoveel meer te zien. Daarom vind ik kleine musea ook zo prettig: die zijn zo lekker overzichtelijk. Daar zie je iets, en dat neem je dan de hele dag met je mee. Het Rijksmuseum is daar veel te kolossaal voor: daar zou je eigenlijk maar één zaal moeten bekijken, alles op je in laten werken, en dan weer vertrekken. Het dierbaarste kunstwerk wat ik zelf heb? Dat zijn de twee portretjes van mijn ouders die Joanna Quispel recentelijk voor me heeft geschilderd. Ze hangen op dit moment naast elkaar in de gang. Op het ene portret is mijn vader te zien, achter de vleugel waar hij altijd zit, en op het andere portret mijn moeder die de krant leest. Wat wel grappig is, is dat op dat portret een schilderij te zien is wat mijn overgrootmoeder ooit van mijn grootmoeder maakte. En op de voorpagina van de krant die mijn moeder leest sta ik – dus vier generaties in één schilderij. Maar meer nog dan kunst heeft architectuur mijn belangstelling. Ik ben altijd een liefhebber geweest van mooie gebouwen. Ik heb zelfs een tijdje overwogen om bouwkunde te gaan studeren. Maar op een gegeven moment verloor ik de architectuur een beetje uit het oog, zoals dat wel met meer dingen gebeurt, maar de interesse voor gebouwen en waar ze vandaan komen is wel altijd gebleven. Onlangs zag ik wat ontwerpen van Francine Houben, de Woman Architect of the Year. Sinds die tijd heb ik de architectuur weer een beetje herontdekt en ben ik er weer meer mee bezig.”

MUZIEK
“Ik ben dol op klassieke muziek. Er is niets fijner dan op zondagochtend langzaam wakker worden, ontbijten met verse broodjes, een gekookt ei en een koffie verkeerd, en dan op de achtergrond het Piano Quartet van Brahms. Of iets van Sjostakovitsj, ook mooi. En waar ik ook heel trots op ben: mijn dochter kan nu Chopin spelen op de piano, net als ik deed toen ik haar leeftijd had. Het vioolconcert van Mendelssohn heb ik recentelijk herontdekt. Dat komt omdat ik vorig jaar met het Concertgebouworkest in Sao Paolo was. Een van de violisten van het orkest, Tjeerd Top, gaf daar een masterclass aan een jongen die daar in één van de sloppenwijken woont. Die jongen speelde daar, in zijn gerafelde kleding, het vioolconcert van Mendelssohn. Ik had dat stuk vroeger wel vaak gehoord, maar nu hoorde ik het weer en dacht: ‘Jeetje, wat is dit mooi.’ En wat leuk is: deze jongen is dus onlangs toegelaten tot het conservatorium in Amsterdam. Dus daar gaan we vast nog meer van horen.”
“In je tienertijd ontstaan veel liefdes die later weer overgaan, maar mijn liefde voor Sting is nooit overgegaan. Sting is gewoon fantastisch. Ik vind zijn muziek mooi, zijn stem is mooi, de teksten slaan ergens op… Neem bijvoorbeeld een nummer als Russians, waarin hij zingt: ‘The Russians love their children too’. Dat gaat natuurlijk ook heel erg over politiek. Englishman in New York is ook zo’n mooi nummer, over cultuurverschillen. Dat je, ook al spreek je dezelfde taal, toch een vreemde blijft in een ander land. Fleetwood Mac blijf ik ook fantastisch vinden, en Joan Armatrading ook – echt lekker voor als je gaat sporten. En The Sound of Music kan ik ook blijven kijken zonder dat het gaat vervelen. Maar Nederland heeft ook veel talent hoor. Ilse Delange vond ik al voor haar deelname aan het songfestival heel erg goed. En Rick Stotijn, de contrabassist, die ik vorig jaar de Nederlandse Muziekprijs heb mogen overhandigen. Ik heb met tranen in mijn ogen gekeken hoe hij speelt – hij trad op met een harpiste Lavinia Meijer en cellist Pepijn Meeuws – het was zo harmonisch, zo perfect… Dat ontroerde me.”


FILM

“Ik kijk graag naar films, maar ook veel naar series. Nederlandse dramaseries ook. Eentje die ik echt heel mooi vond was die serie die bij de hoogovens speelde. Vuurzee. Dat ging over een huisarts aan de ene kant en een Marokkaanse familie aan de andere kant, maar ze werkten allemaal bij de hoogovens. Ik hoop dat daar nog een vervolg op komt. Een deel van de acteurs van Vuurzee speelde later in de andere mooie serie, Bloedverwanten. Dat gaat over de intriges van een familie in de Bollenstreek. Daar keek ik graag naar, alleen al omdat ze zo mooi gebruik hadden gemaakt van ons landschap en onze cultuur. Van de buitenlandse series vind ik House of Cards echt heel leuk – over de op macht beluste politicus Frank Underwood. Het lijkt in niets op Den Haag, maar het is wel leuk om te volgen. De Deense serie Borgen lijkt dan wel weer op het leven op het Binnenhof. De manier waarop de hoofdpersoon haar gezin combineert met haar werk vind ik wel herkenbaar. Maar met collega’s napraten over beide series doe ik bijna nooit: tegenwoordig kijk je wanneer het je uitkomt. En dat is eigenlijk wel jammer.”
“De laatste film die ik heb gezien is 12 Years a Slave. Dat is een ontzettend heftige film, ik kon er bijna niet naar kijken, zo gruwelijk. Kijk, mijn man is van Surinaamse origine, dus ik weet wel het een en ander af van deze voorgeschiedenis. En daar zou wat mij betreft best wat meer aandacht voor mogen zijn. Ik denk dat het van belang is om je goed te beseffen waar je vandaan komt, omdat je anders niet goed over hedendaagse thema’s als integratie en verdraagzaamheid kunt spreken. Ik ga natuurlijk niet voorschrijven dat er op scholen meer aandacht moet komen voor onze koloniale geschiedenis, maar ik vind het wel van belang dat we daar aandacht voor blijven houden. En dat is niet alleen een taak van het onderwijs, maar ook van auteurs, filmmakers en musea.”

BOEKEN
“Ik ben een enorme lezer. Gemiddeld lees ik wel een boek per maand, en in de vakanties natuurlijk een heleboel boeken meer – papieren boeken uiteraard, want lezen van een scherm is vooralsnog niets voor mij. Deze zomer ben ik met mijn man en dochter naar Spanje geweest, naar hele goede vrienden die een prachtig huis hebben in de buurt van Gerona. Daar kon je aan het zwembad liggen met een boek, je kon in een schommelstoel zitten met een boek, je kon naar het strand lopen met een boek onder je arm – kortom: er waren mogelijkheden te over om te lezen. En dat heb ik dan ook gedaan. De nieuwe detective van René Appel, De Advocaat, heb ik als eerste gelezen. René is een bekende van ons, dus dat is dan prettig om mee te beginnen. En daarna het nieuwe boek van Margalith Kleijwegt dat ik van haar kreeg: Familie is alles. Zij is de auteur van een eerder verschenen boek over jongeren op het Calvijn met Junior College in Amsterdam, en laat in haar werk zien hoe de jongeren hun leven leiden. Ze leven veelal in gesloten gemeenschappen, worden door het thuisfront niet gestimuleerd om naar school te gaan, en belanden daardoor vaak in de criminaliteit. En de docenten staan machteloos. Dit boek is een vervolg op dat eerste deel dat tien jaar geleden verscheen. Heel interessant.”:
“In de dienstwagen kom ik helaas niet verder dan de stukken die ik moet lezen, maar ik heb altijd wel wat boeken naast me liggen. Natuurlijk weet ik dat ik qua tijd aan maximaal één boek toe kom, maar ik heb er steevast drie of vier bij me. Een van die boeken was Made in Europe van Pieter Steinz, dat ik onlangs heb gelezen. Een heel fijn boek over cultuur in Europa. Wat ik ook pas heb gelezen: dat onafgemaakte boek van Rascha Peper. Wat kon zij goed schrijven. En Oorlog en terpentijn van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans moet hier ook zeker even genoemd worden. Hertmans vertelt in dat boek het verhaal van zijn overgrootvader, die schilder was, maar ook over de tijd dat zijn overgrootvader als soldaat diende in de Eerste Wereldoorlog – en daarmee over alle gruwelijkheden die in die tijd plaats hebben gevonden. In België zijn hele dorpen bijna letterlijk uitgeroeid, dat kunnen we ons eigenlijk nauwelijks voorstellen. Ik vond het een heel aangrijpend boek en bovendien ook stilistisch heel mooi geschreven. Een aanrader.”
“Wat mij betreft mogen er wel wat meer gedichten op straat te lezen zijn. In plaats van die Loesje-spreuken wat meer posters met gedichten, dat lijkt me wel leuk. En er mogen wel wat meer boeken over het onderwijs geschreven worden. Toevallig herlas ik laatst Bint van F. Bordewijk. Mooi om te lezen wat het met een leraar doet om voor een klas te staan en hoe daarmee om te gaan. Onder Professoren van W.F. Hermans is ook zo’n klassieker. Heel herkenbaar ook voor de mensen die de academische gemeenschap een beetje kennen. Het wordt onderhand wel eens tijd voor een opvolger van dit boek. Ja, Geachte heer M. van Herman Koch gaat ook gedeeltelijk over het onderwijs – over een geschiedenisleraar als ik me niet vergis – maar dat boek heb ik nog niet gelezen. Want ik ben eerlijk gezegd niet zo’n fan van Herman Koch.”