HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Sjoerd Knibbeler uit Amsterdam.
Sjoerd Knibbeler (Weert, 1981) studeerde in 2008 af aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, afstudeerrichting: Fotografie. Dit jaar won hij de Grand Prix du Jury op het dertigste Internationale Mode en Fotografie Festival in Hyères. Tot en met 20 december 2015 is zijn werk te te zien in de tentoonstelling Foam Talent 2015 in l’Atelier Neerlandais in Parijs.
Over zijn werk Hoe fotografeer je de wind? Fotograaf Sjoerd Knibbeler stelde zichzelf als doel om het ogenschijnlijk onzichtbare (de lucht om ons heen) zichtbaar te maken. Door driedimensionale installaties te maken – we zien een ballon, papieren vliegtuigjes en zak gevuld met lucht – en die te fotograferen, weet hij dat wat we wel kunnen voelen maar niet kunnen zien in beeld te vangen. Eigenlijk is dat wat alle goede kunst doet: het vastleggen van dat wat we voelen, maar niet kunnen zien. De pijn die je voelt bij het zien van Christus aan het kruis van Zubarán, de brandende ogen bij het luisteren van To make you feel my lovevan Bob Dylan en de weerzin die je voelt bij het zien van Son of Saul. Knibbeler doet precies hetzelfde – maar dan avant à lettre.
Zo vlak voor de feestdagen verschijnt de derde druk van Gedichten die mannen aan het huilen maken. Ik was al verbaasd dat er een tweede druk kwam, maar een derde druk had ik zeker niet verwacht.
Gisteren las ik het gedicht Koud van Remco Campert. Hij schrijft: ‘Winter nadert. / Ik voel het aan de lucht / En aan de woorden die ik schrijf. / Alles wordt klaarder: de straat / Is tot aan zijn eind te zien. De woorden / Hebben geen eind.’
Woorden hebben geen eind.
Poëzie heeft geen eind.
‘Poëzie is het vuur dat naar de mensen gebracht moet worden’, schreef ik in mijn voorwoord. De vuurdragers hebben hun werk goed gedaan.
HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Gabriëlle de Kok uit Den Haag.
Gabriëlle de Kok (Dordrecht, 1988) studeerde in 2015 af als fotograaf aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.
Over haar werk “Als fotograaf richt ik mij vooral op het kijken, bekijken en gezien worden. In mijn fotografie wil ik de veelzijdigheid van een onderwerp laten zien, en in het bijzonder dat van een persoon en zijn identiteit. Niet het rechtlijnige, maar het veelzijdige – de paradox van het tegelijkertijd het een en ook het ander (willen) zijn – vind ik interessant. Ik wil mijn publiek zo laten reflecteren op vastgeroeste (denk)beelden, opgebouwd uit stereotypen en rolpatronen, om hier vervolgens los van te komen.
“De door mij gecompositioneerde taferelen spelen zich altijd af binnen een kader. Ik ga te werk als een regisseur, die het beeld zowel ter plaatste als achteraf construeert. Door een moment van beweging te verstillen, creëer ik spanning in het beeld. De omgeving is als een decor waarin de modellen fungeren als acteurs in een toneelstuk. Hierbij neemt het gebruik van lichaamstaal en emotie ook een belangrijke plek in. Mijn onderwerpen fotografeer ik vaak van een afstand. Zo wordt de kijker niet direct aangesproken en kan hierdoor vanuit een veilige positie het tafereel aanschouwen.
“Ik heb een persoonlijke fascinatie voor vrouwen, seksualiteit en identiteit. Vragen als: wie ben ik en wie zou ik willen zijn, zijn hierin leidend. Ontwikkelingen in de maatschappij, beeldcultuur en modewereld zijn hierbij ook van invloed. Ik vind het bijvoorbeeld belangrijk om als vrouwelijke beeldmaker een tegengeluid te bieden aan het eenzijdige beeld van vrouwen dat in de media geschapen wordt, door in mijn werk een divers en gevarieerd vrouwbeeld neer te zetten.”
Sesamstraat verdwijnt per 1 januari 2016 van NPO1. Dat maakte een woordvoerder van de NPO donderdagavond bekend. Het populaire kinderprogramma is vanaf het nieuwe jaar alleen nog in een middaguitzending en op het themakanaal NPO Zappelin Xtra te zien.
Bart Van Loo (1973) is een Vlaamse schrijver en conferencier, bekend als connaisseur van Franse chansons en literatuur in De Wereld Draait Door. Wat consumeert hij verder op cultureel gebied?
Op uitnodiging van samensteller Isa Hoes vertellen ruim zestig bekendere Nederlandse vrouwen over de poëzie die hen de tranen naar de ogen jaagt. Het boek verschijnt op woensdag 4 november. RTL Late Night besteedt diezelfde dag aandacht aan de bundel.
HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Willemien van den Broek uit Bennekom.
Willemien van den Broek (Otterlo, 1967) studeerde in 2014 af aan Academie Artemis in Amsterdam, afstudeerrichting: Foodstyling.
Over mijn werk “We leven in een snelle samenleving, die is ingesteld op gemak en vluchtigheid. En dat zie je ook terug in ons consumptiegebruik. Hierdoor raken we steeds verder verdwaald in het grote aanbod van voedsel en tegenstrijdige informatie over dat voedsel. De macht en invloed van de grote voedselketens, maar ook de blindheid bij de consumenten maken mij ongerust. Als we daar iets tegen willen doen is het belangrijk dat eten weer wordt gewaardeerd.”
“In de fotoserie ‘Het Laatste Avondmaal’ geef ik de positieve en de negatieve aspecten van eten weer, evenals de radicalisering van de voedselketen. Met als uitgangspunt de bekende uitspraak van de bekende Franse gastronoom Jean Brillat-Savarin (1755-1826): ‘Zeg me wat je eet en ik zeg je wie je bent’ heb ik niet alleen het karakter van Judas de verrader, maar ook de persoonlijkheden van de andere apostelen in beeld vormgegeven.”
“Door gestileerde situaties te creëren en vervreemdingen aan te brengen (door onder andere slachtafval in de foto’s te verwerken – ‘voedsel’ waar we bang voor zijn, dat we liever niet willen zien) laat ik een tegenstelling zien als lust en pijn. Aan de ene kant staat het haaks op elkaar, aan de andere kant hóren ze ook bij elkaar. Door mensen naar deze beelden te laten kijken, probeer ik ze te prikkelen en iets los te maken, zo hoop ik een bewustwording op gang te kunnen brengen.”
Meer werk van Willemien van den Broek vindt u hier.
Het Laatste Avondmaal Concept en styling: Willemien van den Broek Fotografie: Annette Hendriks
Oud-politicus Willem Aantjes (1923 – 2015) zag zijn hele leven samengevat in twaalf onvergetelijke versregels van Geerten Gossaert, pseudoniem van dichter, politicus en historicus Carel Gerretson (1884 – 1958) – bij wie Aantjes tijdens zijn studie Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Utrecht nog college had gevolgd. Dat schreef hij eerder dit jaar in de bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken.’
Over het gedicht ‘De buit’ uit de bundel ‘Experimenten’ (1911) schreef hij:
“Ik ben van nature een einzelgänger. Ik sta altijd aan de rand, ‘ten vleugle’ zoals Geerten Gossaert het in dit gedicht zo mooi schrijft, van een groep. Dat begon al op het enigzins elitaire gymnasium waar ik als polderjongen les kreeg. Zeker in die leeftijd is het niet leuk om altijd ‘ten vleugle’ te staan. Dat schrijnt dan, maar het vormt je ook.”
“Later, in de oorlog, merkte ik dat weer. Je bent deel van een geheel, maar je bent ook alleen. Je kon steeds voor beslissingen komen te staan waarvoor geen modellen voorhanden waren – je moest er zelf maar uit proberen te komen. In die situatie heb ik geleerd mijn beslissingen te toetsen aan de volgende criteria: Deugen mijn intenties? Schaadt het de goede zaak niet? Dient het de kwade zaak niet? Lopen anderen geen risico’s door mijn beslissing? Nee? Nou dan!
“Ook politiek gezien heeft dit gedicht betrekking op mij. Op mijn positie en mijn rol binnen het CDA bijvoorbeeld. Ik hoor bij die club, het zijn mijn broeders en zusters, maar ik ga er niet in op. ‘Deel van het heir, maar vaak ten vleugle.’ Ook ik heb mijn strijd gestreden onder het hete middagbranden. Ik ben nergens voor weggelopen. Dat feit geeft rust, maar laat ook wonden na. En die schrijnen, maar ze blijven ‘verborgen onder het gewaad van wie genezen schijnt.’”
In mei van dit jaar sprak hij in het VARA-radioprogramma Spijkers met Koppenover zijn bijdrage aan dit boek. Over de vraag waarom hij voor dit gedicht heeft gekozen, antwoordde hij: “Omdat ik mijzelf er mijn hele leven al in heb herkend. Ik woonde in de polder, kwam niet uit een intellectueel milieu, en wilde dominee worden. Dan moet je naar het gymnasium. Toen zei mijn vader: “Ik vind het best, als je dat wil moet je dat doen, maar je gaat naar een christelijk gymnasium.” In de buurt van mijn woonplaats Alblasserwaard waren twee gymnasia: een in Dordt, en een in Gorinchem. Maar die voldeden niet aan de eis van mijn vader. Dus moest ik naar het Marnix-gymnasium in Rotterdam. Tijdens een les Nederlands las ik het gedicht van Gossaert en het trof me meteen. Vooral de regel: ‘Deel van het heir, maar vaak ten vleugle.’ Ik zat in de klas, maar hoorde niet echt bij de rest – bij de jongens en meisjes die wel uit een intellectueel milieu kwamen.”
In het kort Willem Aantjes (1923 – 2015) was politicus en prominent lid van het CDA. Hij was onder meer lid van de Tweede Kamer (1959-1978), fractievoorzitter van de Anti Revolutionaire Partij (de ARP, 1971 -1972, 1973-1977) en fractievoorzitter van het Christen-Democratisch Appèl (het CDA, 1977-1978). Beroemd werd zijn toespraak op het eerste CDA-congres in 1975, welk de geschiedenisboeken is ingegaan als ‘De Bergrede van Aantjes.’ In 1978 kwam Aantjes in de nationale beklaagdenbank toen RIOD-directeur Loe de Jong hem op een live uitgezonden persconferentie ervan beschuldigde lid te zijn geweest van de Waffen-SS. Aantjes ontkende dit, maar trad vanwege de ontstane commotie wel af. Twee onafhankelijke onderzoeken bevestigden na een half jaar grondig onderzoek het gelijk van Aantjes: Hij had zich bij de (Nederlandse, niet-militaire) Germaanse SS aangemeld om zich via die weg te onttrekken aan zijn gedwongen tewerkstelling in Duitsland en naar Nederland te vluchten. Hij kwam zo weliswaar in Nederland, maar werd daar gearresteerd en tot het eind van de oorlog tewerkgesteld in strafkamp Port Natal bij Assen. De EO maakte in 2013 een televisieserie over deze beruchte affaire: ‘De val van Aantjes’.
Het literair-satirische studentenweekblad Propria Cures lijkt, na het verscheiden van schrijvers Harry Mulisch en Joost Zwagerman, een nieuwe literaire vijand te hebben gevonden: de 24-jarige schrijver enParool-columnist Mano Bouzamour.
Op de Facebookpagina van het studentenblad is een foto te zien waarop twee redacteuren pronken met de in een betonnen stoeptegel gedrukte handafdruk van Bouzamour, die eerder dit jaar in de zogenaamde Writers Walk of Fame werd opgenomen voor Boekhandel Scheltema op het Rokin in Amsterdam. Onder de foto staat de tekst: “Doe mee aan de Kolomkompetitie en win de handafdruk van Mano Bouzamour, die niet thuishoort op het Rokin, maar des te meer in uw woonkamer.”
De redacteuren van het blad hebben, zoals ze zelf zeggen, ‘een allergie voor humbug, voor opgeblazen lucht, voor een verpakkking zonder inhoud.’ Gevraagd naar een reactie schrijven ze: “We hebben de hand van de heer Bouzamour uit de stoep gelicht omdat hij, en dat willen we nog even met klem benadrukken, niet thuishoort in een Writers Walk of Fame.” Ze voegen daaraan toe: “Dat je Mulisch en Zwagerman in een adem noemt: soit, je doet maar, maar laat Mano Bouzamour alsjeblieft buiten de literatuur.”
Zoals gezegd heeft Propria Cures een rijke traditie wat betreft het beschimpen van schrijvers. Zo was Harry Mulisch ruim zes decennia lang een favoriet mikpunt voor hoon en spot. Het blad zag hem als ‘aartsvijand nummer één’. Onder meer ”de literaire pretenties van de auteur, zijn egocentrisme en het feit dat hij zich veel met public relations bezighield” werden door de redactie gehekeld.
Na de dood van Mulisch was diens literaire zoon Joost Zwagerman aan de beurt. “De vervelendste schrijver van Nederland” werd door een artikel in Propria Cures zelfs met de dood bedreigd en spande kort voor zijn dood nog een rechtszaak aan tegen het blad omdat het mails van hem openbaar had gemaakt – waarna het artikel over de schrijver werd ingetrokken.
Het is ’s lands meest prestigieuze aanmoedigingsprijs voor jong schildertalent: de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst, in 1871 in het leven geroepen door koning Willem III. Op vrijdag 9 oktober maakt zijn achterachterkleinzoon Koning Willem Alexander in het Koninklijk Paleis in Amsterdam bekend welke vier kunstenaars de prijs dit jaar krijgen toegekend. HP/De Tijd stelt de komende dagen zeven genomineerden aan u voor. Vandaag: Lilian Kreutzberger uit New York.
Lilian Kreutzberger (Middelburg, 1984) studeerde beeldende kunst aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag (2003 – 2007) en behaalde haar master aan de Parsons School of Design in New York (2011 – 2013). Sinds 2010 woont en werkt ze in New York.
Over haar werk “Mijn werk wordt gevormd door momenten waarin de realiteit net wel of net niet overeenkomt met dat wat men er van had verwacht. Met een melancholische ondertoon onderzoek ik het dilemma van de onmogelijkheid van de voorgestelde utopie die model staat of model heeft gestaan voor het huidige en toekomstige stedelijke landschap. In mijn werk kijk ik naar constructen die voortkomen uit een verlangen een structuur, systeem en/of orde te geven aan complexe processen en de limieten om deze complexiteit daadwerkelijk te vatten.”
“Terugkerend thema’s in mijn werk zijn de publieke ruimte, ruimtelijke ordening, planologie en architectuur. Impliciet houd ik mij bezig met ideeën over hoe de ideale samenleving zou moeten zijn, hoe men zich beweegt door de publieke en private ruimte en hoe dit wordt ervaren. Ondanks de afwezigheid van de mens in mijn werk staat de subjectieve beleving van de ruimte en ontwikkelingen in de stedelijke omgeving centraal.”
“De eerste en tweede foto hieronder tonen twee werken die positief en negatief van elkaar zijn. De houtdelen uit het lichtere werk vormen de grid-structuur van het donkere werk. De vlekken en donkere gebieden zijn het resultaat van een mislukte mengeling van acrylverf met gekleurd gips. Het snelle drogen van het gips vereist een snelle handeling, zowel bij het mengen van verf met gips als het vullen van de open ruimte. De donkere stippen ontstaan als gevolg hiervan; de onopgeloste klodders verf in het gips drogen op tot een kraterachtig reliëf in de oppervlakte van het werk.”
“Foto’s 1 tot en met 9 zijn het resultaat van een procesmatig onderzoek naar hoe vorm te geven aan abstractie, materiaal en compositie – altijd in relatie tot de schilderkunst als medium an sich. De werken bevinden zich op het snijvlak tussen schilderen en sculpturaal werk, waarbij ik naar beide probeer te kijken, en zijn een onderzoek naar hoe betekenisvol te denken en om te gaan met abstractie. De werken zijn de resultaten van een strijd met tijd en het wel en niet hebben van controle over het materiaal.
De werken komen voort uit het project Engineering Hope (2013 – 2014) waarvoor ik onderdelen voor een fictief model voor sociale woningbouw heb ontworpen. Door deze onderdelen digitaal te copypasten en samen te voegen ontstaan nieuwe composities. Dit vindt dikwijls pas plaats tijdens het fysieke maakproces van het werk, tijdens het besluiten welke onderdelen blijven en welke de negatieve ruimten worden die later worden gevuld met gips.
Materiaal, kleur en compositie geven aanwijzing aan hoe het werk wordt gelezen en voegen soms toe aan een dubbelzinnigheid daarvan. Soms lezen de werken als miniatuur bovenaanzicht van een stad, dan weer als een kaart of computerchip.”