De nooddruftige schrijver

Atte Jongstra (62) schreef met zijn essaybundel De ontgroende mens een van de betere natuurboeken van het jaar, maar staat niet op de longlist van de Jan Wolkers Prijs. De schrijver zelf zit daar niet mee: geldzorgen zijn een groter probleem. HP/De Tijd belde met de schrijver, die net terug was van zijn tweede huis in Frankrijk.

(Verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd – 2018.)

Wacht eens even, u klaagt dat u nauwelijks kunt rondkomen van uw schrijverij, maar u heeft een tweede huis in Frankrijk?
“Een tweede huis is een groot woord. Het is een vervallen optrekje. Heel luxe is het niet, om er maar eens een understatement op los te laten. Ik noem het zelf altijd een ruïne. Je kunt erin slapen en in eten, maar verder stelt het niet zoveel voor. Ik schrijf er ’s zomers en werk dan wat in de tuin, maar ’s winters is het er te koud.”

Hoe arm bent u?
“Ik leef op dit moment van een werkbeurs van het Letterenfonds, maar daar kun je nauwelijks van rondkomen, want de belasting gaat er ook nog eens een keer van af. Dus als je een werkbeurs krijgt van laten we zeggen dertig mille, dan houd je daar twintig mille van over waar je dan een jaar van moet schrijven. Het is schrapen. Ik klaag er niet over, want ik kan het geld goed gebruiken, maar ik heb het idee dat mensen soms denken dat schrijvers breed leven van subsidiegelden. Dat is absoluut niet het geval. Als ik een keer een lezing of iets dergelijks heb, waar ik ook nog een klein beetje mee verdien, dan heb ik nog moeite om die maand rond te komen. Ik kan het steeds allemaal net redden, maar veel slechter moet het niet worden.”

U verkocht van een roman vroeger gemiddeld zo’n tweeduizend exemplaren, maar dat is de laatste jaren gehalveerd. Politici als Eric Wiebes zeggen dan: kunst moet zichzelf kunnen bedruipen, als er geen markt is voor die schrijver, dan hoeft hij ook geen subsidie te krijgen.
“Maar als er wel een markt is voor een schrijver, hoeft hij ook geen subsidie. Geen geld voor de kunst dus. Het is een oude discussie. Multatuli heeft zich al tegen die visie verzet. Thorbecke zei: ‘Kunst is geen regeringszaak.’ Multatuli zei op zijn beurt: ‘Kunst is wel degelijk een regeringszaak. Want kunst is goed voor het volk, en het volk is wel degelijk een regeringszaak.’ Daar ben ik het mee eens. Je moet een gezond cultureel klimaat hebben en daar moet je als regering ook in investeren. Als ik ophoud met schrijven, dan is dat niet zo erg voor de letteren, maar als alle schrijvers die afhankelijk zijn van een werkbeurs ophouden met schrijven, dan wordt het aanbod wel heel erg schraal.”

Hoe nu verder? Moeten we een actie opzetten om u de winter door te helpen?
“Ha, nee, ik ben niet de enige. Als je dat gaat doen, dan kun je wel bezig blijven.” Ironisch: “Als ik mijn rekeningen niet meer kan betalen, moet ik iets anders gaan verzinnen. Misschien maar tramconducteur worden. Ik spreek weleens iemand die dat is en die is daar aardig tevreden over. Hij heeft wel onregelmatige diensten, maar die draait een schrijver altijd al.”

Op 21 oktober vindt de uitreiking van de Jan Wolkers Prijs plaats. De ontgroende mens ligt in de boekhandels.

Gerard Joling: ‘De beste zanger van Nederland? Dat ben ik zelf’

Gerard Joling (57) is een van de meest geliefde zangers van Nederland. Eind mei staat hij met De Toppers weer drie keer in een bijna uitverkochte Johan Cruijff ArenA in Amsterdam. Playboy spreekt de goedlachse entertainer over zijn carrière, zijn vete met Gordon en zijn politieke engagement: ‘Het zou me niet verwonderen als hier binnen nu en drie jaar een burgeroorlog uitbreekt.’

Het gehele interview met Gerard Joling leest u in Playboy (mei 2018) of op Blendle.

Je staat nu bijna voor de vijftigste keer in de Arena. Voel je nog iets van spanning op de dag van het concert, of is het allemaal routine geworden?
Nou, je bent onrustig op een positieve manier. Je weet dat er die avond 67.000 mensen voor je neus staan en dat doet natuurlijk iets met je. De dagen voor de shows vind ik altijd het zwaarst. Dan doe je de show al een paar keer: eerst een generale repetitie, dan een camerarepetitie, dan een gewone repetitie… Dat is best pittig. Ik hoop dan altijd dat mijn stem het houdt. Op de dag van het concert ga ik meestal eerst een uurtje hardlopen in het sportzaaltje van het Amstel Hotel. In de kleedkamer houd ik het altijd heel rustig: een paar geurkaarsen, een beetje wierook en vooral niet te veel mensen om me heen. Die rust moet je ook hebben wanneer je opkomt. Je moet langzaam het trappetje op, langzaam uit de lucht naar beneden zakken, langzaam van de olifant af… Je krijgt zo’n adrenalinestoot dat je het liefst over dat podium wilt rennen, maar dat moet je niet doen. En dan is het even drie uurtjes heel hard werken, maar het blijft natuurlijk iets wonderbaarlijks, zo’n groot concert. Het is belangrijk dat je rustig blijft.

Ben je al helemaal in vorm of moet je er nog even tegenaan?

Ik moet eigenlijk nog acht kilo afvallen, maar dat gaat me niet meer lukken. Ik vind het veel te leuk om uit eten te gaan en een drankje te drinken, waardoor ik niet zo slank en afgetraind ben als ik eigenlijk zou willen zijn. En ik hoop dat ik geen last krijg van de pollen in de lucht, want daar ben ik altijd heel erg gevoelig voor. Er lopen natuurlijk artsen rond die daar allerlei middeltjes voor hebben, dus er is niets aan de hand, maar dat probeer je toch te voorkomen. Het belangrijkste is nu dat we volgende week beginnen met repeteren, met het instuderen van de liedjes, en dat vind ik ook altijd wel een ding.

Want?

Nou, je hebt heel veel liedjes die je leuk vindt, maar er zitten ook altijd nummers bij waarvan je denkt: jemig, wat vind ik dat verschrikkelijk. Van die lullige liedjes als Olleke bolleke remi solleke, bijvoorbeeld. Daar word ik helemaal niet goed van. Of Er staat een paard in de gang. Ik ben dol op André van Duin, hij is een fantastische artiest voor wie ik ongelooflijk veel respect heb, maar dat nummer hoeft voor mij niet. Maar dan zie je hoe de mensen uit hun pan gaan en dan denk je: ach, laat ook maar, en dan zing je het maar een beetje mee. We hebben alle vier wel liedjes waar we niet zoveel zin in hebben.


Wie vind jij op dit moment de beste zanger van Nederland? Zit hij in De Toppers?

Dat vind ik heel moeilijk, want dat heeft heel erg met smaak te maken. Maar als het gaat om veelzijdigheid, en als het gaat om volume, dan vind ik mezelf eigenlijk wel de beste. Dat klinkt ontzettend opschepperig, maar ik denk dat ik een heel goede zanger ben. Gisteravond zat ik met wat vriendinnen, onder wie Mary Borsato en Bonnie St. Claire, wat oude concerten terug te kijken, van Marco en Bonnie, maar ook van mezelf, en dan zie ik dat en dan denk ik: Geer, hier mankeert helemaal niets aan, dit is zó goed gedaan. Als het gaat om veelzijdigheid in muzieksoorten, dan vind ik Waylon een van de beste zangers van Nederland.

(——-)

Welke politicus vind je goed?
Thierry Baudet (Forum voor Democratie, red.) doet het heel goed, al moet hij niet van die rare legeroutfits gaan dragen zoals laatst in de Tweede Kamer, want dan knap ik af. Voor de rest is het slecht gesteld met de politiek. Nederland schreeuwt naar mijn mening om twee dingen: strengere regels en hogere straffen.’ Hij veert op van zijn stoel en begint vurig te spreken: ‘De politie moet allereerst meer bevoegdheden krijgen. Niet alleen met pepperspray, maar ook met het gebruik van knuppel en geweer. Je denkt toch niet dat je bij de Guardia Civil in Spanje iemand uit kan lachen of in zijn gezicht kan kwatten zonder dat er iets gebeurt? Dan slaan ze je met zes knuppels in elkaar. Hier mag dat weer niet. Wat is dat voor een beleid in Nederland? Zo wordt het alleen maar erger. We krijgen steeds meer inbraken, steeds meer overvallen, en het maakt dat tuig ook niet uit, want ze denken: als ik word opgepakt dan kom ik toch in een soort hotel terecht waar ik zelf mag kiezen wat ik eet en waar ik alleen op een kamer kom te zitten. Het is hier gewoon een El Dorado. Ik word er angstig van. Het kan toch niet waar zijn dat iedereen hier alles maar kan doen? Als jij negen jaar op een huis zit te wachten in Amsterdam maar je krijgt het niet omdat er krakers in zitten die er niet uit willen. Van Aartsen, die paardenlul, zegt tegen die mensen: dan moet je maar aangifte gaan doen. Wat is dat voor een waarnemend burgemeester? Die man moet gewoon heel snel met pensioen. Het kan toch niet waar zijn dat een vrouw van in de zeventig staat te douchen en dat er ineens buitenlanders in de woonkamer staan die dat huis gaan kraken? Het zou mij gebeuren zeg. Ik zou er zelf tegenaan gaan met een bijl en een hakmes. Ik vind het zo verschrikkelijk dat dit hier allemaal gewoon kan. Het land wordt overgenomen door de buitenlanders en we zijn gewoon te laat. We kunnen niet meer terug. En dat is allemaal de schuld van links.

Daar zeg je nogal wat. Je hebt het over een bijl en een hakmes, wat me doet denken aan een uitspraak van Forum voor Democratie-Kamerlid Theo Hiddema, die eens zei dat de burger zelf een pistool moet kopen om zichzelf te verdedigen.

 Ik ben het wel met hem eens. Vijf jaar geleden stonden er ‘s nachts vijf mannen aan mijn deur die me wilden overvallen. Ze zijn niet binnengekomen, ik lag in diepe slaap en heb ook niets gehoord, maar ze hebben wel de deur ontzet. Ik heb de beelden van die poging tot roofoverval opgestuurd, en ook die van de buren, maar de politie heeft er niets mee gedaan. Zij noemden het een poging tot inbraak. Ammehoela. Je gaat niet inbreken bij iemand die gewoon thuis is, en dan ga je ook niet met vijf man met allemaal een mombakkes om bij de deur staan. Ik heb nu een nieuw huis en ben vergeven van de camera’s. Ik heb nu ook mijn eigen dingen in huis. En ik zal niet zeggen of dat nu een geweer is of iets anders, maar ik ben bang geworden en denk: hier heb ik geen zin meer in. Dus verdedig ik me ook met dingen die niet mogen. Prima. Ik werk mezelf drie slagen in de rondte en een ander trekt m’n troep leeg of zet me een mes op de keel voor een paar klokkies? Dacht het niet. Ik vind dat we onszelf moeten kunnen verdedigen. Die wet moet er dan misschien ook maar door.

Een wapenwet? In de Verenigde Staten staat die wet nu juist heel erg ter discussie.

Ja, en dat snap ik ook wel, want het is natuurlijk ook angstaanjagend, iemand die met een Kalasjnikov een school binnenkomt. Aan de andere kant kun je het ook niet controleren. De schutter in het winkelcentrum van Alphen aan den Rijn was ook iemand met psychische problemen, maar hij kreeg toch een wapenvergunning. Het is een heel lastige discussie. Dat vind ik ook. Ik weet niet of we daar ooit uit zullen komen in Nederland. Maar ik vind ook dat je jezelf moet kunnen verdedigen tegen dat soort gespuis.

Dan, weer wat bedaard: ‘Het is net of ik een politiek pleidooi aan het houden ben, maar ik wind me er gewoon erg over op. Mijn grootste angst voor de komende jaren is de islamisering van Nederland. Ik heb niets tegen buitenlanders, maar ze moeten wel onze taal spreken en onze normen en waarden respecteren. We hebben de afgelopen jaren gewoon te veel binnengelaten in een te klein land en vroeg of laat gaat dat botsen. Dan komt er een clash tussen de verschillende culturen. Het zou mij niet verwonderen als er binnen nu en drie jaar een burgeroorlog uitbreekt. De mensen pikken het niet meer. Het land gaat naar de klote op deze manier.’

Jan Wolkers: Cremers knapste leerling?

Schreef Jan Wolkers ‘pik’ dankzij Jan Cremer, of kon Cremer zo onverbloemd schrijven dankzij Wolkers? Biograaf Onno Blom gaat voorbij aan de band die de twee giganten hadden, aldus Cremer. ‘Een literair schandaal’, vindt hij.

Jan Cremer keek vreemd op toen hij op 7 oktober 2017 het Financieele Dagblad las. Literatuurwetenschapper Jaap Goedegebuure schreef daar dat Jan Wolkers ‘de weg had gebaand’ voor de onverbiddelijke bestseller Ik Jan Cremer. In 1989 beweerde diezelfde Goedegebuure, toen hoogleraar Taal- en Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Tilburg, namelijk nog het tegenovergestelde. In zijn Nederlandse literatuur 1960-1988 schreef hij over Wolkers dat hij ‘niet de taboeschenner is waarvoor hij zich achteraf graag uitgeeft’ en dat hij pas zo onverbloemd over seksualiteit kon schrijven nadat ‘‘Het Beest’ Jan Cremer hem was voorgegaan’. Turks fruit, het beroemdste boek van ‘Cremers knapste leerling’ is volgens hem ‘weinig meer dan een voetnoot bij Jan Cremer’ die de romantiek van het minnende kunstenaarsstel al veel eerder had opgeroepen.

“Die man is de weg kwijt,” oordeelt de inmiddels 78-jarige Cremer, die momenteel in Italië hard werkt aan zijn nieuwe boek Canaille. “Hij spreekt zichzelf compleet tegen. Dat is natuurlijk al vreemd, maar nog veel vreemder vind ik de rol van Onno Blom.” In Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers, die twee weken na het verschijnen van het artikel werd gepresenteerd, maakt de biograaf namelijk niet één keer gewag van de invloed die Cremer op het werk van Wolkers zou hebben gehad. Cremer: “Blom gaat volledig voorbij aan de band die ik had met Wolkers. Ik kende Wolkers al sinds de jaren vijftig, ik heb hem diverse keren bezocht en had al die jaren heel goed contact met hem. Ik weet dat hij mijn werk enorm bewonderde, ik gold als een soort loods voor hem. Dat zei hij ook. Blom wist dat ook. Hij was honderd procent op de hoogte van die feiten, we hebben er ook weleens uitvoerig over gesproken toen hij bestuurslid was van het Cremer Museum in Enschede, maar hij heeft het bewust weggelaten in de biografie. Dat vind ik een kwalijke zaak. Een literair schandaal.”

Jaap Goedegebuure moet desgevraagd toegeven dat hij zichzelf tegenspreekt in het artikel. “In 1989 schreef ik inderdaad dat Jan Cremer geen wegbereider nodig had,” zegt hij, “maar daar ben ik, toen ik me voor dat artikel weer eens ging verdiepen in de documentatie, een beetje van teruggekomen. Jan Wolkers was onbetwist eerder in de tijd als het gaat om schrijven over seksualiteit. Al in 1963 liepen mensen boos weg uit de zaal toen hij in Leiden en Bergen het verhaal Kunstfruit voorlas. Cremer kon in zekere zin op dat pad voortgaan. Cremer was wel de eerste die expliciete taal ging gebruiken. Wolkers was veel meer omfloerst, die zou tot het verschijnen van Ik Jan Cremer in 1964 nooit woorden als ‘pik’, ‘kut’ en ‘neuken’ hebben gebruikt. Daarin was Jan Cremer echt een pionier, al had hij op zijn beurt weer heel goed naar Henry Miller en Jack Kerouac gekeken.” Een geagiteerde Cremer, even later aan de telefoon: “Ik word altijd met die twee vergeleken. Ik zweer je, ik heb die boeken nooit gelezen. Wolkers las ik trouwens ook niet. De jaren zestig waren veel te druk om te lezen. En ik schrijf ook veel beter. Literatuur lezen is tijdverlies.”

Er zijn weinig wetenschappelijke werken waarover de laatste jaren zo veel gesteggel is geweest als de biografie van Jan Wolkers. Een eerste promotiecommissie had de dissertatie afgewezen: het academische werkstuk zou zich te veel focussen op de hoofdpersoon en te weinig op de maatschappelijke en culturele context – wat de verhandeling onvoldoende ‘wetenschappelijk’ maakte. Een tweede commissie keurde de dissertatie wel goed. Goedegebuure heeft daar zijn eigen opvatting over: “Blom plaatst Jan Wolkers niet of nauwelijks in zijn tijd en vergelijkt hem al evenmin met zijn tijdgenoten, nee, het gaat bij hem om de uniciteit van Wolkers. Dat vind ik geen verantwoorde aanpak voor een biografie. Daardoor lijkt het net of Wolkers een volkomen uniek en eenmalig fenomeen is geweest – en dat is natuurlijk niet zo. Ik zou Jan Wolkers veel meer hebben behandeld als een exponent van de jaren zestig en daarbij ook zeker Jan Cremer – maar ook andere schrijvers, bijvoorbeeld de Vijftigers – hebben genoemd. Nu is het Wolkers voor en Wolkers na en dat zorgt voor een enorme uitvergroting. Ik denk ook dat Blom misschien iets te goed bevriend was met Wolkers en later met diens weduwe om hem met een gezonde afstand te beschouwen. Je ziet de hand van de weduwe ook wel heel erg terug in het boek, vind ik.”

Onno Blom moet hartelijk lachen om die laatste opmerking. “Welke hand van de weduwe is dat geweest? De rechter of de linker? Heeft Goedegebuure een van beide soms vastgehouden? Wellicht is zijn visie wel een tikje gekleurd. In het archief op Texel vond ik nog een boos briefje van Goedegebuure, nadat Wolkers hem een ‘schooierachtige wekeling met de herseninhoud van een ziekelijke chimpansee’ had genoemd. Zelfs dát heeft de biografie niet gehaald.” In de kritiek dat hij Wolkers in zijn biografie te veel als een uniek en eenmalig fenomeen beschouwt, kan hij zich niet vinden. “Ik zou Wolkers zelf niet zo snel een uniek fenomeen noemen, maar uitzonderlijk was hij wel. Net als Cremer een einzelgänger. En dat ontbreken van ‘die context’ is natuurlijk ook niet waar: de omgeving van Wolkers, de jeugd in Leiden en Oegstgeest, de succesjaren in Amsterdam en het late leven op Texel – het wordt allemaal uitgebreid getekend. De geschokte reacties op zijn werk, binnen en buiten de kunst, wat mannen en vrouwen van Wolkers vonden – het staat allemaal in mijn biografie.” Was hij op de hoogte van de passages in de bundel essays van Jaap Goedegebuure waarin hij stelt dat Jan Cremer het pad heeft geëffend voor Jan Wolkers? “Ik heb die documenten gelezen, maar ik heb geen bewijs gevonden dat Wolkers aantoonbaar literair door Cremer is beinvloed. Jan Cremer was geen loods voor Jan Wolkers. Cremer was ook niet eerder een ‘onverbloemde’ schrijver dan Wolkers. Omgekeerd lijkt Cremer me ook niet door Wolkers geïnspireerd. Ik denk dat Wolkers en Cremer onafhankelijk van elkaar ongeveer gelijktijdig zijn begonnen om proza te schrijven waarin expliciete scènes voorkomen. Dat was in een tijd waarin ze elkaar, voor zover ik weet, niet persoonlijk kenden. Dat ik hem niet heb genoemd heeft overigens niets te maken met mijn waardering voor Cremer – die is, zoals hij ook wel weet, heel groot. Het was gewoon steeds scherp kiezen.”

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Hans van Manen: ‘De danskunst wordt gediscrimineerd in Nederland’

Dit najaar zit Hans van Manen (84), een van ’s werelds succesvolste choreografen, zestig jaar in het vak. In een vrijmoedig gesprek blikt hij terug op zijn jeugd en zijn carrière. Gek genoeg krijgt zijn werk in eigen land lang niet zo veel aandacht als internationaal. ‘De danskunst wordt gediscrimineerd in Nederland.’ Meer lezen over Hans van Manen: ‘De danskunst wordt gediscrimineerd in Nederland’

Erwin Olaf: ‘Ik wind me ontzettend op over de conservatieve islam. Vre-se-lijk’

Het werk van meesterfotograaf Erwin Olaf (1959) is gevierder dan ooit: een tentoonstelling in het Rijksmuseum, reizen naar Mallorca, Moskou en Hongkong. Terwijl zijn gezondheid steeds brozer wordt, neemt zijn engagement toe. ‘Ik vind dat we onze westerse waarden veel te snel te grabbel gooien.’  Meer lezen over Erwin Olaf: ‘Ik wind me ontzettend op over de conservatieve islam. Vre-se-lijk’

Alexander Pechtold: ‘Dit kabinet kan iedere dag vallen’

Voor het decembernummer van HP/De Tijd (2015) hield ik een groot interview met Alexander Pechtold.

D66-leider Alexander Pechtold blikt, aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag, terug op tien roerige jaren in de landelijke politiek. Over dat omstreden interview in Opzij, zijn rivaliteit met Geert Wilders en de stand van ons land en de Europese Unie. ‘Europa heeft de apk nog niet gehaald.’

Uit het interview:

U wordt op 16 december vijftig.
“Ja. Spread the word.”

Ziet u daartegenop?
“Ik realiseer me heel goed dat ik zwaar over de helft ben. Maar veertig worden vond ik moeilijker. Tot je veertigste kun je nog fouten maken, moet het allemaal nog komen. Dat is – als je er heel hard aan trekt – nog een soort verlengde van de studententijd. Als je veertig wordt is dat over.”

Er zijn mannen die op de helft van hun leven een totaal nieuwe weg inslaan. Heeft u de afgelopen tien jaar weleens op het punt gestaan om de politiek de rug toe te keren?
Grapt: “Iedere week. Vooral op vrijdag.”

Dan: “Nee, gekheid. Het is heel gezond om je niet helemaal in dit wereldje mee te laten zuigen. Een carrière in de politiek is niet het grootste doel, het belangrijkste in je bestaan. We hadden destijds als gezin van Wageningen naar Den Haag kunnen verhuizen, maar ik ben blij dat ik dat niet heb gedaan. Ik moet er niet aan denken om bij de Albert Heijn collega’s tegen te komen.”

Een woordvoerder, die iets verderop aandachtig meeluistert met het gesprek, valt hem in de rede en mompelt geamuseerd: “Dijsselbloem.”

Pechtold: “O ja, Dijsselbloem kom ik inderdaad weleens tegen in de Albert Heijn.” Hij leunt voorover uit zijn stoel, richt zich tot het opnameapparaat en zegt op overdreven harde toon: “Maar het is een genot om jou daar tegen te komen, Jeroen!”

Het gehele interview – onder meer over Europa, D66 en Geert Wilders – is hier te lezen op Blendle.

ANP-1400_31877883

Kamp zonder schaduw

Schrijver Jaap Scholten (Enschede, 1963) schreef een boek over zijn familiegeschiedenis: Horizon City. Collega en vriend Jan Cremer (Enschede, 1940) las het en bleef verbaasd achter: waarom werd het in Enschede beruchte Kamp Scholten – het interneringskamp waarin Cremer als kind drie weken op beestachtige manier gevangen werd gehouden – niet genoemd?

Verschenen in HP/De Tijd nummer 8, 2014. PDF-bestand vindt u hier.

Het Wilmink Theater in Enschede, 16 november 2012. Schrijver Jaap Scholten is uitgenodigd om acte de présence te geven op het Crossing Border Festival – het intussen wereldvermaarde muziek- en literatuurfestival dat in dat jaar voor het eerst ook in Enschede werd gehouden. In afwachting van zijn optreden vleit hij zich neer in de plastic kuipstoel van zijn kleedkamer en kijkt wat om zich heen. Het artiestenvertrek is sober maar degelijk ingericht, zoals het hoort. Er staat een tafel, een stoel en er hangt een enorme, met lampen omlijste spiegel. Onder die spiegel hangt een langgerekte plank waar normaliter make-up op wordt gestald. Maar nu niet. Nu staat er een koffertje op. Een versleten, donkerblauw stewardessenkoffertje.

Scholten hoorde bij binnenkomst al dat er eerder die dag een koffer voor hem was afgegeven. Van wie het afkomstig is of wat er in zit had niemand een idee – ze wisten alleen dat het voor Jaap Scholten was bestemd. Na een minuut of wat fantaseren (Wat zou er in zitten? Geld? Reisspullen? Niets?) kan hij zijn nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken. Hij pakt het valies, dat veel zwaarder blijkt dan hij had gedacht, van de plank en legt het op tafel. Als hij zijn duimen zachtjes tegen de twee knipsloten drukt, schiet het deksel al open. De koffer blijkt tot de rand toe gevuld met papieren: foto’s, brieven, enveloppen met rode lakzegels. Voorzichtig spreidt hij de paperassen uit over tafel, schuift zijn stoel naar voren en gaat zitten. Een in slangenleer gebonden fotoalbum is het eerste wat zijn aandacht trekt. Op de voorkant staat in gouden letters: Schloss Goyen – de naam van het kasteel dat zijn overgrootvader bezat in Italië. In documenten herkent hij namen van familieleden, sommige personen op de foto’s herkent hij ook. Het koffertje blijkt boordevol materiaal van en over zijn familie.

De totstandkoming van Horizon City, het boek dat is gebaseerd op de familiearchivalia in deze koffer, is eigenlijk al te mooi om waar te zijn – maar dat geldt zeker ook voor het boek zelf. Want wie heeft er nu twee betovergrootouders die tijdens hun huwelijksreis schipbreuk leden en op een onbewoond eiland aanspoelden? Of een excentrieke oudoom – Chuck Stork genaamd – die in 1913 de eerste importeur van Harley Davidson in Europa werd, een vliegtuigwinkel bezat op Fifth Avenue, vijfmaal trouwde, tweemaal multimiljonair werd maar uiteindelijk zo arm als een kerkrat stierf in de woestijn van Texas? En dan hebben we de aangetrouwde tante Fanny nog, die ooit een paar ‘waardeloze’ doeken van de toen nog onbekende Vincent van Gogh verbrandde in haar achtertuin. Tante Anna, die besloot met haar dokter te trouwen zonder hem daarvan op de hoogte te stellen. En dan vergeten we het verhaal nog van het familiekasteel in het Italiaanse Merano, het kasteel van het slanglederen fotoboek, dat in de oorlog door nazi-architect Albert Speer werd gevorderd om er zijn vakantiehuis van te maken. Het donkerblauwe reiskoffertje blijkt niets minder dan een schatkist aan verhalen.

Het kamp dat niet heeft bestaan
Schrijver Jan Cremer, geboren in dezelfde stad als Jaap Scholten, las de familiekroniek met grote belangstelling. Hij was vooral benieuwd naar de passage over Kamp Scholten, het beruchte interneringskamp waar de Binnenlandse Strijdkrachten (de BS, ‘het naoorlogs verzet’) in de maanden na de oorlog tussen de 1300 en 1500 van landverraad verdachte personen gevangen hield. Het kamp, dat officieel Politieke Gevangenis Scholten heet maar volgens Cremer in de volksmond ‘Kamp Scholten’ wordt genoemd, was gevestigd op het terrein van textielfabrikant J. F. Scholten & Zonen aan de Haaksbergerstraat in Enschede – in het geconfisceerde pand van de grootouders van Jaap. De verwondering was dan ook groot toen bleek dat er in het boek geen enkel woord aan het kamp werd gewijd.

Cremer: “Kamp Scholten wordt al bijna zeventig jaar verzwegen. Het is een kamp dat nooit heeft bestaan. Een kamp zonder schaduw. In geen enkel archief is er ook maar iets over te vinden, behalve een paar ontwijkende regeltjes. De documenten die er waren, zijn kort na de oorlog op raadselachtige wijze verdwenen of letterlijk uit de dossiermappen gescheurd. De gemeente Enschede heeft het bestaan van het kamp zelfs jarenlang ontkend! Pas toen ik er in mijn boek De Hunnen over schreef, kwamen de verhalen los. Ik kreeg veel brieven en telefoontjes van mensen die er, net als ik, gevangen hebben gezeten en me vertelden dat ze het belangrijk vonden dat de waarheid eindelijk eens werd verteld. Dat had Jaap Scholten ook moeten doen, de waarheid vertellen. Of weet hij niets van de geschiedenis van Enschede? Blijkbaar ligt het kamp bij hem nog zo gevoelig, dat deze zwarte bladzijde uit zijn familiegeschiedenis wederom onder het vloerkleed wordt geschoven.” Meer lezen over Kamp zonder schaduw