Zelfportret Eefje de Visser: ‘Paddo’s brengen me terug naar mijn kindertijd’

Na haar succesvolle debuutalbum De Koek (2011) en het eveneens lyrisch ontvangen Het is (2013) presenteert singer-songwriter Eefje de Visser (1986) op vrijdag 8 januari haar derde album: Nachtlicht.

De Volkskrant noemt het een ‘wonderschoon, modern popalbum’ en roemt haar dromerige muziek en poëtische mijmeringen. 3voor12 noemt het een van de tien meest veelbelovende platen van 2016. Vanaf aanstaande zondag trekt ze met de gelijknamige clubtour door het land om haar nieuwe repetoire de wereld in te sturen. Reden voor HP/De Tijd om haar te onderwerpen aan een ‘zelfportret’ – een maandelijkse serie vragen, gebaseerd op de beroemde questionnaire van Marcel Proust.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Tevreden, omdat de plaat af is en ik een leuke tijd tegemoet ga denk ik. En omdat ik koffie voor m’n neus heb staan.

Wie zijn uw helden?
Lastig, maar als ik er drie moet noemen: Fiona Apple, Frank Ocean en Christine and The Queens.

Aan wie ergert u zich?
Aan mensen die heel dwingend zijn in hun mening. Mensen die geen begrip hebben voor mensen die een andere mening hebben, die willen dat jij denkt wat zij ook denken.

Lijkt u op uw vader?
Als mensen mijn vader zien, dan zien ze meteen dat ik zijn dochter ben. Ik, en al mijn broers en zussen eigenlijk, hebben hetzelfde donkere haar, dezelfde donkere wenkbrauwen, dezelfde ogen en – ook hele leuk – dezelfde neus.

Lijkt u op uw moeder?
Qua gezicht lijk ik dus op mijn vader, maar qua figuur op mijn moeder. En ik heb ook wel haar introverte kant denk ik.

Wat zijn uw dagdromen?
Ik dagdroom veel over mijn nieuwe tournee, wat ik ga doen, hoe het decor er uit gaat zien, hoe het licht er uit gaat zien, wat de volgorde van mijn liedjes gaat zijn en hoe dat dan allemaal samen gaat komen. Ik stel me dan altijd voor dat ik in het publiek sta en mezelf zie spelen.

Wat is uw grootste angst?
Eenzaamheid. Ik kan op zich goed alleen zijn, maar ik heb ook graag mensen om me heen.

Bidt u weleens?
Ik geloof dat het wel goed is om af en toe stil te staan bij wat je hebt, maar ik ben daar een beetje te ongeduldig voor, ik kan daar de rust niet voor vinden. Maar ik neem me wel voor om dat meer te gaan doen. Ik vind het belangrijk dat wanneer je ouder wordt, je ook wijzer wordt. En bezinning – je kunt dat bidden noemen – helpt daarbij.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Ik vind het gebruik van paddo’s altijd wel een soort van iets mystieks hebben. Het is dan net alsof je alles weer voor het eerst ziet, als een kind die de wereld ontdekt. Toen ik na gebruik naar mijn gitaar keek, zag ik de houtnerfjes, de vorm, de kleur. Alsof ik hem nog nooit eerder had gezien. Alles was opeens heel intens. Het is jammer dat er zo’n taboe rust op bepaalde drugs, en dat er zoveel vooroordelen zijn over het gebruik van drugs, omdat het gebruik van bepaalde drugs ook iets spiritueels kan hebben. Alcohol – een drug dat algemeen getolereerd wordt – heeft daarentegen vaak alleen maar een nare uitwerking op mensen.

Bent u aantrekkelijk?
Ik denk dat ik als ik goed in mijn vel zit wel aantrekkelijk kan zijn. Maar dat geldt voor iedereen. Ik val dan ook niet per se op knappe mannen, maar mannen die chill zijn met zichzelf en hun omgeving.

Wat is uw definitie van geluk?
Jezelf en de mensen om je heen accepteren.

Waar schaamt u zich voor?
Voor uitspraken die ik doe in interviews. Je moet tijdens een interview altijd denken: ga ik eerlijk antwoord geven op deze vraag of lul ik er een beetje omheen? Toen het een tijdje niet zo goed met me ging heb ik daar veel teveel over gezegd, terwijl ik achteraf dacht: dit wilde ik helemaal niet vertellen. Ik zou liever alleen maar muziek willen maken zonder daarover (of over mezelf) te apraten.

Bent u monogaam?
Jaaa. Behoorlijk.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Deze week ergens denk ik. Waarom dat was? Goh. Ik denk dat ik ruzie had gehad. Met m’n vriendje.

Hoe moedig bent u?
Als ik zie dat iemand in mijn omgeving onrecht wordt aangedaan dan bemoei ik me daar wel mee. Ik moet zeggen dat ik verder vrij ongedisciplineerd ben en soms weinig ruggengraat heb – in die zin ben ik helemaal niet moedig.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Muzikaal gezien van mijn ome Ruud. Hij heeft me veel verteld over arrangementen en sound en is streng geweest op mijn gitaarspel. Ome Ruud zat samen met mijn vader en moeder in een band en heeft heel veel supermooie liedjes geschreven die zo de wereld over hadden gekund, liedjes in de stijl van Neil Yong en Crosby, Still & Nash, maar ze zijn nooit uitgebracht. Daar is hij te eigenwijs voor.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Gezelligheid. Een beetje een kakelkontje, daar hou ik wel van.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Authenticiteit. Dat ze zichzelf zijn, zonder zich aan te passen.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Ik zou wel wat meer discipline willen hebben, wat minder willen lanterfanten. Ik heb mijn school niet afgemaakt, heb allerlei plannen gehad waar ik nooit iets mee heb gedaan. Als ik iets strenger voor mezelf ben kan ik meer muziek gaan maken en meer uit het leven halen.

Hoe ontspant u zich?
Ik ga superveel zwemmen en naar de sauna, dat vind ik fantastisch. Ook omdat je daar geen telefoon mee naar toe kunt nemen.

Van wie houdt u het meest?
Ik denk van mijn vriendje, Pieterjan.

Gelooft u in God?
Niet echt, maar ik ben er soms wel mee bezig. Ik ben niet gelovig opgevoed, heb het geloof ook een tijdje totale onzin gevonden, maar nu merk ik dat het spirituele me wel trekt. Het idee dat alles en iedereen met elkaar in verbinding staat vind ik een aantrekkelijke gedachte. Het is zonde om het spirituele gedeelte uit je leven te bannen door alleen maar rationeel naar alles te kijken.

Waaraan bent u het meest gehecht?

Ik heb een heel goede vriend waar ik ook wel mee samen ben geweest, Marcel. Dat is iemand die veel voor me heeft betekent of nog steeds veel voor me betekent, ook al zijn we niet meer samen.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Ik ben soms wel egoïstisch geweest. Dat ik teveel met mijn eigen carrière bezig ben geweest en teveel in mijn eigen wereldje leef. In de liefde heeft me dat wel eens in de weg gestaan.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Ik heb wel dingen gedaan die ik anders zou doen, maar die zie ik niet echt als mislukkingen. Ik heb ooit muziek gemaakt die ik nu niet meer zou maken en waar ik toen misschien ook niet achterstond, maar dat zie ik niet als een mislukking. Niemand kan nooit ergens spijt van hebben.

Wanneer was u het gelukkigst?
De afgelopen twee jaar. Niet alleen omdat ik van m’n muziek kon gaan leven en veel met muziek bezig ben geweest, maar ook omdat ik emotioneler ben geworden. Ik huil veel sneller, maar leuke dingen komen ook meer binnen.

Wat is de beste plek om te wonen?
Gent. Mijn vriend woont daar, ik ben daar dus veel, en het is een heel leuke stad om te wonen. De mensen zijn daar heel erg trots op hun tolerante, linkse mentaliteit, en dat vind ik wel leuk. De Bourgondische cultuur – veel eten, drinken en feesten – spreekt me ook aan en het is ook nog eens een heel mooie oude stad.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
De trainer van onze hond Tobias. Toen onze hond weer eens niet wilde luisteren op hondencursus trok ze hem via zijn riem omhoog en liet hem heel lang spartelen in de lucht.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ik denk dat ongeluk niet te vermijden is, maar om toch een antwoord te geven: door niet te doen wat andere mensen willen dat je doet.

Wat is uw devies?
Wees tolerant naar elkaar.

Het album Nachtlicht van Eefje de Visser is hier te bestellen. Een complete speellijst van de gelijknamige clubtour vindt u hier.

Eefje de Visser

Juliette Gréco (88) neemt afscheid: ‘Geen adieu, maar merci’

Deze week neemt ‘la grande dame’ van het Franse chanson, Juliette Gréco, afscheid van het publiek. Ze vindt dat ze, uit beleefdheid naar haar fans, afscheid moeten nemen van het optreden. ‘Ik wil niet aftakelen op het podium.’ Dit weekeinde treedt Gréco nog tweemaal op in Nederland: zaterdag op De Nacht van de Poëzie in Utrecht, zondag in theater Carré in Amsterdam.

Juliette Gréco (1927) is een icoon van het Franse chanson. In 1949 werd ze ontdekt door Jean-Paul Sartre, die de toen 21-jarige Gréco ontmoette in een van de vele etablissementen in de Parijse wijk Saint-Germain-des-Prés. Hij zei: “Gréco heeft miljoenen in haar keel zitten: miljoenen gedichten die nog niet geschreven zijn, en waar men er enkele van zal schrijven.”
Op uitnodiging van Sartre toog Gréco, zonder ooit een noot gezongen te hebben, naar het huis van de wereldberoemde filosoof. Daar werd ze overladen met poëzie. Ze grasduinde wat door de bundels, koos wat gedichten uit die haar raakten, en liet ze door componist Joseph Kosma op muziek zetten. Enkele dagen na deze toevallige ontmoeting beleefde Gréco haar premère als chansonnière. Sartre zei: “Het Franse lied heeft een muze nodig.” En die muze had hij gevonden.

Bijna zeventig jaar staat ze op het podium – nog altijd uitgedost met zwart haar, zwart oogpotlood en zwarte jurk. Gréco heeft in die jaren een glansrijke carrière opgebouwd. Ze scoorde hits met Les Feuilles Mortes, Sous Le Ciel De Paris en Déshabillez-moi, deelde als actrice het witte doek met Ava Gardner, Peter O’Toole en Orson Welles en gaf de toen nog onbekende zangers Leo Ferré, Serge Gainsbourg en Jacques Brel een flinke duw in de rug door hun chansons te vertolken – en overleefde ze allemaal.

HP/De Tijd sprak de vedette aan de vooravond van haar afscheidsconcerten in Nederland.

U zegt: ‘Ik vind het vreselijk om afscheid te nemen van mijn publiek.’ Waarom gaat zo’n vitale vrouw als u dan niet nog even door?
“Ik stop met optreden voor het geval ik binnenkort naar boven vertrek. Ik ben achtentachtig jaar oud en weet niet hoe lang ik nog heb. Met deze tournee wil ik mijn fans nog een laatste keer bedanken, voordat het misschien te laat is. Ik zeg dan ook geen ‘adieu’ maar ‘merci’.”

U gaat niet, net als uw collega Charles Aznavour, de komende jaren een hele reeks van afscheidstournees geven?
Lachend: “Nee, dat ben ik niet van plan. Dit is echt mijn laatste tournee. Al is het einde van dit tournee nog niet in zicht: ik weet nog niet precies wanneer ik mijn laatste optreden ga geven. Dus het zou zomaar kunnen dat dit tournee nog heel lang gaat duren…”

Wat gaat u doen zodra u officieel bent gepensioneerd?
“Ik heb nog niets gepland. Ik hoop dat ik de tijd krijg om nog een album op te nemen. Stoppen met zingen doe ik in ieder geval niet – ik ga alleen niet meer op een podium staan.”

Uw meest bekende chanson is het erotisch getinte ‘Déshabillez-moi’, vrij vertaald: ‘Kleed me uit’. Voelt het niet raar om dat op uw leeftijd te zingen?
“Gelukkig heb ik een groot gevoel voor humor, anders had ik dat lied nu niet meer durven zingen. Maar het is zo’n mooi lied dat ik zo vaak heb gezongen, dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om het niet meer te zingen.”

Welke van uw chansons is u eigenlijk het meest dierbaar?
“Dat is altijd het laatste lied. Elke nieuwe chanson is als een kind voor me: ik zet het op de wereld en geef het een duw in de goede richting zodat het, als ik er niet meer ben, voor zichzelf kan zorgen. Toevallig heb ik deze week een nieuw nummer opgenomen: Merci, met een tekst van Miossec en muziek van mijn man en vaste begeleider Gérard Jouannest. Dus dat is momenteel mijn meest dierbare chanson.”

Aanstaande zondag treedt u voor het laatst op in Amsterdam. Weemoedig?
“Natuurlijk. Als ik aan Amsterdam denk, denk ik natuurlijk aan dat prachtige nummer van Jacques Brel. En aan de aardige mensen die er wonen, en al die fietsen… Als ik mensen door Amsterdam zie fietsen lijkt het wel of ze vleugels hebben.”

Wat vindt u van de nieuwe generatie francofone muzikanten, van Stromae bijvoorbeeld?
“Stromae vind ik formidable! Alles aan hem is goed. Zijn muziek en videoclips zijn zeer verrassend en tot in detail uitgewerkt. Daarnaast vind ik hem een heel interessante persoonlijkheid.”

Heeft het chanson eigenlijk nog wel toekomst?
“Jawel. We leven alleen in een andere tijd, met een andere generatie die een andere taal spreekt dan wij, pak ‘m beet zestig jaar geleden spraken. Maar neem mensen als Abd Al Malik of Miossec. Zij staan in de traditie van de dichters die de bekende chansons hebben geschreven.”

Tot slot: hoe wilt u herinnerd worden?
“Dat kan me eigenlijk geen donder schelen. Als ik dood ben kan ik het beeld dat mensen van mij hebben toch niet veranderen. Dus iedereen moet mij zich maar herinneren zoals hij of zij wil.”

Juliette Gréco treedt op zaterdag 19 september op tijdens De Nacht van de Poëzie in Utrecht. Op zondag 20 september geeft ze een allerlaatste concert in theater Carré in Amsterdam. Er zijn nog kaarten.

Typhoon: ‘De westerse samenleving ondersteunt het idee van witte superioriteit’

In het zomernummer van HP/De Tijd geeft rapper Typhoon (pseudoniem van Glenn de Randamie, 1984) zijn culturele smaak prijs. Hij vertelt daarin onder meer over het schilderij dat hem inspireerde voor het nieuwe nummer Zolen boven m’n kruin, waarom hij verslingerd is aan het boek Verslaafd aan liefde van Jan Geurtz en waarom Kendrick Lamar ‘de Messi onder de rappers’ is.

Typhoon laat zich in het interview ook uit over onder andere onze geschiedschrijving, en maakt een paar statements: “Laten we als land eens eerlijk zijn over onze zwarte bladzijdes. Steek die hand eens in eigen boezem. Herschrijf die geschiedenisboeken eens. Waar ik me bijvoorbeeld dood aan erger, zijn de geschiedenisboeken op school. Want hoe komt het bijvoorbeeld dat er een Tweede Wereldoorlog is gekomen? Don’t come with that bullshit van een Adolf Hitler die het kwaad personifieert. Zo zwart-wit is het niet. Nee, er is een hele westerse samenleving die het idee van witte superioriteit ondersteunde en ondersteunt. Daar komt dat vandaan. En we hebben er blijkbaar geen moer van geleerd. Een van de eerste daden na de Tweede Wereldoorlog, toen we vijf jaar lang zelf hadden ondervonden was het was om vernederd te worden, om onderdrukt te worden, was het ondersteunen van het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Dat is als een moeder die een klap geeft aan haar oudste zoon, die vervolgens weer een klap geeft aan zijn jongere broertje, die weer aan de jongste en die weer aan de kat. Wil je daadwerkelijk iets veranderen, dan moet je ons handelen inzichtelijk gaan maken.”

Power to the people
Ook pleit Typhoon voor een totaal andere invulling van overheidstaken: “Er komt een punt dat we doorkrijgen dat we niet meer afhankelijk moeten zijn van de overheid, maar dat we het allemaal zelf moeten gaan doen. Power to the people. En dat punt gaat komen, ook in Nederland, en daar kijk ik heel erg naar uit. De eerste stappen naar zijn al gezet. Kijk naar zo’n love-movement, waar Lobi da Basi misschien ook wel een van de aanjagers van is, maar ook in de bezetting van het Maagdenhuis en de Occupy-beweging. We voelen met z’n allen dat de manier waarop de wereld geregeerd wordt niet meer bij ons past, dat we de macht zelf naar ons toe moeten trekken. We voelen met z’n allen dat ons lichaam ziek is, en dat we daar iets aan moeten doen. Misschien weten we nog niet precies hoe we beter kunnen worden, want we zijn geen doktoren, maar we proberen al eens wat. I might not see the day, maar beetje bij beetje gaan we naar een wereld waarin we niet meer afhankelijk zijn van een systeem, zelfvoorzienend zijn en zelf richting gaan geven. Daar kijk ik echt naar uit.”

Het gehele interview van Nick Muller met Typhoon leest u in het zomernummer van HP/De Tijd, dat nu in de schappen ligt. Lees hem hier digitaal, of sluit hier een voordelig (proef)abonnement af.

Lees ook:
Kwoot du jour. Maar wie zei het? (Van Rossem op GeenStijl, 10 juli 2015.)
Wat rapper Typhoon zegt ist einfach nicht wahr (Willem Jan Hilderink op The Post Online, 10 juli 2015.)

Mannen die huilen om poëzie: Typhoon

Mannen huilen niet om poëzie. Of toch wel? In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken vertellen meer dan zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen welk gedicht hen de tranen naar de ogen jaagt. HP/De Tijd licht de komende weken enkele van deze ‘huilende mannen’ uit. Deze week: rapper Typhoon (artiestennaam van Glenn de Randamie, 1984) over het gedicht De herberg van Jalal ad-Din Rumi.

“Al meteen de eerste keer dat ik het gedicht ‘De herberg’ van Jalal ad-Din Rumi las, kwamen er tranen. Het gedicht nodigt je namelijk om vriendelijker te zijn voor jezelf, jezelf te accepteren vanuit zelfliefde en geen vooropgezette ideeën te hebben over hoe iets is of hoe iets hoort te zijn. Ik leef in een wereld waarin er van alles van me wordt verwacht: dat ik leidinggeef, dat ik verantwoordelijkheden draag. Daardoor vind ik het doorgaans moeilijk om vriendelijk voor mezelf te zijn, mezelf te accepteren zoals ik ben en geen vooropgezette ideeën te hebben. ‘De herberg’ daagt me uit om erop te vertrouwen dat ik compleet ben, dat alles dat zich in mij manifesteert er met een reden is en dat ik alles moet benaderen met een open blik.”

De herberg
Jalal ad-Din Rumi (1207 – 1273)
(Vertaling: Romeck van Zeyl)

Dit mens-zijn is een soort herberg:
elke ochtend weer bezoek.

Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.

Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij!
Zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.

Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…

De donkere gedachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.

Wees blij met iedereen die langskomt.
De hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

De bundel ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ is onder meer te koop via de website van AKO.

Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

Exact veertig jaar geleden, op Hemelvaartsdag 1975, gaf hij zijn allereerste optreden ooit. Bennie Jolink, voorman van de Achterhoekse band Normaal, legde die dag de basis voor wat later de dialectpop zou worden genoemd. Nu, veertig jaar en talloze hits later, vindt hij het welletjes geweest. Zijn gezondheid laat het niet langer toe om nog veel op het podium te staan. Met onder meer een jubileumconcert, de 4CD-box 40 Joar Høken, een documentaire en een laatste ‘veldtocht’ nemen hij en zijn band afscheid van hun ‘anhangers’.

Voor HP/De Tijd reden om Bennie Jolink (1946) te onderwerpen aan een zelfportret: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Lees verder Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

Wende Snijders over Nick Cave, Jacques Henri Lartigue en Antjie Krog

Zangeres Wende Snijders (35) over haar culturele smaak.

Verschenen in het zomernummer van HP/De Tijd 2014.

MUZIEK
“Wat ik op dit moment in mijn speellijst heb staan, vraag je? Even kijken. Nick Cave. Zijn album Push the sky away kan ik heel vaak achter elkaar luisteren. Dan komt Frank Ocean, dat is wat meer R&B-achtig, en Ray Lamontagne, dat neigt dan weer meer naar folk. Dat geldt trouwens ook voor de volgende in de lijst, de muzikale zusjes van CocoRosie. Oh, en dan komt Vampire Weekend, van die heerlijk vage Indie-rock, gevolgd door Tom Waits, dan dat nieuwe album van Blur-frontman Damon Albarn, Lykke Li, DJ Harvey, dingetjes van de gasten waarmee ik mijn album Last Resistance heb geproduceerd… En dan moderne klassieke muziek. Satie. Prokovjev. Andriessen. Mijn muzieksmaak gaat echt alle kanten op, maar toch: alle muziek is me even lief. Bij elke gemoedstoestand past weer een andere artiest. Dat cumulatieve, die constante afwisseling van muziekstijlen, vind ik dan ook fijn.”
“Stromae vind ik als artiest ontzettend interessant. Wat ik zo bijzonder aan hem vind, is hoe hij het visuele aspect van zijn show ten volste benut. Daar zit zijn kracht. Volgens mij snapt hij exact hoe de tijd zich beweegt en hoe de mensen tegenwoordig muziek willen beleven. Hij kan zijn boodschap als geen ander naar een mainstream publiek communiceren. Ik ben heel benieuwd hoe hij zich de komende jaren gaat ontwikkelen. Nick Cave vind ik ook zo goed. Zijn songteksten zijn pure literatuur. Natuurlijk is het leuk dat zo’n jongen als DJ Martin Garrix door het hebben van één hitje ineens ontzettend beroemd is, maar met muzikanten is het volgens mij zo dat ze, net als rode wijn, wat tijd moeten hebben om op smaak te komen. Nick Cave draait al ruim dertig jaar mee en blijft zichzelf constant uitdagen – en dat proef je in zijn muziek.”
“Atoms for Peace is ook supergaaf. Ze maken hele experimentele rock met echt een superformatie: onder andere Thom Yorke, de frontman van Radiohead, en Flea van The Red Hot Chili Peppers. En naast waanzinnig mooie muziek maken ze ook waanzinnig mooie clips. In Nederland vind ik De Staat helemaal te gek. Wat ik waardeer is, en dat is wat ik bij alle kunstenaars heb,  dat ze een eigen signatuur hebben. Ze hebben iets eigenzinnigs. Dat geldt ook voor Colin Benders, Kyteman. Ik ben heel benieuwd wat hij teweeg wil brengen met zijn artistieke broedplaats Kytopia. En waar ik ook wel heel nieuwsgierig naar ben, is de nieuwe lichting muzikanten. Wie zijn toch al die jongens en meisjes die de komende jaren op zullen gaan staan en de kar gaan trekken?”

THEATER
“Theater is mijn leven. Er is dan zoveel wat ik wil zien de komende maanden… Ik ben bijvoorbeeld heel benieuwd naar de opera Homebody.  Of ja, opera, het is een mix van allerlei disciplines. Ten eerste is er de opera. Het verhaal is gebaseerd op het toneelstuk van Tony Kushner, die ook Angels in America en de film Lincoln schreef. Regisseur Malcolm Rock schreef het libretto. Kyteman heeft de compositie gemaakt. En Monic Hendrix is gastactrice. En Het Nationale Ballet danst er in mee… Homebody wordt gemaakt door een team dat artistiek zo goed is, dat ik denk: daar moet iedereen naar toe. Vanaf september staan ze in de theaters. Gaat dat zien. Verder wil ik Hamlet vs. Hamlet van Toneelgroep Amsterdam snel eens gaan zien. Deze voorstelling is nog tot en met begin oktober te zien in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Ik ben vooral heel benieuwd hoe Tom Lanoye dat oeroude toneelstuk heeft hertaald naar iets van deze tijd.”
“Onlangs ging ik kijken naar de opera Laika. Een geweldige theatervorm trouwens, opera. De muziek die door Martijn Padding is gecomponeerd, het libretto dat door P.F. Thomése is geschreven, de vormgeving en natuurlijk het geweldige spel van de acteurs – al die disciplines kwamen samen en vielen in elkaar. Gesamtkunst. Soms heb ik er wel moeite mee dat alles gezongen wordt, maar goed, dat is nu eenmaal zo bij opera.  Dans vind ik ook heel mooi. Ergens in oktober van dit jaar wordt de door de meesterlijke choreograaf Mats Ek hertaalde versie van Sleeping Beauty door het Nederlands Dans Theater opgevoerd. Dat moet ik zien.”
“Weet je wat ik jammer vind? Dat Jeroen Willems er niet meer is. En dat Maarten van Roozendaal er niet meer is. Ik had graag gezien wat die nog in de theaters zouden hebben gedaan. Gelukkig staat er ook veel nieuw jong talent op. Neem iemand als Benjamin Moen. Een heel getalenteerde acteur. Zo grappig en zo geraffineerd in zijn spel en humor… Reinout Scholten van Aschat vind ik ook een groot talent. Hoe hij Willem Holleeder speelt in De Heineken Ontvoering en hoe hij Johan Cruijff speelt in de televisieserie over diens leven – ik geloof gewoon dat hij die personages is. En theatermaakster Marjolijn van Heemstra wil ik ook nog even noemen. Ze is intelligent, ze heeft een eigen signatuur en geeft het publiek inzicht over hoe zij over de wereld denkt.”

FILM
“Een poosje geleden was iedereen lyrisch over Breaking Bad, dus ging ik dat ook maar eens kijken. Vijf afleveringen heb ik gezien, toen was ik er klaar mee. Toen wist ik het wel. Mensen zeggen dan dat ik door moet blijven kijken omdat ik series anders nooit leuk ga vinden. Vijf seizoen door blijven kijken? Dude, daar heb ik helemaal geen zin in. Ik kijk liever naar een film, daar kan ik wel geduld voor opbrengen. Van Michael Häneke heb ik echt alles wel gezien. En van Lars von Trier ook. Ik merk dat ik Italiaanse films wel kan waarderen. Federico Fellini heeft echt prachtige films gemaakt: Amarcord was vroeger mijn lievelingsfilm. La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino heb ik ook gezien. Maar Il Divo, een film van dezelfde regisseur en met dezelfde hoofdrolspeler als La Grande Bellezza, is ook echt heel gaaf hoor. Dat gaat een beetje over de Italiaanse politiek. Over Berlusconi ook. De kracht van Italiaanse films is, denk ik, dat fantasie en realiteit zo in elkaar overlopen. En de katholieke dramatiek. De mensen zijn allemaal zo dramatisch. Dat geeft zo’n film wel sjeu.”
“Wat echt de aller- allermooiste film is die ik de laatste maanden heb gezien is La Vie d’Adèle. Daar heb ik echt een week over nagedacht, zo’n impact had die film op mij. La Vie d’Adèle vertelt het verhaal van de jonge Adèle die denkt dat ze op jongens valt, maar opeens verliefd wordt op de blauwharige Emma. Het acteerwerk, het verhaal, en hoe dat verhaal vertelt wordt – dat komt zo hard binnen. Wat ik ook een toffe film vind is The Grand Budapest Hotel van Wes Anderson. Alles aan deze film is gestileerd, en juist dat maakt het zo goed. En Her, die film waarin een man verliefd wordt op een computer, vind ik ook heel bijzonder. Alleen die gedachte al, dat je als mens in de toekomst misschien verliefd kunt worden op een stukje techniek, vind ik heel interessant. De Dallas Buyers Club is ook wel heel cool gedaan. En die film van die hele jonge filmmaker, J’ai tué ma mère van Xavier Dolan. Een prachtige film over de relatie tussen een homoseksuele tienerjongen en zijn moeder.”

BEELDENDE KUNST
“Ik hou heel erg van fotografie. Fotograaf Jimmy Nelson vind ik heel goed, Sebastião Salgado en Joost Vandebrug ook. En wie ik ook heel tof vind is de Japanse fotograaf Daido Moriyama. Hij loopt dagelijks door de stad en maakt dan random snapshots, maar wel superwonderschoon. Wat deze fotografen met elkaar gemeen hebben? Ik denk dat ze allemaal een soort esthetische rauwheid in hun werk hebben. En dat bevalt me. De portretten van Richard Avedon vind ik bijvoorbeeld veel te gestileerd, die zijn mij niet rauw genoeg of zo. Ik kan het niet goed uitleggen. Er moet gewoon een soort randje aan zitten, snap je?”
“Misschien wel de mooiste tentoonstelling die ik ooit heb gezien was de overzichtstentoonstelling van fotograaf Jacques Henri Lartigue, in het Centre Pompidou in Parijs – ik denk dat ik die inmiddels een jaar of tien geleden heb gezien. Toen ik dat had gezien begreep ik ineens het belang van een goede curator. Alles klopte namelijk aan die expositie. De opbouw, de keuze van de foto’s, de informatie die werd gegeven… Lartigue was een Franse fotograaf die zijn hele leven consequent gefotografeerd heeft. Vanaf 1910 ongeveer, toen hij een jaar of veertien was, tot aan zijn dood in 1986. Die tentoonstelling in Parijs was onderverdeeld in telkens tien jaar van zijn leven. Je zag daardoor niet alleen zijn ontwikkeling als fotograaf, maar ook de ontwikkeling van de tijd. Toen ik eenmaal weer buiten stond was ik echt ontroerd: nooit eerder had ik ‘de tijd’ zo sterk gevoeld.  En nooit eerder had ik zo duidelijk gezien wat je allemaal in een leven kan doen.”
“Ik hou van kunstenaars die een eigen signatuur hebben. Francis Bacon, Michaël Borremans, Marlene Dumas. Van laatstgenoemde ga ik zeker naar de overzichtstentoonstelling kijken die vanaf september in het Stedelijk in Amsterdam te zien is, daar verheug ik me nu al een beetje op. En ik wil binnenkort ook naar het Martin-Gropius-Bau in Berlijn waar de internationale tentoonstelling over David Bowie te zien is. Natuurlijk kan ik ook wachten tot-ie december volgend jaar in het Groninger Museum te zien is, maar dan bekijk ik ‘m toch liever daar. Het Museum for Modern Art in New York: heerlijk. Maar aan de andere kant vind ik het veel kleinere Whitney Museum of Modern Art, allebei gelegen rond Central Park, ook heel lekker. Lekker overzichtelijk vooral. Daar heb je niet het idee dat je er een week rond moet lopen om alles te hebben gezien.”

BOEKEN
“Ik was een tijd geleden in Thailand en sprak daar met een kunsthistoricus. Ik vroeg hem: ‘Als ik iets van kunst wil begrijpen, welk boek moet ik dan lezen?’ Hij antwoordde: ‘Lees Gun, Germs and Steel van Jared Diamond.’ En daar lees ik nu dus in. Het is een prachtig, historisch boek dat vertelt hoe de mens zich in ruim 13.000 jaar tijd over de wereld heeft verspreid. Hoe de mens vanuit Afrika naar Europa en Azië is getrokken bijvoorbeeld, en hoe de cultuur van de verschillende volkeren zich in de periode daarna, beïnvloed door de plaats waar ze zich vestigden, heeft ontwikkeld. De hedendaagse politiek, kunst en economie: alles heeft zijn wortels liggen in de cultuur en de rituelen uit dat verre verleden. Ook de kunst die ik maak. En daarom vind ik dat antwoord van de kunsthistoricus in Thailand ook zo mooi. Hij had ook kunnen zeggen: lees The Story of Art van E.H. Gombrich. Maar dat deed hij niet. In plaats van mij een wegwijzer te geven in de kunst, gaf hij mij een wegwijzer in de mens.”
“Naast Gun, Germs and Steel lees ik momenteel La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer. Ik las het van de week op een overvol terras en moest hardop lachen om die passage dat de hoofdpersoon seks heeft met een geamputeerd vrouwenbeen. Hij beschrijft dat echt heel hilarisch. En ook zijn geestige en scherpe observaties over Italië, over de toeristen en over zichzelf – want hij ontziet ook zichzelf niet –  vind ik heel mooi opgeschreven. Ja, wat slingert er hier nog meer rond? Een boek over mindfulness van een of andere Tibetaanse monnik waar ik al even in heb gebladerd en… o ja! De Gewichtslozen van Valeria Luiselli. Daar ben ik net in begonnen en gaat geloof ik over een vrouw die vertelt over haar leven zoals het nu is, met een gezin en zo, maar dat wordt doorvlochten met verhalen over haar leven toen ze student was. Het is een beetje een Pinteriaanse manier van vertellen: het is geen chronologisch verhaal, maar het verhaal ontvouwt zich bijna achterstevoren. Er gebeurt iets, en gaandeweg het boek kom je te weten waarom dat is gebeurd.”
“Als ik van iemand fan ben, dan is dat van de Afrikaanse dichteres Antjie Krog. Kleur komt nooit alleen is mijn lievelingsdichtbundel. Haar gedichten zijn een combinatie van heel aards, heel intelligent, maar tegelijkertijd ook heel vrouwelijk en heel emotioneel. Zoals Marlène Dumas schildert, zo dicht Antjie Krog. Ze heeft trouwens ook gedichten gemaakt op de schilderijen van Dumas, dus ik durf deze vergelijking te maken. P.F. Thomése vind ik een goede schrijver. Nicole Krauss ook: The History of Love is echt prachtig. En dat boek over Berlijn van Cees Nooteboom. Oh, die is echt heel goed! Zijn stijl van schrijven, zijn manier van denken, zijn observaties…  Sommige mensen zijn echt schrijvers. Cees Nooteboom is echt een schrijver. Hij kan me echt alles wijsmaken. Alles wat hij opschrijft geloof ik. En dat is bloedlink, eigenlijk. Ik heb ooit eens een boek gelezen over hoe Rusland aan geschiedvervalsing heeft gedaan. Grenzen anders tekenen terwijl ze dat land nog helemaal niet veroverd hadden, dat soort dingen. Stel dat Cees Nooteboom een kwaadaardig persoon zou zijn, dan zou hij me allerlei leugens wijs kunnen maken!”

Drs. P: ‘Taal is een geschenk’

Taalvirtuoos Drs. P (92) is sceptisch over het taalgebruik van tegenwoordig. Zijn wens voor 2012: dat de Nederlandse taal de aandacht krijgt waar ze recht op heeft. Want: “Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”

Voor de ingang van Hotel Pulitzer in Amsterdam zit een oude man een sigaar te roken. ‘Oud Kampen – Wilde Natura’ staat er op het houten doosje te lezen. Het is de 92-jarige Heinz Polzer, in Nederland beter bekend onder zijn artiestennaam Drs. P, die met zijn spottende oogopslag en ironische glimlach de voorbijgangers gadeslaat. Hij is gekleed in een keurig grijs pak met stropdas, een kledingcombinatie die hij naar eigen zeggen al sinds zijn kleuterjaren draagt.

We nemen plaats in de binnentuin van het hotel. Op de vraag wat hij wil drinken, antwoordt hij: “Een thé citron graag. Ik mag geen alcohol meer drinken van mijn vrouw, daar krijg ik ’s nachts krampen van in mijn buik.” Even later knijpt hij drie schijfjes citroen uit in een kop heet water. “Oh, Jesus!” galmt er opeens door de tuin, en de doctorandus veegt wat citroensap uit zijn oog.

Ik zou het graag met u hebben over de Nederlandse taal. Wat vindt u van de taal van tegenwoordig?
“Ik heb de indruk dat het Nederlands al een tijd aan het degenereren is. En dat is waarschijnlijk door die strekking van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”

Ironisch: “Elitair in deze democratische tijd, dat is natuurlijk smakeloos. Maar ik vind: als je een bepaald vak lief hebt, dan móet je elitair zijn. Niet jezelf doelbewust gaan verheffen boven anderen, neen, ik bedoel daarmee te zeggen dat je de taal de aandacht moet geven waar ze recht op heeft.”

Wanneer is de verloedering van de door u zo geliefde taal begonnen, is daar een beginpunt voor aan te wijzen?
“Dan moet ik even nadenken. Ik denk dat het bij Willem Kloos en consorten is begonnen, eind negentiende eeuw al, de generatie van de Tachtigers. Die rommelden maar wat aan met de taal. Dat waren van die nieuwlichters, die zeiden dat er een frisse wind moest gaan waaien. Dat keurige, intelligente Nederlands van onze voorgangers heeft afgedaan, vonden ze. Persoonlijk vind ik dat een taal die volwassen is, die een hele geschiedenis achter zich heeft, altijd respect verdient. Helaas kan ik niet voorkomen dat de taal in Nederland nog verder degenereert; het gebeurt, en dat is jammer. Een oplossing voor dit probleem bestaat niet.”

“Ik zal een voorbeeld geven van de verloedering. Kloos schreef ooit in een gedicht:

(…) Zeg eens, lust je ‘em
Dees donderende vuist? Doe maar of j’ kust hem!

Lust je ‘m en kust ‘m. Dat is zó armzalig, hè.”

Is alle poëzie van de afgelopen jaren dan zo verschrikkelijk?
“Ik heb poëzie eigenlijk altijd gemeden, en dan met name de Vijftigers, de generatie van Lucebert en Campert. Dat waren zulke revolutionairen, daar had ik intense argwaan tegen. Ze wierpen zich op als ‘de nieuwe stijl’, ‘de nieuwe generatie’, kortom: de totale omwenteling van de literatuur. Dat is nogal ambitieus.”

U zegt dat u poëzie altijd hebt gemeden, maar bent u zelf geen dichter?
“Wel, technisch gesproken schrijf ik natuurlijk gedichten, maar als me gevraagd wordt naar mijn beroep zeg ik: schrijver, en ik breng nummers ten gehore. Cabaretier of dichter klinkt zo artistiek.”

De Nederlandse taal is volgens u al meer dan honderd jaar aan het verloederen. Dat keurige en intelligente Nederlands, waar u zojuist over heeft verteld, wordt dat –uzelf niet meegerekend– nog gesproken?
“Gelukkig wel. Ik vind het werkelijk verheugend dat in Vlaanderen een woord als ‘verwittigen’ nog zeer achteloos wordt gebruikt. Het is een mooi, begrijpelijk woord. Een woord dat er mag zijn! Om nog een voorbeeld te geven: kijk eens naar een woord als ‘nochtans.’ Het is een woord met een functie, maar je hoort het in Nederland nergens meer. Niemand zal het ooit zeggen, en daar is helaas weinig aan te doen. Dat is wat mij dan ook zo behaagt aan Vlaanderen, dat zulke voorvaderlijke woorden daar nog altijd leven en hun werk verrichten. Dat doet mij een intens plezier.”

Kunt u zich nog herinneren wanneer u voor het eerst bewust in aanraking kwam met de Nederlandse taal?
“Ik herinner me dat ik in mijn prille jeugd, begin jaren twintig moet dat zijn geweest, de Nederlandse vertalingen van Jules Verne herhaaldelijk heb gelezen. Ik verlustigde mij aan het verzorgde, rijke en levende taalgebruik. Mijn lievelingsboek uit de serie van Jules Verne, Twintigduizend mijlen onder zee, was uit het Frans in het Nederlands vertaald door een zeer begenadigd schrijver die met zijn moedertaal ware wonderen kon verrichten. Ik vond het prachtig.”

“Er stonden naast tekst ook meesterlijke gravures in, die onderschriften hadden. Een onderschrift is me vanaf mijn jeugd bijgebleven, namelijk: ‘Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig is gezonken.’ Het woord ‘ontredderd’ kende ik nog niet, maar ik kon de betekenis makkelijk aanvoelen. ‘Rechtstandig’ daarentegen was makkelijker te begrijpen. Deze plechtige taal inspireerde mij. Niet dat ik op deze manier ging schrijven, maar ik werd er wel door gevoed, door aangemoedigd. Taal is een geschenk dat je krijgt; als je goede taal leest of hoort word je verrijkt.”

Kortom: Taal is zuurstof.
“Ja, mooi! Heeft u dat zelf verzonnen?”

Nee.
“Nee?”

Dat heeft u zelf ooit eens geschreven.
“Ik? Goh, ik kijk ervan op! Maar om eerlijk te zijn: ik vind het práchtig! Taal ís zuurstof.”

Dit interview is eerder verschenen op de officieuze website van Drs. P.

Zie ook: Drs. P zingt Quartier Putain.

Drs. P over zijn tijd in de gevangenis van Scheveningen (Ben en Dolf)

Censuur is van alle tijden. Denk bijvoorbeeld aan landen als Libië en Syrië, waar je veroordeeld wordt als je negatieve of kwetsende berichten over de leider schrijft. Heinz Polzer, in Nederland beter bekend onder zijn artiestennaam doctorandus P, weet wat het is om in een land te leven zonder persvrijheid. In 1942 werd hij hier door de Duitse bezetters veroordeeld tot een gevangenisstraf van enkele maanden, wegens het schrijven van een verhaal over Dolf en Ben, een verwijzing naar Adolf Hitler en Benito Mussolini.

(Voor Campus Radio, Windesheim, 2011.)