Maarten van Rossem: ‘Vincent van Gogh kon niet schilderen’

Op 22 november viert historicus en schrijver Maarten van Rossem zijn 75ste verjaardag groots in Tivolivredenburg, Utrecht. Wat leest, kijkt en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

Verschenen in het novembernummer van HP/De Tijd, 2018.

BOEKEN
“Ik werd aan het begin van deze eeuw door de universiteit gevraagd om een leesclub te beginnen en dat heb ik toen gedaan. Sindsdien lezen we met een man of tien elke maand een klassieker uit de wereldliteratuur. Fictie geeft vaak zo’n schitterend beeld van het verleden, veel beter dan historici kunnen beschrijven, want in fictie kun je de waarheid liegen. Het laatste boek dat we hebben gelezen is Het leven een gebruiksaanwijzing van George Perec. Een fantastisch boek. Het gaat over een groot appartementengebouw in Parijs en alle mensen die daar gewoond hebben sinds het werd gebouwd. Soms bestaat het uit spannende miniromans binnen de roman, maar het bestaat ook voor een groot gedeelte uit opsommingen. Dan beschrijft hij zes bladzijden lang allerhande huis-, tuin- en keukenapparatuur zonder dat het vervelend wordt. Over het boek dat we de maand daarvoor lazen, was ik minder te spreken. Ik vond De schoonheid van de nacht van Gabriele d’Annunzio een enorm kloteboek van een onbeschrijfelijke ijdeltuit – al was de rest wel wat milder over het boek en de schrijver. Deze maand lezen we Stilte van Shusaku Endo, maar daar ben ik net in begonnen, dus daar kan ik nog niets over zeggen.”

(…)

“Ik heb thuis een plankje met kinderlectuur. Als de r in de maand is, dan begin ik die boeken uit mijn jeugd weer te herlezen. Jules Verne, Nils Holgersson, Winnie-the- Pooh – allemaal boeken die ik praktisch uit mijn hoofd ken, maar dat is ook het fijne. Ik kan het op een willekeurige bladzijde openslaan en beginnen met lezen. Ik ben ook dol op The Lord of the Rings. Een fascistoide kaboutersprookje. Het is altijd fijn om tegen literatuurliefhebbers te zeggen dat je dat prachtboeken vindt. Ik heb destijds getwijfeld of ik de films moest gaan bekijken, omdat je altijd een beetje teleurgesteld bent als je beeld ziet van een boek waar je zelf al beeld bij hebt gemaakt. Ik heb uiteindelijk alleen de eerste film gezien en ben toen afgehaakt. Ik was teleurgesteld. Neem alleen al die molentjes in The Shire. Dan heb je een budget van driehonderd miljoen en dan zet je zulke prutmolentjes neer.”

MUZIEK
“Ik ben vrij huilerig ingesteld. Ik hoef maar een film te zien waarin een padvinder een klein hondje uit een vijver redt en ik ben al weg. Er zijn ook films die ik geweldig vind zonder dat ik er een traan bij laat. Dr. Strangelove bijvoorbeeld, alhoewel die afsluit met We’ll Meet Again van Vera Lynn. Dat nummer moet ik nu ook niet opzetten, want dan gaat het ook fout. Dat is een altijd werkende tearjerker. Het lijkt me wel geinig om dit nummer op mijn begrafenis te draaien. Iedereen verwacht dan natuurlijk een sentimenteel klassiek stuk, maar dan zet ik de boel op het verkeerde been door heel ordinair We’ll Meet Again te draaien. Een prima laatste grap. Bij muziek is het echt verschrikkelijk: er zijn veel dingen die ik niet ga beluisteren waar andere mensen bij zijn. Het middenstuk van het Eerste pianoconcert van Chopin, om maar eens wat te noemen. Ik zat laatst in de auto toen het werd gedraaid op Radio 4. Ik was nog net op tijd, ik kon hem nog net op een andere zender zetten, anders was ik behuild op mijn lezing aangekomen. Niet zo lang geleden schreef een meneer in The New York Times, en dat is gevaarlijk om te vertellen want ik raak altijd licht ontroerd als ik het vertel, dat hij altijd moet huilen als hij Help Me, Rhonda van The Beach Boys luistert. Ik vond het typisch, want het is niet hun beste nummer, maar ik wilde het toch ook eens proberen. En verdomd – binnen een paar tellen was ik weg.”

BEELDENDE KUNST
“Het modernisme is even erg als een orthodoxe kerk. Barnett Newman, de vervaardiger van het fameuze kloteschilderij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue, zei eens: als je mijn kunst mooi vindt, dan kun je nooit fascist worden. Waardoor ik al denk: die man is er zelf misschien wel een. Of neem bijvoorbeeld die pisbak van Marcel Duchamp. Ik geloof dat er nu zes pisbakken zijn waarvan ze beweren dat het de echte is, maar het is juist de bedoeling van de kunstenaar dat dat er niets toe doet! De mensen die daarover discussiëren hebben er werkelijk niets van begrepen. Daarbij is abstracte kunst een vergissing. Een onvermijdelijke vergissing, maar wel een vergissing. Joseph Beuys met zijn brokken vet en vilt. Allemaal pretentieuze lulkoek. Je moet er even doorheen als je het Hamburger Bahnhof in Berlijn bezoekt, wat overigens een ontzettend amusant museum is, maar de eindzaal maakt alles goed. Daar staat het loden vliegtuig van Anselm Kiefer. En dat is, hoe gek het ook klinkt, een ontroerend ding. Het kan dus wel!

(…)

“Ik was laatst alleen in het Van Gogh Museum, omdat ik voor RTV Utrecht een kleine documentaire maakte over de vriendschap tussen Vincent van Gogh en Anthon van Rappard. Ik was daar in het bijzonder voor het schilderij De aardappeleters. Iedereen die er enig verstand van heeft kan zien dat dit een ontzettend klunzig schilderij is. Het valt in het niet bij de meesterwerken die hij een paar jaar later maakte, zoals Het nachtcafé en De sterrennacht. Van Gogh was apetrots op De aardappeleters, maar toen hij het aan Van Rappard liet zien, een academisch geschoolde schilder, werd het door hem vernietigend besproken. Werkelijk niets deugde. Van Gogh werd razend en het betekende het einde van hun vriendschap. Van Gogh was natuurlijk een amateur, iemand die niet kon schilderen. Het wonderlijke is alleen dat hij wel het ene meesterwerk na het andere maakte. Misschien is hij enigszins te vergelijken met Edward Hopper. Die kon ook niet schilderen, anatomisch klopt er vaak geen reet van, maar hij schilderde wel wonderlijke iconische voorstellingen. Neem alleen al Nighthawks en Room in New York. Als je die schilderijen een keer hebt gezien, dan vergeet je ze nooit meer.”

Het gehele interview is hier te lezen op Blendle.

De nooddruftige schrijver

Atte Jongstra (62) schreef met zijn essaybundel De ontgroende mens een van de betere natuurboeken van het jaar, maar staat niet op de longlist van de Jan Wolkers Prijs. De schrijver zelf zit daar niet mee: geldzorgen zijn een groter probleem. HP/De Tijd belde met de schrijver, die net terug was van zijn tweede huis in Frankrijk.

(Verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd – 2018.)

Wacht eens even, u klaagt dat u nauwelijks kunt rondkomen van uw schrijverij, maar u heeft een tweede huis in Frankrijk?
“Een tweede huis is een groot woord. Het is een vervallen optrekje. Heel luxe is het niet, om er maar eens een understatement op los te laten. Ik noem het zelf altijd een ruïne. Je kunt erin slapen en in eten, maar verder stelt het niet zoveel voor. Ik schrijf er ’s zomers en werk dan wat in de tuin, maar ’s winters is het er te koud.”

Hoe arm bent u?
“Ik leef op dit moment van een werkbeurs van het Letterenfonds, maar daar kun je nauwelijks van rondkomen, want de belasting gaat er ook nog eens een keer van af. Dus als je een werkbeurs krijgt van laten we zeggen dertig mille, dan houd je daar twintig mille van over waar je dan een jaar van moet schrijven. Het is schrapen. Ik klaag er niet over, want ik kan het geld goed gebruiken, maar ik heb het idee dat mensen soms denken dat schrijvers breed leven van subsidiegelden. Dat is absoluut niet het geval. Als ik een keer een lezing of iets dergelijks heb, waar ik ook nog een klein beetje mee verdien, dan heb ik nog moeite om die maand rond te komen. Ik kan het steeds allemaal net redden, maar veel slechter moet het niet worden.”

U verkocht van een roman vroeger gemiddeld zo’n tweeduizend exemplaren, maar dat is de laatste jaren gehalveerd. Politici als Eric Wiebes zeggen dan: kunst moet zichzelf kunnen bedruipen, als er geen markt is voor die schrijver, dan hoeft hij ook geen subsidie te krijgen.
“Maar als er wel een markt is voor een schrijver, hoeft hij ook geen subsidie. Geen geld voor de kunst dus. Het is een oude discussie. Multatuli heeft zich al tegen die visie verzet. Thorbecke zei: ‘Kunst is geen regeringszaak.’ Multatuli zei op zijn beurt: ‘Kunst is wel degelijk een regeringszaak. Want kunst is goed voor het volk, en het volk is wel degelijk een regeringszaak.’ Daar ben ik het mee eens. Je moet een gezond cultureel klimaat hebben en daar moet je als regering ook in investeren. Als ik ophoud met schrijven, dan is dat niet zo erg voor de letteren, maar als alle schrijvers die afhankelijk zijn van een werkbeurs ophouden met schrijven, dan wordt het aanbod wel heel erg schraal.”

Hoe nu verder? Moeten we een actie opzetten om u de winter door te helpen?
“Ha, nee, ik ben niet de enige. Als je dat gaat doen, dan kun je wel bezig blijven.” Ironisch: “Als ik mijn rekeningen niet meer kan betalen, moet ik iets anders gaan verzinnen. Misschien maar tramconducteur worden. Ik spreek weleens iemand die dat is en die is daar aardig tevreden over. Hij heeft wel onregelmatige diensten, maar die draait een schrijver altijd al.”

Op 21 oktober vindt de uitreiking van de Jan Wolkers Prijs plaats. De ontgroende mens ligt in de boekhandels.

Jan Wolkers: Cremers knapste leerling?

Schreef Jan Wolkers ‘pik’ dankzij Jan Cremer, of kon Cremer zo onverbloemd schrijven dankzij Wolkers? Biograaf Onno Blom gaat voorbij aan de band die de twee giganten hadden, aldus Cremer. ‘Een literair schandaal’, vindt hij.

Jan Cremer keek vreemd op toen hij op 7 oktober 2017 het Financieele Dagblad las. Literatuurwetenschapper Jaap Goedegebuure schreef daar dat Jan Wolkers ‘de weg had gebaand’ voor de onverbiddelijke bestseller Ik Jan Cremer. In 1989 beweerde diezelfde Goedegebuure, toen hoogleraar Taal- en Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Tilburg, namelijk nog het tegenovergestelde. In zijn Nederlandse literatuur 1960-1988 schreef hij over Wolkers dat hij ‘niet de taboeschenner is waarvoor hij zich achteraf graag uitgeeft’ en dat hij pas zo onverbloemd over seksualiteit kon schrijven nadat ‘‘Het Beest’ Jan Cremer hem was voorgegaan’. Turks fruit, het beroemdste boek van ‘Cremers knapste leerling’ is volgens hem ‘weinig meer dan een voetnoot bij Jan Cremer’ die de romantiek van het minnende kunstenaarsstel al veel eerder had opgeroepen.

“Die man is de weg kwijt,” oordeelt de inmiddels 78-jarige Cremer, die momenteel in Italië hard werkt aan zijn nieuwe boek Canaille. “Hij spreekt zichzelf compleet tegen. Dat is natuurlijk al vreemd, maar nog veel vreemder vind ik de rol van Onno Blom.” In Het litteken van de dood, de biografie van Jan Wolkers, die twee weken na het verschijnen van het artikel werd gepresenteerd, maakt de biograaf namelijk niet één keer gewag van de invloed die Cremer op het werk van Wolkers zou hebben gehad. Cremer: “Blom gaat volledig voorbij aan de band die ik had met Wolkers. Ik kende Wolkers al sinds de jaren vijftig, ik heb hem diverse keren bezocht en had al die jaren heel goed contact met hem. Ik weet dat hij mijn werk enorm bewonderde, ik gold als een soort loods voor hem. Dat zei hij ook. Blom wist dat ook. Hij was honderd procent op de hoogte van die feiten, we hebben er ook weleens uitvoerig over gesproken toen hij bestuurslid was van het Cremer Museum in Enschede, maar hij heeft het bewust weggelaten in de biografie. Dat vind ik een kwalijke zaak. Een literair schandaal.”

Jaap Goedegebuure moet desgevraagd toegeven dat hij zichzelf tegenspreekt in het artikel. “In 1989 schreef ik inderdaad dat Jan Cremer geen wegbereider nodig had,” zegt hij, “maar daar ben ik, toen ik me voor dat artikel weer eens ging verdiepen in de documentatie, een beetje van teruggekomen. Jan Wolkers was onbetwist eerder in de tijd als het gaat om schrijven over seksualiteit. Al in 1963 liepen mensen boos weg uit de zaal toen hij in Leiden en Bergen het verhaal Kunstfruit voorlas. Cremer kon in zekere zin op dat pad voortgaan. Cremer was wel de eerste die expliciete taal ging gebruiken. Wolkers was veel meer omfloerst, die zou tot het verschijnen van Ik Jan Cremer in 1964 nooit woorden als ‘pik’, ‘kut’ en ‘neuken’ hebben gebruikt. Daarin was Jan Cremer echt een pionier, al had hij op zijn beurt weer heel goed naar Henry Miller en Jack Kerouac gekeken.” Een geagiteerde Cremer, even later aan de telefoon: “Ik word altijd met die twee vergeleken. Ik zweer je, ik heb die boeken nooit gelezen. Wolkers las ik trouwens ook niet. De jaren zestig waren veel te druk om te lezen. En ik schrijf ook veel beter. Literatuur lezen is tijdverlies.”

Er zijn weinig wetenschappelijke werken waarover de laatste jaren zo veel gesteggel is geweest als de biografie van Jan Wolkers. Een eerste promotiecommissie had de dissertatie afgewezen: het academische werkstuk zou zich te veel focussen op de hoofdpersoon en te weinig op de maatschappelijke en culturele context – wat de verhandeling onvoldoende ‘wetenschappelijk’ maakte. Een tweede commissie keurde de dissertatie wel goed. Goedegebuure heeft daar zijn eigen opvatting over: “Blom plaatst Jan Wolkers niet of nauwelijks in zijn tijd en vergelijkt hem al evenmin met zijn tijdgenoten, nee, het gaat bij hem om de uniciteit van Wolkers. Dat vind ik geen verantwoorde aanpak voor een biografie. Daardoor lijkt het net of Wolkers een volkomen uniek en eenmalig fenomeen is geweest – en dat is natuurlijk niet zo. Ik zou Jan Wolkers veel meer hebben behandeld als een exponent van de jaren zestig en daarbij ook zeker Jan Cremer – maar ook andere schrijvers, bijvoorbeeld de Vijftigers – hebben genoemd. Nu is het Wolkers voor en Wolkers na en dat zorgt voor een enorme uitvergroting. Ik denk ook dat Blom misschien iets te goed bevriend was met Wolkers en later met diens weduwe om hem met een gezonde afstand te beschouwen. Je ziet de hand van de weduwe ook wel heel erg terug in het boek, vind ik.”

Onno Blom moet hartelijk lachen om die laatste opmerking. “Welke hand van de weduwe is dat geweest? De rechter of de linker? Heeft Goedegebuure een van beide soms vastgehouden? Wellicht is zijn visie wel een tikje gekleurd. In het archief op Texel vond ik nog een boos briefje van Goedegebuure, nadat Wolkers hem een ‘schooierachtige wekeling met de herseninhoud van een ziekelijke chimpansee’ had genoemd. Zelfs dát heeft de biografie niet gehaald.” In de kritiek dat hij Wolkers in zijn biografie te veel als een uniek en eenmalig fenomeen beschouwt, kan hij zich niet vinden. “Ik zou Wolkers zelf niet zo snel een uniek fenomeen noemen, maar uitzonderlijk was hij wel. Net als Cremer een einzelgänger. En dat ontbreken van ‘die context’ is natuurlijk ook niet waar: de omgeving van Wolkers, de jeugd in Leiden en Oegstgeest, de succesjaren in Amsterdam en het late leven op Texel – het wordt allemaal uitgebreid getekend. De geschokte reacties op zijn werk, binnen en buiten de kunst, wat mannen en vrouwen van Wolkers vonden – het staat allemaal in mijn biografie.” Was hij op de hoogte van de passages in de bundel essays van Jaap Goedegebuure waarin hij stelt dat Jan Cremer het pad heeft geëffend voor Jan Wolkers? “Ik heb die documenten gelezen, maar ik heb geen bewijs gevonden dat Wolkers aantoonbaar literair door Cremer is beinvloed. Jan Cremer was geen loods voor Jan Wolkers. Cremer was ook niet eerder een ‘onverbloemde’ schrijver dan Wolkers. Omgekeerd lijkt Cremer me ook niet door Wolkers geïnspireerd. Ik denk dat Wolkers en Cremer onafhankelijk van elkaar ongeveer gelijktijdig zijn begonnen om proza te schrijven waarin expliciete scènes voorkomen. Dat was in een tijd waarin ze elkaar, voor zover ik weet, niet persoonlijk kenden. Dat ik hem niet heb genoemd heeft overigens niets te maken met mijn waardering voor Cremer – die is, zoals hij ook wel weet, heel groot. Het was gewoon steeds scherp kiezen.”

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2018)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan een twintigtal literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

Willem Mertens’ levensspiegel (1914)
J. van Oudshoorn (1876 – 1951)

Jeroen Brouwers: Het is er moeilijk één boek te kiezen uit het onvoorwaardelijk bewonderde oeuvre van een schrijver. Ik bedoel J. van Oudshoorn, pseudoniem van Jan Koos Feylbrief, geboren en overleden in Den Haag (1876-1951). Zijn oeuvre, niet omvangrijk en al decennia niet herdrukt, is beklemmend somber en toch toegankelijk door toon en stijl en hier en daar zelfs sprankjes geestigheid.
Nu en dan herlees ik het, nu eens Willem Mertens’ levensspiegel, dan Tobias en de dood of Achter groene horren. Het infecteert me niet met het triestige bestaansbesef van Van Oudshoorns romanpersonages, al kan ik me dikwijls met hen vereenzelvigen. Lezing van deze en nog andere titels veroorzaakt integendeel vreugde zoals die zich voordoet bij het ervaren van alle grote kunst. Van Oudshoorn was een groot schrijver, verwaarloosd en zeer ten onrechte vergeten.
Ik kies voor Willem Mertens’ levensspiegel, de roman waarmee hij in 1914 debuteerde. Van een verhaal of een ontwikkeling is nauwelijks sprake. Willem Mertens werkt op een kantoor waar hij geld ontvreemdt uit de onder zijn beheer gestelde kas. Om dit aan te zuiveren gaat hij leningen aan, die hij verbrast in de kroeg. Zijn leven is in verveling doodgelopen, leeg en eenzaam. In de spiegel ziet hij zijn leven gepersonifieerd in een ongure schim van een mislukkeling en beseft hij zijn verwordenheid en schuldgevoelens daarover.
Een aan-uitrelatie met een meisje uit de kroeg houdt evenmin stand als wat dan ook in zijn ten slotte hopeloos verloederde aanwezigheid in de wereld. Al op de eerste bladzijde is duidelijk dat op de laatste Willem Mertens zich ‘doelbewust’ zal verdoen: hij werpt zich uit het raam.
Ik doe Van Oudshoorn onrecht aan door zijn aangrijpende roman zo bijna harteloos summier weer te geven. Dit eminente proza van inmiddels meer dan een eeuw geleden verdient nieuwe lezers en nieuw enthousiasme.

Onzichtbare boeken (2014)
Thomas Heerma van Voss (1990)

Alma Mathijsen: De schrijver van het boek is allerminst vergeten, maar dit boek zelf wellicht toch wel. Het is het dunste boek van zijn hand, waarin hij vertelt over het tomeloze doorzettingsvermogen van de uitgever van Babel & Voss. Het non-fictie boek is tragisch en liefdevol tegelijk. De uitgeverij lijkt op een zinkend schip, er is geen geld, noch auteurs, toch blijven ze vechten.
Onzichtbare boeken is een werk dat de tijd waarin steeds minder mensen lezen typeert. De ontoombare liefde voor het vak en de afnemende waardering daarvoor maakt het boek zo wrang. Doorgaan terwijl er nog meer een paar mensen luisteren, en dat dan doen vol enthousiasme. Na het lezen van dit boek bleef ik nog dagen melancholisch.

De knetterende schedels (1969)
Roger van de Velde (1925 – 1970)

Dimitri Verhulst: Sommige dingen moet je blijven herhalen, in alle wanhoop, tegen beter weten in, en daarom hoort u misschien niet voor het eerst uit mijn mond dat De knetterende schedels van Roger van de Velde een boek is dat ruim te goed is om vergeten te worden. Er zijn pogingen ondernomen om het werk opnieuw onder de aandacht te krijgen, want ja: er is nog een klein kransje van stille bewonderaars, maar moedige herdrukken van zijn boeken vlogen onbegrijpelijk linea recta naar de ramsj. Geen idee hoe het komt. Van de Velde schrijft zeer fris, puntig. ‘Knetterende schedels’ is opgebouwd uit kortverhalen, hetgeen handig is voor een moderne lezer met een belabberd uithoudingsvermogen. En bovendien grijpt hij, met humor, naar de keel. In zijn kortverhalen zowel als in zijn romans en essays.
Van de Velde was maagpatiënt en kreeg een medicijn voorgeschreven dat halverwege de jaren zestig plotsklaps een verboden product werd. Abusievelijk en onbewust verslaafd, zoals bleek toen hij het medicijn niet meer kreeg, begon voor Roger van de Velde een lijdensweg die voer langsheen afkickcentra, gevangenissen en gekkenhuizen. In De knetterende schedels zien we hem temidden van de gekken met wie hij opeens zijn dagen doorbrengt. De mindere goden, waartoe ook hij is gaan behoren, maar waarmee hij werkelijk niets gemeen heeft.
Met de jaren werd de schrijver ook woedender. Hij zag nationale hymnes gespeeld worden voor gedopeerde renners, Eddy Merckx die uit de Giro was gezet wegens het gebruik van verboden spul mocht op visite bij paus en koning, maar hijzelf vloog achter tralies, werd gezien als een gevaar voor de maatschappij. Gekerkerd, gebrandmerkt. De auteur mocht enkel onder politiebegeleiding signeren op de boekenbeurs van Antwerpen, groter kon de vernedering niet zijn.
Zelfmoord is geen garantie voor succes, en Van de Velde heeft zich ook niet van het leven beroofd om zijn naam nog even in de kolommen van een krant te weten verschijnen. Maar het lijkt er alleszins wel op dat zijn oeuvre samen met hem de kist in is gegaan. Zonde.

Scheuren in het canvas (2017)
Gerjon Gijsbers (1983)

Jonah Falke: Luctor de Lamlendige, het hoofdpersonage in Scheuren in het canvas, doet zijn naam eer aan. Zijn leven ontvouwt zich zonder dat hij daar enige grip op lijkt te hebben. Is het in die zin een realistische roman? Want, hoeveel valt er uiteindelijk te willen of te veranderen?
Bij Luctor resulteert dit doorgaans in doelloosheid, maar zonder dat het verveelt. En die schijnbare ‘kleurloosheid’ deed me denken aan De Avonden van Gerard Reve.
Het ontbreken van seksuele escapades in De Avonden is opvallend. Later zouden we weten waarom Reve niet over meisjes schreef. Gijsbers schrijft wel over meisjes, maar waar hij nog niet over schrijft, is nog niet duidelijk. Het zal te lezen zijn in de boeken die volgen. En dat lijkt me iets om naar uit te zien. Want, wat mensen je niet direct vertellen, zegt, denk ik, meer over hun fantasieën dan wat je van ze leest.

BoekDe kleine Rudolf (1930)
Aart van der Leeuw (1876 – 1931)

Maxim Februari: De kleine Rudolf is een geschiedenis van zelfhaat en zelfoverwinning. Auteur Van der Leeuw gaat niet zachtzinnig met zijn hoofdpersoon om: die is uitzonderlijk klein van gestalte en je krijgt hem steeds op zijn alleronvoordeligst te zien. Ondanks zijn gevoelens van minderwaardigheid wordt Rudolf verliefd op de beeldschone Martha. ‘Ik, van gedaante een meikever, die voor een rozestruik de hoed afneem.’
Zij is welwillend en even krijgt hij visioenen van een vervuld leven met haar. ‘Zo’n volkomen vervulling, waarvan je soms in je jeugdtijd gedroomd hebt, toen je nog onbewust was van het pak honden, dat je in je binnenste herbergde, en dat later alle lieve gasten van je drempel zou blaffen.’
Dan neemt de zelfhaat – het pak honden – het van hem over. Overtuigd van zijn nietswaardigheid doet hij zich zo monsterlijk mogelijk aan Martha voor. ‘Ik! roep ik, krom de benen, buk me ineen, schrompel samen, kuch, struikel, hink naast haar mee, of ik mezelf in een komische rol speelde.’
Uit pure levensangst trouwt hij zelfs nog even met een vrouw die qua schoonheid meer bij hem past dan zijn geliefde. Totdat hij volwassen wordt. En natuurlijk eindigt hij gelukkig getrouwd met Martha, maar voordat het zover is heeft de schrijver hem voor straf alle hoeken van de kamer laten zien. Een indrukwekkend hardhandig boek.

Torrentius – Het feest en de storm (1998)
Theun de Vries (1907-2005)

Bert Natter: Constantijn Huygens noemde Torrentius (Johannes Symoonisz. van der Beeck, 1588-1644) de beste schilder van stillevens in de Republiek. Het complete oeuvre van Torrentius werd echter na een proces wegens ketterij door de beul vernietigd. Pas begin twintigste eeuw dook één enkel meesterwerk van de schilder op, dat tegenwoordig te zien is in het Rijksmuseum. Gelukkig schreef Theun de Vries (1907-2005) op negentigjarige (!) leeftijd Torrentius, het feest en de stormDat is een met zeldzame liefde en toewijding geschreven fictief portret waarin de goddeloze schilder wordt opgevoerd als een briljant kunstenaar, een ironisch causeur, een gevoelig vrijdenker. De Vries troont je, aan de hand van de ondergang van zijn kleurrijke hoofdpersoon, mee naar schildersateliers, kroegen, bordelen, boudoirs en ten slotte het cachot.
Deze korte, maar niet kleine roman overstijgt de literatuur van alledag dankzij grote gebaren in fijnzinnige taal en machtige beschrijvingen die eenvoudige Hollandse landschappen een magische kracht geven. De Vries heeft een ongekende grip op de geschiedenis en durft er tegelijkertijd mee aan de haal te gaan. Dat je toch bijna honderd mag worden en zo’n boek zal schrijven. Torrentius verscheen dit jaar twintig jaar geleden, tijd voor een heruitgave, zou ik zeggen, maar tot die tijd is het in ieder geval antiquarisch te vinden en als e-book verkrijgbaar.

Aan het eind van de dag (2016)
Nelleke Noordervliet (1945)

Jet Steinz: Het boek is nog geen anderhalf jaar oud, maar na verschijnen vrij snel vergeten. Het heeft geen shortlisten van literaire prijzen gehaald, zelfs niet op longlisten gestaan. Onbegrijpelijk. Want Aan het eind van de dag van Nelleke Noordervliet is een geweldig geschreven, slimme en interessante roman. Met in de hoofdrol Kat(harina Mercedes Donker) — een bijna bitchy ex-minister, schrijver en feministe — die weigert mee te werken aan de biografie die een jonge academica over haar wil schrijven.
Want: ‘Elke poging samenhang te zien in al die losse feiten is giswerk op zijn best, geen reconstructie maar verhaal, meestal op de rand van leugen.’ En: ‘Een biografie is het verwrongen zelfportret van de auteur, een parasiet die leeft van een meestal nogal dode gastheer, een aaseter verlekkerd wroetend in een karkas.’ Er gaat inderdaad nogal wat gewroet worden, maar wel door Kat zelf; en dat levert een spannend, tragisch en ontroerend verhaal op.

De boer die sterft (1918)
Karel van de Woestijne (1878 – 1929)

Atte Jongstra: Het is een verhaal, maar een lang en schitterend verhaal: De boer die sterft van Karel van de Woestijne. Boer Nand ligt moederziel in een staat van halfdroom te wachten op zijn laatste adem. Aan zijn bed ziet hij vijf vrouwengestalten verschijnen (de zintuigen) die elk naar hun specialisme zijn leven aan hem doen voorbijgaan. Ongelofelijk hoe – inderdaad – zintuiglijk dit wonderschone, Vlaamse proza. Het zal altijd bij mij blijven. Ik las het als jonge man, mijn dood was nog ver weg. Maar als die komt, dacht ik, dan liefst zo, op die manier.
Nu ik dit schrijf is mijn vader naar de dood op weg. Ik bezocht hem vorige week, hij lag op de bank, zon op de ramen. Hij dommelde, mompelde nu en dan een woord of wat. Wie zou hij naast zich zien? De reuk? Gehoor? Gaan als boer Nand: als hem en mij dat toch eens overkomen mocht… Dan heb je – zo schrijft Van de Woestijne dat – ‘je wèl gevonden’.

Negen levens (2005)
Robert Anker (1946 – 2017)

K. Schippers: Negen levens (2005) hoort om de overvloed bij Het Evangelie van O. Dapper Dapper (1973) en Het Boek Ik (1952). Hermans’ evangelie is een surrealistische tekenfilm, Schierbeeks ik-taal overstroomt het land, de levens van Robert Anker blazen een onderwerp buiten zijn omheining.
Hij speelt als Dexter Gordon, Wardell Gray, zo’n naar alle kanten uitwaaierende tenor-saxofonist, voor wie de melodie er allang niet meer toe doet. Rob Anker zat bij de fanfare.
In het voorwoord heeft Anker het over de fles van zijn jeugd waarin alle kleuren, smaken, kleuren, geluiden, moet je ‘m schudden en dan krijg je dit in het Westfriese Oostwoud, twaalf kilometer van Hoorn. Wat?
De zintuigindruk die maar kort geloof hecht aan zijn eigen vondsten, ongeveer wat je vergeet, omdat het er toch niet doet. Hier blijft het bewaard. Sla het maar open, hindert niet waar, je ruikt het, blz. 32, nootmuskaat en peper, kaneel wekt een soort heimwee, kruidnagel wild, ‘het beeldloos visioen van een verte.’

Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928)
Felix Timmermans (1886 – 1947)

Boudewijn van Houten: Zeg in literair gezelschap in Vlaanderen nooit dat u waardering voor Felix Timmermans hebt: u wordt in de Schelde gegooid. Zeg liever dat u een hoge dunk hebt van Louis Paul Boon en u wordt op handen gedragen. Toch kon Timmermans schrijven. En tekenen. Net als Jan Wolkers begon hij als beeldend kunstenaar.
Na een depressie en een gevaarlijke operatie kiest hij voor levensvreugde, wat het unieke Pallieter oplevert, dat een wereldsucces wordt.
Daarna schrijft hij veel, mogelijk te veel. Er is genoeg flauws bij om Timmermans af te kraken. Dan wordt hij na afloop van de Tweede Wereldoorlog ook nog van ‘culturele collaboratie’ beschuldigd en flink vernederd, doordat hij in Duitsland, waar hij graag vertoefde en voordrachten hield, ook nog een prijs in ontvangst had genomen (een maand nadat deze zaak geseponeerd is, zal hij sterven).
Tot overmaat van ramp raakt hij bovendien bevriend met Anton Pieck die hij nota bene zijn werk laat illustreren. Ja, ik geef het u te doen Timmermans te verdedigen. Maar hij tekende even poëtisch als Pieck het kitscherig deed.
En daarom kies ik graag zijn roman Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken gerooken als een ten onrechte vergeten boek. Het gaat over een schilder en bovendien illustreerde Timmermans het met een massa plaatjes die een Vallotton-achtige eenvoud en charme hebben. ‘Het sneeuwde nog altijd dun en fijn, alsof de grijzen hemel wierd afgevijld.’ Zulke taal. Tragisch is dan weer dat de Nederlandse uitgever Van Kampen veel van Timmermans prachtige Vlaamse idioom onderdrukte en dat de oorspronkelijke manuscripten verloren gingen.

Zonder trommels en trompetten (1973)
Jeroen Brouwers (1940)

Auke Hulst: Jeroen Brouwers zelf is verre van vergeten – sterker, hij publiceert nog met veel succes en ouder werk verschijnt nog steeds in nieuwe jasjes – maar over deze novelle wordt te weinig gesproken. Terwijl deze ‘markante anekdote uit het leven van Jeroen Brouwers, door hemzelf verteld’, zoals de ondertitel luidt, de samengebalde essentie van Brouwers’ werk bevat: herinnering, de dood, een fascinatie voor zelfmoord en voor de literatuur, die voor Brouwers onlosmakelijk met het leven verweven is. Natuurlijk verteld door een man alleen die in deerniswekkende omstandigheden jenevertranen plengt, het nodige te (wee)klagen heeft, maar dat doet in een flonkerende stijl, die tegelijk barok is en geen woord vermorst, en ook – niet onbelangrijk! – de nodige lucht en humor bevat. In dit geval treffen we Brouwers aan in een krakend en lekkend boshuisje. We nemen kennis van de dood van zijn kat Carrabas, een verlies dat de deur opent naar herinneringen aan de zelfmoord van een goede vriend, en naar een verlangen naar een meisje ‘dat zo mooi is als de dood’. En dat alles gebracht vanuit een geestgesteldheid die de grens tussen hallucinatie en werkelijkheid poreus maakt. Een foutloos, tijdloos en onmisbaar boekje.

Rood paleis (1936)
F. Bordewijk (1884 – 1965)

L.H. Wiener: De angst voor chaos en verval en de daarmee samenhangende noodzaak tucht en orde na te streven, vormt de complementaire tweedeling in de persoonlijkheid van de auteur F. Bordewijk, die deze gesteldheid voor het eerst vorm gaf in de levensvisie van schoolhoofd Bint uit de gelijknamige korte roman, waarvan de eerste druk verscheen in 1934, met de dreiging van het naziregime en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in het verschiet. Een dreiging overigens die een onterechte verdenking op het gedachtengoed van Bordewijk heeft geworpen.
Zeventien jaar later, in 1951, verhief Bordewijk dit thema opnieuw tot grote hoogte in Rood paleis, een bordeel aan de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar de habitué Henri Leroy zijn nachtelijk heil zoekt. Leroy is de belichaming van de zichzelf complementerende persoonlijkheid, enerzijds de naar buiten tredende door en door fatsoenlijke en stijlvolle gentleman, cultureel geschoold en met een verfijnde smaak en anderzijds de romantisch-decadente hedonist voor wie het onbelemmerd bevredigen van ieder lustgevoel lokt als een levensvervulling. Hij doet in deze hoedanigheid denken aan Lord Henry uit Oscar Wildes The Picture of Dorian Gray en zijn naam zou weleens geen toevalligheid kunnen zijn.
De handeling in Rood paleis voltrekt zich aan het begin van de vorige eeuw met als filosofisch perspectief het verstikkende fin de siècle-gevoel: het geloof in een toekomst die door de ontwikkeling van wetenschap en techniek alleen maar beter worden kon en anderzijds de fascinatie voor verval, decadentie en dood. Een geestelijke gesteldheid waaraan Bordewijk zelf in hoge mate onderhevig was. In deze meesterlijke roman verschuiven metamorfosen voortdurend in groteske vormen over en door elkaar heen en maken zo de werkelijkheid onkenbaar. Het ‘rode paleis’ blijkt niet levensvatbaar en gaat uiteindelijk in vlammen op, waarbij het transformeert tot een dier ‘met rode ribben en een skelet’, terwijl Henri Leroy versteend achterblijft als een gebouw ‘met twee rode markiezen’.
In de vlammenzee die het gedoemde gebouw in de as legt, ‘een fuga van vuur’ in de woorden van Bordewijk, kondigt zich de wereldbrand van de Eerste Wereldoorlog aan, waarin het fin de siècle-gevoel haar definitieve voleinding vindt.
Rood paleis vormt naar mijn stellige overtuiging het literaire hoogtepunt in het oeuvre van F. Bordewijk.

Kind in de buurt (1972)
Willem Brakman (1922 – 2008)

Vincent Schmitz: Het is alweer tien jaar geleden dat Willem Brakman stierf, de tot zijn dood uiterst productieve schrijver van een uniek oeuvre, waarin hij zowel volstrekt eigen variaties op beroemde romans van Kafka en Flaubert presenteerde als tot mythische proporties opgeblazen jeugdherinneringen.
Zijn werk is een genot voor literaire puzzelaars, liefhebbers van ondoorgrondelijke en alle kanten uit meanderende dialogen en studenten Nederlandse letterkunde op zoek naar een scriptieonderwerp. Zelf studeerde ik in 1999 af op Brakmans door de Jack the Ripper-moorden geïnspireerde novelle Heer op kamer (1988), nadat ik in colleges over postmoderne literatuur had kennisgemaakt met zijn werk. Zonder die studie was ik daar vermoedelijk nooit mee in aanraking gekomen, en tegenwoordig wordt hij ongetwijfeld nóg minder gelezen dan twintig jaar geleden.
Een roman van Brakman kan een frustrerende leeservaring zijn: terwijl je geniet van zijn taalvondsten en wonderlijke gedachtesprongen, vraag je jezelf voortdurend af of je een paar bladzijden eerder iets over het hoofd hebt gezien.
Een van zijn vroegere boeken, Kind in de buurt (1972), gaat over de Haagse kunstenaar Jan Oud. Het verval is ingezet, zijn roem is tanende, hij wordt zwaarder en trager, en hij zit vast in een liefdeloos huwelijk. Hij lijkt pas weer op te leven als hij leest dat in de buurt een jong meisje is verdwenen.
De man bijt zich zodanig vast in de zaak – zo daagt hij de vader van het meisje uit voor een spelletje schaak en hangt hij rond op haar schoolplein – dat hij zichzelf langzaam maar zeker verdacht maakt. Zelfs de lezer begint zich af te vragen in hoeverre Oud te vertrouwen valt, en hoe het nu zit met de slordig dichtgegooide kuil in zijn tuin: ‘Hij keek ernaar maar geloofde het niet, steeds opnieuw dacht hij debielig: verdomd die is dicht, die is vol, die hebben ze volgegooid, nu en dan schichtig in het rond glurend alsof hij iemand hoopte te betrappen die op een afstandje de buik vasthield van het lachen.’

Het reizen vereist sterke zenuwen (2004)
Bob den Uyl (1930 – 1992)

Mensje van Keulen: Ik sla een verhalenbundelvan Bob den Uyl (1930-1992) open en lees een eerste zin: ‘In het begin van dit jaar werd ik telefonisch door een meneer van de Belgische radio uitgenodigd in Brussel iets positiefs over zijn land te komen zeggen.’ Vooruit, nog een: ‘Een kennis van me, Alex Vreugdenberg geheten, had een nieuwe motorboot gekocht.’
In 2004 werd de Bob den Uylprijs in het leven geroepen, en sinds 2011 verscheen jaarlijks (tot 2015) in een kleine oplage het Bobschrift. Maar wie leest nog Bobs geestige, melancholieke, zwart-humoristische, hilarische verhalen over reizen, drank, zinloosheid, België, angst, Rotterdam, ergernissen, ja, wat niet al?
Zijn boeken zijn nog antiquarisch te verkrijgen. Wie nooit iets van hem heeft gelezen, kan rustig elk van zijn boeken aanschaffen. De titels spreken voor zich: Het menselijk kunnen staat voor niets, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam, Opkomst en ondergang van de zwarte trui. Lees Bob!

De leeshonger van Griet Op de Beeck

Dit jaar schrijft Griet Op de Beeck (44) het Boekenweekgeschenk. Wat leest, kijkt en luistert zij als ze niet zelf aan het schrijven is?

Interview uit het maartnummer van HP/De Tijd (2018)

BOEKEN
“Op dit moment lees ik bijna uitsluitend het werk van Frans Kellendonk, want ik ben zowaar gevraagd om dit jaar de Frans Kellendonk-lezing te houden. Ik had weleens wat van hem gelezen, maar niet heel veel, ook omdat hij in België een veel minder bekend figuur is dan in Nederland. Ik ben begonnen met zijn verzamelde brieven. Ook al ben je in brieven onvermijdelijk toch altijd een beetje de sociaal wenselijke versie van jezelf – hoewel hij soms behoorlijk tekeergaat tegen andere mensen –, toch schetst het een mooi beeld van wie hij was, hoe hij dacht en geëvolueerd is. Het andere boek dat ik nu lees is Of heb ik het verzonnen? van Herman Koch en Wanda Reisel. Het nam me meteen mee, ik vond het nog fascinerender dan ik had gedacht. Herman en Wanda kennen elkaar al vanaf hun jeugd. Heerlijk dat twee schrijvers zo’n lange geschiedenis delen, dat ze aftasten hoe betrouwbaar herinneringen zijn, en hoe anders percepties van dezelfde gebeurtenissen. Ze schrijven over hun levens, de boeken die ze hebben gelezen en aan het schrijven zijn en het biedt een boeiende, intieme inkijk in hun hoofden. Herman is een goede vriend van mij en ik heb hem door dit boek nog wat beter leren kennen, dat is toch een mooie bonus.
“Van Philippe Claudel had ik alles gelezen, behalve Het kleine meisje van meneer Linh. Er is een theaterbewerking van gemaakt door Toneelhuis Antwerpen en ik dacht: voordat ik naar het theaterstuk ga, moet ik eigenlijk wel eerst het boek hebben gelezen. En het heeft me echt tot tranen toe geroerd. Dat gebeurt me bijna nooit. Meneer Linhs familie is in zijn thuisland vermoord, en hij is met zijn kleindochter, een baby nog, naar Europa gevlucht. Hij gaat kapot van eenzaamheid in een asielzoekerscentrum, tot hij ergens buiten op een bankje een man ontmoet. Ook al spreken ze elkaars taal niet, toch vinden die twee elkaar. Ik ga niet verklappen wat de link precies is, maar het is een prachtig portret van mensen die tegen alle verwachtingen in het verschil weten te maken in het leven van de ander. In een wereld waar zoveel mensen lijnrecht tegenover elkaar staan, gaat dit verhaal recht naar het hart.
“Een ander boek waar ik onlangs erg van onder de indruk was – nu lijk ik behept te zijn met de vluchtelingenproblematiek, maar daar wordt natuurlijk veel over geschreven nu – is Waarvan wij droomden van Julie Otsuka. Het is zo’n boek waarvan je denkt: het uitgangspunt is leuk, maar niet doenbaar. Het verhaal heeft namelijk geen hoofdpersoon. Het is helemaal geschreven in de wij-vorm. Het gaat over een groep Japanse vrouwen die in 1920 naar San Francisco werden verscheept om daar hun Amerikaanse man te ontmoeten, die hen op basis van een foto had uitgekozen – met alle gevolgen en teleurstellingen van dien. Prachtig geschreven, indrukwekkend relaas van wat mensen overkomt die op een bepaald moment door de plaatselijke bevolking niet meer getolereerd worden. Schrijnend portret dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor alle jonge mensen, vind ik.”

Het gehele interview met Griet Op de Beeck – onder meer over Francis Bacon, Alain Plattel en de Coen Brothers – leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Arthur Japin over Marguerite Yourcenar, Tsjaikovski en The Sound of Music

Met een nieuwe roman (Kolja) en een zelfgemaakte toneelbewerking van zijn boek De man van je leven heeft Arthur Japin de afgelopen maanden bepaald niet stilgezeten. Wat leest, luistert en ziet hij als hij niet aan het schrijven is?

(Interview in het septembernummer van HP/De Tijd, 2017.)

BOEKEN
“Een boek dat van grote invloed is geweest op mijn leven en werk, is Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar. Toen ik begin jaren tachtig samen met Rosita Steenbeek naar Rome ging, in de hoop dat we bij Fellini in een film zouden komen, zei iemand tegen ons: jullie moeten Hadrianius’ gedenkschriften lezen en in Tivoli zijn villa bezoeken. We zouden in de stad allemaal dingen vinden die in het boek voorkomen. Dus ik nam dat boek mee en las het daar. Het was de periode in mijn leven dat ik eigenlijk wel wist dat ik geen acteur wilde worden, maar niet wist wat ik wel moest gaan doen. Uiteindelijk ging ik schrijven, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart. Een Franse recensent schreef dat het deed denken aan de boeken van Yourcenar, terwijl ik die link zelf helemaal niet had gelegd. Achteraf bezien doe ik inderdaad wat zij doet in Hadrianus’ gedenkschriften en in haar andere boeken – Het hermetisch zwart bijvoorbeeld, dat misschien nog wel mooier is. Je neemt een persoon uit de geschiedenis en maakt die menselijk. En door die menselijke ogen bezie je een heel tijdsgewricht.”

MUZIEK
“Ik heb voor Kolja veel en goed naar Tsjaikovski geluisterd. Zijn Zesde symfonie (Pathétique), een stuk dat veel afscheid in zich herbergt, speelt in het boek een rol, omdat het een week voor de mysterieuze dood van de componist in première ging.Daar gaat het boek ook over: hoe is hij werkelijk aan zijn eind gekomen? Doordat ik me zo in hem ben gaan verdiepen, ben ik ook anders naar zijn muziek gaan luisteren. Je hoort de wanhoop van niet mogen zijn wie je bent, het altijd op zoek zijn naar verboden passie en de frustratie die zijn homoseksualiteit met zich meebracht. Bij geen enkele componist hoor je die lust en wanhoop zo sterk als bij hem.”

FILM
“Een film die echt invloed op mij had… echt invloed op mijn leven… dat zijn er meerdere. Als ik als kind bijvoorbeeld Cabaret met Liza Minelli niet had gezien of The Sound of Music met Julie Andrews of Funny Girl met Barbra Streisand, dan had ik het niet gered. Dat waren essentiele films om te overleven. In ieder zit een moment waarop de hoofdfiguur totaal aan de grond en in de put zit. Dan begint ergens een viool te spelen en begint hij of zij te zingen: maar dit laat ik niet gebeuren, ik vecht terug om te worden wie ik zijn moet en dat moet de wereld maar accepteren. Zo komen ze uit hun diepe dal naar buiten, dansend, en op straat dansen alle mensen met hen mee. Aan die totaal onwerkelijke gedachte van hoop houden tegen beter weten in – want dat is het – heb ik uiteindelijk meer geloof gehecht dan aan mijn werkelijkheid. Dat is mijn redding geweest.”

Het gehele interview leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Fotoserie: op bezoek in het atelier van Dick Bruna

In de zomer van 2008 bracht ik met mijn beste vriend en trawant Brian van der Vegt een bezoek aan het atelier van Dick Bruna in de Jeruzalemstraat in Utrecht.

Voor een serie interviews die ik voor een fictieve schoolkrant maakte (als je geen schoolkrant hebt moet je er als nieuwsgierige jongeling maar een verzinnen) stelde ik hem wat vragen. Het interview is tezamen met andere interviews die ik die zomer hield tot mijn grote spijt verloren gegaan. Een gecrashte harde schijf wiste zomaar mijn eerste schreden op het interviewerspad.
Van het bezoek herinner ik mij slechts flarden. Ik weet nog dat zijn atelier veel kleiner was dan ik me had voorgesteld. De ruimte rook naar mijn basisschool. (Dat zal de plakkaatverf zijn geweest. Of beeldde ik het me in en riepen de afbeeldingen van nijntje die geurherinnering op?) Overal stonden kwasten en potloden. In verschillende lades bewaarde hij tekeningen. Naast een boekenkast met daarin vele honderden nijntjeboeken – soms in talen waarvan ik nog nooit had gehoord – stond een kast waarin hij de fanmail die hij vanuit de hele wereld ontving trots had uitgestald. Zijn ogen glunderden toen hij vertelde dat hij dagelijks tientallen brieven en kaartjes van kinderen ontving.
Van het interview zelf herinner ik mij ook nog slechts een peer antwoorden. Hij vertelde onder meer dat hij, hoewel hij toen al tachtig jaar oud was, zeven dagen per week op zijn atelier was, vaak minimaal acht uur per dag. Zijn grootste angst was dat hij niet meer kon tekenen. De lijnen begonnen al iets meer te bibberen dan voorheen. Soms hield hij een kwast met twee handen vast om toch een strakke lijn te trekken. Het moeilijkst om te tekenen vond hij de ogen van nijn – dat kwam allemaal heel precies. Hij vertelde dat hij hoopte dat hij nog lang geestelijk en lichamelijk in goede gezondheid zou verkeren en nog minimaal tien jaar dagelijks naar zijn atelier kon fietsen. Als ik een keer tijd heb zal ik proberen om wat van mijn oude aantekeningen uit te werken en een langer verhaal te schrijven.

Ter gelegenheid van de negentigste geboortedag van Dick Bruna (1927 – 2017) zet ik een selectie van de fotoserie online. Het atelier aan de Jeruzalemstraat is inmiddels ontmanteld en een op een gereconstrueerd in het nijntje museum in Utrecht. Zijn fiets staat er voorgoed op slot.

Foto’s: © Nick Muller, 2008.

 

De 21 beste boeken die u nooit heeft gelezen

Wat is het beste boek uit het Nederlands taalgebied dat niemand heeft gelezen? HP/De Tijd vraagt, net als vorig jaar, ruim twintig lieden uit het boekenvak naar het boek waarvan zij vinden dat het onterecht weinig is gelezen of in de vergetelheid is geraakt.

(Voor de website van HP/De Tijd, juni 2017.)

Meer lezen over De 21 beste boeken die u nooit heeft gelezen